Categorie archief: Politiek & strijd

Waarom rampen onder de grond onze aandacht trekken

Gastblog door Siegfried Evens.

Deze zomer werd het nieuws onder meer beheerst door de redding van de Thaise voetballertjes uit een grot in Thailand. Iedereen in de grot kon levend en wel gered worden onder het oog van de camera en met massale internationale belangstelling. Het voorval is maar een van de vele ondergrondse drama’s die de mensen bovengronds massaal konden beroeren. Een recente ramp was het mijnongeluk in Copiapó in 2010, waarbij Chileense mijnwerkers in een mijnschacht vast kwamen te zitten, maar allemaal levend naar boven gebracht konden worden. In Duitsland riep het voorval in Thailand vooral herinneringen op aan wat ze daar het “wonder van Lengede” noemen. 14 dagen na een instorting in een West-Duitse mijn in 1963 werden daar 11 mijnwerkers gered. In eigen land kwamen op 8 augustus 1956 in Marcinelle 262 mijnwerkers om het leven na een mijnbrand die was veroorzaakt door een technisch ongeluk met een mijnkarretje.

Deze 4 gebeurtenissen zijn eigenlijk erg gelijkaardig. Het waren allemaal drama’s die onder de grond, en dus onttrokken aan het oog, plaatsvonden. De reddingsoperaties genoten wereldwijd een enorme belangstelling en vormden zo mijlpalen op vlak van rampenberichtgeving. Hoe valt deze belangstelling te verklaren?

Collectieve hypocrisie en hoop

Om de mijnwerkers in Lengede te redden, werd een reddingscapsule gebruikt. De capsule zou later als inspiratie dienen om de Chilenen in Copiapó te redden.

Historicus Marc Reynebeau schreef naar aanleiding van de reddingsoperaties in Thailand een opiniestuk, waarin hij de massale aandacht voor de voetballertjes weet aan onze collectieve hypocrisie. We leven immers meer mee met 13 mensen wiens gezichten we kennen dan met bijvoorbeeld een anonieme massa vluchtelingen. Ook na de ramp in Chili zorgde de verspreiding van videobeelden van de slachtoffers voor een grote publieke betrokkenheid. Op zich is dat een weinig verrassende analyse. Mensen zijn nu eenmaal selectief in hun aandacht voor leed. Elke dag sterven er bijvoorbeeld mensen in het verkeer, maar een ramp waarbij plots tientallen doden vallen, trekt doorgaans meer aandacht en solidariteit.

Anders dan gewone rampen, waarbij de tragedie al compleet is, ligt bij ondergrondse rampen alsnog alle hoop bij de afwending van een tragedie. In België onderscheidt de mijnramp van Marcinelle zich bijvoorbeeld van de brand in het Brusselse filiaal van de Belgische grootwarenhuisketen Innovation door zijn langgerekte reddingsactie, die twee weken duurde. De wanhoop van een reddingswerker, “allemaal lijken”, ging de wereld rond, en vormde het symbolische einde van de zoektocht naar overlevenden. Niemand van de gevangen mijnwerkers had het immers overleefd. Bij de incidenten in West-Duitsland en Chili was de hoop op een goede afloop veel meer aanwezig dan in Marcinelle. Reddingwerkers wisten daar vrij snel dat er nog mijnwerkers leefden. De focus van de reddingsactie was dan ook om de mijnwerkers levend te houden en ze met een capsule naar de bovengrond te brengen.

Onder het oog van de camera

De combinatie van hoop op een goede afloop en spectaculaire reddingsacties maakt van deze rampen enorme mediagebeurtenissen. De rampsites van Marcinelle, Lengede, Copiapó en de grot in Thailand werden verzamelplekken voor duizenden journalisten uit binnen- en buitenland, die het heroïsche reddingswerk kwamen bewonderen. De rampen waren soms een technologische en maatschappelijke mijlpaal op vlak van berichtgeving. De redding van de mijnwerkers in Chili werd bijvoorbeeld gelivestreamd en kon over de hele wereld gevolgd worden. Dat neemt niet weg dat ook het moment waarop de ramp gebeurt de mediabelangstelling bepaalt: de rampen in Marcinelle, Copiapó en Thailand gebeurden alle drie in de zomervakantie, komkommertijd dus.

Zichtbaarheid verbergt of onthult

Koning Boudewijn en eerste minister Achiel Van Acker bezoeken de rampsite van Bois-de-Cazier, Marcinelle.

De mediagebeurtenissen rond ondergrondse rampen worden ook gestuurd door hun politisering. Rampen zijn bij uitstek politieke gebeurtenissen die politici en staatshoofden aantrekken. De mijnsite van Bois-de-Cazier in Marcinelle werd bezocht door koning Boudewijn. Een dag voor de reddingswerken kwam bondskanselier Erhard de gevangen mijnwerkers toespreken en president Piñera onderbrak een reis om de mijnsite te bezoeken.

Deze politisering kan uiteenlopende gevolgen hebben. Een politiek gestuurd mediacircus kan de ware oorzaken van de catastrofe verbergen. De Chileense overheid manipuleerde namelijk bewust de live-uitzendingen om een triomfalistisch beeld neer te zetten en de erbarmelijke leefomstandigheden van de mijnbouw in Chili te verzwijgen. Deze triomfantelijke beelden werden wereldwijd overgenomen.

De Chileense president Sebastian Piñera geeft Luis Urzua, de laatste geredde mijnwerker, een knuffel.

Media-aandacht kan echter ook extra druk op de ketel zetten om te leren uit de ramp. Zo waren de slechte werkomstandigheden en gebrekkige veiligheidscultuur in de Belgische mijnen het onderwerp van een mediahetze in de nasleep van de mijnramp van Marcinelle. De hetze voedde vakbondsacties, zette onderzoekscommissies in gang en leidde tot een juridische uitputtingsslag. Op Europees niveau nam de EGKS voor het eerst initiatieven om op vlak van veiligheidsmaatregelen meer  samen te werken, wat de kiemen legde voor een Europees sociaal beleid.

In dat opzicht zijn ondergrondse drama’s dus gelijkaardig aan de talloze andere drama’s die de wereld gekend heeft: ze hebben het potentieel om de mensen van bepaalde onveilige situaties bewust te maken, en zo de samenleving te veranderen en veiliger te maken.

Meer lezen.

Brandtmann, Gerrit. ‘Höhlendrama in Thailand weckt Erinnerungen an das „Wunder von Lengede“’. PAZ-online.de, 11 July 2018. http://www.paz-online.de/Kreis-Peine/Lengede-Vechelde-Wendeburg/Hoehlendrama-in-Thailand-weckt-Erinnerungen-an-das-Wunder-von-Lengede.

Felice Dassetto and Michel Dumoulin, Mémoires d’une catastrophe: Marcinelle, 8 août 1956 (Louvain-la-Neuve: CIACO, 1986).

Jiménez-Martínez, César. ‘Disasters as Media Events: The Rescue of the Chilean Miners in National and Global Television’. International Journal of Communication 8, no. 0 (2 July 2014): 24.

Reynebeau, Marc. ‘“Fout in Ons Empathisch Brein” – De Standaard’. De Standaard, 10 July 2018. http://www.standaard.be/cnt/dmf20180709_03605933.

Siegfried Evens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de Division of History of Science, Technology and Environment aan het Royal Institute of Technology  (KTH) in Stockholm. Hij doet onderzoek naar de politieke geschiedenis van rampen en risico’s, meer bepaald branden, mijnrampen en kernrampen.

Hoe Franse boeren de natie moesten redden in de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Frankrijk te kampen met een ernstig voedseltekort. Om dit prangende probleem op te lossen, rekenden het Franse staatshoofd Maréchal Pétain en zijn regering niet alleen op de boerenbevolking, maar ook op jonge stedelingen. Zij werden gevraagd om hun handen uit de mouwen te steken en de boeren te helpen.

Landbouw als redmiddel

Cover van een Franse infobrochure uit 1941.

Het Duitse bliksemoffensief in juni 1940 was een grote verassing voor Frankrijk. Het land kreeg op zeer korte tijd grote verliezen te verwerken en kon niet anders dan een nieuwe strategie bedenken. Over welk plan dan wel het beste was, raakte men het niet eens. Het ene kamp wilde verder vechten vanuit de kolonies en het andere gaf de voorkeur aan capituleren. Generaal Pétain maakte deel uit van het laatstgenoemde winnende kamp. De wapenstilstand die volgde, hield in dat officieel enkel het noorden van Frankrijk bezet zou worden. Het zuiden werd herdoopt tot État Français en kwam onder leiding van Pétain te staan.

Aan deze ‘autonomie’ zat een belangrijke voorwaarde verbonden: Vichy-Frankrijk moest grote hoeveelheden grondstoffen en landbouwproducten leveren aan Duitsland. Ondertussen hielden de Duitsers ook een miljoen Franse krijgsgevangenen vast, onder wie veel landbouwers. Alsof de situatie nog niet erg genoeg was, richtten de geallieerden aan het begin van de oorlog een handelsblokkade op tegen Duitsland en zijn bondgenoten. Vichy-Frankrijk werd afgesneden van zijn kolonies en dus ook van al het voedsel dat deze leverden. Het gevaar van een hongerige protesterende bevolking lonkte. De landbouw zou Frankrijk moeten redden van de honger, en dus ook van de ondergang.

Samen sterk

De boeren moesten deze zware opdracht niet alleen volbrengen. Het Vichyregime pakte uit met allerlei initiatieven die het hen makkelijker konden maken. Zo kregen ze een eigen corporatistische organisatie, werd er geïnvesteerd in de modernisering van landbouwapparatuur en werden er hogere lonen beloofd. Dit alles maakte deel uit van de “Mission de Restauration Paysanne” vanaf augustus 1940, die het platteland moest herstellen en revitaliseren.

Aan de Franse burgers werd gevraagd de moeilijke omstandigheden te accepteren.

Een belangrijk aspect van deze missie was de bevoorrading van de landbouwsector met voldoende werkkrachten. Speciaal voor jongeren van 17 tot 21 jaar werd in maart 1941 de Service Civique Rural (SCR) gecreëerd. Dit programma had tot doel jonge stedelingen in te zetten op het platteland, waar zij de boeren zouden helpen voedsel te produceren. Bij een tekort aan vrijwilligers konden zij ook verplicht worden. In ruil kregen zij onderdak bij de boeren zelf, drie maaltijden per dag en een waardevolle opleiding. Het Vichyregime zette sterk in op de promotie van de SCR in haar propaganda.

Vooral aan pas afgestudeerde jongemannen werd gevraagd hun ‘vrije armen’ nuttig te gebruiken. Langs alle kanten werden zij bestookt met infobrochures en inschrijvingsbrieven. Zelfs moeders werden aangespoord hun zonen weg te sturen naar het platteland. Hen werd verteld dat zij dankzij de hulp van hun zonen in de toekomst minder lang zouden moeten aanschuiven voor het rantsoen. De jongeren zelf kregen te horen dat het hun morele plicht was om hun vaderland te helpen voeden en een voorbeeld te stellen aan hun leeftijdsgenoten.

Ontoereikende resultaten

Aan ieder vertrek ging een hele procedure vooraf, dat begon met een medisch onderzoek dat bepaalde of de kandidaten fysiek geschikt waren voor het werk. Daarna zocht de SCR een geschikte verblijfplaats. Meisjes kwamen terecht in een speciaal centrum waar ze leerden het huishouden in de boerderij te runnen. Jongens kregen meestal wel onderdak bij een familie. Vrijwilligers moesten zeker vier tot zes weken blijven, maar verplichte hulp kon tot drie maanden duren. Tevreden boeren konden hun werkkrachten daarna een vast contract aanbieden.

Brochure van de Service Civique Rural.

Het is onduidelijk hoeveel jongeren in totaal via de SCR naar het platteland vertrokken en hoe lang ze daar bleven. Zeker is dat er heel wat afvielen doorheen het plaatsingsproces. Begin 1943 meldde het regime dat bijna 40 000 jongeren zich vrijwillig hadden ingeschreven sinds maart 1941. Sommigen bedachten zich en kwamen niet opdagen voor het onderzoek. Van de 25 000 die overbleven, bleken 7 500 ongeschikt. Uiteindelijk werden 17 500 jongeren effectief aan het werk gezet, waarvan er 14 000 hun verblijf verlengden.

Dit aantal kon onmogelijk compenseren voor het gebrek aan arbeiders op het platteland. De afwezigheid van krijgsgevangenen, gedeporteerde arbeiders en buitenlandse seizoensarbeiders zorgde voor een groot voedseltekort. De boeren klaagden dat hun nieuwe werknemers nog te veel moesten leren en niet hard genoeg konden werken. Zij hadden nood aan sterke arbeiders met kennis van zaken, niet aan leerjongens. Toch waren er ook goede ervaringen. In getuigenissen in kranten en brieven aan het thuisfront beschreven de jongeren hoeveel zij hadden geleerd en hoe mooi het leven op het platteland was. Een opmerkelijk succesverhaal was dat van een jongen uit Roubaix die geplaatst werd in een familieboerderij in de Ardèche en uiteindelijk trouwde met de dochter. Hij zou permanent bij de familie intrekken en mee de boerderij runnen.

Aan (bijna) alles komt een einde

Onder de bevolking was er vooral vanaf de harde winter van 1940 steeds meer kritiek te horen over het voedselprobleem. Vooral het feit dat gigantische hoeveelheden voedsel naar Duitsland werden geëxporteerd, zette kwaad bloed. Ondertussen werden de rantsoenen steeds beperkter en de rijen voor de winkels langer. Zowel producent als consument zocht in toenemende mate heil in de zwarte markt, waartegen de overheid slechts weinig kon aanvangen. Na vier jaar hadden de Fransen er dan ook de buik van vol (of juist niet) en verwelkomden ze de bevrijding.

De kersverse Vierde Republiek schafte meteen alle organisaties van het Vichyregime af, waaronder ook de SCR. De meeste jongeren keerden dan ook terug naar de stad. Sommigen wilden geen afscheid nemen van het platteland en startten er een nieuw leven, gedreven door een passie voor de natuur, noeste arbeid of de liefde.

Hannah Fluit is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over politieke communicatie rond voedselschaarste in Vichy Frankrijk.

#MeToo, of hoe we de seventies alweer vergeten zijn

Wie de afgelopen maanden tijd doorbracht op sociale media kon er onmogelijk naast kijken: #MeToo is trending. Minder dan vierentwintig uur na het verschijnen van de eerste #MeToo-tweet maakten 4,7 miljoen mensen gebruik van de hashtag om hun ongenoegen over seksuele intimidatie te uiten. Op 7 januari van dit jaar verscheen Oprah Winfrey, gekleed in symbolisch zwart, op het podium van de Golden Globes en gaf een speech die de wereld rondging. “Te lang werden vrouwen niet gehoord of geloofd als ze de waarheid durfden spreken over de macht van mannen. Maar hun tijd is gekomen,” verkondigde Oprah op het podium.

De seventies

Woman’s march in Dallas op 21 januari 2017.

Oprah was niet de eerste vrouw die grensoverschrijdend gedrag aan de kaak wilde stellen. In 1976 kopte de Amsterdamse Vrouwenkrant: “Verkrachting: het wordt tijd dat we kwaad worden”. Het novembernummer van het blad bevroeg waarom vrouwen doorheen de eeuwen verkracht werden en, nog belangrijker, waarom ze daar nu pas over durfden te spreken. Het blad bundelde getuigenissen van vrouwen die op verschillende leeftijden en in verschillende situaties slachtoffer waren geworden van seksueel geweld. Bovendien klaagden de auteurs van het blad een cultuur aan waarin vrouwen geen “nee” durfden zeggen. Vrouwen werden volgens hen geacht mannen te behagen en aantrekkelijk te zijn. Bij wijze van oplossing besloten een aantal vrouwengroepen dan maar cursussen zelfverdediging voor hun leden aan te bieden.

De feministes van de seventies richtten hun pijlen ook op de oliecrisis van 1973. De crisis had zijn weerslag op de wereldeconomie en verzwakte zo de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. Niet alleen werden hun verworven rechten in vraag gesteld, de overheid investeerde voortaan ook liever in de zware industrie, waarin amper vrouwen aan de slag waren. Zeker voor jonge vrouwen slonken de kansen op een job. Een anonieme getuige vertelde in de Vrouwenkrant hoe zij een perfect sollicitatiegesprek aflegde maar toch naast de baan in kwestie greep omdat ze jong en pasgehuwd was en dus “toch wel snel zwanger zou worden en thuis zou gaan blijven voor de kinderen”.

Tenslotte zijn ook de instagrammeisjes die #bodypositivity propageren geen nieuw fenomeen. Hoewel de BH-verbrandende feministes een fabeltje zijn – geen enkele BH ging ooit in vlammen op bij de acties van de jaren zeventig – lieten de activistes zich niet onbetuigd. In 1971 infiltreerde een Brusselse Dolle Mina in de Miss België verkiezing. Tijdens de finale sprongen twee van haar medestandsters het podium op en scandeerden “Halt aan de uitbuiting van de vrouw!” terwijl ze flyers rondstrooiden over het publiek. En dat allemaal live op nationale televisie.

Een vergeten erfenis

Het Vrouwenhuis aan de Nieuwe Herengracht.

Minder zichtbaar, maar daarom niet zonder impact waren de vrouwenhuizen in de jaren 1970. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden ging het niet om vluchthuizen of gemeenschapshuizen maar wel om centra van feministische actievoering.

In Amsterdam kraakte een groep vrouwen in 1973 een statig huis op de Nieuwe Herengracht 95. Ze doopten het huis om tot het Vrouwenhuis en organiseerden er allerlei activiteiten die de Amsterdamse vrouwen moesten helpen ontsnappen aan vormen van mannelijke onderdrukking. Ze hielden er onder meer baravonden en swingfeesten. De vrouwen uit het Vrouwenhuis gaven ook de hierboven vermelde Vrouwenkrant uit, die een platform vormde voor hun feministische gedachtengoed. Het initiatief verspreidde zich razendsnel en tegen het midden van de jaren zeventig had bijna elke stad van de Lage Landen haar eigen vrouwenhuis. Ook voor het digitale tijdperk zat kracht in collectiviteit.

Waarom we dan toch geen #feministes zijn

De opgestoken vuist, het symbool van de vrouwenbeweging.

De vrouwen van de seventies noemden zichzelf met trots feministe. Een feministische vrouw droeg bij aan de verandering van de maatschappij, streed actief tegen discriminatie en voelde zich deel van een sisterhood die over landsgrenzen heen reikte. Het verschil met vandaag is klein, en toch voelen we de nood om met #MeToo een nieuwe term te plakken op gelijkaardige eisen rond de positie van de vrouw in de samenleving. Is feminist een vies woord geworden?

De karikatuur van de feministe als mannenhaatster en zeurkous die uit principe weigert haar oksels te scheren, leeft tegenwoordig niet alleen bij oude mannen, maar ook bij jonge vrouwen. Oprah speechte vurig voor vrouwenrechten maar gebruikte in die negen minuten niet één keer het woord feminist.

Els Vochten is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over de vrouwenhuizen in Brussel en Amsterdam.

Wanneer zotten profiteren van gesloten grenzen

Gastblog door Bram De Ridder.

Wat zijn de voor- en nadelen van een gesloten grens? In het zestiende-eeuwse pamflet Der mallen reden-kavel bogen twee zotten zich over deze kwestie. Bij hen geen praktische twijfel of morele verontwaardiging, maar angst en oprechte blijdschap over strengere grenscontroles. De tekst is dan ook het schoolvoorbeeld van hoe grenzen razendsnel het voorwerp worden van ideologische strijd.

De grenskwestie in een notendop

Frans Hals, De nar (ca. 1623-1624, Amsterdam, Rijksmuseum).

Het pamflet werd vermoedelijk geschreven door de Jezuïet Johannes David, een biechtvader en schrijver werkzaam in het Gentse. David beschreef een fictieve discussie tussen twee zelfverklaarde “zotte mutsen”, die ergens in de buurt van Den Haag als knechten aan de slag waren. Beide zotten bespraken het Plakkaat van 4 april 1596, een wettekst waarmee de Protestantse overheid van de ‘Noordelijke Nederlanden’ besloot om de grens met de katholieke ‘Zuidelijke Nederlanden’ een stuk strenger te controleren. Daarbij was het vooral de bedoeling om kwalijke katholieke invloeden buiten te houden, en dan in het bijzonder die van de Jezuïeten: leden van deze orde werden ervan verdacht om onder valse voorwendselen de Noordelijke Nederlanden binnen te komen en vervolgens moordaanslagen voor te bereiden.

Om zulke gevaarlijke aanslagplegers te weren, werd er een algemeen reisverbod uitgevaardigd, met uitzondering van wie een paspoort – een eenmalige reisvergunning – aankocht. De straf voor een illegale grensoverschrijding was niet mals: driehonderd ponden boete en, eventueel, tortuur. Geen enkele Jezuïet mocht het land nog binnen, en na twee maanden moesten ze allemaal het grondgebied verlaten hebben. Ook mocht geen enkele inwoner van de Noordelijke Nederlanden nog gaan studeren aan een Jezuïetencollege of aan de katholieke universiteiten van Leuven en Dowaai.

Een gesloten grens, een tevreden zot

Anoniem, Het Groote Tafereel der Dwaasheid ( 1720, Londen, British Museum).

Het pamflet van Johannes David vormde een sarcastisch geformuleerd commentaar bij de nieuwe wet. De tekst is opgebouwd als een dialoog, waarbij de zotten Iel-Sack en Moenen elkaar plechtig beloofden om alles te zeggen wat in hun hoofd opkwam. Vooral Iel-sack liet daarbij meteen zijn tevredenheid over de nieuwe wet blijken. De recente oprichting van de universiteit Leiden had hem namelijk zo bang gemaakt ““als een jouffrouwen hondeken [dat] vande couwe in een krimpt”. De universiteit zou de Hollanders zo verstandig maken dat er geen huis meer mee te houden viel, en arme zotten zoals zij zouden door de geleerden overstemd worden.

Maar nu het plakkaat het vrije verkeer van ideeën belemmerde, zouden de echte geleerden Leiden snel links laten liggen en zou de “bastaarduniversiteit” tevergeefs proberen om van de Hollandse ezels wijze paarden te maken. Volgens Iel-Sack kenden de Leidse studenten bijvoorbeeld niets van de roemrijke artes liberales, maar waren ze wel bekwaam in zeven andere kunsten: het vrije liegen, het vrije lasteren, de vrije meindeed, het vrije godslasteren, het vrije stelen, de vrije prostitutie, en het vrije moorden. Door de grenzen te sluiten was er met andere woorden een brain-drain ontstaan, en zouden Iel-Sack en Moenen nog vele jaren hun zotternij kunnen verkopen.

De zotste gevolgen van het Plakkaat?

Toch zou het Plakkaat volgens de zotten het einde kunnen betekenen van de welstand van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden: het edict was namelijk veel te streng en zou daardoor iedereen schaden. Iel-Sack dacht dat de verplichting om een paspoort aan te schaffen bedacht moest zijn door een pennenlikker, een “verschovene latijnschuimer”, of een slechte klerk.  Het was duidelijk dat de maatregel vooral geld uit de mensen hun zakken moest kloppen. De grenscontroles waren nu al zo streng dat er overal “magere weiden” werden gecreëerd en de nieuwe paspoorten waren het finale gewicht dat de nek van de Hollandse welstand zou breken.

Matthias Quad, Si credere fas est (1588, Londen, British Museum).

De zotten vergaten daarbij ook het veiligheidsaspect niet uit het oog. Iel-Sack en Moenen dachten dat de Noordelijke Nederlanden met hun Plakkaat zogenaamd spionage wilden vermijden, maar in werkelijkheid de gelegenheid aangrepen om zelf te spioneren. Iel-Sack zei bijvoorbeeld tegen zijn vriend dat de nieuwe wet de gezagsdragers toeliet om “honderd ogen” te hebben. De overheid trachtte  alle hoeken van de wereld te doorzien en te doorsnuffelen, totdat ze iets zou vinden dat een gevaar vormde voor haar macht.

Sociale rechtvaardigheid bleek dan weer ver te zoeken. Kinderen die naar een Jezuïetencollege waren weggelopen, mochten niet langer financieel ondersteund worden door hun ouders. Moenen en Iel-Sack vonden deze maatregel van een “Turkse wreedheid” getuigen en vonden ze zeer ongepast voor een land dat zichzelf als het toonbeeld van rechtvaardigheid beschouwde. Het was intriest dat ouders gedwongen werden hun kinderen van de honger te laten sterven, enkel en alleen omdat het kind zelf zijn geloof niet wilde afvallen. Iel-sack verwachtte dan ook dat deze maatregel bijzonder veel protest onder vrouwen zou veroorzaken: de dames zouden de opstellers van het Plakkaat verdrijven en hen de ogen uitkrabben.

Grenzen en ideologie: het besluit van de ware zot

Iel-Sack en Moenen zijn uiteraard fictieve personages en geen oprechte commentatoren van het zestiende-eeuwse grensbeleid in de Nederlanden. Niettemin klinken hun argumenten bekend in de oren. Een brain-drain, angst voor de economie, privacykwesties en vragen over het behoud van macht en identiteit maken ook vandaag integraal deel uit van debatten rond open en gesloten grenzen. Zowel toen als nu wordt het publieke debat gedomineerd door ideologische stemmingmakerij. Het pamflet waarin Iel-Sack en Moenen aan het woord komen, moet dan ook gelezen worden als bijtend sarcasme namens een overduidelijk katholieke schrijver en niet als een oprechte weergave van de toenmalige situatie. Het gaat om een strijdpamflet, doelbewust in het publiek domein binnengebracht om te provoceren. Het is dan ook de kunst om dergelijke documenten meteen als een vorm van propaganda te beschouwen, en ze los te koppelen van de situatie in de grensgebieden zelf. Want zoals Iel-Sack en Moenen namelijk zeer goed wisten, neemt enkel de echte zot zijn eigen retoriek voor waarheid aan.

Bram De Ridder is gastblogger. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar grenzen, historische vredesverdragen en religieuze tolerantie.

Student zijn tussen cursussen en kogels

“I had no choice but to leave. Vive la Belgique!” Het zijn de slotzinnen van een brief die Albert Johnson Lynd schreef op 31 augustus 1939. Op dat moment staat de Amerikaanse student klaar om vroegtijdig zijn beursprogramma af te sluiten en België voorgoed vaarwel te zeggen. Zijn vrouw Loraine, zijn driejarige zoon en anderhalf jaar oude dochtertje vergezellen hem op zijn tumultueuze terugreis naar de Verenigde Staten. Andere Amerikaanse studenten besloten om wel in België te blijven en de situatie af te wachten.

Stilte voor de storm

Herbert Hoover, het boegbeeld van de Commission for Relief Belgium tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Iets meer dan een jaar voordien kreeg Lynd goed nieuws te horen van de Commission for Relief Belgium Educational Foundation (CRBEF). De CRBEF ontstond in 1920 met de overgebleven gelden van de Commission for Relief in Belgium (CRB). Laatstgenoemde organisatie zag het levenslicht aan het begin van de Eerste Wereldoorlog op initiatief van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover en had als doel om België en Noord-Frankrijk van voedsel en basisproducten te voorzien onder Duitse bezetting. Hoover besloot na afloop van de oorlog om een academisch uitwisselingsprogramma op te richten dat een symbolische brug zou slaan tussen de Verenigde Staten en België. Zo gebeurde het dat de CRBEF Lynd in 1938 verkoos als fellow om een jaar lang in België te studeren onder de auspiciën van de organisatie. Samen met nog vier andere Amerikaanse topstudenten besloot Lynd om aan de Katholieke Universiteit Leuven zijn studies voor minstens een jaar verder te zetten.

Beursaanvraag van Albert J. Lynd in 1937 met een foto van zijn gezin.

Toen de vijf fellows – waarvan twee met hun gezin – in 1938 naar België vertrokken, was de internationale spanning al voelbaar. Alle blikken waren gericht op de agressieve retoriek van het Derde Rijk. Al op de boottrip van New York naar Antwerpen ervaarde Lynd hoe de Duitse stewards en opvarenden extatisch blij reageerden op de radio-uitzending van het Neurenbergcongres in 1938. In deze Rijkspartijdag verwezen de NSDAP-autoriteiten naar de annexatie van Oostenrijk eerder dat jaar.  Bij aankomst in België liet Lynd dan ook duidelijk merken aan de CRBEF dat hij zich zorgen maakte. Toch hamerde de CRBEF erop dat het onnodig was om te panikeren. Fellows moesten volgens de organisatie alle kansen benutten om hun onderzoek in België te voeren. Ook wanneer Lynd op een ochtend zag hoe een regiment soldaten een eindeloze kolonne artillerie door zijn straat rolde, stelde de CRBEF hem gerust: de internationale omstandigheden waren op dat moment nog niet ernstig genoeg om het land te verlaten.

Over dilemma’s en doctoraten  

De Leuvense universiteitsbibliotheek na de Slag om Leuven in mei 1940.

Op 29 augustus 1939 moesten de CRBEF-autoriteiten die mening bijstellen. De schemeroorlog maakte plaats voor een realistische oorlogsdreiging en België verkeerde in een staat van quasi-mobilisatie. De CRBEF liet een telegram verspreiden naar alle fellows die in België met hun gezin verbleven met het advies om naar de Verenigde Staten terug te keren. Aan de individuele fellows gaf de organisatie de keuze: hun fellowship afmaken of meteen terugkeren naar de Verenigde Staten. Lynd was op dat moment op terugweg naar Brussel vanuit Parijs. Hij verrichtte er onderzoek, maar stelde al snel vast dat Parijs in de ban was de oorlogsdreiging: zandzakjes werden er gevuld, soldatenkaravanen trokken door de straten en gezinnen maakten zich klaar voor vertrek. De boodschap bij aankomst in Brussel was duidelijk: hij kreeg drie uur de tijd om alles in te pakken en weg te wezen. Nog geen 24 uur later stond het gezin Lynd aan de haven waar honderden mensen elkaar verdrongen om de oversteek te maken.

Ook Alice Bourneuf, een Amerikaanse economiestudente, was op dat moment als CRBEF-fellow in Leuven. Zij besloot echter om te blijven omdat ze op dat moment bezig was met het schrijven van haar doctoraat. De CRBEF ging ermee akkoord en keurde haar vernieuwing in januari 1940 nog goed, omdat een escalatie op Belgische bodem uitbleef en haar doctoraat bijna af was. De CRBEF prees haar om haar academische volharding, maar uit interne CRBEF-correspondentie blijkt dat ze zich wel degelijk zorgen maakten. Op 1 mei van datzelfde jaar had Bourneuf niet langer een keuze: ze moest België verlaten. Tien dagen later viel het Duitse leger België binnen.

Eind goed, al goed?

In 1947 nam Bourneuf opnieuw contact op met de CRBEF. Ze liet weten dat ze naar België terug zou keren om haar overgebleven bezittingen en haar doctoraatsnotities op te halen. Ook wilde ze graag haar Belgische vrienden terugzien en de CRBEF persoonlijk bedanken voor hun hulp. Haar bezittingen hadden de oorlog overleefd in een versterkte koffer in de kelder van barones Greindl. Op haar doctoraat zelf hoefde ze niet meer te rekenen. De universiteitsbibliotheek, waar haar doctoraat werd bewaard, ging deels in vlammen op na de Slag om Leuven op 16 mei 1940. In 1953 schreef ze haar laatste brief aan de CRBEF: “I am finally going to try again to write a doctor’s thesis. I trust this will not produce another outbreak of war.”

Sara Coghe is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over Amerikaanse beursstudenten aan de Leuvense universiteit in de jaren 1920-1940.

De ‘democratische’ middeleeuwen

Gastblog door Ben Eersels en Jelten Baguet.

De middeleeuwen was een periode van geweld, kwelling, verbijstering, leed en verbrokkeling. Of dat is althans een hardnekkig geschiedbeeld dat tot op heden blijft doorleven. Op politiek vlak vonden tijdens diezelfde eeuw nochtans ook veranderingen plaats die het tegendeel bewijzen.

De strijd voor politieke erkenning

In laatmiddeleeuwse steden verwierven burgers een grote mate van politieke inspraak, zij het niet zonder slag of stoot. De eerste tekenen van die politieke strijd vinden we in de dertiende eeuw. Burgerverenigingen klaagden toen steeds meer over wanbestuur en machtsmisbruik van hun bestuurders. Vooral de ambachten, beroepsverenigingen die in de middeleeuwen ontstonden, speelden een belangrijke rol in die protestacties. Dankzij de bloei van de internationale handel en de industrie waren zij onmisbaar geworden in de sterk exportgerichte stedelijke economieën in onze gewesten. Door hun toegenomen belang werden ze ook meer serieus genomen door het stadsbestuur. Daarin zetelden op dat moment vertegenwoordigers van de geslachten of ‘patriciërs’, de stedelijke elites die hun rijkdom haalden uit grootgrondbezit en handel. Nochtans waren het de ambachten die het grootste deel van de stedelijke belastingen moesten betalen. Zij protesteerden dan ook meer en meer tegen die gang van zaken en eisten inspraak in het stadsbestuur om te weten wat er met hun geld gebeurde.

De Guldensporenslag (Houtgravure, P. Choinet).

Voor de eerste structurele successen van de ambachten was het echter nog wachten tot de Guldensporenslag in 1302, die de politieke kaarten grondig herschudde. In de slag bij Kortrijk boekten de Vlaamse ambachten aan de zijde van de Graaf van Vlaanderen een onverwachte overwinning tegen de alliantie van de Vlaamse patriciërs en de Franse koning. Als beloning voor hun loyaliteit verkregen de ambachten vertegenwoordiging in het stadsbestuur van de grote Vlaamse steden. Dat nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje, tot ver over de grens naar Brabant en Luik. Al snel vroegen de ambachten daar gelijkaardige rechten als hun Vlaamse collega’s. Op iets langere termijn bleken ook zij succesvol: tegen het midden van de vijftiende eeuw verwierven de ambachten immers vertegenwoordiging in de schepenbanken van bijna alle grote Brabantse, Luikse en Vlaamse steden.

Samen besturen

In deze tijden van politieke verandering ontwikkelden burgers verschillende mechanismen om te kunnen wegen op het beleid. Zo werden petities voor ambachten een steeds couranter drukkingsmiddel om hun verzuchtingen over te maken aan het stadsbestuur. Dergelijke vragen waren vaak succesvol: ambachten werden gezien als legitieme onderhandelingspartners, die in verschillende dossiers recht van spreken hadden. In vele steden verwierven de ambachten dan ook het statuut van vertegenwoordigers van de ‘ghemeente’, de verzamelnaam voor de ‘gewone burgers’.

De Minderbroederstuin in Sint-Truiden, waar de stedelijke ‘volksvergaderingen’ plaatsvonden.

Ook stelden burgergroeperingen meer en meer samen met hun overheden mee het beleid uit. Bij beslissingen die de volledige bevolking aangingen, riep men bijvoorbeeld de ‘Grote Raad’ samen. In die raad zaten naast de stadsbestuurders ook vertegenwoordigers van de belangengroepen in die stad, zoals ambachten of wijkmeesters. In die zin vormden ‘Grote Raden’ in zekere zin een burgerparlement avant la lettre. Als alternatief voor zo’n vergadering kon ook de hele stadsbevolking samengeroepen worden op een publieke plaats om er rechtsreeks te discussiëren over thema’s zoals belastingen en diplomatieke relaties.

Transparantie

Dankzij de toegenomen invloed van burgers op het beleid werden stadsbesturen in deze periode gedwongen om transparanter te zijn tegenover hun onderdanen. Dat deden ze bijvoorbeeld door hun rekeningen jaarlijks voor te lezen op een publieke plaats en door hun verordeningen op schrift te stellen, waardoor ze gecontroleerd konden worden bij vermoedens van machtsmisbruik. De belangrijkste privileges en het officiële stadszegel bewaarde de overheid voortaan in kisten met verschillende sloten. De sleutels ervan werden verdeeld over de verschillende maatschappelijke groeperingen. Nieuwe ordonnanties waren dus enkel mogelijk als de vertegenwoordigers van de belangrijke burgergroepen daarmee instemden. De vervreemding en vervalsing van belangrijke documenten kon op die manier ingedijkt worden.

Fragment van een ordonnantie na een verzoek van enkele Leuvense ambachten.

Gewone burgers wogen tijdens de late middeleeuwen met andere woorden meer op het stedelijk beleid. Ze verkregen belangrijke politieke rechten, en eisten succesvol inspraak in het beleid. Onze gewesten waren daarin zelfs een voorloper: tijdens de late middeleeuwen waren de Zuidelijke Nederlanden samen met Noord-Italië de meest ‘democratische’ gebieden van Europa. Toch waren de late middeleeuwen voor velen allesbehalve een feest van de democratie. Buitenlanders, armen, vrouwen en personen zonder stedelijke burgerrechten bleven verstoken van politieke erkenning. De middeleeuwen bleven dus ‘een democratie van geprivilegieerden’. Vele middeleeuwse ‘democratische verwezenlijkingen’ waren op lange termijn ook geen lang leven beschoren. Vanaf de zestiende eeuw draaiden vorsten de klok terug door de politieke inspraak van de ambachten te beperken. Voor een nieuwe golf van democratisering was het wachten tot de negentiende en twintigste eeuw.

Ben Eersels en Jelten Baguet zijn gastbloggers. Ben is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven waar hij onderzoek doet naar de invloed van burgers op het stedelijk beleid in de late middeleeuwen. Jelten is als doctorandus werkzaam aan het centrum voor Historisch Onderzoek naar Stedelijke Transformatieprocessen aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij schrijft een proefschrift over stedelijke elitevorming in het zestiende-eeuwse Gent.

Game of Thrones in vijftiende-eeuws Brabant

Gastblog door Valerie Vrancken.

Een kaart van het Heilig Roomse Rijk omstreeks 1400. Dit Rijk in Centraal en West-Europa werd geregeerd door keizers en omvatte talrijke kleinere vorstendommen, waaronder ook het Brabantse hertogdom (in het zwart aangeduid, gesitueerd in hedendaags Vlaams-, Waals- en Nederlands Brabant). Op de westelijke randgebieden – waaronder Brabant – hadden de keizers echter weinig grip in de late middeleeuwen: zij functioneerden daarom bijna als autonome vorstendommen (CC BY 2.5 Ziegelbrenner).

In de zomer van 1430 verheugde de Brabantse bevolking zich op het huwelijk van hertog Filips I met een Aragonese prinses. Een delegatie was al onderweg om zijn aanstaande bruid op te halen, toen bleek dat het huwelijk moest plaatsmaken voor een begrafenis: de zesentwintigjarige hertog had namelijk enkele dagen voordien het leven gelaten. Vreugde sloeg om in collectieve rouw, geplande festiviteiten ruimden plaats voor een ernstige opvolgingscrisis. Want terwijl het gebalsemde lichaam van de kinderloze hertog twee maanden lang lag opgebaard in de Leuvense burcht, aasden niet minder dan tien pretendenten op de prestigieuze hertogstroon.

Een moordcomplot?

De keizer van het Heilig Roomse Rijk, Filips de Goede (heerser over Bourgondië, Vlaanderen en Namen) en de onpopulaire Margaretha van Bourgondië (voormalig gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen) konden daarbij de beste kaarten op tafel leggen. Maar nog vooraleer de troonstrijd echt van start ging, gonsde het in Brabant van de geruchten dat Filips I zou zijn vergiftigd. De hertog stond immers bekend als een gezonde en robuuste vorst die geregeld deelnam aan tornooien en jachtpartijen. Zijn plotse dood stelde velen dan ook voor een raadsel.

De moord op Bourgondisch hertog Jan Zonder Vrees op 10 september 1419 in Montereau (Enguerrand De Monstrelet, Chroniques, BNF, Mss. Fr. 2680).

Het scenario van een onnatuurlijke dood was bovendien niet uit de lucht gegrepen. In de jaren voordien hadden politieke tegenstanders zich zowel in Brabant als in naburige vorstendommen bediend van drastische maatregelen in de strijd om macht en titels. Zo stierf een belangrijke troonpretendent van Holland, Zeeland en Henegouwen in 1425 bijvoorbeeld aan de gevolgen van een vergiftiging. Jan IV, Filips’ directe voorganger, ontsnapte een jaar later op het nippertje aan een aanslag in het Zoniënwoud. Zijn oom, Jan Zonder Vrees, was al in 1419 op gewelddadige wijze om het leven gebracht.

De beschuldigende vinger wees in 1430 vooral in de richting van Filips de Goede, die Filips I in 1427 had aangeduid als opvolger indien hij kinderloos zou sterven. Het was dus ook vooral hij, zo werd geopperd, die het meeste baat had bij de vroegtijdige dood van zijn neef. Zeker nu die op het punt stond te huwen.

Kingmakers

Die geruchten kwamen de stedelijke en adellijke elites van het hertogdom slecht uit, aangezien hun voorkeur al vroeg uitging naar Filips de Goede. Kort nadat Filips I hem in 1427 had aangeduid als zijn mogelijke opvolger, hadden zij dan ook onderhandelingen met hem aangeknoopt over de voorwaarden van zijn eventuele opvolging. Met de jonge en robuuste Filips I aan de macht was dat een erg voorbarige zet, maar wel één die getuigde van realisme: sinds 1248 waren immers slechts twee erfopvolgingen in het hertogdom probleemloos verlopen. Bij iedere moeilijke opvolging hadden de Brabantse politieke elites – dat wil zeggen de bestuurders van de grootste steden en de machtigste edellieden – een doorslaggevende rol gespeeld, en in 1428 gingen ze er vanuit dat ze dat ook in de toekomst zouden doen.

Filips de Goede op weg naar Brabant om zich te laten inhuldigen als hertog van Brabant (Jean de Wavrin, Les Chroniques d’Angleterre, KB Den Haag, 133 A7 III).

Na de plotse dood van Filips I speelden ze die rol inderdaad met verve, daarbij geholpen door onduidelijke opvolgingsregels en tegenstrijdige verdragen. Filips’ eigen wilsverklaring bleek van weinig belang, want het was duidelijk dat enkel politieke steun vanuit Brabant of militaire overmacht de troonstrijd zou beslechten. Dat laatste scenario werd erg gevreesd door de bevolking, maar zover hoefde het niet te komen: Filips de Goede kon immers rekenen op een ruime steun onder de Brabantse politieke elites. Zij bleken aangetrokken door zijn rijke hofhouding en zijn profiel als graaf van Vlaanderen en toekomstig heerser over Holland, Zeeland en Henegouwen. De claims van Margaretha van Bourgondië en keizer Sigismund wogen voor de stedelijke en adellijke elites niet op tegen de financiële en economische voordelen die de deze vorst hen als toekomstig heer kon bieden. Op 5 oktober 1430 schoven ze uiteindelijk alle andere troonpretendenten terzijde, en huldigden ze Filips de Goede plechtig in als hertog.

Een ‘onthoofd’ hertogdom

De Brabantse politieke elites hadden zich daarbij een vergaande macht toegeëigend: ze hadden beslist over de hertogelijke opvolging zonder keizer Sigismund, de opperste leenheer van Brabant, erbij te betrekken. Nog jarenlang zou hij de opvolging door Filips de Goede betwisten, maar uiteindelijk bleek hij militair niet in staat om zijn claims kracht bij te zetten. De stedelijke en adellijke elites hadden daarnaast ook op bestuurlijk vlak de macht gegrepen in de periode na het overlijden van hertog Filips I. Als reactie op de vele geruchten bevolen ze allereerst een autopsie op diens lijk. De doodsoorzaak die daaruit naar voren kwam, was een maagkwaal. Die conclusie wordt ook bevestigd door de apothekers- en doktersuitgaven die terug te vinden zijn in de hertogelijke rekeningen van de jaren voordien. De naam van Filips de Goede en andere verdachten was dus gezuiverd.

Margaretha van Bourgondië werd ervan verdacht de opdrachtgeefster te zijn van zowel de moord op Jan van Beieren in 1425, als de mislukte aanslag op Brabants hertog Jan IV in 1426. Beide waren tegenstanders van haar dochter Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen (BNF, Est. Réserve, Bouchot, 571).

De politieke elites gingen ook verder: ze droegen het dagelijkse bestuur van het hertogdom over aan de leden van Filips’ hertogelijke raad en beslisten dat het lichaam van de hertog pas zou worden begraven na de inhuldiging van diens opvolger. Dit was een symbool voor het doorleven van de hertogelijke macht, zelfs al was de hertog zelf overleden. Vanuit hetzelfde idee beslisten ze dat de muntslag en wetgeving onverminderd zouden worden voorgezet, en bevolen ze hertogelijke beambten hun taken te blijven uitoefenen.

Ook zonder politiek ‘hoofd’ en temidden van een ernstige politieke crisis bleef het hertogdom dus een tijdlang functioneren zoals voorheen – en dat was vooral de bijdrage van de Brabantse stedelijke en adellijke elites. Zij wierpen zich in deze periode niet enkel op als ‘bestuurders’, maar ook als echte ‘kingmakers’: zonder hen had Filips de Goede misschien nooit de hertogstroon kunnen bezetten. Toch zijn het net dergelijke politieke elites die bij de troonstrijd in series zoals Game of Thrones uit het oog verloren worden: het zijn sociale groepen die grotendeels buiten het hofmilieu vielen, die de Brabantse troonstrijd in 1430 hebben beslist. De realiteit was dus complexer dan fictie.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde recent haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen en is momenteel als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Rad van fortuin uit John Lydgate, Siege of Troy (1457). Universiteitsbibliotheek Manchester.

Waarom de Westhoekers de dappersten der Galliërs zijn

Gastblog door Dries Claeys.

Op 2 mei 1920 verscheen in het weekblad Het Ypersche een lofrede voor de Westhoekers die na de Eerste Wereldoorlog naar hun geboortedorpen waren teruggekeerd. Onder de titel ‘De wroeters’ werd hun actieve bijdrage aan de herleving van de regio geprezen. Een subtiele sneer naar de Belgische regeringsinstanties bleef niet achterwege. In tegenstelling tot de lokale bewoners, zo meende het weekblad, hadden zij de Westhoek immers aan haar lot overgelaten.

Nochtans had de Belgische regering in ballingschap al in 1916 plannen gemaakt voor voorlopige woningen om de inwoners van de door de oorlog getroffen gebieden in onder te brengen. Er waren ook tal van andere maatregelen voorzien om een vlotte herbevolking van de Westhoek te verzekeren. Na de Wapenstilstand werd het verschil tussen theorie en praktijk echter pijnlijk duidelijk. De geprefabriceerde huizen bereikten hun bestemming nauwelijks en behalve beperkte financiële en materiële hulp was de overheidsondersteuning zo goed als onbestaande. Tijdens de eerste naoorlogse jaren waren de eerste teruggekeerden dus inderdaad vooral op zichzelf aangewezen.

Leven tussen de ruïnes

De ruïnes van Kemmel in 1918 of 1919.
De ruïnes van Kemmel in 1918 of 1919.

In het zog van de oprukkende geallieerde legers vestigden de eerste pioniers zich opnieuw in de verwoeste frontstreek. De levensomstandigheden waren er precair. Voedsel, kleding en brandstof waren schaarse goederen in een gebied dat tot een maanlandschap was herschapen. Voor brood en andere levensmiddelen moesten de frontbewoners naar dorpen en steden aan de rand van de verwoeste gewesten trekken. Daar konden ze met de kleine vergoeding die hen door de overheid was toegekend inkopen doen. Ze konden ook een beroep doen op georganiseerde liefdadigheid. Onder andere het Amerikaanse Rode Kruis was sterk aanwezig in de Westhoek. Zij verkochten de meest levensnoodzakelijke middelen tegen lage prijzen. De gemeentemagazijnen van het ministerie van binnenlandse zaken hadden dezelfde functie, maar ontstonden pas rijkelijk laat. De eerste magazijnen werden opgericht in het najaar van 1919. Tegen die tijd hadden de vroegste dorpsbewoners al een eigen overlevingsnetwerk uitgebouwd.

Bijna elke voorlopige woning die werd opgetimmerd, herbergde een kruidenierszaak, bakkerij of een café. De ondernemers voorzagen zo niet enkel in hun eigen levensonderhoud, maar zorgden er tegelijk voor dat de lokale dorpsgemeenschap minder afhankelijk werd van externe hulp. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de meeste teruggekeerden het leven in de verwoeste gewesten als een opportuniteit zagen. Niet toevallig bestond de helft van de Ieperse bevolking in 1920 uit bouwvakkers.

Een dak boven het hoofd

Zelf in elkaar getimmerde woningen te Zonnebeke.
Zelf in elkaar getimmerde woningen te Zonnebeke.

Behalve levensmiddelen was huisvesting van primordiaal belang voor de geteisterde Westhoekers. Omdat de levering van voorlopige woningen hopeloos te laat kwam, besloten de eerste teruggekeerden dan maar zelf een schuilplaats te bouwen. Allerhande materialen die over het front verspreid lagen – houten balken, golfplaten en andere bouwmaterialen – werden daarvoor gebruikt. Zo bouwde Hollebekenaar Achiel Cassiman een voorlopige woning van het geraamte van een Amerikaanse cinemabarak en stenen die afkomstig waren van de vernielde huizen. Anderen namen hun intrek in bunkers of tijdens de oorlog ingerichte schuilplaatsen.

Ondertussen besefte de Belgische overheid dat er iets moest gedaan worden om het gebrek aan voorlopige woningen op te vangen. Daarom werden inderhaast enkele duizenden nissen huts overgekocht van het Britse leger. Het waren shelters met een houten of stenen onderbouw en een halfrond golfplaten dak. Het leven in de nissen huts was allesbehalve comfortabel. Onder de ijzeren bedaking kon de temperatuur enorm variëren. Regenval zorgde voor een hels kabaal.

Het barakkendorp van Bikschote. Uiterst rechts bevindt zich de herberg ‘In ’t Nieuw Bikschote’.
Het barakkendorp van Bikschote. Uiterst rechts bevindt zich de herberg ‘In ’t Nieuw Bikschote’.

Daarnaast moedigde het ministerie van binnenlandse zaken de lokale bevolking met premies aan om een semipermanente woning op te bouwen. De lokale bewoners kochten er materialen mee in de gemeentemagazijnen of bij lokale verkopers en staken vervolgens hun eigen woning in elkaar. Zo ontstonden er organisch gegroeide nieuwe dorpen buiten de oorspronkelijke bebouwde kom van de gemeente. Bouwen in de oude dorpskern zelf was immers verboden, aangezien gevreesd werd dat dit de definitieve wederopbouw in de weg zou staan.

‘In ’t Nieuw Bikschote’

De Mesense muziekvereniging voor hun voorlopige repetitieruimte omstreeks 1922.
De Mesense muziekvereniging voor hun voorlopige repetitieruimte omstreeks 1922.

In de ‘nieuwe’ dorpen die na de Eerste Wereldoorlog werden heropgebouwd, ontstond al snel een bloeiend gemeenschapsleven. De talrijke herbergen, waarvan de naam dikwijls refereerde aan de wedergeboorte van het dorp, speelden een belangrijke rol. Ook het verenigingsleven trok zich vanaf 1919 terug op gang. Verenigingen van Vlaamse oud-strijders waren er in bijna iedere gemeente. De geloofsgemeenschap herstelde zich, net als toneelgenootschappen, fanfares en boerengilden. Ondanks de penibele levensomstandigheden vonden dorpsfeesten opnieuw plaats. In zwaar verwoeste dorpen als Kemmel en Zonnebeke werd tijdens de eerste zomer na de Wapenstilstand al een dorpskermis georganiseerd.

Tegen het einde van 1920 had de Westhoek alweer driekwart van haar vooroorlogse inwonersaantal bereikt. Zowat iedere dorpsgemeenschap was ondertussen weer tot leven gekomen. Met beperkte financiële en materiële hulp van de Belgische overheid en enkele hulporganisaties slaagden zij erin voor zichzelf een nieuw leven op te bouwen. Zij zorgden voornamelijk zelf voor hun eigen levensmiddelen en een onderdak. Dat benadrukten ze ook graag zelf. De onvrede ten opzichte van ‘Brussel’, dat hen huns inziens in de kou had laten staan, was groot. Dit resulteerde in een vlammend artikel tegen “de hoogedele Mevrouw Administratie en hare getrouwe trawanten Bureelratten en Pennelikkers” in Het Ypersche van 25 april 1920. Een week later verscheen ‘De wroeters’ in dezelfde krant. Althans in hun eigen ogen waren de Westhoekers de dappersten der Galliërs.

Meer lezen

Jeroen Cornilly, Sofie Decaigny en Kathleen Vandermarliere, eds., Bouwen aan wederopbouw 1914/2050: Architectuur in de Westhoek, Ieper, 2009.

Koen Baert e.a., Ieper: de herrezen stad, Koksijde, 1999.

Dries Claeys is gastblogger. Hij is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Interfacultair Centrum voor Agrarische Geschiedenis, waar hij onderzoek doet naar de reconstructie van platteland en landschap in Vlaanderen na de Eerste Wereldoorlog.

Parlementairen als maatschappelijk consulenten

Gastblog door Karen Lauwers.

De brief die de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs op 7 december 1923 richtte tot Groussau (Archives départementales du Nord).
De brief die de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs op 7 december 1923 richtte tot Groussau (Archives départementales du Nord).

Op 7 december 1923 schreef de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs een brief naar Henri-Constant Groussau, die als onafhankelijke katholiek het Département du Nord in de Kamer van Afgevaardigden vertegenwoordigde. In de brief excuseerde zij zich, omdat ze samen met enkele zusters van de congregatie niet was komen opdagen op haar afspraak met Groussau in de Kamer. Blijkbaar waren ze wel degelijk in het Palais Bourbon aanwezig op het afgesproken tijdstip, maar werden ze afgeschrikt door de grote massa volk die er toen was. Omdat ze sterk opvielen in hun religieuze kledij, durfden ze niet verder te gaan en verkozen ze om via de binnenpost van het parlement een nieuwe afspraak vast te leggen, in een meer discrete omgeving. Dit keer verzochten ze expliciet om Groussau bij hem thuis te spreken, in zijn verblijf in Versailles.

Communicatie tussen het volk en zijn vertegenwoordigers

Het geschetste tafereel speelt zich af in het hart van de Derde Franse Republiek vlak na de Eerste Wereldoorlog, maar werpt ook een onverwacht licht op deze Republiek. Het druist eerst en vooral in tegen het klassieke beeld van de République des camarades – een republiek gedomineerd door een ontoegankelijke politieke elite, die ondanks haar interne meningsverschillen toch vooral haar eigen belangen trachtte veilig te stellen. Burgers, zo blijkt uit het tafereel, konden tot diep in het Palais Bourbon binnendringen en maakten ook gretig van die mogelijkheid gebruik.

Aan de hand van een voorgedrukte pneumatische kaart, konden gewone burgers bij hun aanwezigheid in het parlement snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid (Archives départementales du Nord).
Aan de hand van een voorgedrukte pneumatische kaart, konden gewone burgers bij hun aanwezigheid in het parlement snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid (Archives départementales du Nord).

De parlementaire diensten boden zelfs logistieke ondersteuning om deze toegang tot de Kamerleden te vergemakkelijken. Zo werd het parlementaire buizenpostsysteem, dat bedoeld was om de stenografische notities van de Kamerdebatten door te sturen naar de dienst die het Journal officiel drukte, ook ter beschikking gesteld van ‘gewone burgers’, van mannen en vrouwen uit gelijk welke klasse, zonder politiek ambt. Via dit systeem konden zij snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid, aan de hand van een voorgedrukt briefje.

Op het briefje diende de aanvrager de naam van het Kamerlid en het gewenste moment te noteren. Daaronder was plaats voorzien om meer informatie te geven over de reden van het persoonlijk onderhoud. De voorgedrukte formulering ‘pour lui demander…’ spoorde de bezoeker aan om een specifieke vraag te noteren, maar de aanvragers bleven hier meestal erg vaag over. Omdat het geen strikt persoonlijk document was, drukte de bezoeker doorgaans enkel de wens uit om raad te vragen of informatie door te geven.

Volksvertegenwoordigers en een rij wachtenden voor de ingang van het Palais Bourbon op 19 januari 1922 (Bibliothèque nationale de France).
Volksvertegenwoordigers en een rij wachtenden voor de ingang van het Palais Bourbon op 19 januari 1922 (Bibliothèque nationale de France).

Het briefje werd vervolgens naar de debatzaal van het Palais Bourbon gestuurd, waar portiers instonden voor de veiligheid in de Kamer. Zij dienden in te grijpen wanneer de gemoederen te verhit raakten, maar traden tegelijk ook op als bode. De aanvraagbriefjes van de burgers kwamen bij hen toe. Als de volksvertegenwoordiger wiens naam bovenaan het bericht stond, aanwezig was in het halfrond, kon de bode hem het kaartje overhandigen. Anders werd het teruggestuurd naar de aanvrager, die hiervoor zijn thuisadres op het document had moeten achterlaten.

Vaak werd het eerste contact vanop afstand gemaakt, via een gewone brief, verzonden vanaf het eigen adres van de ‘gewone burger’. Hij of zij hoefde dan geen verplaatsing te maken naar de Kamer en kon meer informatie kwijt over de reden van zijn of haar verzoek. Toch bleek dat burgers niet zelden de voorkeur gaven aan een persoonlijk onderhoud boven briefwisseling. Zo kon het in de gangen van het Palais Bourbon best druk worden.

Religieuze briefschrijvers en hun verwachtingen

Voor het advies en de expertise van Groussau schreven Franse burgers uit verschillende regio’s tijdens het interbellum een kaart of brief naar zijn adres in Versailles of naar de Kamer, zoals in dit postkaartfragment uit 1924, afkomstig uit Allier (Archives départementales du Nord).
Voor het advies en de expertise van Groussau schreven Franse burgers uit verschillende regio’s tijdens het interbellum een kaart of brief naar zijn adres in Versailles of naar de Kamer, zoals in dit postkaartfragment uit 1924, afkomstig uit Allier (Archives départementales du Nord).

Het geschetste tafereel past ook slechts ten dele in het klassieke beeld van de radicaal antiklerikale Derde Republiek. Of beter: het illustreert dat de grenzen tussen Kerk en Staat na de Eerste Wereldoorlog poreuzer werden dan zij tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw waren geweest. Het initiatief van Jezus’ Trouwe Gezellinen om Groussau in het Palais Bourbon op te zoeken, getuigde immers van de nieuwe hoop die verschillende Franse congregaties na de Eerste Wereldoorlog gingen koesteren. Aangezien zij tijdens de oorlog humanitaire hulp hadden geboden en de relaties tussen de Franse staat en het Vaticaan waren verbeterd, durfden vele paters en nonnen naar mogelijkheden te zoeken om hun activiteiten opnieuw uit te breiden en er officiële erkenning voor te krijgen.

Dat de nonnen op hun stappen terugkeerden toen zij de mismatch tussen hun kledij en de parlementaire omgeving beseften, toont meteen echter ook de grenzen van die groeiende toenadering tussen Republiek en Kerk. Ondanks de veranderde context bleef de regulering immers streng en kon het dragen van religieuze kledij de kansen van een congregatie op toestemming verkleinen. Ook Groussau zelf legde de nodige voorzichtigheid in dit opzicht aan de dag. Hij bood zijn briefschrijvers doorgaans eerst de kans om hem in de Kamer te ontmoeten, maar voor een bespreking van meer delicate, religieuze zaken, was hij eveneens bereid om hen in zijn verblijf in Versailles te ontvangen.

Groussau1923
Henri-Constant Groussau, ca. 1923 (Bibliothèque nationale de France).

In 1924 ontraadde Groussau de Ursulinen uit Pau, die na een lange periode van ballingschap hoopvol teruggekeerd waren naar Frankrijk, om een officiële aanvraag tot erkenning in te dienen. Via de documenten die ze hiervoor moesten indienen, zouden ze de overheid immers zelf de middelen aanreiken om hen te laten vervolgen. De beste optie leek hem nog om seculiere kledij te dragen en te doen alsof er niets aan de hand was. Eerder dan de belangen van ‘de katholieken’ luidruchtig in de Kamer te verdedigen, raadde de afgevaardigde uit Lille hen in dit geval dus aan in de clandestiniteit te opereren.

De brede maatschappelijke rol van een volksvertegenwoordiger

Met dat alles was Groussau alvast veel meer dan zomaar een lid van  een wereldvreemde politieke elite. Hij was ook een klankbord van maatschappelijke verzuchtingen, een onderhandelaar tussen overheid en samenleving, een maatschappelijk consulent van zijn achterban. Deze diversiteit aan functies werd door velen erkend en aangesproken – ook door burgers die zoals de Fidèles Compagnes de Jésus niet op hem konden stemmen. Groussau was (en is) zeker niet de enige die op die manier als interface tussen de samenleving en de staat fungeerde (en fungeert). Als we dit erkennen en bestuderen, kunnen we aan de geschiedenis van de parlementaire cultuur een vernieuwde maatschappijhistorische relevantie verlenen.

Meer lezen

Marnix Beyen, ‘De politieke kracht van het dienstbetoon. Interacties tussen burgers en volksvertegenwoordigers in Parijs, 1893-1914’, Stadsgeschiedenis, 7 (2012), 74-85.

Titelafbeelding: Het halfrond van de Franse Kamer van Afgevaardigden in 1922 (Bibliothèque nationale de France).

Karen Lauwers is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Power in History, Centre for Political History aan de Universiteit Antwerpen, waar ze onderzoek verricht naar de impact van de Eerste Wereldoorlog op de directe interacties tussen volksvertegenwoordigers en gewone burgers in België en Frankrijk.

Internationale politiek als infotainment

Gastblog door Betto van Waarden.

‘Moment van onbeschrijflijk enthousiasme; luide huldebetuigingen die het lawaai van de rollende trein overstemmen’, berichtte L’Indépendance Belge op 3 december 1900. Op het station van Erquelinnes waren zelfs de schoolkinderen ‘op het toppunt van vreugde, ze zullen papa Kruger kunnen zien!’ Ook op de stations van Charleroi, Namen en Luik juichten menigtes hun held, oud-president Paul Kruger van de Transvaal, toe. Kruger kwam de Europese mogendheden om bemiddeling in de Boerenoorlog vragen. Deze oorlog tussen Engeland en de Zuid-Afrikaanse republieken Transvaal en Oranje Vrijstaat stond in het middelpunt van de internationale belangstelling: voor het eerst bevochten blanke Europeanen elkaar in Afrika en werden ‘concentratiekampen’ ingericht. Maar waarom was de Belgische koning niet aanwezig om zijn eregast te ontvangen?

Kruger lijkt te ontsnappen aan Victoria en zoekt zijn heil bij Wilhelmina: Frans tijdschrift schrijft ‘Un qu’elle n’aura pas’ ‘Victoria – Hé, quoi! monsieur Krüger, vous m’abandonnez pour cette petite Wilhelmine? J’avais pourtant pour vous une belle résidence… à Sainte-Hélène!’
Kruger lijkt te ontsnappen aan Victoria en zoekt zijn heil bij Wilhelmina: Frans tijdschrift schrijft ‘Un qu’elle n’aura pas’ ‘Victoria – Hé, quoi! monsieur Krüger, vous m’abandonnez pour cette petite Wilhelmine? J’avais pourtant pour vous une belle résidence… à Sainte-Hélène!’

Koning Leopold II was nog in Oostende. ‘[O]m president Krüger niet te moeten ontvangen’ volgens Het Nieuws van den Dag. De Duitse Keizer Wilhelm II – met het excuus ‘op jacht’ te zijn – en Russische Tsaar Nicolaas II lieten eveneens verstek gaan. Alleen de Nederlandse Koningin Wilhelmina ontving ‘Oom Paul’. Voor een kwartiertje. Vervolgens kreeg hij de hint dat hij beter niet te lang in Den Haag kon blijven omdat zijn aanwezigheid de koningin en haar regering in verlegenheid bracht.

Monarchen onder mediadruk

Waarom speelden deze monarchen verstoppertje met Kruger? Hun volken stonden toch achter Kruger? Als nazaten van Nederlandse, Duitse en hugenootse immigranten en als David strijdend tegen Goliath, genoten de ‘stamverwante’ Boeren een enorme steun onder de Europese bevolking in hun strijd tegen het machtige Britse Rijk. Maar de Europese monarchen moesten ook denken aan hun nationale belangen en de Engelsen te vriend houden. België en Nederland waren als kleine staten te midden van Europese grootmachten deels afhankelijk van Engeland voor hun veiligheid. Bovendien zou interventie in Victoria’s koloniale politiek weleens kunnen leiden tot Engelse bemoeienis met Leopolds Congo of Wilhelmina’s Nederlands-Indië.

Wilhelm en Nicolaas – terugdenkend aan Wilhelm’s desastreuze telegram aan Kruger in 1896 - durven Kruger niet te ontvangen onder toeziend oog van het Britse Rijk.
Wilhelm en Nicolaas – terugdenkend aan Wilhelms desastreuze telegram aan Kruger in 1896 – durven Kruger niet te ontvangen onder toeziend oog van het Britse Rijk.

Het balanceren van deze belangen zou echter niet zo’n probleem zijn geweest als de monarchen nog ‘geheime diplomatie’ hadden kunnen voeren zoals vroeger. Maar eind negentiende eeuw werden politieke uitspraken en acties in toenemende mate uitvergroot door de pers. De combinatie van telegrafen, spoorwegen, snellere drukpersen en toenemende geletterdheid creëerde een soort internationale mediarevolutie.

Wilhelm leek zijn lesje snel te hebben geleerd. In 1896 had hij Kruger per telegram gefeliciteerd met het weerstaan van een Britse inval in de Transvaal door Leander Starr Jameson. Binnen de kortste keren vielen de Britse kranten over hem heen, wat weer tot een agressieve reactie van de Duitse pers leidde. Een ‘mediaoorlog’ was geboren. De Duits-Britse persrelaties herstelden zich onder Wilhelm nooit helemaal en droegen volgens sommige historici zelfs bij tot het ontvlammen van de Eerste Wereldoorlog. Geen wonder dat Wilhelm tijdens Krugers bezoek in 1900 ‘op jacht’ was.

De personificatie van politiek

Personificatie van politiek: Britse krant schrijft ‘Kruger Snubbed: Wilhelm II will have none of him. Depressing set-back for Oom Paul / Kruger and the Kaiser’s snub. Tears of grief.’
Personificatie van politiek: Britse krant schrijft ‘Kruger Snubbed: Wilhelm II will have none of him. Depressing set-back for Oom Paul / Kruger and the Kaiser’s snub. Tears of grief.’

Waarom speelden monarchen hier überhaupt een rol? Hoorden koningen intussen niet thuis in sprookjes? Monarchen waren gebonden aan constituties en hun wil was niet langer wet, maar in het buitenlandse beleid speelden ze vaak nog een belangrijke rol. Internationale betrekkingen in de negentiende eeuw bestonden nog grotendeels uit ontmoetingen tussen staatshoofden – de monarchen. Een rol die mannen als Leopold en Wilhelm maar al te graag speelden om een koloniaal rijk te verwerven voor de glorie van hun relatief nieuwe natiestaten.

Bovendien werden monarchen ‘mediasterren’. Al vanaf hun geboorte waren ze bekend en het explosief groeiende aantal kranten versterkte die bekendheid. Of Leopold nu aan het winkelen in Parijs of op autotour was – het stond op de voorpagina’s en het volk smulde ervan. De combinatie met internationale politiek deed het helemaal goed. Het publiek kon geen genoeg krijgen van verhalen over koloniale avonturen en monarchen vormden de ideale symbolische protagonisten. ‘Victoria’s India’ sprak tot de verbeelding. Monarchen maakten dankbaar gebruik van die aandacht om hun positie – die grondwettelijk steeds meer werd ingeperkt – te versterken door het volk direct aan te spreken en voor zich te winnen via de media.

Victoria behoedt haar kroost voor de in Europa rondzwervende Kruger: Duits tijdschrift spot ‘Weihnachten in Europa: “Kinder, versteckt euch, der Knecht Rupprecht kommt!”’
Victoria behoedt haar kroost voor de in Europa rondzwervende Kruger: Duits tijdschrift spot ‘Weihnachten in Europa: “Kinder, versteckt euch, der Knecht Rupprecht kommt!”’

De pers leek de complexe internationale politiek uit te leggen en te sensationaliseren aan de hand van een aantal bekende en vaak excentrieke persoonlijkheden. Nieuws werd ‘infotainment’. Het ging niet zozeer over de Duitse regering die vanwege nationale belangen niet twee Zuid-Afrikaanse republieken wilde steunen, maar over de bombastische en altijd geüniformeerde Wilhelm die zijn oude vriend, de puriteinse en sjofel geklede Oom Paul, de rug toekeerde. Terwijl de jonge en wellicht nog naïeve Wilhelmina leek te zeggen: ‘toe, kom dan maar eventjes uithuilen bij uw stamverwanten in Nederland.’

Sinds 1900 is internationale politiek nog complexer geworden, terwijl staatshoofden door de opkomst van radio, televisie, internet en moderne vormen van telecommunicatie nog voorzichtiger te werk moeten gaan. Hoe zullen de media van morgen de eurocrisis uitleggen en verkopen? ‘Mutti Merkel en pépère Hollande laten sexy Alexi Tsipras in de kou staan op het perron van Brussel-Schuman’?

Meer lezen

Johannes Paulmann, Pomp und Politik: Monarchenbegegnungen in Europa zwischen Ancien Régime und Erstem Weltkrieg, Paderborn, 2000.

John Plunkett, Queen Victoria: First Media Monarch, Oxford, 2003.

Simon Potter, ‘Jingoism, Public Opinion, and the New Imperialism: Newspapers and Imperial Rivalries at the fin de siècle’, Media History, 20 (2014), 34–50.

Titelafbeelding: Kruger bezoekt Wilhelmina in Den Haag.

Betto van Waarden is gastblogger. Hij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de Onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de opkomst van massamedia en politieke legitimiteit van Europese monarchen tussen 1880 en 1914.