Categorie archief: Politiek & strijd

Socialist en spion: de keuzes van Victor Capart

Op 16 augustus 1880 reisden François Rembauville en Léonard Paris, twee agenten van de Franse grenspolitie, vanuit de Franse gemeente Tourcoing naar Brussel. De Belgische socialisten organiseerden er een manifestatie voor algemeen mannenstemrecht en beide agenten hadden de opdracht informatie te verzamelen over de eventuele deelname van Franse arbeiders aan de optocht. In de voorgaande maanden waren de socialisten uit Gent er immers in geslaagd om de Noord-Franse textielarbeiders, waaronder ook vele Belgische migranten, op te jutten. De industrie in Rijsel had wekenlang stilgelegen: een economische ramp die de autoriteiten en industriëlen in het vervolg liever in de kiem smoorden. De opdracht van Rembauville en Paris was niet eenvoudig, maar ze gingen niet onvoorbereid. Hun infiltrant en spion in socialistische kringen, Victor Capart, zou het werkelijke veldwerk verrichten en verslag uitbrengen in een Brussels café.

Een Belgische Fransman

Capart bundelde jaarlijks zijn liederen tot een 'almanach'.
Capart bundelde jaarlijks zijn liederen tot een ‘almanach’.

Victor Capart werd geboren in Tourcoing in 1839 als kind van Belgische migranten. Toen hij meerderjarig werd en kon kiezen tussen de Franse of Belgische nationaliteit, opteerde hij ervoor die laatste te behouden. Dat had als voordeel dat hij geen militaire dienst voor Frankrijk hoefde te doen. Het had echter ook als nadeel dat hij, als buitenlander, uit Frankrijk kon worden gezet bij de kleinste aanraking met het gerecht. Brulboei als Capart was, duurde het niet lang voor hij in de gevarenzone terecht kwam. Na een aantal caféruzies beslisten de conservatieve autoriteiten van Tourcoing hem het land uit te wijzen.

Capart trok niet ver: met vrouw en kinderen vestigde hij zich op drie kilometer van de Frans-Belgische grens, in Mont-à-Leux bij Moeskroen. Hij baatte er het café ‘À la république française’ uit – what’s in a name. Gelukkig was hij er allerminst. Hij verdiende niet genoeg om zijn gezin in België en zijn zieke moeder in Frankrijk te onderhouden, ook al trachtte hij opdrachten als thuiswever en de uitbating van het café te combineren. Bovendien voelde hij weinig affiniteit met België: het mocht dan wel het herkomstland van zijn ouders zijn, hij beschouwde zichzelf als op en top Frans. Terugkeren naar Frankrijk werd dan ook een levensdoel.

Geld en hoop: motieven voor spionage

Oproep tot een socialistische meeting in het café van Capart in Mont-à-Leux.
Oproep tot een socialistische meeting in het café van Capart in Mont-à-Leux.

In een brief aan de politiechef van Tourcoing, François Rembauville, bood Capart zich aan als spion voor Frankrijk. Toeval wilde immers dat zijn café in Mont-à-Leux was uitgegroeid tot de centrale ontmoetingsplaats voor Belgische en Noord-Franse socialisten. Capart zag zijn kans schoon. Frankrijk was niet tuk op de socialisten: zou de politie er geen baat bij hebben als hij haar voorzag van inside information over het grensoverschrijdende socialistische netwerk? Rembauville ging maar al te graag in op het voorstel van de banneling en schotelde hem in mei 1880 een contract voor. In ruil voor spionageactiviteiten kreeg Capart maandelijks een verloning van 50 Franse franken en werd hem een terugkeer naar Frankrijk in het vooruitzicht gesteld.

Een korte tijd liep alles goed. Capart bracht consciëntieus verslag uit van de socialistische vergaderingen in zijn café. Hij zette de politie op het spoor van een Belgische Fransman, Théodore Henri of ook wel ‘Le Blond’, die de Gentse financiering van de socialistische stakingen in Noord-Frankrijk had behartigd. Op basis van Caparts informatie werd hij uitgewezen. Maar na enkele maanden toonde Capart zich steeds meer van zijn minder betrouwbare kant. Op de manifestatie in Brussel kwam hij, tot grote ergernis van Rembauville en Paris, niet opdagen op het afgesproken uur. Toen beide agenten hem later toevallig tegen het lijf liepen, verontschuldigde de spion zich omstandig: hij had zich van café vergist. Om de tijd te doden had hij samen met een vriend de viool ter hand genomen en wat geld verdiend met muziek spelen. Rembauville wist heel goed dat Capart zich helemaal niet had vergist van café, maar gewoon het vlugge geld had verkozen boven zijn verplichtingen als spion. Zijn informant was een farçeur, en de politiechef nam zich voor extra op zijn tellen te passen.

Terug in Frankrijk

en lied van Victor Capart, onder de arbeidersbevolking verspreid via zogenaamde feuille volantes.
Een lied van Victor Capart, onder de arbeidersbevolking verspreid via zogenaamde ‘feuilles volantes’.

Hoe wispelturig Capart ook was, voor Rembauville bleef hij een waardevolle spion in socialistische middens. In 1881 of 1882 kreeg Capart toestemming om zich opnieuw in Noord-Frankrijk te vestigen, zij het niet zonder bijbedoelingen: in Roubaix hadden de socialisten zich onder leiding van Henri Carette georganiseerd als een lokale afdeling van de nationale Parti Ouvrier Français. Capart was de geknipte man om die jonge socialistische beweging in de gaten te houden.

Maar in ‘zijn’ Frankrijk ondervond Capart dat overleven net zo moeilijk was als in België. Hij opende een café in Roubaix dat te weinig werd bezocht om zijn familie te onderhouden. Gezien zijn reputatie als onruststoker vond hij amper werk in de textielindustrie en ook toen hij zich opnieuw installeerde als thuiswever, liepen de zaken niet zoals verhoopt. Zijn oor te luisteren leggen op café zat er steeds minder in, want, zo schreef hij aan Rembauville, ‘wie geen werk heeft en in de miserie zit, amuseert zich veel minder in het estaminet’.

Een volbloed socialist

Ergens rond het einde van de jaren 1880 stond Capart niet langer geboekstaafd als spion bij de Franse grenspolitie. Het is onduidelijk of hij er zelf de brui aan gaf of dat Rembauville hem vriendelijk bedankte voor bewezen diensten. Capart werkte in de daaropvolgende jaren voluit aan een carrière als socialistische zanger en militant politicus. Zijn uitgebreide socialistische netwerk kwam daarbij goed van pas. Wellicht was zijn enthousiasme voor het socialisme gegroeid tijdens zijn jarenlange spionageactiviteiten. En misschien had zijn engagement als spion op den duur ook als dekmantel voor zijn werkelijke socialistische sympathieën gediend.

Victor Capart slaagde er nooit in een succesvolle politieke carrière uit te bouwen. Een gevierd zanger werd hij echter wel. In 1908 stierf hij als volbloed socialist. Zijn kameraden eerden hem met een grootse begrafenis.

Meer lezen

Saartje Vanden Borre, ‘Singing, drinking, snitching. Victor Capart: a socialist in the French-Belgian border region at the turn of the century’, Socialist History, 44 (2014), 62-82.

Saartje Vanden Borre en Elien Declercq, ‘Socialist en spion. Victor Capart in de Frans-Belgische grensregio op het einde van de negentiende eeuw’, Brood en Rozen, 3 (2012), 4-21.

Sébastien Dhalluin, ‘Victor Capart, le chansonnier au deux visages (1839-1908)’, Revue du Nord, 94 (2012), 473-502.

Saartje Vanden Borre is als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze publiceerde over het sociaal-culturele leven en de integratie van Belgische migranten in Noord-Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Momenteel werkt ze aan een geschiedenis van Kulak.

Middeleeuwse schaduwpremiers

Gastblog door Ben Eersels.

BenEersels-Schaduwpremier-Cartoon‘Ik heb geen behoefte aan een debat over bedrijfswagens,’ liet de Antwerpse burgemeester en N-VA-voorzitter Bart de Wever op 2 december 2014 weten. Daarmee floot hij Johan van Overtveld, minister van financiën en nota bene zijn eigen partijgenoot, terug. Die had een dag eerder de deur open gezet voor een discussie omtrent het gunsttarief van bedrijfswagens, in het kader van de veelbesproken tax shift.

Een tweetal weken later stond De Wever opnieuw in de spotlights toen hij uitgebreid zijn ongezouten mening over de stakingen in België uit de doeken deed. ‘Kom dan zelf in de regering zitten’,  reageerde een boze Kris Peeters, minister van Werk, CD&V-kopstuk en coalitiepartner van de N-VA. Waar bemoeide de Wever zich eigenlijk wel mee? Was zijn plaats niet op het Schoon Verdiep in Antwerpen, in plaats van op het nationale politieke toneel? De demarches van De Wever voedden daarnaast ook de kritiek op premier Michel, die volgens zijn criticasters slechts een stropop zou zijn van ‘schaduwpremier’ De Wever.

Middeleeuwse precedenten

Antwerpen, ca. 1557.
Antwerpen, ca. 1557.

Historisch gezien is De Wevers interventie in de nationale politiek minder opzienbarend dan de reactie van Peeters laat uitschijnen. In de middeleeuwen hielden de stadsbesturen van het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen – grosso modo het huidige Vlaanderen – zich met veel meer zaken bezig dan enkel de lokale stedelijke politiek. De bestuurders van de grote steden waren er immers in geslaagd zich enorm te verrijken dankzij de lucratieve lakenhandel. Met die grote financiële rijkdom kwam ook politieke macht: er bestond immers geen systeem van vaste belastingen, waardoor de hertog en de graaf telkens wanneer zij geld nodig hadden een akkoord moesten sluiten met de stadsbesturen.

De steden besloten vaak om hun bedelende vorst inderdaad financiële hulp te verlenen, maar lieten het niet na om ook zelf voordeel te halen uit de situatie. De steden eisten in ruil voor hun goodwill immers verregaande privileges van de vorst, waardoor zij meer en meer bestuurlijke autonomie verkregen, terwijl de macht van de vorsten zienderogen verminderde. De hertog en de graaf zagen die evolutie uiteraard met lede ogen aan, maar stonden niet sterk genoeg om aan de wil van de stedelijke leiders te weerstaan.

Het verdrag van 1339

Het Gentse exemplaar van het verdrag van 1347.
Het Gentse exemplaar van het verdrag van 1339.

Op 3 december 1339 gingen de steden echter nog een stap verder. Op die dag sloten het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen een alliantie af, op zich niets ongewoons, ware het niet dat de grote Brabantse en Vlaamse steden – waaronder Antwerpen – door de stipulaties van die alliantie op verschillende vlakken een bijzonder verregaande beslissingsmacht verkregen. Zo werd er een gemeenschappelijke Brabants-Vlaamse munt en een bijbehorende commissie opgericht, die er op moest toezien dat de waarde van die munt constant bleef. Hoewel de muntslag in de middeleeuwen een exclusief voorrecht van de vorst was, zouden in die commissie zes vertegenwoordigers van de steden zetelen, tegenover slechts vier afgevaardigden van de vorsten. Ook in het overkoepelende juridische orgaan dat opgericht werd om onderlinge geschillen te regelen, zou er een meerderheid van stedelijke vertegenwoordigers zetelen.

De belangrijkste bepaling was misschien wel dat de militaire politiek van beide gebieden op elkaar afgestemd zou worden, met de bijkomende voorwaarde dat indien de Vlaamse graaf of Brabantse hertog oorlog wilde voeren, hij daarvoor eerst de toestemming van de andere vorst en vooral van de steden van beide gebieden moest verkrijgen. Zelfs op het vlak van internationale politiek konden de Brabantse en Vlaamse stadsbesturen dus een hartig woordje meespreken. De Wevers invloed op het nationale en internationale beleid steekt dus al bij al bleek af ten opzichte van zijn middeleeuwse voorgangers.

Recyclage van het verdrag

Verschillende artikels van het verdrag werden zelfs eeuwen later, in een totaal andere context, nog talloze malen opnieuw gebruikt. Tijdens de Nederlandse Opstand, die zou leiden tot de creatie van de onafhankelijke Republiek der Nederlanden, drukte Willem van Oranje het verdrag zelfs enkele keren opnieuw. De leider van de Nederlandse opstandelingen probeerde op die manier om de Brabanders en de Vlamingen te herinneren aan hun roemrijke verleden van onderlinge samenwerking, zodat zij hem zouden steunen in zijn strijd tegen de Spanjaarden.

Een traditie was geboren, want ook in een latere periode zouden de bepalingen van het verdrag regelmatig gebruikt worden als historisch argument in politieke en economische discussies. Zo verwezen enkele dissidenten uit onze gewesten in 1782 naar het verdrag als argument tegen de hervormingsplannen van hun nieuwe heerser, de Oostenrijkse keizer Jozef II. En toen in die periode de Lierse brouwers vrijheid van handel eisten, deden zij dat door zich te beroepen op één van de bepalingen van het verdrag van 1339. De Wever liet dus een unieke kans liggen om zich in een eeuwenlange historische traditie in te schrijven.

Meer lezen

Piet Avonds, ‘Beschouwingen over het ontstaan en de evolutie van het samenhorigheidsbesef in de Nederlanden’, in Jozef Andriessen, August Keersmaekers en Piet Lenders red., Cultuurgeschiedenis in de Nederlanden van de Renaissance naar de Romantiek, Leuven, 1986, 45-58.

Ben Eersels is gastblogger. Hij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de manieren waarop mensen bestuur en wetgeving in late middeleeuwen op een vredevolle manier trachtten te beïnvloeden.

Enkel ticketje naar Canada

In het midden van de negentiende eeuw was Vlaanderen een arme, overbevolkte regio met weinig toekomstperspectieven. Van landbouw viel er nauwelijks te leven, de huisnijverheid was in elkaar gestort en in de steden krioelde het van mensen die tevergeefs werk zochten in de textielindustrie. Wie kon en durfde, vertrok – naar Frankrijk, naar de Verenigde Staten, of naar elders. Maar ook emigreren kostte geld, geld dat de meerderheid van de bevolking niet had. Sommigen, zoals de West-Vlaamse Leon Cool in Canada, vroegen zich af waarom de Belgische staat zijn onderdanen niet te hulp kwam. Een actief emigratiebeleid, was dat geen oplossing voor alle problemen?

Een Belgisch emigratiebeleid

SaartjeVandenBorre-Canada-EmpressSteamerIn Canada waren er alvast mogelijkheden voor Belgische landverhuizers, zo bezwoer Leon Cool in het najaar van 1862 in een brief aan de Brugse bisschop Jean-Baptiste Malou. Cool was afkomstig uit Koekelare en gemigreerd naar Montréal, waar hij aan de slag was als hovenier. Ondanks de afstand was hij zijn vaderland niet vergeten: in de Spectactor of London had hij gelezen over de miserabele toestand van de Vlaamse boerenbevolking. Enkel de landverhuizing kon zijn ongelukkige landgenoten redden! De reis was doodeenvoudig: de steamer deed er vanuit Liverpool slechts tien dagen over. Potentiële landverhuizers moesten er enkel voor zorgen op tijd te komen, liefst voor midden juni, zodat ze nog wat konden zaaien en planten. O ja, en wellicht was het ook beter dat de Belgische overheid hen een startbedrag van vijftig dollar meegaf, zodat de mensen zich bij hun aankomst van de noodzakelijke levensmiddelen konden voorzien.

Vijftig dollar, dat was het equivalent van driehonderd franken, zo gaf Cool nog even ter informatie mee. Een klein offer van de Belgische autoriteiten om de ernstige armoede in het koninkrijk te lenigen en de bevolkingsdruk te verlichten. Cool was overtuigd van de waarde van zijn plannen, en was teleurgesteld dat de heren politici die hij eerder al had aangeschreven weinig enthousiasme voor zijn voorstel aan de dag legden. ‘Daer was altijd iets te kort of te lang, tot zoo verre dat er mij een schreeft dat de zee te diep was, om naer Amerika over te varen’. Hij begreep dat zijn landgenoten werden afgeschrikt door verhalen van mislukte migratiepogingen, maar kon niet snappen waarom de Belgische autoriteiten de emigratie niet promootten en stimuleerden.

Eigenlijk had Cool in zijn eigen brief al het antwoord op die laatste vraag gegeven. Gestuurde emigratiepogingen waren een zware financiële verantwoordelijkheid, waarvoor de Belgische regering terugschrok. In de jaren 1830 en 1840 hadden in de Belgische beleidskringen inderdaad verschillende plannen voor een geplande overzeese emigratie gecirculeerd. Die zou in de eerste plaats de Belgische industrie van nieuwe afzetmarkten verzekeren en België als politieke macht affirmeren. Als gelukkige bijkomstigheid kon de bescheiden poging tot ‘kolonisatie’ ook een oplossing vormen voor de overbevolking. Maar na enkele mislukte pilootprojecten in Zuid- en Midden-Amerika, zag de Belgische regering af van verdere plannen in die richting. Tot het einde van de negentiende eeuw beperkte België zijn officiële emigratiebeleid tot het informeren van zijn onderdanen over de voor- en nadelen van mogelijke bestemmingen.

Een bestemming zonder allure

Het immigratiekantoor in Winipeg, de hoofdstad van de provincie Manitoba in Canada in 1907.
Het immigratiekantoor in Winipeg, de hoofdstad van de provincie Manitoba in Canada in 1907.

Behalve de financiële terughoudendheid van de bevolking en de autoriteiten, speelde ook Canada’s slechte reputatie een rol in de politieke onwil het voorstel van Cool te overwegen. Midden negentiende eeuw gold Canada namelijk niet als een ideale migratiebestemming. Het land werd verbeeld als  een onontwikkelde, eindeloze prairie vol woeste indianen en wilde dieren; met hete zomers, strenge winters en alle agrarische moeilijkheden die een dergelijk klimaat met zich meebracht. Dorpspastoors waarschuwden bovendien voor de gevaarlijke invloed van het protestantisme. De migratiestroom van België naar Canada was in het midden van de negentiende eeuw gering, en de Belgische overheid had weinig zin om daar verandering in te brengen.

Pas op het einde van de negentiende eeuw verbeterde de reputatie van Canada, onder andere door de inspanningen van de Canadese autoriteiten om buitenlandse landbouwers aan te trekken. Belgen waren graag geziene settlers die als ‘gemakkelijk te integreren’ golden. Landverhuizing naar Canada was echter minder evident dan naar de Verenigde Staten, die vanuit Antwerpen werden aangedaan door de Red Star Line. Pas in 1904 installeerde de Canadian-Pacific Steamship Company een rechtstreekse verbinding tussen de Scheldestad en de Canadese havens. Bij de Canadese volkstelling van 1931 verklaarden ruim 27.000 Canadese inwoners uit België afkomstig te zijn; het aantal Belgen dat tussen 1885 en 1985 naar Canada trok, wordt op zo’n 70.000 geschat.

Een voorstel met bijbedoelingen

SaartjeVandenBorre-Canada-AntwerpenVertrekEmigrantenVier pagina’s lang bezong Cool het Canadese paradijs als de oplossing van alle Belgische problemen. Uit vaderlandsliefde, zo beweerde hij, zou hij zich inzetten om zijn landgenoten te ontvangen bij hun aankomst; hij zou zorgen voor tenten en als ze dat wilden, zelfs al wat land bewerken zodat er meteen kon worden gezaaid en geplant. Een nobele daad, al had Cool wel enige bijbedoelingen. In ruil voor zijn ruimhartigheid deelde hij de bisschop mee dat hij bij een selectie van potentiële landverhuizers ‘den voorkeur aen mijne bloedverwanten of aen deze van mijne vrouw’ gaf. Cool hoopte kennelijk vooral zijn eigen familie op kosten van de Belgische staat in Canada te verwelkomen.

Bisschop Malou las de brief van Cool aandachtig. Maar net zoals de andere hoogwaardigheidsbekleders die de hovenier uit Montréal had aangeschreven, deed hij er weinig mee. In zijn antwoord beweerde hij niet dat de zee te diep was of de onderneming onmogelijk: de landverhuizing was simpelweg niet nodig. De Spectator of London had waarschijnlijk de mistoestanden in Gent in gedachten toen het verslag uitbracht over sociaal-economische situatie in Vlaanderen. Maar de Gentse textielarbeiders vormden bezwaarlijk landbouwers, en kwamen dus niet in aanmerking voor landverhuizing. Op het Vlaamse platteland daarentegen was alles peis en vree, zo stelde de Brugse bisschop de hovenier uit Montréal gerust.

De familie Cool uit Koekelare zou een andere manier moeten vinden om naar Canada te migreren.

Meer lezen:

Marc Journée, ‘De Canadese uitdaging, 1888-1952’, in: Andreas Stynen (red.), Boer vindt land. Antwerpen-Leuven, 2014, pp. 148-163.

Cornelius J. Jaenen, ‘The implantation of Belgian Immigrants in Western Canada’, in: Canadian Ethnic Studies/Études ethniques au Canada 43 (2011) 1-2, pp. 237-251.

Serge Jaumain, ‘De Belgen in Canada: in de watten gelegde inwijkelingen’, in Anne Morelli (red.), Belgische emigranten. Oorlogsvluchtelingen, economische migranten en politieke vluchtelingen uit onze streden van de 16de eeuw tot vandaag. Brussel, 1998, pp. 108-122.

Saartje Vanden Borre is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze publiceerde over het sociaal-culturele leven en de integratie van Belgische migranten in Noord-Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Momenteel werkt ze aan een geschiedenis van Kulak.

Nationalisme op de speelplaats

Gastblog door Sarah Van Ruyskensvelde.

Op 11 november 1940 organiseerde het Sint-Jozefscollege in Turnhout een requiemmis voor de overleden soldaten van de Eerste Wereldoorlog. De feestelijkheden werden opgeluisterd met een bespreking van een brochure over de 18-daagse veldtocht, symbool van een moedig Belgisch verzet tegen de Duitse inval van 10 mei 1940. De meeste leerlingen hadden voor de gelegenheid hun beste zondagskleren aangetrokken en tricolore strikjes opgespeld. Vier leerlingen gingen echter niet akkoord met deze gang van zaken. Het college verbrak volgens hen met dit patriottische ceremonieel de vooroorlogse betrokkenheid bij de ‘Vlaamse zaak’. Om zich daartegen te verzetten, verenigden ze zich in een Vlaamsgezind studentenclubje, ‘de 4’.

Dagboek van Juliaan Van Acker, september – december 1940. (Kadoc, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)
Dagboek van Juliaan Van Acker, september – december 1940. (KADOC, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)

Eén van de Vlaamsgezinde vier was Juliaan Van Acker, een 15-jarige die tussen september en december 1940 zijn ervaringen op het college in een dagboek neerpende. Het dagboek is niet enkel een weerslag van zijn ervaringen met de lessen, de pijnlijke herinnering aan zijn overleden moeder of van de moeilijke ravitaillering op de school. Juliaans persoonlijke relaas schijnt ook een uniek licht op de manier waarop het ideologisch conflict tussen Belgische patriottisme en Vlaams-nationalisme door leerlingen werd beleefd. Het toont ook aan hoe de associatie tussen Vlaams-nationalisme en collaboratie met de Duitse bezetter, een link die vandaag nog vaak wordt gelegd, niet noodzakelijk overeenstemt met de ervaring van de Vlaamsgezinde actoren zelf.

Alles voor Vlaanderen

De requiemmis vormde op dit Vlaamse college de concrete katalysator voor de heropleving van een Belgisch patriottisme. Na de mis stapte één leerling, volgens Juliaan “één van de ergste franskiljons”, op de prefect af met de vraag of de leerlingen de rosette mochten dragen als teken van hun vaderlandsliefde. Juliaan was gepikeerd:

“De prefect was er volledig mee ’t accoord! Er moet orde zijn in’t land, geen scheiding en de anderen: de Duitsch en Vlaamschgezinden … Ja daar spreken we niet over!”

Als tegenreactie besloten ‘de 4’ de brochure over de 18-daagse veldtocht die in de mis werd voorgelezen, te stelen. De ontdekking van deze diefstal zorgde voor heel wat consternatie onder de leerlingen. In een poging de voorlopig anoniem gebleven daders aan te wijzen, werd een petitie opgesteld en rondgedeeld op de speelplaats, zogezegd met de bedoeling de prefect verontschuldiging te vragen voor wat er in de requiemmis was gebeurd. Voor de initiatiefnemers was het echter duidelijk: wie de petitie weigerde te ondertekenen, was Vlaams-nationalist en moest zich dus schuldig gemaakt hebben aan deze onpatriottische daad. Toen enkele dagen later een aantal leerlingen onder het middagmaal ‘Leve België’ scandeerden, werd dit door enkele Vlaamsgezinde jongeren op boegeroep onthaald. Twee leden van ‘de 4’ verlieten boos de refter en werden uiteindelijk van school gestuurd.

De uitsluiting gooide enkel olie op het vuur. Eén leerling “sleurde er dadelijk Engeland en Duitschland tussen; juist gelijk dat hier wat mee te maken had!”, schreef Juliaan. Wanneer hij en twee van zijn Vlaamsgezinde vrienden ostentatief bleven zitten tijdens het zingen van de Brabançonne enkele dagen later, kon ook de prefect deze herhaalde uitingen van flamingantisme niet langer dulden:

“Ge zijt niet waardig die leeuwkens te dragen … afbrekers … dwepers … . Zulke mannen maken Vlaanderen kapot, dat worden de latere verraders van hun volk.”

Vlaams-nationalisme en collaboratie

Juliaans relaas verraadt hoe in de hoofden van de leerlingen en de prefect de Vlaams-nationalistische actie van deze jongens meteen onder de noemer van collaboratie werd geplaatst. Toch was de situatie veel complexer dan dat. Na zijn thuiskomst werd één van de van school gestuurde leerlingen, Fons, met open armen onthaald. Zijn ouders en familie waren verbolgen over de houding van de Jezuïeten. Daarom besloten ze een Vlaamsgezinde kennis aan te schrijven, die hun brief overmaakte aan de door de Duitse bezetter heringerichte Vlaamse Cultuurraad. Wanneer enkele leden van de Cultuurraad echter hun Duitse superieuren wilden inlichten, liet de kennis de brief prompt vernietigen. Dit incident toont aan hoe de Vlaamsgezindheid van de jongens, van hun families en van hun sociale netwerk niet noodzakelijk in collaboratie met de Duitse bezetter resulteerde. Wanneer hun Vlaams-nationalistisch engagement via contacten met de Vlaamse Cultuurraad dreigde te resulteren in collaboratie met de Duitse bezetter, wendden ze zich af.

Het vijfde jaar van het Sint-Jozefscollege in Turnhout in het schooljaar 1941-1942. (Kadoc, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)
Het vijfde jaar van het Sint-Jozefscollege in Turnhout in het schooljaar 1941-1942. (KADOC, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)

Dit persoonlijke relaas van een 15-jarige leerling toont aan hoe de bezetting een nieuwe dynamiek in de Vlaamse schoolcultuur met zich meebracht. Voor de oorlog werd geen melding gemaakt van een jaarlijkse Requiemmis, noch van het zingen van de Brabançonne op het college. Meer zelfs, het Turnhoutse Sint-Jozefscollege stond bekend om zijn groot aantal Vlaamsgezinde leerkrachten en leerlingen. In 1940 sloeg de sfeer echter om in vaderlandsliefde. Juliaan en enkele van zijn Vlaamsgezinde vrienden bleven gedesillusioneerd achter.

Sarah Van Ruyskensvelde is gastblogger. Ze is verbonden aan het Centrum voor Historische Pedagogiek. In mei 2014 verdedigde ze haar proefschrift over het Belgisch katholiek onderwijs tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Don Quijote op de Krim

Gastblog door Bram De Ridder

‘De don Quijote onder de autocraten – verschrikkelijk in zijn strijdvaardigheid en wil om alles ondergeschikt te maken aan zijn futiele strijd tegen de geschiedenis’.  Zo omschreef Anna Tiutcheva, hofdame in Sint-Petersburg, het gedrag  van de Russische Tsaar Nicolaas I tijdens de Krimoorlog van 1853-1856. De Tsaar werd na het uiterst bloederige conflict vaak verweten zijn politiek gestoeld te hebben op persoonlijke trots, wars van de internationale verhoudingen en de ‘historische tradities van Rusland’. Maar schetsen zulke boude uitspraken wel de hele situatie? Was het conflict inderdaad een gevolg van Nicolaas’ drang om spectaculair de geschiedenis in te gaan?

De droom van Nicolaas

Tsaar Nikolaas I
Tsaar Nicolaas I

Voor de toonaangevende historicus Orlando Figes alvast wel. Nicolaas I was ‘meer dan wie ook verantwoordelijk voor de Krimoorlog’. Hij werd opgejut door religieuze en panslavistische ideologen en na jaren van onbetwist persoonlijk bestuur begon hij te geloven in de haalbaarheid van een agressievere imperiale politiek. De focus hiervan werd de bescherming van Orthodoxe Christenen in het Ottomaanse Rijk. De spanningen met de Turkse staat over dit onderwerp liepen dan ook geleidelijk aan op, en nadat Rusland de prinsdommen Moldavië en Walachije had bezet, kon de Sultan niet anders dan op 4 oktober 1853 de oorlog verklaren.

Maar Nicolaas had met zijn politiek veel op het spel gezet. Ondanks de waarschuwingen van enkele van zijn raadgevers dat een diplomatieke oplossing beter zou zijn, stuurde hij aan op een grotere militaire actie en eventueel zelfs een internationale verdeling van de Turkse gebieden. Het verzwakte Ottomaanse Rijk leek rijp voor de slacht. Maar de Tsaar had de reactie van enkele belangrijke spelers verkeerd ingeschat. Ondanks het excuus dat zijn inval de Slavische en Christelijke bevolkingsgroepen beschermde, provoceerden de Russische acties de Britten en Fransen tot een militaire tegenreactie.  Eind maart 1854 verklaarden ook zij Rusland de oorlog.

Kaart van de regio van de Krimoorlog
Kaart van de regio van de Krimoorlog

De strijd tussen de Europese grootmachten concentreerde zich op de Krim. De oorlog was een menselijke tragedie, verergerd door de organisatorische en strategische incompetentie van alle partijen. De uiteindelijke balans woog zwaar: in totaal ongeveer driekwart miljoen doden, twee derde daarvan Russisch. Nicolaas I zou het einde van de oorlog ook zelf niet meer meemaken: totaal gedesillusioneerd overleed hij op 28 juni 1855. Na het sluiten van de Vrede van Parijs kon Tsaar Alexander II bovendien geen gebiedswinst voorleggen, maar verloor Rusland integendeel haar overwicht op de Zwarte Zee.

De Britse nachtmerrie

Dit verhaal legt de schuld netjes bij de Russische Tsaar, die los van de realiteit zijn eigen gang ging. Maar was één man echt verantwoordelijk voor het geweld,  en verdedigden de Britten en Fransen enkel de internationale rechtvaardigheid? Dat was alleszins de mening van de toenmalige Britse media en politiek.

De Britten vreesden namelijk de groei van het Russische Rijk. Indien de Tsaar zijn invloed over de Ottomanen bleef uitbreiden, zou hun eigen imperium mogelijk in het gedrang komen. Een dergelijke machtsverschuiving was uiteraard niet wenselijk en de soevereiniteit van de Sultan moest dan ook verdedigd worden. Hierbij werd gemakshalve vergeten dat Groot-Brittannië zelf haar rijk had kunnen opbouwen ten koste van anderen.

De Britten hadden bovendien hun eigen politieke plannen voor het Ottomaanse Rijk. Ze hadden er significante commerciële belangen en probeerden Turkije in te lijven in een vorm van ‘informal empire’. Doordrongen van de Britse liberale rol in de wereld, promootten de Britse politieke vertegenwoordigers hun eigen normen, waarden en cultuur, en probeerden ze het Ottomaanse Rijk (tot op zekere hoogte) te verwestersen. Commerciële en culturele druk gingen hand in hand bij het verzekeren van de Britse invloed.

Lord Palmerston
Lord Palmerston

De vrees voor een agressief Rusland ging echter een eigen leven leiden. De aan invloed winnende pers sprong op het thema, en droeg sterk bij tot het negatieve beeld dat van Rusland en de Tsaar werd gecreëerd. Politici die de oorlog met Rusland wilden voorkomen, konden rekenen op een stevige reprimande, wat zelfs zo ver ging dat sommige kranten vroegen om de executie van prins-gemaal Albert, de echtgenoot van Queen Victoria. De meeste media hadden één duidelijke wens: oorlog, met Groot-Brittannië als voorvechter van recht en rechtvaardigheid.

Aan de top van de politiek vertaalden deze elementen zich in het beleid van Palmerston, eerste minister vanaf februari 1855 maar al eerder betrokken bij het buitenlandse beleid. Al in 1833 was hij ervan overtuigd dat Rusland doelbewust en op agressieve wijze haar invloed en territorium wilde uitbreiden. Het gevolg was een even assertieve tegenpolitiek: met de steun van de publieke opinie ijverde hij voor een veel grootschaligere oorlog met Rusland. Een dergelijk groot conflict kwam er uiteindelijk niet, maar de teneur van zijn bewind was wel duidelijk: Rusland moest en zou aangepakt worden, met de Britten opnieuw als de vaandeldragers van Westerse vrijheid.

Het hele punt

Uit al deze opinies blijkt echter dat de Britse attitude (evenals de Franse) evenzeer had bijgedragen tot het oorlogsklimaat. Overtuigd van hun missie schrokken de Britten er niet voor terug om de wapens op te nemen, ook al waren er andere oplossingen mogelijk. Het idee was dat het imperiale en agressieve Rusland zichzelf maar in toom moest houden, zodat de beide grootmachten hun liberale principes en handelscontracten aan de Sultan konden oplegden. Deze nogal vreemde redenering van de Westerse beleidsmakers ging uiteraard niet ongemerkt voorbij aan het Russische hof. In december 1853 las Tsaar Nicolaas een commentaarstuk van de panslavistische auteur Pogodin:

Mikhail Pogodin
Mikhail Pogodin

‘Frankrijk neemt Algerije van Turkije, en bijna elk jaar annexeert Engeland een nieuw Indisch prinsdom: niets hiervan verstoort het machtsevenwicht; maar wanneer Rusland Moldavië en Walachije bezet, zij het enkel tijdelijk, verstoort dat wel het machtsevenwicht. Frankrijk bezet Rome en blijft er verschillende jaren in vredestijd: dat is niets; maar Rusland overweegt alleen maar om Constantinopel te bezetten, en de vrede in Europa is bedreigd. De Engelsen verklaren oorlog aan de Chinezen, […], en niemand heeft het recht om tussenbeide te komen; maar Rusland is verplicht de toestemming van Europa te vragen om te bakkeleien met haar buren. […]. We kunnen van het Westen niets meer verlangen dan blinde haat en kwaadaardigheid, aangezien het niets begrijpt en niets wilt begrijpen. ‘

Onderaan het geschrift van Pogodin schreef Don Quijote Nicolaas I een korte opmerking: ‘Dit is het hele punt’.

(Bram De Ridder)

Bram De Ridder is gastblogger. Hij is als Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar strategieën van grensbeheer tussen de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden (ca. 1580-1660).

Michel de Ghelderode, Franstalig souffleur van de Vlaamse zaak

De Vlaamse kwestie? Natuurlijk is dat een zaak van Vlamingen. En natuurlijk wordt, en werd, die zaak in het Nederlands verdedigd. Of niet? In 1927 oogst het flamingantische theatergezelschap het Vlaamsche Volkstooneel groot succes met het theaterstuk ‘Beeldekens uit het leven van Sint Franciskus van Assisi’. Merkwaardig genoeg is dit stuk geschreven door… de Franstalige Michel de Ghelderode.

Culturele emancipatie

De affiche van 'Beeldekens'
De affiche van ‘Beeldekens’

De geschiedenis van ‘Beeldekens’ begint in 1926, in een statig Brussels café. Daar ontmoet Jan Boon, de Vlaamsgezinde regisseur van het Vlaamsche Volkstooneel, Michel de Ghelderode. Hij geeft hem de opdracht om een theaterstuk over de heilige Franciscus te schrijven. De Ghelderode schrijft dat stuk in het Frans, omdat hij het Nederlands niet machtig is. Als zovelen van zijn generatie is hij in Vlaanderen geboren, maar in het Frans opgevoed. Het Volkstooneel zorgt voor een Nederlandse vertaling.

Is het niet vreemd dat een uitgesproken Vlaams theatergezelschap voor een Franstalige schrijver kiest, en daarmee ook nog eens groot succes weet te behalen? Het Volkstooneel is geen doordeweeks theaterclubje, maar hét vehikel van flamingantische, anti-Belgische, katholieke regisseurs als Boon en Wies Moens. Voor hen moet toneel bovenal Vlaams zijn. Dat geldt zowel voor de taal als voor de inhoud. Vlaams theater mag niet in het Frans worden opgevoerd en moet op actuele Vlaamse noden inspelen. Zo zal het volk zich van zijn roemrijke verleden, zijn maatschappelijke problemen en zijn katholieke natuur bewust worden. Kortom, de missie van het Volkstooneel is Vlaamse culturele emancipatie.

Een Vlaamse Poverello

Het tweetalige grafschrift van Michel de Ghelderode
Het tweetalige grafschrift van Michel de Ghelderode

De Ghelderode voldoet zonder moeite aan de wens van zijn opdrachtgever. Het theaterstuk appelleert aan het antimoderne Vlaamse katholicisme. De Ghelderode doet dit door de heiligenlegende te actualiseren: hij verplaatst Franciscus naar de turbulente twintigste eeuw. Deze dwaalt als een Vlaamse Poverello doorheen het ‘lawaai van een feestende stad’ – een allusie op het hedendaagse én middeleeuwse Vlaanderen. Centraal in het stuk staat de confrontatie tussen de diepgelovige heilige en de op drift geraakte moderne maatschappij. De Ghelderode bekritiseert de geldzucht van zijn tijdgenoten en hun blinde geloof in rede en techniek. Het verdwaasde volk schreeuwt overmoedig: ‘Laat de verouderde heiligen in hun muzeoems! Wij redden de mensheid! Wij de vrolike mensen (…) wij de halve-goden’.

In deze bezeten wereld symboliseert Franciscus de rust en de devotie. Hij verbeeldt de stereotype Vlaming zoals die steevast in de literatuur van het interbellum wordt opgevoerd: een volkse, naïeve en tegelijk mystieke figuur. Ook in de andere karakterschetsen, personages en kostuums komt die ‘Vlaamse’ toets tot uiting, net als in de situaties waarin Franciscus terecht komt. De heilige wordt als ‘vijand van de orde’ door een clowneske rechter in een schommelstoel gedagvaard. De Vlaamse toeschouwers zien in deze balancerende rechtspraak hun eigen ongenoegen vertolkt. Velen van hen zijn immers ontevreden met de gerechtelijke willekeur die de Vlaamse collaborateurs uit de Eerste Wereldoorlog te beurt zou zijn gevallen.

‘Typisch Vlaams’

Portret van Michel de Ghelderode
Portret van Michel de Ghelderode

De Bult, de Mankepoot, de Klown, de Zatlap, Beestekoppen en vele Duvels. Franciscus moet een bonte stoet van bizarre personages naast zich dulden. De heiligenlegende groeit uit tot een absurdistische clownerie. Zo verwordt de scène regelmatig tot een krioelende wirwar van wellustige creaturen die verschillende Vlaamse dialecten spreken. Dat beeld ontleent De Ghelderode expliciet aan de schilderijen van Jeroen Bosch en Pieter Bruegel. Zijn liefde voor de Vlaamse kunst en verbeelding strekt zich uit tot in zijn eigen tijd: de kleurrijke decors verwijzen naar het Vlaamse expressionisme en de in de voorstelling gebruikte maskers gaan terug op het werk van James Ensor.

Katholiek conservatisme, een moeizame omgang met het collaboratieverleden en een voorliefde voor absurdisme in tekst en beeld: het zal de hedendaagse lezer weinig moeite kosten om deze clichés als ‘typisch Vlaams’ te herkennen. Ook de toenmalige recensenten zijn overtuigd van het Vlaamse karakter van ‘Beeldekens’ en noemen het: ‘universeele beelden uit een vlammend Vlaamschen geest ontsproten’. Niettemin is een Franstalige schrijver de bedenker van dit ‘oer-Vlaamse’ stuk. Ook De Ghelderodes latere werk kent eerst succes in Vlaanderen en pas later in Franstalig België. Deze bijzondere samenwerking plaatst het idee dat de Vlaamse Beweging louter een zaak is van Nederlandstalige Vlamingen in een volledig nieuw perspectief. Voor Boon voelt werken met De Ghelderode niet als een contradictie aan. Hij kiest nochtans voor een Franstalige die een dubbelzinnige verhouding met Vlaanderen heeft. Ten aanzien van de Vlamingen profileert De Ghelderode zich als een flamingant, onder Franstaligen is hij een verdediger van de francofone cultuur.

Gescheiden werelden?

De Franse vertaling van Tom Lanoyes Kartonnen Dozen
De Franse vertaling van Tom Lanoyes Kartonnen Dozen

Vandaag komt deze intense literaire verwevenheid tussen Nederlandstaligen en Franstaligen verrassend over en lijkt het bizar dat flaminganten beroep doen op Franstalige schrijvers. Maar tijdens het interbellum bestaat er dus wel zoiets als een ‘Belgische’ literatuur, aangezien taal en territorium nog niet aan elkaar zijn vastgeklonken. Dit zorgt ervoor dat schrijvers elkaar over de taalgrens heen ontmoeten en dat theaterwerk soms binnen een tweetalig cultureel milieu tot stand komt. Vandaag is deze realiteit grotendeels verdwenen. Niet alleen op politiek, maar ook op cultureel vlak zijn Vlaanderen en Franstalig België grotendeels gescheiden werelden, zichtbaar in eigen regionale parlementen, politieke partijen, culturele centra en media. Toch kent Tom Lanoye met een recente vertaling van zijn roman ‘Kartonnen Dozen’ momenteel een groot succes in Franstalig België. Het verlangen naar literaire wisselwerkingen over de taalgrens heen blijft actueel.

(Tessa Lobbes)

Tessa Lobbes is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze promoveerde in op een proefschrift over de rol van het heden in het Belgische geschiedenisonderwijs tussen 1945 en 1989. Momenteel verricht ze aan de Universiteit Utrecht onderzoek naar culturele uitwisselingen tijdens de Eerste Wereldoorlog.