Categorie archief: Algemeen

Begraven als honden

De grootste horror voor de armen van de negentiende eeuw was het hospitaal. Er bestond immers altijd een reële kans dat ze tijdens een kosteloos verblijf in een van de overbevolkte ziekenzalen zouden bezwijken aan hun kwaal. En wat er dan na de dood met hun lichaam gebeurde, dat hadden zij noch hun overlevende familieleden in de hand.

Anonieme ‘hondenbegrafenissen’

Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865)
Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865).

Dode lichamen van armen kwamen na hun overlijden in een van de Brusselse publieke ziekenhuizen terecht in het anatomisch amfitheater. Daar werden de lijken verschillende keren ontleed door geneeskundestudenten, waarna het stoffelijk overschot zo snel mogelijk op een naburig kerkhof werd begraven. Van de lijken bleef er weinig intact. De goedkope individuele doodskisten waarin de menselijke resten werden verzameld, bevatten naast lichaamsdelen ook ondefinieerbare lichaamsvloeistoffen en weefsels. Zo gebeurde het weleens dat er per ongeluk lichaamsresten van meerdere overledenen in een kist belandden. Deze anonieme begrafenissen, waarbij armen niet de kans kregen om afscheid te nemen van hun naasten, stonden in de volksbuurten van Brussel bekend als onfatsoenlijke ‘hondenbegrafenissen’.

Arme families probeerden hun overleden verwanten dit lot te besparen, maar werden daarbij gehinderd door de bestaande ziekenhuisreglementen. In principe hadden zij het recht om het lichaam van hun overleden kind, ouder, broer of zus op te eisen. Op deze manier konden ze belemmeren dat het door anatomisten werd opengesneden en hadden ze de kans om de begrafenis bij te wonen. Dat was echter alleen mogelijk als families binnen 24 uur na de dood van hun familielid de kosten van de doodskist en de begrafeniskoets betaalden, wat voor armlastige families een financieel moeilijke, zij het niet per se onmogelijke zaak was. Na deze termijn werden de lichamen overgebracht naar het anatomisch amfitheater.

Wat niet weet, wat niet deert

Een bijkomend struikelblok was de nalatigheid van ziekenhuismedewerkers. Het gebeurde regelmatig dat families niet of te laat werden geïnformeerd over de dood van hun naaste. Bij aankomst na 24 uur in het ziekenhuis kregen ze te horen dat de begrafenis al achter de rug was. In werkelijkheid bevond het lichaam zich op dat moment op de dissectietafel in het anatomisch amfitheater. Personeelsleden moesten de trieste waarheid verhullen om hartverscheurende scènes van verontwaardigde families in de gangen van de ziekenhuizen te vermijden. Anonieme begrafenissen van ontlede patiënten werden met andere woorden in duisternis gehuld.

Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930
Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930.

Ook verwanten die er wel in slaagden om tijdig de begrafeniskosten te betalen, moesten niet hopen op een respectvolle behandeling van het lichaam van hun naasten. Dit werd in een mortuarium tussen andere lichamen gelegd, waar familieleden de overledene konden komen groeten. Tot de verbijstering van sommige familieleden waren deze lijken allesbehalve presentabel. Onbedekt en met geopende ogen werden ze aan het rouwende publiek tentoongesteld. Familieleden reageerden onder meer geschokt op de gewelddadige manier waarop de kisting plaatsvond. In bijzijn van familieleden sloegen ziekenhuismedewerkers de planken rondom de overledene vast met spijkers.

De kracht van protest

Doorheen de negentiende eeuw brachten dergelijke klachten weinig veranderingen teweeg aan de omgang met lijken van armlastige patiënten. Dat betekende niet dat familieleden helemaal machteloos stonden tegenover de gang van zaken. Door luidkeels en met geweld te protesteren, konden zij ad hoc bepaalde rechten opeisen. Zo was het voor personeelsleden onmogelijk om de doodskist volgens de voorschriften een uur voor de begrafenis te sluiten, omdat er altijd nog laattijdige familieleden opdaagden die stonden op hun recht om respect te betuigen aan het lichaam. Om de goede vrede in het ziekenhuis te bewaren, was het personeel bereid tot beperkte tegemoetkomingen.

Schets van een lijkkoets, 1846
Schets van een lijkkoets, 1846.

De klachten van Brusselse armen vonden wel gehoor in politieke middens. De meest invloedrijke kritiek op de gang van zaken in ziekenhuizen ging uit van de socialisten. In hun strijd tegen klassenongelijkheid en voor algemeen stemrecht richtten zij omstreeks 1880 hun pijlen onder meer op de minderwaardige behandeling van armen voor en na hun dood. Brussel werd in deze periode de setting van opeenvolgende stakingen en gewelddadige betogingen. Ziekenhuisdirecties vreesden zelfs voor de komst van rode vlaggen en bijhorende manifestaties in eigen huis.

Begraven in een nieuw jasje

In deze politiek woelige periode zagen de ziekenhuisbestuurders zich genoodzaakt om de omstandigheden van armenbegrafenissen te verbeteren. Opgeëiste lichamen werden vanaf de eeuwwisseling in een nieuw jasje begraven. In plaats van de gebrekkige platte kisten voerde men aantrekkelijkere vijfhoekige kisten met een rode binnenbekleding in. De nagels om de kisten mee dicht te timmeren werden vervangen door schroeven. Zwarte stof op de kisten moest een fatsoenlijk afgeschermd transport van de doden doorheen de gangen in het ziekenhuis verzekeren. In 1910 was er zelfs sprake van kussentjes voor onder de hoofden van de overleden patiënten. Fatsoen en respect werden langzamerhand woorden van betekenis in de omgang met de lichamen van armen.

Veel armen konden na hun dood helaas niet profiteren van de nieuwe maatregelen. Zonder familieleden die hun lichamen konden opeisen, voelden ziekenhuisbeheerders zich niet genoodzaakt om aandacht te besteden aan het lot van hun stoffelijk overschot. Deze lijken passeerden zoals vanouds langs het anatomisch amfitheater, vooraleer ze hun laatste rustplaats in goedkope sjofele kisten bereikten. Niemand was aanwezig op hun begrafenis.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en vrijzinnigheid in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Vanitasstilleven, 1625 door Pieter Claesz. (Haarlem, Frans Hals Museum)

Hoe echografie van de foetus een kindje maakte

Wat zie je wanneer je naar bovenstaande afbeelding kijkt? De kans is groot dat je dit wazig zwart-wit beeld meteen herkent als een echografie. Het is het resultaat van een medisch technisch onderzoek dat de gynaecoloog in staat stelt te kijken naar wat er zich afspeelt in de buik van zijn patiënte. Maar een echografie is veel meer dan een medisch instrument om de ontwikkelende foetus te onderzoeken. Sinds haar popularisering in de jaren tachtig zijn de echografische beelden buiten de muren van de praktijk van de gynaecoloog getreden en deel geworden van een bredere en persoonlijkere verbeelding van de foetus. De abstracte, zwart-witte vlekken werden gebruikt door aanstaande mama’s en papa’s om hun toekomstig kind in hun geest te portretteren.

‘Ons kindje’

Da Vinci’s onderzoek van het menselijke embryo. (Royal Collection, Londen)

Op zich is het verlangen om voorbij de baarmoederwand te kijken niets nieuws. Al in de vroege zestiende eeuw maakte Da Vinci uitgebreide schetsen van hoe hij zich het leven in de buik van een zwangere vrouw inbeeldde. Maar ook buiten de studiekamers van geleerden vormden aanstaande moeders en vaders zich een beeld van hun toekomstige baby. Wat de introductie van echografie echter bijzonder maakte, was dat ze de aanstaande ouders van persoonlijke beelden van de foetus voorzag.

Voor het eerst kwamen ouders dankzij de echografie tijdens de zwangerschap in contact met afbeeldingen van hun eigen ongeboren kind. Ze konden zijn of haar bewegingen onder begeleiding van de gynaecoloog meevolgen op een klein schermpje. Het aanwijzen van de ontwikkelende handjes en voetjes, het zien van de precieze ligging van de foetus in de baarmoeder en het geluid van het kloppend hart vormden allemaal een basis om verder op te fantaseren. De naamloze foetus uit de boeken werd op deze manier vervangen door beelden van ‘ons kindje’.

Spelen met de tenen

Voetjes van een menselijke foetus. (CC BY-SA 4.0 Juan Caparrós en Gustavocarra)

De mogelijkheid om visuele informatie over de foetus te bezitten veranderde de ervaring van de zwangerschap dan ook op verschillende manieren. Voor Nadine, die een echografie onderging in 1990, zorgde dit bijvoorbeeld voor een levendige verbeelding van wat er zich in haar buik afspeelde, op een manier die een paar decennia ervoor onmogelijk was. In een gesprek over haar zwangerschapservaringen vertelde ze hoe ze tijdens haar bezoek aan de gynaecoloog steeds haar best deed om de echografiebeelden in haar geheugen te prenten. Wanneer ze dan thuis in de zetel zat, probeerde ze zich op basis hiervan in te beelden wat haar ongeboren kindje allemaal aan het uitspoken was:

ik kon bij manier van spreken
bijna met haar tenen spelen

De vrouw gebruikte de beelden die ze bij de gynaecoloog zag om aan het stampen van de foetus betekenis te geven. Haar idee dat ze als het ware met de tenen ervan kon spelen, toont hoe de echografie aan het gevoel van verbondenheid met het leven in haar buik een nieuwe dimensie gaf. De foetus was voor haar al een dochtertje met wie ze kon ravotten.

Angst

Een echografie van Chris.

Maar de mogelijkheid om een foetus van dichtbij te bekijken, bracht ook een keerzijde met zich mee. Echografie werd immers ontwikkeld om misvormingen van de foetus voor de geboorte op te sporen en indien mogelijk te behandelen. Naast een gevoel van verbondenheid met het ongeboren kind boezemde echografie bijgevolg ook angst in. Angst dat het beeld van een toekomstige zoon of dochter niet overeen zou komen met de werkelijkheid, angst dat de gynaecoloog gebreken zou ontdekken. Dit gevoel sijpelde sterk door in de woorden van Chris, die als diabetes-patiënte meerdere echo’s liet nemen in 1988. Zij koesterde een irrationele angst dat de gynaecoloog haar zou vertellen dat haar kindje een hazenlip zou hebben:

want ik had
stom
(lacht)
heel mijn zwangerschap schrik voor een hazenlip

Uit haar woorden wordt duidelijk dat Chris niet alleen wist dat de gynaecoloog aan de hand van een echografie kon ontdekken of haar kindje de gevreesde hazenlip zou bezitten, maar ook hoe deze angst haar zwangerschapservaring tekende. In dit geval stimuleerde echografie dus de verbeelding op een meer negatieve wijze: het zette Chris aan tot doemdenken. De mogelijkheid om haar foetus van dichtbij te bekijken, betekende immers ook dat ze van dichtbij alles kon zien misgaan.

Beide voorbeelden tonen aan hoe de echografie op verschillende manieren de zwangerschapservaring veranderde in de jaren tachtig. Het abstracte leven in de zwangere buik kon dankzij deze nieuwe technologie de vorm van een kind aannemen in de verbeelding, met alle gevolgen van dien. Afhankelijk van de omstandigheden waarbinnen de zwangerschap verliep, lokte echografie zowel gevoelens van verbondenheid met de foetus als angst om de gezondheid ervan uit. De zwart-witte beelden waar we inmiddels allemaal mee vertrouwd zijn, hadden dus ook een grote impact op het leven buiten de praktijk van de gynaecoloog.

Samuel Vermote is student cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over de invloed van de echografie op de relatie tussen vrouwen en de medische wereld.

Titelafbeelding: Foto Nevit Dilmen (CC BY-SA 3.0).

Het dierenrijk ingedeeld in 14 soorten – nr. 8 had je nooit gedacht!

In het Hemels Emporium van welwillende kennis, een Chinese encyclopedie, staat geschreven dat dieren als volgt kunnen worden ingedeeld:

  1. Degene die toebehoren aan de keizer
  2. Gebalsemde
  3. Getemde
  4. Speenvarkens
  5. Zeemeerminnen
  6. Fabeldieren
  7. Zwerfhonden
  8. Degene die in deze classificatie zijn opgenomen
  9. Degene die tekeergaan als dwazen
  10. Ontelbare
  11. Degene die getekend zijn met een heel fijn kameelharen penseel
  12. Et cetera
  13. Degene die net een vaas hebben gebroken
  14. Degene die in de verte op vliegen lijken

Het is een lijst die ons verbaast. De encyclopedie heeft wellicht nooit bestaan – het enige spoor ervan is een citatie door de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges, in een korte tekst over De analytische taal van John Wilkis (1942). Borges wilde aantonen dat classificatiesystemen altijd iets arbitrairs hebben. De manier waarop we in het Westen naar de wereld kijken – de associaties die we maken, de zaken die volgens ons bij elkaar horen – is altijd voorwaardelijk; het is slechts een van de vele manieren waarop we de wereld kunnen bekijken. De westerse logica is niet dé logica, het is slechts een logica.

De lijst werd beroemd dankzij de Franse filosoof Michel Foucault, die er De woorden en de dingen mee opende. De lijst, schreef Foucault, is lachwekkend, maar ook ongemakkelijk. Op allerlei vlakken strijdt ze met ons gevoel voor een juiste orde. Het probleem is niet elk individueel onderdeel van de lijst, maar precies het feit dat ze in een genummerde lijst staan. Er zitten overlappingen en hiaten in. Er zitten degene in ‘die in deze classificatie zijn opgenomen’. En dan zijn er nog de ‘et cetera’, die niet eens aan het einde van de lijst staan. De opsomming der dieren inspireerde Foucault tot het idee dat elke cultuur en elke tijdsperiode haar eigen onderliggende aannames heeft over wat aanvaardbaar is en wat niet. Het probleem is niet dat de lijst niet klopt. Het probleem is dat de lijst de grenzen aantoont van wat kan kloppen.

De Chinese encyclopedie toont tegelijk de dwingende kracht en het angstaanjagende van een lijst.

Tekst: Elwin Hofman

2015

VuurwerkDenHaagVredeAken1749

In 2015 is het 100 jaar geleden dat de controversiële racistische film The Birth of a Nation in première ging en de tegenstellingen tussen zwarten en blanken in de VS scherp stelde.

In 2015 is het 200 jaar geleden dat het Congres van Wenen een slot kende en de nationale grenzen in Europa  na overleg tussen alle Europese machten, inclusief Rusland, vastgelegd werden.

In 2015 is het 300 jaar geleden dat Lodewijk XIV na een regering van 72 jaar stierf. Daarmee is hij nog steeds de langst heersende Europese soeverein.

Cultuurgeschiedenis.be wenst u een zalig jaar vol historische verwondering.

Afbeelding: In 2015 is het 266 jaar geleden dat Jan Caspar Philips het bovenstaande vuurwerk in Den Haag ter gelegenheid van de Vrede van Aken tekende. De gravure wordt bewaard in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Wat doet die auto daar?

Gastblog door Stijn Knuts

Zondag 5 april 1987 moest een hoogdag worden voor de Deense renner Jesper Skibby. Hij rijdt alleen voorop in de Ronde van Vlaanderen en begint aan de beklimming van de Koppenberg, één van de meest gevreesde heuvels op het wedstrijdparcours. Dan begint Skibby’s motor te sputteren: hij zwalpt van rechts naar links op het kasseiwegeltje dat naar de top van de helling leidt. In de achtergrond duikt de wagen van de wedstrijddirecteur op. Die heeft geen medelijden met Skibby: de auto ramt zijn achterwiel, waardoor de Deen van zijn fiets valt, en rijdt vervolgens aan een rotvaart verder. Het publiek ziet hoe een gedesoriënteerde Skibby te voet de helling begint te beklimmen, op zoek naar een nieuw achterwiel voor zijn defecte fiets. Iedereen denkt hetzelfde: wat deed die auto daar?

https://www.youtube.com/watch?v=j03obuRAHiM

Ja, wat heeft Koning Auto te zoeken op de hoogdag van de vélo? Bij zijn opkomst in de late jaren 1890 verdreef de automobiel immers die fiets als het modieuze vervoers- en ontspanningsmiddel bij uitstek van de hogere klassen. Ook heel wat wielrenners en organisatoren van wedstrijden stapten over op dat exclusievere en snellere nieuwe voertuig, wat tot een crisis in de sport leidde. Tegelijk waren er ook manieren waarop die auto net een nieuw elan aan dat wielrennen gaf. Fiets en automobiel waren niet altijd elkaars tegengestelden. Dat was vooral zo in de langeafstandswedstrijden op de openbare weg. Die waren de boegbeelden van de wielersport in de jaren 1890. Races als Parijs-Brest-Parijs (over 1200 kilometer!) in 1891 spraken tot de verbeelding. Makkelijk te organiseren waren ze evenwel niet. Bij het controleren van de deelnemers en het verslaan van de wedstrijden voor de dagbladen die er vaak aan de basis van liggen, kwam heel wat kunst- en vliegwerk kijken. Correspondenten die vanaf een vaste locatie de renners gadesloegen en hun bevindingen via telegraaf doorstuurden, bijvoorbeeld. Paard en koets konden de renners immers niet bijhouden, en de trein was niet flexibel genoeg om het hele traject te volgen.

Vierwielige hulp

De voertuigen van Le Sportsman, 1905.
De voertuigen van Le Sportsman, 1905.

De automobiel bood hier nieuwe mogelijkheden. Dat de Franse sportkrant L’Auto-Vélo, die in 1903 de eerste Tour de France organiseerde, wagens ter beschikking had – hun hoofdsponsor was de automobielproducent de Dion – maakte dat monsterevenement ongetwijfeld mee mogelijk. Niet alleen kon men het wedstrijdparcours nu vlot verkennen, journalisten konden nu ook tijdens de wedstrijd in het spoor van de renners blijven. Dat maakte hun verslagen gedetailleerder én kleurrijker. Ook in België vergemakkelijkte de automobiel nieuwe initiatieven in de na 1900 opnieuw bloeiende wielersport. Door de dalende fietsprijzen kon de fiets immers steeds meer jonge arbeiders en boeren bekoren. Wanneer de sportkrant Le Sportsman in 1905 de wedstrijd Brussel-Roubaix op touw zette, gebruikte ze bijvoorbeeld twee automobielen om het parcours te controleren en het rennerspeloton te begeleiden.

De auto was zo al snel essentieel voor de organisatie van wielerwedstrijden. Dat bleek ook tijdens de eerste editie van de Ronde van Vlaanderen in mei 1913. Hoewel de organisator, de in 1912 gestichte sportkrant Sportwereld, zelf twee wagens voorzag, vielen beide vehikels tijdens de race in panne. De autoproducent S.P.A., die zelf een wagen in koers had, nam daarop Sportwereld-directeur Léon van den Haute aan boord om hem de race verder te laten volgen. Ook in latere edities van die Ronde speelde de wagen een belangrijke rol, bijvoorbeeld bij de jaarlijkse verkenning van het meer dan 200 kilometer tellende parcours.

Léon van den Haute en collega’s, jaren 1920.
Léon van den Haute en collega’s, jaren 1920.

Zeker na 1918 nam het aantal gemotoriseerde ‘deelnemers’ aan wielerwedstrijden sterk toe. Organisatoren, journalisten, de wielerteams waar veel renners door gesponsord werden: allemaal hadden ze één of meerdere wagens in koers. Tijdens de Ronde van Vlaanderen van 1924 werd het rennerspeloton zo niet enkel gevolgd door wagens van Sportwereld, maar ook door die van kranten als La Dernière Heure en Le Peuple en van Franse wielerteams als Alcyon. Bovendien doken, vooral naar de Tweede Wereldoorlog toe, ook geleidelijk gemotoriseerde reclamestoeten op.

Zeker voor sportjournalisten speelde de auto een centrale rol in hun beroep. Wagens figureerden soms uitdrukkelijk in hun wedstrijdverslagen, zoals in de Sportwereld-artikelenreeks uit 1921 ‘Met de “Napier” op reis in de Ronde van België’, waarin Léon Ramault en Léon van den Haute verslag deden van die rittenwedstrijd vanuit hun Napier-wagen. De auto vormde zo hun perspectief bij uitstek op de sport, het vantage point van waaruit ze hun lyrische verslagen schreven. Niet dat het altijd even comfortabel rijden was: hitte en kou, benzinegebrek en grote of kleine ongelukken maakten van de gemotoriseerde ervaring van de wielersport ook een vaak hachelijke onderneming.

Stof, lawaai en gevaar

Bovendien was niet alles positief aan die auto. Zijn aanwezigheid bracht ook grote hinder voor de protagonisten van het wielrennen – de renners – met zich mee. Zo klaagde de krant Les Sports in 1935 over het rijgedrag van een collega van de Gazet van Antwerpen, die tijdens de Ronde van België reed alsof wedstrijd én weg van hem waren. Niet journalisten of organisatoren zorgden echter voor de grootste problemen. Met de groeiende maatschappelijke consumptie van de auto stelde zich nu ook steeds vaker het probleem van toeschouwers die wedstrijden in hun eigen voertuigen volgden, en zo de officiële auto’s én de renners hinderden.

Karel van Wijnendaele (r.) en zoon Willem (l.) in de Ronde van Frankrijk, 1959 (WieMu, Roeselare).
Karel van Wijnendaele (r.) en zoon Willem (l.) in de Ronde van Frankrijk, 1959 (WieMu, Roeselare).

Vooral in de Ronde van Vlaanderen nam dit ‘volgersprobleem’ angstwekkende proporties aan tijdens het interbellum. Naargelang de wedstrijd populairder werd, lokte ze steeds meer gemotoriseerde volgers. Wanneer Stijn Streuvels in 1937 in een gastbijdrage aan Sportwereld over de Ronde schreef, merkte hij op: ‘het is meer een optocht van auto’s dan van coureurs!’ Opwaaiend stof, lawaaihinder én ongelukken waren vaste prik. Sportwereld zocht naarstig naar oplossingen. In 1937 werd de Ronde bijvoorbeeld begeleid door acht gemotoriseerde Rijkswachters, die alle ongewenste voertuigen uit de wedstrijd moesten houden. Het autoprobleem werd zo ingeperkt door andere gemotoriseerde vehikels. Die waren, zo ondervond Jesper Skibby later, een onmisbaar deel van de wielercultuur geworden.

(Stijn Knuts)

Stijn Knuts is historicus en doctor in de Bewegingswetenschappen. Hij is verbonden aan de Onderzoeksgroep Sport- en Bewegingsbeleid van de KU Leuven. In mei 2014 promoveerde hij op een proefschrift over de sociale en culturele geschiedenis van het fietsen en wielrennen in België vóór de Tweede Wereldoorlog.

Titelafbeelding: wagens van de coaches in Bordeaux-Parijs, 1912. Gallica.

Zomerblog: Geschiedenis op de bus

Ook op Cultuurgeschiedenis.be zetten we de zomer in. Daarom wisselen we de reguliere blogberichten af met lichtere, kortere teksten over geschiedenis in het dagelijkse en minder dagelijkse leven.

Ik bevond mij enkele weken geleden op een volgepakte shuttlebus in Yosemite National Park, Californië. Naast mij zat een Frans gezin: een moeder met een klein kind op schoot, een kind van een jaar of tien naast haar en een nors kijkende vader ertegenover. Met ons allen zagen we uit naar de bestemming van de bus, alwaar we bomen van niet minder dan 2500 jaar oud zouden mogen aanschouwen. Dat vooruitzicht noopte tot het aanscherpen van het historisch besef van de jeugd.

We waren nog maar net opgestapt en de befaamde grondlegger van het protestantisme, Luther King, kwam al aan bod. “Let wel,” waarschuwde de moeder haar oudste zoon, “Je mag die niet verwarren met Marten Luther King, de Amerikaan.” Dat is inderdaad een risico.

De geschiedenisles was nog niet ten einde. Een andere grootheid uit het verleden kwam ter sprake: Lodewijk XIV. Zoonlief werd aan een verhoor onderworpen:

Moeder: Et Louis XIV, tu le connais?

Zoon: C’était qui?

Moeder: C’était le roi de France.

De zoon keek bijzonder geïnteresseerd. Koning van Frankrijk. Amai.

Moeder: Et comment est-il mort?

Zoon: Comment?

De moeder liet een verwachtingsvolle stilte vallen en ging met haar hand langs haar hals. Onthoofd. Décapité. Dat niet Lodewijk XIV, maar wel zijn nazaat Lodewijk XVI het hoofd op de guillotine verloor, enkele maanden later gevolgd door zijn echtgenote Marie Antoinette, deed niets af van het drama.

Op dat moment besloot een gebronsde Duitser, eveneens op de multinationale bus aanwezig, dat het tijd was om zijn kennis van de zaak tentoon te spreiden. “Louis XIV? C’était le Roi du Soleil!” De moeder knikte instemmend. De vader zag zich echter genoodzaakt tussenbeide te komen. “C’était le Roi-Soleil,” corrigeerde hij streng. De moeder viel hem bij. De Duitser trok zich terug.

Moeder: Et Louis XIV, il était marié à qui?

Zoon: A qui était-il marié?

Moeder: Il était marié avec Marie Antoinette!

Twee dagen later en driehonderd kilometer verder bezocht ik het Cartoon Art Museum in San Francisco. Op een van de cartoons was een reporter afgebeeld die meldde dat het historisch besef van de jeugd er volgens een recente studie op achteruitging. De afgebeelde jeugd zag er geen graten in. “Dude, they say history repeats itself. We’ll catch the rerun.”

(Elwin Hofman)

Elwin Hofman is als aspirant van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar het ontstaan van een moderne zelfopvatting bij moordenaars, prostituees en sodomieten in de Zuidelijke Nederlanden in de late achttiende eeuw.

Charisma

Gustave Le BonVergeet het nooit: de psychologie van het kantoor is de psychologie van de meute! Echt waar? Met wilde dieren had ik de brave kantoorklerken op de foto niet echt geassocieerd. Maar toch staat het hier zwart op wit: een kudde! Die alleen door leiders met karakter in de hand kan worden gehouden!

Het zijn bizarre citaten die neerdwarrelen uit de archieven van de ASLK. Ik probeer mij een weg te banen door de organisatiepsychologie, zoals die opgang maakte in de snel groeiende tertiaire sector van de jaren 1920 en 1930. En banken en verzekeringsmaatschappijen hoorden daar uiteraard bij. De directeurs van financiële instellingen waren bij de eersten om psychologen in te huren om de menselijke factor die hen ter hand was gesteld, te rationaliseren. Maar dat ik in de nota’s van hun personeelsdirecteurs zoveel citaten van Gustave Le Bon zou aantreffen?

In de nagelaten paperassen van Auguste Théate, één van de divisiedirecteuren van de ASLK in de jaren 1930, zoek ik de fall out van de massapsychologische inspiratie. Zijn plan voor een bijzondere opleiding voor de hogere kaders van de Spaarkas, blijkt een woud van fascistische referenties. Un cadre homogène de chefs, wilde hij opleiden, inspirés par une même doctrine. Alleen de kracht van het charisma, zo gaat het verder in zijn memo’s, deed de hele kudde bedienden opereren als één man, met één wil, en één chef. Is het dat wat psychologen en organisatiedeskundigen bedoelden met hun ordre meilleur en nouveau?

Natuurlijk is die suggestie niet nieuw – Frederick Taylor is al wel een eerdere als intellectuele vader van Benito Mussolini neergezet. Maar toch blijft de verwantschap verbazen. Precies omdat organisatiepsychologen zich ook altijd op een andere manier hadden gepresenteerd. In de vroeg-twintigste-eeuwse teksten die ik lees van experimenteel-psychologen, ‘arbeidswetenschappers’ of ‘arbeidsmarktoriënteerders’ – de termen waren nog vloeibaar – gaat het over individuen, eerder dan over massa’s. Ik lees over specifieke psychologische capaciteiten, eerder dan over psychologische suggesties. Over de pedagogie van de rede, eerder dan over de schimmen van het charisma.

In de praktijk blijken die twee echter niet zo gemakkelijk uit elkaar te halen. Zou dat vandaag zo anders zijn?

(Evert Peeters)

Het plezier van het schrijven

De LivingDinsdag 18 december was het de maandelijkse comedy-avond in mijn stamcafé De Living in Heist-op-den-Berg. Een moment van ontspanning, ongegeneerde lachbuien en een pintje moesten me de obstakels van mijn laatste doctoraatshoofdstuk doen vergeten. Dat  was hoognodig, na weken van schaven aan zinnen en opnieuw beginnen.

Steven Goegebeur, die in De Living altijd een welkom podium vindt, vierde zijn vijfde jaar als Stand-Up comedian. Voor de gelegenheid nodigde hij enkele vrienden uit en dat waren niet de minste: Vos & Wezel, Johan Petit en Vitalski.

Het kleinkunst duo Vos & Wezel verrasten het publiek – dat toch comedy had verwacht – met hun liedjes. Na tien minuten hadden ze de zaal mee en met een improvisatienummer over een verhaal uit het publiek waren de laatste sceptici overtuigd.

Toen was er pauze. Aan de toog stond ik licht jaloers te mijmeren over de schijnbaar moeiteloze woordkunst die ik had gezien en gehoord. Zonder te willen luistervinken hoorde ik een beginnende comedian aan diezelfde toog zeggen: ‘Pfff…al twee weken aan een tekst van zes bladzijden gewerkt en ’t is nog niet goed. Als hij morgen niet aanslaat gooi ik hem weg.’ Herkenning en troost: schrijven is soms wroeten voor iedereen.

Na het reces brachten Johan Petit en Vitalski met een ‘verhaal over niets’ een tegenhanger van hun recente toneelstuk ‘over alles’. De kritieken op dat laatste (in o.a. Focus Knack) waren ook van toepassing op hun optreden in Heist. De verhalen van Petit zijn aandoenlijk, grappig en herkenbaar. Misschien een beetje te herkenbaar, zodat het voorspelbaar wordt? Petit oogstte in elk geval veel succes. Zoveel, dat het uitblijven van enthousiasme tegenover Vitalski soms pijnlijk duidelijk werd. Had ook hij niet beter wat langer aan zijn deel van de tekst geschaafd?

Goegebeur mocht tevreden zijn over wat toch zijn avond was. De felicitaties werden overgebracht. Ik vertelde hem het toogverhaal en hij beaamde de moeilijkheden van het comedy vak. Leven van het woord is niet eenvoudig.

In kleine bekommernissen en onzekerheden vonden we een brug tussen twee werelden. Algauw praatten we enthousiast over onze projecten, het combineren van jobs en de inspiratie die dat geeft. De kracht van het verhaal bleek een gemeenschappelijke overtuiging. Die avond vond ik iets terug wat in het gewroet wel eens de weg verliest: het plezier van het schrijven.

What About U?

Er waren eens mannen met plannen. Ze wilden revolutionaire winkelgebouwen neerplanten, grootse architecturale constructies, waar je alles kon kopen en waar winkelen een echte belevenis zou worden. Hun winkelwalhalla’s zouden iets nieuws brengen, iets wat nog nooit was gezien. Tegenstanders waren onder meer kleine winkeliers in de omgeving. Ze waren bang verpletterd te worden door de mastodonten waarmee ze nooit zouden kunnen concurreren. Voorstanders zagen vooral de economische winst. Voor hen waren de Walhalla’s innovatief en goed voor de economische ontwikkeling.

Het zal u misschien verbazen, maar die mannen met plannen leefden in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ze bouwden de voor ons zo vertrouwde Brusselse warenhuizen als de Au bon marché (1860), A l’Innovation (1897) en Old England (1899) die toen evenveel controverse en emoties teweegbrachten als Uplace vandaag. Dat Emile Zola met Au bonheur des dames (1883) een hele roman aan het nieuwe fenomeen wijdde, was geen toeval. Dat die roman deel uitmaakte van de cultuurkritische Rougon Macquartserie was dat al evenmin. In Au bonheur des dames synthetiseerde Zola namelijk de eigentijdse controverses en de emoties die het warenhuis in Parijs en de rest van Europa had teweegbracht.

Old EnglandDe emoties kwamen inderdaad voort uit de grotere maatschappelijke debatten waarmee de economische argumenten waren vervlochten. De economische argumentatie draaide in essentie immers om het ruimere vraagstuk van het consumptiekapitalisme. De schaalvergroting die warenhuizen in het winkellandschap teweegbrachten, zorgde in de eerste plaats voor controverse omwille van het ongebreidelde karakter ervan. Het debat dat zich rond dat ongebreideld consumeren ontspon, oversteeg het economische vraagstuk. Het was ook sociaal en cultureel van aard. Zola karakteriseerde het warenhuis bijvoorbeeld als een industriële machine, die ’s ochtends al piepend en krakend op gang kwam en tegen de middag – met een zwerm half hysterische vrouwen opgezogen in het fabelachtige interieur – op volle toeren draaide. Het warenhuis stond symbool voor de versnelling en de mechanisering van de toenmalige samenleving en over de wenselijkheid van dergelijke paleizen van verleiding en consumptie.

Een ander – verwant, maar minder opvallend – maatschappelijk debat dat rond het warenhuis werd uitgevochten, was dat van de positie van de vrouw in de publieke ruimte. Voor velen stond het warenhuis inderdaad symbool voor de zelfstandige en ongecontroleerde aanwezigheid van vrouwen in de samenleving, wat op dat moment veelal als ongepast werd ervaren. Anderen bestempelden het warenhuis dan weer als beperkend voor de vrouwelijke ontwikkeling. De vrouw werd er herleid tot een passief, consumptief wezen. Duidelijk is dat de commotie over warenhuizen destijds de besognes en problemen weerspiegelde waarmee de samenleving worstelde. Deze zogenaamd economische instellingen waren dan ook geen maatschappelijke Bermuda-driehoeken en zijn dat nog steeds niet.

Ook vandaag is het debat over Uplace meer dan een louter economisch en ecologisch dossier. En net daar schuilt het probleem. Het debat wordt hoofdzakelijk in technische en praktische termen gevoerd. Bart Verhaeghe, de man achter het Uplace-plan, heeft het over jobcreatie en de toename van investeringen. Zijn website is duidelijk : ‘De Belgische consument (…) geeft zijn euro’s uit in Londen, Parijs, Amsterdam of zelfs New York. Uplace brengt die inkomsten en investeringen terug naar eigen land.’ Unizo protesteert dan weer tegen de moordende concurrentie die Uplace voor de lokale kleinhandel zou betekenen.

Nog anderen twijfelen dan weer aan de economische rendabiliteit van het project. Zij argumenteren dat het onzinnig is te investeren in een megalomaan shoppingcenter, terwijl in de Verenigde Staten de voor de Amerikaanse cultuur zo emblematische malls in een crisis terecht zijn gekomen. Sinds het advies van de milieucommissie en de beslissing van minister Schauvliege zijn ook de ecologische argumenten van sanering (pro) tot vervuilende files (contra) legio.

Hoewel die economische en ecologische argumentaties verwijzen naar grotere maatschappelijke, ideologische en culturele vraagstukken, worden deze laatste – anders dan in negentiende-eeuwse debatten – systematisch uit de weg gegaan. Hoewel Annelies Beckx zich in haar stukje in De Standaard (DS 6/01/2012) openlijk afvroeg of we echt nog meer ‘scharminkels van megawinkels’ nodig hebben, is die vraag nauwelijks opgepikt. Die vraag gaat niet over de economische rendabiliteit, maar wel over de culturele en maatschappelijke implicaties van nóg een nieuw winkelcentrum.

Net als in de negentiende eeuw is het debat rond Uplace doortrokken van maatschappelijke overwegingen. Alleen komen die overwegingen in het Uplace-dossier te weinig expliciet aan bod. Net omdat de maatschappelijke vraagstukken indirect elke beslissing beïnvloeden, zouden we er openlijker over moeten durven discussiëren. Willen we een maatschappij waarin consumptie zo welig mag tieren als mogelijk is? Willen we nóg meer en nóg grootser, met alle economische, ecologische, sociale en culturele gevolgen van dien? Of willen we een samenleving die in het spoor van de huidige trends van retro, kleinschalig en tweedehands, cultuurkritisch omgaat met haar consumptiegewoontes?

Willen we op het gaspedaal duwen, of willen we schakelen of remmen? Dat is de centrale vraag. Dat is wat dit dossier zo emotioneel maakt. En misschien zou de minister van Leefmilieu haar Cultuur-hoed ook even kunnen opzetten om zich over die maatschappelijke vraag te buigen.

(Anneleen Arnout)