Categorie archief: Politiek & strijd

Game of Thrones in vijftiende-eeuws Brabant

Gastblog door Valerie Vrancken.

Een kaart van het Heilig Roomse Rijk omstreeks 1400. Dit Rijk in Centraal en West-Europa werd geregeerd door keizers en omvatte talrijke kleinere vorstendommen, waaronder ook het Brabantse hertogdom (in het zwart aangeduid, gesitueerd in hedendaags Vlaams-, Waals- en Nederlands Brabant). Op de westelijke randgebieden – waaronder Brabant – hadden de keizers echter weinig grip in de late middeleeuwen: zij functioneerden daarom bijna als autonome vorstendommen (CC BY 2.5 Ziegelbrenner).

In de zomer van 1430 verheugde de Brabantse bevolking zich op het huwelijk van hertog Filips I met een Aragonese prinses. Een delegatie was al onderweg om zijn aanstaande bruid op te halen, toen bleek dat het huwelijk moest plaatsmaken voor een begrafenis: de zesentwintigjarige hertog had namelijk enkele dagen voordien het leven gelaten. Vreugde sloeg om in collectieve rouw, geplande festiviteiten ruimden plaats voor een ernstige opvolgingscrisis. Want terwijl het gebalsemde lichaam van de kinderloze hertog twee maanden lang lag opgebaard in de Leuvense burcht, aasden niet minder dan tien pretendenten op de prestigieuze hertogstroon.

Een moordcomplot?

De keizer van het Heilig Roomse Rijk, Filips de Goede (heerser over Bourgondië, Vlaanderen en Namen) en de onpopulaire Margaretha van Bourgondië (voormalig gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen) konden daarbij de beste kaarten op tafel leggen. Maar nog vooraleer de troonstrijd echt van start ging, gonsde het in Brabant van de geruchten dat Filips I zou zijn vergiftigd. De hertog stond immers bekend als een gezonde en robuuste vorst die geregeld deelnam aan tornooien en jachtpartijen. Zijn plotse dood stelde velen dan ook voor een raadsel.

De moord op Bourgondisch hertog Jan Zonder Vrees op 10 september 1419 in Montereau (Enguerrand De Monstrelet, Chroniques, BNF, Mss. Fr. 2680).

Het scenario van een onnatuurlijke dood was bovendien niet uit de lucht gegrepen. In de jaren voordien hadden politieke tegenstanders zich zowel in Brabant als in naburige vorstendommen bediend van drastische maatregelen in de strijd om macht en titels. Zo stierf een belangrijke troonpretendent van Holland, Zeeland en Henegouwen in 1425 bijvoorbeeld aan de gevolgen van een vergiftiging. Jan IV, Filips’ directe voorganger, ontsnapte een jaar later op het nippertje aan een aanslag in het Zoniënwoud. Zijn oom, Jan Zonder Vrees, was al in 1419 op gewelddadige wijze om het leven gebracht.

De beschuldigende vinger wees in 1430 vooral in de richting van Filips de Goede, die Filips I in 1427 had aangeduid als opvolger indien hij kinderloos zou sterven. Het was dus ook vooral hij, zo werd geopperd, die het meeste baat had bij de vroegtijdige dood van zijn neef. Zeker nu die op het punt stond te huwen.

Kingmakers

Die geruchten kwamen de stedelijke en adellijke elites van het hertogdom slecht uit, aangezien hun voorkeur al vroeg uitging naar Filips de Goede. Kort nadat Filips I hem in 1427 had aangeduid als zijn mogelijke opvolger, hadden zij dan ook onderhandelingen met hem aangeknoopt over de voorwaarden van zijn eventuele opvolging. Met de jonge en robuuste Filips I aan de macht was dat een erg voorbarige zet, maar wel één die getuigde van realisme: sinds 1248 waren immers slechts twee erfopvolgingen in het hertogdom probleemloos verlopen. Bij iedere moeilijke opvolging hadden de Brabantse politieke elites – dat wil zeggen de bestuurders van de grootste steden en de machtigste edellieden – een doorslaggevende rol gespeeld, en in 1428 gingen ze er vanuit dat ze dat ook in de toekomst zouden doen.

Filips de Goede op weg naar Brabant om zich te laten inhuldigen als hertog van Brabant (Jean de Wavrin, Les Chroniques d’Angleterre, KB Den Haag, 133 A7 III).

Na de plotse dood van Filips I speelden ze die rol inderdaad met verve, daarbij geholpen door onduidelijke opvolgingsregels en tegenstrijdige verdragen. Filips’ eigen wilsverklaring bleek van weinig belang, want het was duidelijk dat enkel politieke steun vanuit Brabant of militaire overmacht de troonstrijd zou beslechten. Dat laatste scenario werd erg gevreesd door de bevolking, maar zover hoefde het niet te komen: Filips de Goede kon immers rekenen op een ruime steun onder de Brabantse politieke elites. Zij bleken aangetrokken door zijn rijke hofhouding en zijn profiel als graaf van Vlaanderen en toekomstig heerser over Holland, Zeeland en Henegouwen. De claims van Margaretha van Bourgondië en keizer Sigismund wogen voor de stedelijke en adellijke elites niet op tegen de financiële en economische voordelen die de deze vorst hen als toekomstig heer kon bieden. Op 5 oktober 1430 schoven ze uiteindelijk alle andere troonpretendenten terzijde, en huldigden ze Filips de Goede plechtig in als hertog.

Een ‘onthoofd’ hertogdom

De Brabantse politieke elites hadden zich daarbij een vergaande macht toegeëigend: ze hadden beslist over de hertogelijke opvolging zonder keizer Sigismund, de opperste leenheer van Brabant, erbij te betrekken. Nog jarenlang zou hij de opvolging door Filips de Goede betwisten, maar uiteindelijk bleek hij militair niet in staat om zijn claims kracht bij te zetten. De stedelijke en adellijke elites hadden daarnaast ook op bestuurlijk vlak de macht gegrepen in de periode na het overlijden van hertog Filips I. Als reactie op de vele geruchten bevolen ze allereerst een autopsie op diens lijk. De doodsoorzaak die daaruit naar voren kwam, was een maagkwaal. Die conclusie wordt ook bevestigd door de apothekers- en doktersuitgaven die terug te vinden zijn in de hertogelijke rekeningen van de jaren voordien. De naam van Filips de Goede en andere verdachten was dus gezuiverd.

Margaretha van Bourgondië werd ervan verdacht de opdrachtgeefster te zijn van zowel de moord op Jan van Beieren in 1425, als de mislukte aanslag op Brabants hertog Jan IV in 1426. Beide waren tegenstanders van haar dochter Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen (BNF, Est. Réserve, Bouchot, 571).

De politieke elites gingen ook verder: ze droegen het dagelijkse bestuur van het hertogdom over aan de leden van Filips’ hertogelijke raad en beslisten dat het lichaam van de hertog pas zou worden begraven na de inhuldiging van diens opvolger. Dit was een symbool voor het doorleven van de hertogelijke macht, zelfs al was de hertog zelf overleden. Vanuit hetzelfde idee beslisten ze dat de muntslag en wetgeving onverminderd zouden worden voorgezet, en bevolen ze hertogelijke beambten hun taken te blijven uitoefenen.

Ook zonder politiek ‘hoofd’ en temidden van een ernstige politieke crisis bleef het hertogdom dus een tijdlang functioneren zoals voorheen – en dat was vooral de bijdrage van de Brabantse stedelijke en adellijke elites. Zij wierpen zich in deze periode niet enkel op als ‘bestuurders’, maar ook als echte ‘kingmakers’: zonder hen had Filips de Goede misschien nooit de hertogstroon kunnen bezetten. Toch zijn het net dergelijke politieke elites die bij de troonstrijd in series zoals Game of Thrones uit het oog verloren worden: het zijn sociale groepen die grotendeels buiten het hofmilieu vielen, die de Brabantse troonstrijd in 1430 hebben beslist. De realiteit was dus complexer dan fictie.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde recent haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen en is momenteel als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Rad van fortuin uit John Lydgate, Siege of Troy (1457). Universiteitsbibliotheek Manchester.

Waarom de Westhoekers de dappersten der Galliërs zijn

Gastblog door Dries Claeys.

Op 2 mei 1920 verscheen in het weekblad Het Ypersche een lofrede voor de Westhoekers die na de Eerste Wereldoorlog naar hun geboortedorpen waren teruggekeerd. Onder de titel ‘De wroeters’ werd hun actieve bijdrage aan de herleving van de regio geprezen. Een subtiele sneer naar de Belgische regeringsinstanties bleef niet achterwege. In tegenstelling tot de lokale bewoners, zo meende het weekblad, hadden zij de Westhoek immers aan haar lot overgelaten.

Nochtans had de Belgische regering in ballingschap al in 1916 plannen gemaakt voor voorlopige woningen om de inwoners van de door de oorlog getroffen gebieden in onder te brengen. Er waren ook tal van andere maatregelen voorzien om een vlotte herbevolking van de Westhoek te verzekeren. Na de Wapenstilstand werd het verschil tussen theorie en praktijk echter pijnlijk duidelijk. De geprefabriceerde huizen bereikten hun bestemming nauwelijks en behalve beperkte financiële en materiële hulp was de overheidsondersteuning zo goed als onbestaande. Tijdens de eerste naoorlogse jaren waren de eerste teruggekeerden dus inderdaad vooral op zichzelf aangewezen.

Leven tussen de ruïnes

De ruïnes van Kemmel in 1918 of 1919.
De ruïnes van Kemmel in 1918 of 1919.

In het zog van de oprukkende geallieerde legers vestigden de eerste pioniers zich opnieuw in de verwoeste frontstreek. De levensomstandigheden waren er precair. Voedsel, kleding en brandstof waren schaarse goederen in een gebied dat tot een maanlandschap was herschapen. Voor brood en andere levensmiddelen moesten de frontbewoners naar dorpen en steden aan de rand van de verwoeste gewesten trekken. Daar konden ze met de kleine vergoeding die hen door de overheid was toegekend inkopen doen. Ze konden ook een beroep doen op georganiseerde liefdadigheid. Onder andere het Amerikaanse Rode Kruis was sterk aanwezig in de Westhoek. Zij verkochten de meest levensnoodzakelijke middelen tegen lage prijzen. De gemeentemagazijnen van het ministerie van binnenlandse zaken hadden dezelfde functie, maar ontstonden pas rijkelijk laat. De eerste magazijnen werden opgericht in het najaar van 1919. Tegen die tijd hadden de vroegste dorpsbewoners al een eigen overlevingsnetwerk uitgebouwd.

Bijna elke voorlopige woning die werd opgetimmerd, herbergde een kruidenierszaak, bakkerij of een café. De ondernemers voorzagen zo niet enkel in hun eigen levensonderhoud, maar zorgden er tegelijk voor dat de lokale dorpsgemeenschap minder afhankelijk werd van externe hulp. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de meeste teruggekeerden het leven in de verwoeste gewesten als een opportuniteit zagen. Niet toevallig bestond de helft van de Ieperse bevolking in 1920 uit bouwvakkers.

Een dak boven het hoofd

Zelf in elkaar getimmerde woningen te Zonnebeke.
Zelf in elkaar getimmerde woningen te Zonnebeke.

Behalve levensmiddelen was huisvesting van primordiaal belang voor de geteisterde Westhoekers. Omdat de levering van voorlopige woningen hopeloos te laat kwam, besloten de eerste teruggekeerden dan maar zelf een schuilplaats te bouwen. Allerhande materialen die over het front verspreid lagen – houten balken, golfplaten en andere bouwmaterialen – werden daarvoor gebruikt. Zo bouwde Hollebekenaar Achiel Cassiman een voorlopige woning van het geraamte van een Amerikaanse cinemabarak en stenen die afkomstig waren van de vernielde huizen. Anderen namen hun intrek in bunkers of tijdens de oorlog ingerichte schuilplaatsen.

Ondertussen besefte de Belgische overheid dat er iets moest gedaan worden om het gebrek aan voorlopige woningen op te vangen. Daarom werden inderhaast enkele duizenden nissen huts overgekocht van het Britse leger. Het waren shelters met een houten of stenen onderbouw en een halfrond golfplaten dak. Het leven in de nissen huts was allesbehalve comfortabel. Onder de ijzeren bedaking kon de temperatuur enorm variëren. Regenval zorgde voor een hels kabaal.

Het barakkendorp van Bikschote. Uiterst rechts bevindt zich de herberg ‘In ’t Nieuw Bikschote’.
Het barakkendorp van Bikschote. Uiterst rechts bevindt zich de herberg ‘In ’t Nieuw Bikschote’.

Daarnaast moedigde het ministerie van binnenlandse zaken de lokale bevolking met premies aan om een semipermanente woning op te bouwen. De lokale bewoners kochten er materialen mee in de gemeentemagazijnen of bij lokale verkopers en staken vervolgens hun eigen woning in elkaar. Zo ontstonden er organisch gegroeide nieuwe dorpen buiten de oorspronkelijke bebouwde kom van de gemeente. Bouwen in de oude dorpskern zelf was immers verboden, aangezien gevreesd werd dat dit de definitieve wederopbouw in de weg zou staan.

‘In ’t Nieuw Bikschote’

De Mesense muziekvereniging voor hun voorlopige repetitieruimte omstreeks 1922.
De Mesense muziekvereniging voor hun voorlopige repetitieruimte omstreeks 1922.

In de ‘nieuwe’ dorpen die na de Eerste Wereldoorlog werden heropgebouwd, ontstond al snel een bloeiend gemeenschapsleven. De talrijke herbergen, waarvan de naam dikwijls refereerde aan de wedergeboorte van het dorp, speelden een belangrijke rol. Ook het verenigingsleven trok zich vanaf 1919 terug op gang. Verenigingen van Vlaamse oud-strijders waren er in bijna iedere gemeente. De geloofsgemeenschap herstelde zich, net als toneelgenootschappen, fanfares en boerengilden. Ondanks de penibele levensomstandigheden vonden dorpsfeesten opnieuw plaats. In zwaar verwoeste dorpen als Kemmel en Zonnebeke werd tijdens de eerste zomer na de Wapenstilstand al een dorpskermis georganiseerd.

Tegen het einde van 1920 had de Westhoek alweer driekwart van haar vooroorlogse inwonersaantal bereikt. Zowat iedere dorpsgemeenschap was ondertussen weer tot leven gekomen. Met beperkte financiële en materiële hulp van de Belgische overheid en enkele hulporganisaties slaagden zij erin voor zichzelf een nieuw leven op te bouwen. Zij zorgden voornamelijk zelf voor hun eigen levensmiddelen en een onderdak. Dat benadrukten ze ook graag zelf. De onvrede ten opzichte van ‘Brussel’, dat hen huns inziens in de kou had laten staan, was groot. Dit resulteerde in een vlammend artikel tegen “de hoogedele Mevrouw Administratie en hare getrouwe trawanten Bureelratten en Pennelikkers” in Het Ypersche van 25 april 1920. Een week later verscheen ‘De wroeters’ in dezelfde krant. Althans in hun eigen ogen waren de Westhoekers de dappersten der Galliërs.

Meer lezen

Jeroen Cornilly, Sofie Decaigny en Kathleen Vandermarliere, eds., Bouwen aan wederopbouw 1914/2050: Architectuur in de Westhoek, Ieper, 2009.

Koen Baert e.a., Ieper: de herrezen stad, Koksijde, 1999.

Dries Claeys is gastblogger. Hij is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Interfacultair Centrum voor Agrarische Geschiedenis, waar hij onderzoek doet naar de reconstructie van platteland en landschap in Vlaanderen na de Eerste Wereldoorlog.

Parlementairen als maatschappelijk consulenten

Gastblog door Karen Lauwers.

De brief die de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs op 7 december 1923 richtte tot Groussau (Archives départementales du Nord).
De brief die de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs op 7 december 1923 richtte tot Groussau (Archives départementales du Nord).

Op 7 december 1923 schreef de moeder-overste van de Fidèles Compagnes de Jésus uit Parijs een brief naar Henri-Constant Groussau, die als onafhankelijke katholiek het Département du Nord in de Kamer van Afgevaardigden vertegenwoordigde. In de brief excuseerde zij zich, omdat ze samen met enkele zusters van de congregatie niet was komen opdagen op haar afspraak met Groussau in de Kamer. Blijkbaar waren ze wel degelijk in het Palais Bourbon aanwezig op het afgesproken tijdstip, maar werden ze afgeschrikt door de grote massa volk die er toen was. Omdat ze sterk opvielen in hun religieuze kledij, durfden ze niet verder te gaan en verkozen ze om via de binnenpost van het parlement een nieuwe afspraak vast te leggen, in een meer discrete omgeving. Dit keer verzochten ze expliciet om Groussau bij hem thuis te spreken, in zijn verblijf in Versailles.

Communicatie tussen het volk en zijn vertegenwoordigers

Het geschetste tafereel speelt zich af in het hart van de Derde Franse Republiek vlak na de Eerste Wereldoorlog, maar werpt ook een onverwacht licht op deze Republiek. Het druist eerst en vooral in tegen het klassieke beeld van de République des camarades – een republiek gedomineerd door een ontoegankelijke politieke elite, die ondanks haar interne meningsverschillen toch vooral haar eigen belangen trachtte veilig te stellen. Burgers, zo blijkt uit het tafereel, konden tot diep in het Palais Bourbon binnendringen en maakten ook gretig van die mogelijkheid gebruik.

Aan de hand van een voorgedrukte pneumatische kaart, konden gewone burgers bij hun aanwezigheid in het parlement snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid (Archives départementales du Nord).
Aan de hand van een voorgedrukte pneumatische kaart, konden gewone burgers bij hun aanwezigheid in het parlement snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid (Archives départementales du Nord).

De parlementaire diensten boden zelfs logistieke ondersteuning om deze toegang tot de Kamerleden te vergemakkelijken. Zo werd het parlementaire buizenpostsysteem, dat bedoeld was om de stenografische notities van de Kamerdebatten door te sturen naar de dienst die het Journal officiel drukte, ook ter beschikking gesteld van ‘gewone burgers’, van mannen en vrouwen uit gelijk welke klasse, zonder politiek ambt. Via dit systeem konden zij snel een afspraak maken met een welbepaald Kamerlid, aan de hand van een voorgedrukt briefje.

Op het briefje diende de aanvrager de naam van het Kamerlid en het gewenste moment te noteren. Daaronder was plaats voorzien om meer informatie te geven over de reden van het persoonlijk onderhoud. De voorgedrukte formulering ‘pour lui demander…’ spoorde de bezoeker aan om een specifieke vraag te noteren, maar de aanvragers bleven hier meestal erg vaag over. Omdat het geen strikt persoonlijk document was, drukte de bezoeker doorgaans enkel de wens uit om raad te vragen of informatie door te geven.

Volksvertegenwoordigers en een rij wachtenden voor de ingang van het Palais Bourbon op 19 januari 1922 (Bibliothèque nationale de France).
Volksvertegenwoordigers en een rij wachtenden voor de ingang van het Palais Bourbon op 19 januari 1922 (Bibliothèque nationale de France).

Het briefje werd vervolgens naar de debatzaal van het Palais Bourbon gestuurd, waar portiers instonden voor de veiligheid in de Kamer. Zij dienden in te grijpen wanneer de gemoederen te verhit raakten, maar traden tegelijk ook op als bode. De aanvraagbriefjes van de burgers kwamen bij hen toe. Als de volksvertegenwoordiger wiens naam bovenaan het bericht stond, aanwezig was in het halfrond, kon de bode hem het kaartje overhandigen. Anders werd het teruggestuurd naar de aanvrager, die hiervoor zijn thuisadres op het document had moeten achterlaten.

Vaak werd het eerste contact vanop afstand gemaakt, via een gewone brief, verzonden vanaf het eigen adres van de ‘gewone burger’. Hij of zij hoefde dan geen verplaatsing te maken naar de Kamer en kon meer informatie kwijt over de reden van zijn of haar verzoek. Toch bleek dat burgers niet zelden de voorkeur gaven aan een persoonlijk onderhoud boven briefwisseling. Zo kon het in de gangen van het Palais Bourbon best druk worden.

Religieuze briefschrijvers en hun verwachtingen

Voor het advies en de expertise van Groussau schreven Franse burgers uit verschillende regio’s tijdens het interbellum een kaart of brief naar zijn adres in Versailles of naar de Kamer, zoals in dit postkaartfragment uit 1924, afkomstig uit Allier (Archives départementales du Nord).
Voor het advies en de expertise van Groussau schreven Franse burgers uit verschillende regio’s tijdens het interbellum een kaart of brief naar zijn adres in Versailles of naar de Kamer, zoals in dit postkaartfragment uit 1924, afkomstig uit Allier (Archives départementales du Nord).

Het geschetste tafereel past ook slechts ten dele in het klassieke beeld van de radicaal antiklerikale Derde Republiek. Of beter: het illustreert dat de grenzen tussen Kerk en Staat na de Eerste Wereldoorlog poreuzer werden dan zij tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw waren geweest. Het initiatief van Jezus’ Trouwe Gezellinen om Groussau in het Palais Bourbon op te zoeken, getuigde immers van de nieuwe hoop die verschillende Franse congregaties na de Eerste Wereldoorlog gingen koesteren. Aangezien zij tijdens de oorlog humanitaire hulp hadden geboden en de relaties tussen de Franse staat en het Vaticaan waren verbeterd, durfden vele paters en nonnen naar mogelijkheden te zoeken om hun activiteiten opnieuw uit te breiden en er officiële erkenning voor te krijgen.

Dat de nonnen op hun stappen terugkeerden toen zij de mismatch tussen hun kledij en de parlementaire omgeving beseften, toont meteen echter ook de grenzen van die groeiende toenadering tussen Republiek en Kerk. Ondanks de veranderde context bleef de regulering immers streng en kon het dragen van religieuze kledij de kansen van een congregatie op toestemming verkleinen. Ook Groussau zelf legde de nodige voorzichtigheid in dit opzicht aan de dag. Hij bood zijn briefschrijvers doorgaans eerst de kans om hem in de Kamer te ontmoeten, maar voor een bespreking van meer delicate, religieuze zaken, was hij eveneens bereid om hen in zijn verblijf in Versailles te ontvangen.

Groussau1923
Henri-Constant Groussau, ca. 1923 (Bibliothèque nationale de France).

In 1924 ontraadde Groussau de Ursulinen uit Pau, die na een lange periode van ballingschap hoopvol teruggekeerd waren naar Frankrijk, om een officiële aanvraag tot erkenning in te dienen. Via de documenten die ze hiervoor moesten indienen, zouden ze de overheid immers zelf de middelen aanreiken om hen te laten vervolgen. De beste optie leek hem nog om seculiere kledij te dragen en te doen alsof er niets aan de hand was. Eerder dan de belangen van ‘de katholieken’ luidruchtig in de Kamer te verdedigen, raadde de afgevaardigde uit Lille hen in dit geval dus aan in de clandestiniteit te opereren.

De brede maatschappelijke rol van een volksvertegenwoordiger

Met dat alles was Groussau alvast veel meer dan zomaar een lid van  een wereldvreemde politieke elite. Hij was ook een klankbord van maatschappelijke verzuchtingen, een onderhandelaar tussen overheid en samenleving, een maatschappelijk consulent van zijn achterban. Deze diversiteit aan functies werd door velen erkend en aangesproken – ook door burgers die zoals de Fidèles Compagnes de Jésus niet op hem konden stemmen. Groussau was (en is) zeker niet de enige die op die manier als interface tussen de samenleving en de staat fungeerde (en fungeert). Als we dit erkennen en bestuderen, kunnen we aan de geschiedenis van de parlementaire cultuur een vernieuwde maatschappijhistorische relevantie verlenen.

Meer lezen

Marnix Beyen, ‘De politieke kracht van het dienstbetoon. Interacties tussen burgers en volksvertegenwoordigers in Parijs, 1893-1914’, Stadsgeschiedenis, 7 (2012), 74-85.

Titelafbeelding: Het halfrond van de Franse Kamer van Afgevaardigden in 1922 (Bibliothèque nationale de France).

Karen Lauwers is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Power in History, Centre for Political History aan de Universiteit Antwerpen, waar ze onderzoek verricht naar de impact van de Eerste Wereldoorlog op de directe interacties tussen volksvertegenwoordigers en gewone burgers in België en Frankrijk.

Internationale politiek als infotainment

Gastblog door Betto van Waarden.

‘Moment van onbeschrijflijk enthousiasme; luide huldebetuigingen die het lawaai van de rollende trein overstemmen’, berichtte L’Indépendance Belge op 3 december 1900. Op het station van Erquelinnes waren zelfs de schoolkinderen ‘op het toppunt van vreugde, ze zullen papa Kruger kunnen zien!’ Ook op de stations van Charleroi, Namen en Luik juichten menigtes hun held, oud-president Paul Kruger van de Transvaal, toe. Kruger kwam de Europese mogendheden om bemiddeling in de Boerenoorlog vragen. Deze oorlog tussen Engeland en de Zuid-Afrikaanse republieken Transvaal en Oranje Vrijstaat stond in het middelpunt van de internationale belangstelling: voor het eerst bevochten blanke Europeanen elkaar in Afrika en werden ‘concentratiekampen’ ingericht. Maar waarom was de Belgische koning niet aanwezig om zijn eregast te ontvangen?

Kruger lijkt te ontsnappen aan Victoria en zoekt zijn heil bij Wilhelmina: Frans tijdschrift schrijft ‘Un qu’elle n’aura pas’ ‘Victoria – Hé, quoi! monsieur Krüger, vous m’abandonnez pour cette petite Wilhelmine? J’avais pourtant pour vous une belle résidence… à Sainte-Hélène!’
Kruger lijkt te ontsnappen aan Victoria en zoekt zijn heil bij Wilhelmina: Frans tijdschrift schrijft ‘Un qu’elle n’aura pas’ ‘Victoria – Hé, quoi! monsieur Krüger, vous m’abandonnez pour cette petite Wilhelmine? J’avais pourtant pour vous une belle résidence… à Sainte-Hélène!’

Koning Leopold II was nog in Oostende. ‘[O]m president Krüger niet te moeten ontvangen’ volgens Het Nieuws van den Dag. De Duitse Keizer Wilhelm II – met het excuus ‘op jacht’ te zijn – en Russische Tsaar Nicolaas II lieten eveneens verstek gaan. Alleen de Nederlandse Koningin Wilhelmina ontving ‘Oom Paul’. Voor een kwartiertje. Vervolgens kreeg hij de hint dat hij beter niet te lang in Den Haag kon blijven omdat zijn aanwezigheid de koningin en haar regering in verlegenheid bracht.

Monarchen onder mediadruk

Waarom speelden deze monarchen verstoppertje met Kruger? Hun volken stonden toch achter Kruger? Als nazaten van Nederlandse, Duitse en hugenootse immigranten en als David strijdend tegen Goliath, genoten de ‘stamverwante’ Boeren een enorme steun onder de Europese bevolking in hun strijd tegen het machtige Britse Rijk. Maar de Europese monarchen moesten ook denken aan hun nationale belangen en de Engelsen te vriend houden. België en Nederland waren als kleine staten te midden van Europese grootmachten deels afhankelijk van Engeland voor hun veiligheid. Bovendien zou interventie in Victoria’s koloniale politiek weleens kunnen leiden tot Engelse bemoeienis met Leopolds Congo of Wilhelmina’s Nederlands-Indië.

Wilhelm en Nicolaas – terugdenkend aan Wilhelm’s desastreuze telegram aan Kruger in 1896 - durven Kruger niet te ontvangen onder toeziend oog van het Britse Rijk.
Wilhelm en Nicolaas – terugdenkend aan Wilhelms desastreuze telegram aan Kruger in 1896 – durven Kruger niet te ontvangen onder toeziend oog van het Britse Rijk.

Het balanceren van deze belangen zou echter niet zo’n probleem zijn geweest als de monarchen nog ‘geheime diplomatie’ hadden kunnen voeren zoals vroeger. Maar eind negentiende eeuw werden politieke uitspraken en acties in toenemende mate uitvergroot door de pers. De combinatie van telegrafen, spoorwegen, snellere drukpersen en toenemende geletterdheid creëerde een soort internationale mediarevolutie.

Wilhelm leek zijn lesje snel te hebben geleerd. In 1896 had hij Kruger per telegram gefeliciteerd met het weerstaan van een Britse inval in de Transvaal door Leander Starr Jameson. Binnen de kortste keren vielen de Britse kranten over hem heen, wat weer tot een agressieve reactie van de Duitse pers leidde. Een ‘mediaoorlog’ was geboren. De Duits-Britse persrelaties herstelden zich onder Wilhelm nooit helemaal en droegen volgens sommige historici zelfs bij tot het ontvlammen van de Eerste Wereldoorlog. Geen wonder dat Wilhelm tijdens Krugers bezoek in 1900 ‘op jacht’ was.

De personificatie van politiek

Personificatie van politiek: Britse krant schrijft ‘Kruger Snubbed: Wilhelm II will have none of him. Depressing set-back for Oom Paul / Kruger and the Kaiser’s snub. Tears of grief.’
Personificatie van politiek: Britse krant schrijft ‘Kruger Snubbed: Wilhelm II will have none of him. Depressing set-back for Oom Paul / Kruger and the Kaiser’s snub. Tears of grief.’

Waarom speelden monarchen hier überhaupt een rol? Hoorden koningen intussen niet thuis in sprookjes? Monarchen waren gebonden aan constituties en hun wil was niet langer wet, maar in het buitenlandse beleid speelden ze vaak nog een belangrijke rol. Internationale betrekkingen in de negentiende eeuw bestonden nog grotendeels uit ontmoetingen tussen staatshoofden – de monarchen. Een rol die mannen als Leopold en Wilhelm maar al te graag speelden om een koloniaal rijk te verwerven voor de glorie van hun relatief nieuwe natiestaten.

Bovendien werden monarchen ‘mediasterren’. Al vanaf hun geboorte waren ze bekend en het explosief groeiende aantal kranten versterkte die bekendheid. Of Leopold nu aan het winkelen in Parijs of op autotour was – het stond op de voorpagina’s en het volk smulde ervan. De combinatie met internationale politiek deed het helemaal goed. Het publiek kon geen genoeg krijgen van verhalen over koloniale avonturen en monarchen vormden de ideale symbolische protagonisten. ‘Victoria’s India’ sprak tot de verbeelding. Monarchen maakten dankbaar gebruik van die aandacht om hun positie – die grondwettelijk steeds meer werd ingeperkt – te versterken door het volk direct aan te spreken en voor zich te winnen via de media.

Victoria behoedt haar kroost voor de in Europa rondzwervende Kruger: Duits tijdschrift spot ‘Weihnachten in Europa: “Kinder, versteckt euch, der Knecht Rupprecht kommt!”’
Victoria behoedt haar kroost voor de in Europa rondzwervende Kruger: Duits tijdschrift spot ‘Weihnachten in Europa: “Kinder, versteckt euch, der Knecht Rupprecht kommt!”’

De pers leek de complexe internationale politiek uit te leggen en te sensationaliseren aan de hand van een aantal bekende en vaak excentrieke persoonlijkheden. Nieuws werd ‘infotainment’. Het ging niet zozeer over de Duitse regering die vanwege nationale belangen niet twee Zuid-Afrikaanse republieken wilde steunen, maar over de bombastische en altijd geüniformeerde Wilhelm die zijn oude vriend, de puriteinse en sjofel geklede Oom Paul, de rug toekeerde. Terwijl de jonge en wellicht nog naïeve Wilhelmina leek te zeggen: ‘toe, kom dan maar eventjes uithuilen bij uw stamverwanten in Nederland.’

Sinds 1900 is internationale politiek nog complexer geworden, terwijl staatshoofden door de opkomst van radio, televisie, internet en moderne vormen van telecommunicatie nog voorzichtiger te werk moeten gaan. Hoe zullen de media van morgen de eurocrisis uitleggen en verkopen? ‘Mutti Merkel en pépère Hollande laten sexy Alexi Tsipras in de kou staan op het perron van Brussel-Schuman’?

Meer lezen

Johannes Paulmann, Pomp und Politik: Monarchenbegegnungen in Europa zwischen Ancien Régime und Erstem Weltkrieg, Paderborn, 2000.

John Plunkett, Queen Victoria: First Media Monarch, Oxford, 2003.

Simon Potter, ‘Jingoism, Public Opinion, and the New Imperialism: Newspapers and Imperial Rivalries at the fin de siècle’, Media History, 20 (2014), 34–50.

Titelafbeelding: Kruger bezoekt Wilhelmina in Den Haag.

Betto van Waarden is gastblogger. Hij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de Onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij bestudeert de opkomst van massamedia en politieke legitimiteit van Europese monarchen tussen 1880 en 1914.

De mythe van de Magna Carta

Gastblog door Valerie Vrancken.

Achthonderd jaar oud en hipper dan ooit. Op 15 juni 1215 vaardigde de Engelse koning Jan zonder Land de Magna Carta uit onder druk van een groep opstandige baronnen. In Groot-Brittannië en de Verenigde Staten neemt de herdenking van die gebeurtenis dit jaar grootse vormen aan. Tentoonstellingen, lezingen, festiviteiten, lesmateriaal en gadgets dienen de Magna Carta bij jong en oud bekend én geliefd te maken. Die herdenkingsinitiatieven gaan echter gepaard met een vreemde paradox: nooit gebeurde er meer onderzoek naar dit charter en toch zijn het vooral de mythes erover die doorsijpelen naar het grote publiek.

De hoeksteen van de democratie

Runnymede, de site waar de Magna Carta door koning Jan zonder Land werd bezegeld, staat ter plaatse bekend als ‘de geboorteplaats van de moderne democratie’.
Runnymede, de site waar de Magna Carta door koning Jan zonder Land werd bezegeld, staat ter plaatse bekend als ‘de geboorteplaats van de moderne democratie’.

Politici en populaire media beschouwen de Magna Carta vaak als de oorsprong van de moderne democratie. Dat is veel eer voor een document dat oorspronkelijk was opgesteld als een vredesverdrag tussen koning Jan zonder Land en een veertigtal opstandige edellieden. Rechterlijke willekeur, een torenhoge belastingdruk en talloze militaire mislukkingen maakten de koning bijzonder onpopulair bij de Engelse bevolking. In de lente van 1215 escaleerde de situatie: ontevreden baronnen verenigden zich en revolteerden tegen de vorst. Uiteindelijk konden ze Jan zonder Land er op 15 juni 1215 toe dwingen om, in ruil voor vrede, in te stemmen met hun eisen. De Magna Carta was geboren.

Het vredesverdrag telde 63 artikelen die een antwoord moesten bieden op de heersende wantoestanden. Zo mocht de vorst voortaan enkel nog belastingen heffen na overleg met het ‘gemene land’, in de praktijk de grootgrondbezitters van het rijk. Er werden maatregelen getroffen om corruptie en inbreuken tegen het leenrecht in de toekomst te voorkomen. Bepalingen rond juridische procedures, bossen, handel en de bescherming van weduwen en erfgenamen vervolledigden het geheel. Om de naleving ervan te verzekeren, gelastte de tekst de oprichting van een raad van 25 baronnen die hierop moest toezien. Respecteerde de vorst het charter niet, dan mocht deze raad overgaan tot de inbeslagname van vorstelijke bezittingen. De Magna Carta vormde zo een contractuele verbintenis tussen Jan zonder Land en de opstandige baronnen.

De online shop van de British Library biedt allerlei gadgets aan om de Magna Carta bij jong én oud geliefd te maken.
De online shop van de British Library biedt allerlei gadgets aan om de Magna Carta bij jong én oud geliefd te maken.

Ondanks de claims van politici en populaire media is de inhoud van de Magna Carta dus ver verwijderd van de hedendaagse democratische vrijheden, zoals het stemrecht, het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van meningsuiting. De inhoud van het charter begunstigde bovendien enkel de ‘free men’ van het vorstendom,  zo’n 10 à 20% van de toenmalige bevolking. De poging van de Engelse baronnen om hun vorst aan de wet te onderwerpen was weliswaar een belangrijke, maar zeker niet de eerste stap op een lange, zeer grillige weg naar de hedendaagse democratische principes.

‘Eén van de belangrijkste documenten ter wereld’

In Angelsaksische landen wordt ook vaak het ‘unieke’ karakter van het charter en zijn wereldwijde invloed geprezen. De Magna Carta is inderdaad een vroege schriftelijke uiting van de inperking van vorstelijke willekeur, maar uniek is het geenszins. Latere Engelse vorsten hebben onder politieke dwang gelijkaardige – maar minder bekende – charters uitgevaardigd, die hun macht nog verregaander beknotten. De ordonnanties van 1311 verankerden bijvoorbeeld de inspraak van adellijke elites in de vorstelijke oorlogs-, munt- en benoemingspolitiek.

De vier overgeleverde originelen van de Magna Carta werden naar aanleiding van hun achthonderdjarig bestaan van 2 tot 4 februari 2015 verenigd in de British Library. 1215 mensen kregen per loting de unieke kans de vier originelen op één locatie te bezichtigen.
De vier overgeleverde originelen van de Magna Carta werden naar aanleiding van hun achthonderdjarig bestaan van 2 tot 4 februari 2015 verenigd in de British Library. 1215 mensen kregen per loting de unieke kans de vier originelen op één locatie te bezichtigen.

Meer zelfs, vanaf de twaalfde eeuw dwongen stedelijke en adellijke elites over heel Europa dergelijke charters af. Vaak gebeurde dat in het kader van opstanden, maar soms vaardigden vorsten zulke teksten ook uit als wederdienst voor de politieke, financiële of militaire steun van politieke elites. Bekend zijn bijvoorbeeld de Hongaarse Gouden Bul (1222), de Franse provinciale charters (1315), en dichter bij huis het Groot Privilege (1477) en de Blijde Inkomst-charters (1356-1792) die de Brabantse hertogen bij hun inhuldiging moesten uitvaardigen. Het gedachtegoed dat aan de basis van de Magna Carta lag, beperkte zich zeker niet tot de Britse eilanden.

De Magna Carta als symbool

De Magna Carta werd niet altijd serieus genomen, zo illustreert deze tekening: een persoon met ontblote billen poseert onder een veertiende-eeuwse kopie van de Magna Carta.
De Magna Carta werd niet altijd serieus genomen, zo illustreert deze tekening: een persoon met ontblote billen poseert onder een veertiende-eeuwse kopie van de Magna Carta.

Amper tien weken na zijn uitvaardiging werd de Magna Carta door paus Innocentius III ongeldig verklaard. Tientallen keren werd het charter onder politieke druk heruitgevaardigd, talloze malen werd het door vorsten met de voeten getreden. Dat verhinderde echter niet dat het verdrag in de daaropvolgende eeuwen vaak als politiek instrument werd gerecupereerd. Typisch daarbij was de interpretatie van de inhoud in functie van de eigen belangen: men vond in het charter wat men erin wou vinden. De Magna Carta vervulde bijvoorbeeld een belangrijke symbolische rol tijdens de veelvuldige conflicten tussen het Engelse parlement en de absolutistische vorsten Jacob I en Karel I in de vroege zeventiende eeuw. In hun strijd om de vorstelijke macht in de perken te houden, verwezen de toenmalige parlementsleden veelvuldig naar het charter, dat in hun ogen de individuele rechten van de Engelse onderdanen had verankerd. Maar ook eeuwen later waren referenties aan de Magna Carta nog politiek relevant: tijdens de Tweede Wereldoorlog symboliseerde het charter de Westerse democratische waarden die door het nazisme werden bedreigd.

Die eeuwenlange politieke inzet heeft ervoor gezorgd dat de Magna Carta kon uitgroeien van een dertiende-eeuws vredesverdrag tot het hedendaagse mythische document dat aan de basis zou liggen van de moderne democratische vrijheden wereldwijd.

Meer lezen

Nicholas Vincent red., Magna Carta. The Foundation of Freedom 1215-2015, Londen, 2014.

Bryce Lyon, ‘Fact and fiction in English and Belgian constitutional law’, Medievalia et Humanistica, 10 (1956), 82-101.

Valerie Vrancken is gastblogger. Zij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. In het kader van het project ‘City and Society in the Low Countries’ bestudeert ze de politieke rol van de Brabantse Blijde Inkomst-charters in de late middeleeuwen.

Socialist en spion: de keuzes van Victor Capart

Op 16 augustus 1880 reisden François Rembauville en Léonard Paris, twee agenten van de Franse grenspolitie, vanuit de Franse gemeente Tourcoing naar Brussel. De Belgische socialisten organiseerden er een manifestatie voor algemeen mannenstemrecht en beide agenten hadden de opdracht informatie te verzamelen over de eventuele deelname van Franse arbeiders aan de optocht. In de voorgaande maanden waren de socialisten uit Gent er immers in geslaagd om de Noord-Franse textielarbeiders, waaronder ook vele Belgische migranten, op te jutten. De industrie in Rijsel had wekenlang stilgelegen: een economische ramp die de autoriteiten en industriëlen in het vervolg liever in de kiem smoorden. De opdracht van Rembauville en Paris was niet eenvoudig, maar ze gingen niet onvoorbereid. Hun infiltrant en spion in socialistische kringen, Victor Capart, zou het werkelijke veldwerk verrichten en verslag uitbrengen in een Brussels café.

Een Belgische Fransman

Capart bundelde jaarlijks zijn liederen tot een 'almanach'.
Capart bundelde jaarlijks zijn liederen tot een ‘almanach’.

Victor Capart werd geboren in Tourcoing in 1839 als kind van Belgische migranten. Toen hij meerderjarig werd en kon kiezen tussen de Franse of Belgische nationaliteit, opteerde hij ervoor die laatste te behouden. Dat had als voordeel dat hij geen militaire dienst voor Frankrijk hoefde te doen. Het had echter ook als nadeel dat hij, als buitenlander, uit Frankrijk kon worden gezet bij de kleinste aanraking met het gerecht. Brulboei als Capart was, duurde het niet lang voor hij in de gevarenzone terecht kwam. Na een aantal caféruzies beslisten de conservatieve autoriteiten van Tourcoing hem het land uit te wijzen.

Capart trok niet ver: met vrouw en kinderen vestigde hij zich op drie kilometer van de Frans-Belgische grens, in Mont-à-Leux bij Moeskroen. Hij baatte er het café ‘À la république française’ uit – what’s in a name. Gelukkig was hij er allerminst. Hij verdiende niet genoeg om zijn gezin in België en zijn zieke moeder in Frankrijk te onderhouden, ook al trachtte hij opdrachten als thuiswever en de uitbating van het café te combineren. Bovendien voelde hij weinig affiniteit met België: het mocht dan wel het herkomstland van zijn ouders zijn, hij beschouwde zichzelf als op en top Frans. Terugkeren naar Frankrijk werd dan ook een levensdoel.

Geld en hoop: motieven voor spionage

Oproep tot een socialistische meeting in het café van Capart in Mont-à-Leux.
Oproep tot een socialistische meeting in het café van Capart in Mont-à-Leux.

In een brief aan de politiechef van Tourcoing, François Rembauville, bood Capart zich aan als spion voor Frankrijk. Toeval wilde immers dat zijn café in Mont-à-Leux was uitgegroeid tot de centrale ontmoetingsplaats voor Belgische en Noord-Franse socialisten. Capart zag zijn kans schoon. Frankrijk was niet tuk op de socialisten: zou de politie er geen baat bij hebben als hij haar voorzag van inside information over het grensoverschrijdende socialistische netwerk? Rembauville ging maar al te graag in op het voorstel van de banneling en schotelde hem in mei 1880 een contract voor. In ruil voor spionageactiviteiten kreeg Capart maandelijks een verloning van 50 Franse franken en werd hem een terugkeer naar Frankrijk in het vooruitzicht gesteld.

Een korte tijd liep alles goed. Capart bracht consciëntieus verslag uit van de socialistische vergaderingen in zijn café. Hij zette de politie op het spoor van een Belgische Fransman, Théodore Henri of ook wel ‘Le Blond’, die de Gentse financiering van de socialistische stakingen in Noord-Frankrijk had behartigd. Op basis van Caparts informatie werd hij uitgewezen. Maar na enkele maanden toonde Capart zich steeds meer van zijn minder betrouwbare kant. Op de manifestatie in Brussel kwam hij, tot grote ergernis van Rembauville en Paris, niet opdagen op het afgesproken uur. Toen beide agenten hem later toevallig tegen het lijf liepen, verontschuldigde de spion zich omstandig: hij had zich van café vergist. Om de tijd te doden had hij samen met een vriend de viool ter hand genomen en wat geld verdiend met muziek spelen. Rembauville wist heel goed dat Capart zich helemaal niet had vergist van café, maar gewoon het vlugge geld had verkozen boven zijn verplichtingen als spion. Zijn informant was een farçeur, en de politiechef nam zich voor extra op zijn tellen te passen.

Terug in Frankrijk

en lied van Victor Capart, onder de arbeidersbevolking verspreid via zogenaamde feuille volantes.
Een lied van Victor Capart, onder de arbeidersbevolking verspreid via zogenaamde ‘feuilles volantes’.

Hoe wispelturig Capart ook was, voor Rembauville bleef hij een waardevolle spion in socialistische middens. In 1881 of 1882 kreeg Capart toestemming om zich opnieuw in Noord-Frankrijk te vestigen, zij het niet zonder bijbedoelingen: in Roubaix hadden de socialisten zich onder leiding van Henri Carette georganiseerd als een lokale afdeling van de nationale Parti Ouvrier Français. Capart was de geknipte man om die jonge socialistische beweging in de gaten te houden.

Maar in ‘zijn’ Frankrijk ondervond Capart dat overleven net zo moeilijk was als in België. Hij opende een café in Roubaix dat te weinig werd bezocht om zijn familie te onderhouden. Gezien zijn reputatie als onruststoker vond hij amper werk in de textielindustrie en ook toen hij zich opnieuw installeerde als thuiswever, liepen de zaken niet zoals verhoopt. Zijn oor te luisteren leggen op café zat er steeds minder in, want, zo schreef hij aan Rembauville, ‘wie geen werk heeft en in de miserie zit, amuseert zich veel minder in het estaminet’.

Een volbloed socialist

Ergens rond het einde van de jaren 1880 stond Capart niet langer geboekstaafd als spion bij de Franse grenspolitie. Het is onduidelijk of hij er zelf de brui aan gaf of dat Rembauville hem vriendelijk bedankte voor bewezen diensten. Capart werkte in de daaropvolgende jaren voluit aan een carrière als socialistische zanger en militant politicus. Zijn uitgebreide socialistische netwerk kwam daarbij goed van pas. Wellicht was zijn enthousiasme voor het socialisme gegroeid tijdens zijn jarenlange spionageactiviteiten. En misschien had zijn engagement als spion op den duur ook als dekmantel voor zijn werkelijke socialistische sympathieën gediend.

Victor Capart slaagde er nooit in een succesvolle politieke carrière uit te bouwen. Een gevierd zanger werd hij echter wel. In 1908 stierf hij als volbloed socialist. Zijn kameraden eerden hem met een grootse begrafenis.

Meer lezen

Saartje Vanden Borre, ‘Singing, drinking, snitching. Victor Capart: a socialist in the French-Belgian border region at the turn of the century’, Socialist History, 44 (2014), 62-82.

Saartje Vanden Borre en Elien Declercq, ‘Socialist en spion. Victor Capart in de Frans-Belgische grensregio op het einde van de negentiende eeuw’, Brood en Rozen, 3 (2012), 4-21.

Sébastien Dhalluin, ‘Victor Capart, le chansonnier au deux visages (1839-1908)’, Revue du Nord, 94 (2012), 473-502.

Saartje Vanden Borre is als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze publiceerde over het sociaal-culturele leven en de integratie van Belgische migranten in Noord-Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Momenteel werkt ze aan een geschiedenis van Kulak.

Middeleeuwse schaduwpremiers

Gastblog door Ben Eersels.

BenEersels-Schaduwpremier-Cartoon‘Ik heb geen behoefte aan een debat over bedrijfswagens,’ liet de Antwerpse burgemeester en N-VA-voorzitter Bart de Wever op 2 december 2014 weten. Daarmee floot hij Johan van Overtveld, minister van financiën en nota bene zijn eigen partijgenoot, terug. Die had een dag eerder de deur open gezet voor een discussie omtrent het gunsttarief van bedrijfswagens, in het kader van de veelbesproken tax shift.

Een tweetal weken later stond De Wever opnieuw in de spotlights toen hij uitgebreid zijn ongezouten mening over de stakingen in België uit de doeken deed. ‘Kom dan zelf in de regering zitten’,  reageerde een boze Kris Peeters, minister van Werk, CD&V-kopstuk en coalitiepartner van de N-VA. Waar bemoeide de Wever zich eigenlijk wel mee? Was zijn plaats niet op het Schoon Verdiep in Antwerpen, in plaats van op het nationale politieke toneel? De demarches van De Wever voedden daarnaast ook de kritiek op premier Michel, die volgens zijn criticasters slechts een stropop zou zijn van ‘schaduwpremier’ De Wever.

Middeleeuwse precedenten

Antwerpen, ca. 1557.
Antwerpen, ca. 1557.

Historisch gezien is De Wevers interventie in de nationale politiek minder opzienbarend dan de reactie van Peeters laat uitschijnen. In de middeleeuwen hielden de stadsbesturen van het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen – grosso modo het huidige Vlaanderen – zich met veel meer zaken bezig dan enkel de lokale stedelijke politiek. De bestuurders van de grote steden waren er immers in geslaagd zich enorm te verrijken dankzij de lucratieve lakenhandel. Met die grote financiële rijkdom kwam ook politieke macht: er bestond immers geen systeem van vaste belastingen, waardoor de hertog en de graaf telkens wanneer zij geld nodig hadden een akkoord moesten sluiten met de stadsbesturen.

De steden besloten vaak om hun bedelende vorst inderdaad financiële hulp te verlenen, maar lieten het niet na om ook zelf voordeel te halen uit de situatie. De steden eisten in ruil voor hun goodwill immers verregaande privileges van de vorst, waardoor zij meer en meer bestuurlijke autonomie verkregen, terwijl de macht van de vorsten zienderogen verminderde. De hertog en de graaf zagen die evolutie uiteraard met lede ogen aan, maar stonden niet sterk genoeg om aan de wil van de stedelijke leiders te weerstaan.

Het verdrag van 1339

Het Gentse exemplaar van het verdrag van 1347.
Het Gentse exemplaar van het verdrag van 1339.

Op 3 december 1339 gingen de steden echter nog een stap verder. Op die dag sloten het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen een alliantie af, op zich niets ongewoons, ware het niet dat de grote Brabantse en Vlaamse steden – waaronder Antwerpen – door de stipulaties van die alliantie op verschillende vlakken een bijzonder verregaande beslissingsmacht verkregen. Zo werd er een gemeenschappelijke Brabants-Vlaamse munt en een bijbehorende commissie opgericht, die er op moest toezien dat de waarde van die munt constant bleef. Hoewel de muntslag in de middeleeuwen een exclusief voorrecht van de vorst was, zouden in die commissie zes vertegenwoordigers van de steden zetelen, tegenover slechts vier afgevaardigden van de vorsten. Ook in het overkoepelende juridische orgaan dat opgericht werd om onderlinge geschillen te regelen, zou er een meerderheid van stedelijke vertegenwoordigers zetelen.

De belangrijkste bepaling was misschien wel dat de militaire politiek van beide gebieden op elkaar afgestemd zou worden, met de bijkomende voorwaarde dat indien de Vlaamse graaf of Brabantse hertog oorlog wilde voeren, hij daarvoor eerst de toestemming van de andere vorst en vooral van de steden van beide gebieden moest verkrijgen. Zelfs op het vlak van internationale politiek konden de Brabantse en Vlaamse stadsbesturen dus een hartig woordje meespreken. De Wevers invloed op het nationale en internationale beleid steekt dus al bij al bleek af ten opzichte van zijn middeleeuwse voorgangers.

Recyclage van het verdrag

Verschillende artikels van het verdrag werden zelfs eeuwen later, in een totaal andere context, nog talloze malen opnieuw gebruikt. Tijdens de Nederlandse Opstand, die zou leiden tot de creatie van de onafhankelijke Republiek der Nederlanden, drukte Willem van Oranje het verdrag zelfs enkele keren opnieuw. De leider van de Nederlandse opstandelingen probeerde op die manier om de Brabanders en de Vlamingen te herinneren aan hun roemrijke verleden van onderlinge samenwerking, zodat zij hem zouden steunen in zijn strijd tegen de Spanjaarden.

Een traditie was geboren, want ook in een latere periode zouden de bepalingen van het verdrag regelmatig gebruikt worden als historisch argument in politieke en economische discussies. Zo verwezen enkele dissidenten uit onze gewesten in 1782 naar het verdrag als argument tegen de hervormingsplannen van hun nieuwe heerser, de Oostenrijkse keizer Jozef II. En toen in die periode de Lierse brouwers vrijheid van handel eisten, deden zij dat door zich te beroepen op één van de bepalingen van het verdrag van 1339. De Wever liet dus een unieke kans liggen om zich in een eeuwenlange historische traditie in te schrijven.

Meer lezen

Piet Avonds, ‘Beschouwingen over het ontstaan en de evolutie van het samenhorigheidsbesef in de Nederlanden’, in Jozef Andriessen, August Keersmaekers en Piet Lenders red., Cultuurgeschiedenis in de Nederlanden van de Renaissance naar de Romantiek, Leuven, 1986, 45-58.

Ben Eersels is gastblogger. Hij is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de manieren waarop mensen bestuur en wetgeving in late middeleeuwen op een vredevolle manier trachtten te beïnvloeden.

Enkel ticketje naar Canada

In het midden van de negentiende eeuw was Vlaanderen een arme, overbevolkte regio met weinig toekomstperspectieven. Van landbouw viel er nauwelijks te leven, de huisnijverheid was in elkaar gestort en in de steden krioelde het van mensen die tevergeefs werk zochten in de textielindustrie. Wie kon en durfde, vertrok – naar Frankrijk, naar de Verenigde Staten, of naar elders. Maar ook emigreren kostte geld, geld dat de meerderheid van de bevolking niet had. Sommigen, zoals de West-Vlaamse Leon Cool in Canada, vroegen zich af waarom de Belgische staat zijn onderdanen niet te hulp kwam. Een actief emigratiebeleid, was dat geen oplossing voor alle problemen?

Een Belgisch emigratiebeleid

SaartjeVandenBorre-Canada-EmpressSteamerIn Canada waren er alvast mogelijkheden voor Belgische landverhuizers, zo bezwoer Leon Cool in het najaar van 1862 in een brief aan de Brugse bisschop Jean-Baptiste Malou. Cool was afkomstig uit Koekelare en gemigreerd naar Montréal, waar hij aan de slag was als hovenier. Ondanks de afstand was hij zijn vaderland niet vergeten: in de Spectactor of London had hij gelezen over de miserabele toestand van de Vlaamse boerenbevolking. Enkel de landverhuizing kon zijn ongelukkige landgenoten redden! De reis was doodeenvoudig: de steamer deed er vanuit Liverpool slechts tien dagen over. Potentiële landverhuizers moesten er enkel voor zorgen op tijd te komen, liefst voor midden juni, zodat ze nog wat konden zaaien en planten. O ja, en wellicht was het ook beter dat de Belgische overheid hen een startbedrag van vijftig dollar meegaf, zodat de mensen zich bij hun aankomst van de noodzakelijke levensmiddelen konden voorzien.

Vijftig dollar, dat was het equivalent van driehonderd franken, zo gaf Cool nog even ter informatie mee. Een klein offer van de Belgische autoriteiten om de ernstige armoede in het koninkrijk te lenigen en de bevolkingsdruk te verlichten. Cool was overtuigd van de waarde van zijn plannen, en was teleurgesteld dat de heren politici die hij eerder al had aangeschreven weinig enthousiasme voor zijn voorstel aan de dag legden. ‘Daer was altijd iets te kort of te lang, tot zoo verre dat er mij een schreeft dat de zee te diep was, om naer Amerika over te varen’. Hij begreep dat zijn landgenoten werden afgeschrikt door verhalen van mislukte migratiepogingen, maar kon niet snappen waarom de Belgische autoriteiten de emigratie niet promootten en stimuleerden.

Eigenlijk had Cool in zijn eigen brief al het antwoord op die laatste vraag gegeven. Gestuurde emigratiepogingen waren een zware financiële verantwoordelijkheid, waarvoor de Belgische regering terugschrok. In de jaren 1830 en 1840 hadden in de Belgische beleidskringen inderdaad verschillende plannen voor een geplande overzeese emigratie gecirculeerd. Die zou in de eerste plaats de Belgische industrie van nieuwe afzetmarkten verzekeren en België als politieke macht affirmeren. Als gelukkige bijkomstigheid kon de bescheiden poging tot ‘kolonisatie’ ook een oplossing vormen voor de overbevolking. Maar na enkele mislukte pilootprojecten in Zuid- en Midden-Amerika, zag de Belgische regering af van verdere plannen in die richting. Tot het einde van de negentiende eeuw beperkte België zijn officiële emigratiebeleid tot het informeren van zijn onderdanen over de voor- en nadelen van mogelijke bestemmingen.

Een bestemming zonder allure

Het immigratiekantoor in Winipeg, de hoofdstad van de provincie Manitoba in Canada in 1907.
Het immigratiekantoor in Winipeg, de hoofdstad van de provincie Manitoba in Canada in 1907.

Behalve de financiële terughoudendheid van de bevolking en de autoriteiten, speelde ook Canada’s slechte reputatie een rol in de politieke onwil het voorstel van Cool te overwegen. Midden negentiende eeuw gold Canada namelijk niet als een ideale migratiebestemming. Het land werd verbeeld als  een onontwikkelde, eindeloze prairie vol woeste indianen en wilde dieren; met hete zomers, strenge winters en alle agrarische moeilijkheden die een dergelijk klimaat met zich meebracht. Dorpspastoors waarschuwden bovendien voor de gevaarlijke invloed van het protestantisme. De migratiestroom van België naar Canada was in het midden van de negentiende eeuw gering, en de Belgische overheid had weinig zin om daar verandering in te brengen.

Pas op het einde van de negentiende eeuw verbeterde de reputatie van Canada, onder andere door de inspanningen van de Canadese autoriteiten om buitenlandse landbouwers aan te trekken. Belgen waren graag geziene settlers die als ‘gemakkelijk te integreren’ golden. Landverhuizing naar Canada was echter minder evident dan naar de Verenigde Staten, die vanuit Antwerpen werden aangedaan door de Red Star Line. Pas in 1904 installeerde de Canadian-Pacific Steamship Company een rechtstreekse verbinding tussen de Scheldestad en de Canadese havens. Bij de Canadese volkstelling van 1931 verklaarden ruim 27.000 Canadese inwoners uit België afkomstig te zijn; het aantal Belgen dat tussen 1885 en 1985 naar Canada trok, wordt op zo’n 70.000 geschat.

Een voorstel met bijbedoelingen

SaartjeVandenBorre-Canada-AntwerpenVertrekEmigrantenVier pagina’s lang bezong Cool het Canadese paradijs als de oplossing van alle Belgische problemen. Uit vaderlandsliefde, zo beweerde hij, zou hij zich inzetten om zijn landgenoten te ontvangen bij hun aankomst; hij zou zorgen voor tenten en als ze dat wilden, zelfs al wat land bewerken zodat er meteen kon worden gezaaid en geplant. Een nobele daad, al had Cool wel enige bijbedoelingen. In ruil voor zijn ruimhartigheid deelde hij de bisschop mee dat hij bij een selectie van potentiële landverhuizers ‘den voorkeur aen mijne bloedverwanten of aen deze van mijne vrouw’ gaf. Cool hoopte kennelijk vooral zijn eigen familie op kosten van de Belgische staat in Canada te verwelkomen.

Bisschop Malou las de brief van Cool aandachtig. Maar net zoals de andere hoogwaardigheidsbekleders die de hovenier uit Montréal had aangeschreven, deed hij er weinig mee. In zijn antwoord beweerde hij niet dat de zee te diep was of de onderneming onmogelijk: de landverhuizing was simpelweg niet nodig. De Spectator of London had waarschijnlijk de mistoestanden in Gent in gedachten toen het verslag uitbracht over sociaal-economische situatie in Vlaanderen. Maar de Gentse textielarbeiders vormden bezwaarlijk landbouwers, en kwamen dus niet in aanmerking voor landverhuizing. Op het Vlaamse platteland daarentegen was alles peis en vree, zo stelde de Brugse bisschop de hovenier uit Montréal gerust.

De familie Cool uit Koekelare zou een andere manier moeten vinden om naar Canada te migreren.

Meer lezen:

Marc Journée, ‘De Canadese uitdaging, 1888-1952’, in: Andreas Stynen (red.), Boer vindt land. Antwerpen-Leuven, 2014, pp. 148-163.

Cornelius J. Jaenen, ‘The implantation of Belgian Immigrants in Western Canada’, in: Canadian Ethnic Studies/Études ethniques au Canada 43 (2011) 1-2, pp. 237-251.

Serge Jaumain, ‘De Belgen in Canada: in de watten gelegde inwijkelingen’, in Anne Morelli (red.), Belgische emigranten. Oorlogsvluchtelingen, economische migranten en politieke vluchtelingen uit onze streden van de 16de eeuw tot vandaag. Brussel, 1998, pp. 108-122.

Saartje Vanden Borre is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze publiceerde over het sociaal-culturele leven en de integratie van Belgische migranten in Noord-Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Momenteel werkt ze aan een geschiedenis van Kulak.

Nationalisme op de speelplaats

Gastblog door Sarah Van Ruyskensvelde.

Op 11 november 1940 organiseerde het Sint-Jozefscollege in Turnhout een requiemmis voor de overleden soldaten van de Eerste Wereldoorlog. De feestelijkheden werden opgeluisterd met een bespreking van een brochure over de 18-daagse veldtocht, symbool van een moedig Belgisch verzet tegen de Duitse inval van 10 mei 1940. De meeste leerlingen hadden voor de gelegenheid hun beste zondagskleren aangetrokken en tricolore strikjes opgespeld. Vier leerlingen gingen echter niet akkoord met deze gang van zaken. Het college verbrak volgens hen met dit patriottische ceremonieel de vooroorlogse betrokkenheid bij de ‘Vlaamse zaak’. Om zich daartegen te verzetten, verenigden ze zich in een Vlaamsgezind studentenclubje, ‘de 4’.

Dagboek van Juliaan Van Acker, september – december 1940. (Kadoc, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)
Dagboek van Juliaan Van Acker, september – december 1940. (KADOC, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)

Eén van de Vlaamsgezinde vier was Juliaan Van Acker, een 15-jarige die tussen september en december 1940 zijn ervaringen op het college in een dagboek neerpende. Het dagboek is niet enkel een weerslag van zijn ervaringen met de lessen, de pijnlijke herinnering aan zijn overleden moeder of van de moeilijke ravitaillering op de school. Juliaans persoonlijke relaas schijnt ook een uniek licht op de manier waarop het ideologisch conflict tussen Belgische patriottisme en Vlaams-nationalisme door leerlingen werd beleefd. Het toont ook aan hoe de associatie tussen Vlaams-nationalisme en collaboratie met de Duitse bezetter, een link die vandaag nog vaak wordt gelegd, niet noodzakelijk overeenstemt met de ervaring van de Vlaamsgezinde actoren zelf.

Alles voor Vlaanderen

De requiemmis vormde op dit Vlaamse college de concrete katalysator voor de heropleving van een Belgisch patriottisme. Na de mis stapte één leerling, volgens Juliaan “één van de ergste franskiljons”, op de prefect af met de vraag of de leerlingen de rosette mochten dragen als teken van hun vaderlandsliefde. Juliaan was gepikeerd:

“De prefect was er volledig mee ’t accoord! Er moet orde zijn in’t land, geen scheiding en de anderen: de Duitsch en Vlaamschgezinden … Ja daar spreken we niet over!”

Als tegenreactie besloten ‘de 4’ de brochure over de 18-daagse veldtocht die in de mis werd voorgelezen, te stelen. De ontdekking van deze diefstal zorgde voor heel wat consternatie onder de leerlingen. In een poging de voorlopig anoniem gebleven daders aan te wijzen, werd een petitie opgesteld en rondgedeeld op de speelplaats, zogezegd met de bedoeling de prefect verontschuldiging te vragen voor wat er in de requiemmis was gebeurd. Voor de initiatiefnemers was het echter duidelijk: wie de petitie weigerde te ondertekenen, was Vlaams-nationalist en moest zich dus schuldig gemaakt hebben aan deze onpatriottische daad. Toen enkele dagen later een aantal leerlingen onder het middagmaal ‘Leve België’ scandeerden, werd dit door enkele Vlaamsgezinde jongeren op boegeroep onthaald. Twee leden van ‘de 4’ verlieten boos de refter en werden uiteindelijk van school gestuurd.

De uitsluiting gooide enkel olie op het vuur. Eén leerling “sleurde er dadelijk Engeland en Duitschland tussen; juist gelijk dat hier wat mee te maken had!”, schreef Juliaan. Wanneer hij en twee van zijn Vlaamsgezinde vrienden ostentatief bleven zitten tijdens het zingen van de Brabançonne enkele dagen later, kon ook de prefect deze herhaalde uitingen van flamingantisme niet langer dulden:

“Ge zijt niet waardig die leeuwkens te dragen … afbrekers … dwepers … . Zulke mannen maken Vlaanderen kapot, dat worden de latere verraders van hun volk.”

Vlaams-nationalisme en collaboratie

Juliaans relaas verraadt hoe in de hoofden van de leerlingen en de prefect de Vlaams-nationalistische actie van deze jongens meteen onder de noemer van collaboratie werd geplaatst. Toch was de situatie veel complexer dan dat. Na zijn thuiskomst werd één van de van school gestuurde leerlingen, Fons, met open armen onthaald. Zijn ouders en familie waren verbolgen over de houding van de Jezuïeten. Daarom besloten ze een Vlaamsgezinde kennis aan te schrijven, die hun brief overmaakte aan de door de Duitse bezetter heringerichte Vlaamse Cultuurraad. Wanneer enkele leden van de Cultuurraad echter hun Duitse superieuren wilden inlichten, liet de kennis de brief prompt vernietigen. Dit incident toont aan hoe de Vlaamsgezindheid van de jongens, van hun families en van hun sociale netwerk niet noodzakelijk in collaboratie met de Duitse bezetter resulteerde. Wanneer hun Vlaams-nationalistisch engagement via contacten met de Vlaamse Cultuurraad dreigde te resulteren in collaboratie met de Duitse bezetter, wendden ze zich af.

Het vijfde jaar van het Sint-Jozefscollege in Turnhout in het schooljaar 1941-1942. (Kadoc, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)
Het vijfde jaar van het Sint-Jozefscollege in Turnhout in het schooljaar 1941-1942. (KADOC, Archief Belgische en Vlaamse Jezuïeten)

Dit persoonlijke relaas van een 15-jarige leerling toont aan hoe de bezetting een nieuwe dynamiek in de Vlaamse schoolcultuur met zich meebracht. Voor de oorlog werd geen melding gemaakt van een jaarlijkse Requiemmis, noch van het zingen van de Brabançonne op het college. Meer zelfs, het Turnhoutse Sint-Jozefscollege stond bekend om zijn groot aantal Vlaamsgezinde leerkrachten en leerlingen. In 1940 sloeg de sfeer echter om in vaderlandsliefde. Juliaan en enkele van zijn Vlaamsgezinde vrienden bleven gedesillusioneerd achter.

Sarah Van Ruyskensvelde is gastblogger. Ze is verbonden aan het Centrum voor Historische Pedagogiek. In mei 2014 verdedigde ze haar proefschrift over het Belgisch katholiek onderwijs tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Don Quijote op de Krim

Gastblog door Bram De Ridder

‘De don Quijote onder de autocraten – verschrikkelijk in zijn strijdvaardigheid en wil om alles ondergeschikt te maken aan zijn futiele strijd tegen de geschiedenis’.  Zo omschreef Anna Tiutcheva, hofdame in Sint-Petersburg, het gedrag  van de Russische Tsaar Nicolaas I tijdens de Krimoorlog van 1853-1856. De Tsaar werd na het uiterst bloederige conflict vaak verweten zijn politiek gestoeld te hebben op persoonlijke trots, wars van de internationale verhoudingen en de ‘historische tradities van Rusland’. Maar schetsen zulke boude uitspraken wel de hele situatie? Was het conflict inderdaad een gevolg van Nicolaas’ drang om spectaculair de geschiedenis in te gaan?

De droom van Nicolaas

Tsaar Nikolaas I
Tsaar Nicolaas I

Voor de toonaangevende historicus Orlando Figes alvast wel. Nicolaas I was ‘meer dan wie ook verantwoordelijk voor de Krimoorlog’. Hij werd opgejut door religieuze en panslavistische ideologen en na jaren van onbetwist persoonlijk bestuur begon hij te geloven in de haalbaarheid van een agressievere imperiale politiek. De focus hiervan werd de bescherming van Orthodoxe Christenen in het Ottomaanse Rijk. De spanningen met de Turkse staat over dit onderwerp liepen dan ook geleidelijk aan op, en nadat Rusland de prinsdommen Moldavië en Walachije had bezet, kon de Sultan niet anders dan op 4 oktober 1853 de oorlog verklaren.

Maar Nicolaas had met zijn politiek veel op het spel gezet. Ondanks de waarschuwingen van enkele van zijn raadgevers dat een diplomatieke oplossing beter zou zijn, stuurde hij aan op een grotere militaire actie en eventueel zelfs een internationale verdeling van de Turkse gebieden. Het verzwakte Ottomaanse Rijk leek rijp voor de slacht. Maar de Tsaar had de reactie van enkele belangrijke spelers verkeerd ingeschat. Ondanks het excuus dat zijn inval de Slavische en Christelijke bevolkingsgroepen beschermde, provoceerden de Russische acties de Britten en Fransen tot een militaire tegenreactie.  Eind maart 1854 verklaarden ook zij Rusland de oorlog.

Kaart van de regio van de Krimoorlog
Kaart van de regio van de Krimoorlog

De strijd tussen de Europese grootmachten concentreerde zich op de Krim. De oorlog was een menselijke tragedie, verergerd door de organisatorische en strategische incompetentie van alle partijen. De uiteindelijke balans woog zwaar: in totaal ongeveer driekwart miljoen doden, twee derde daarvan Russisch. Nicolaas I zou het einde van de oorlog ook zelf niet meer meemaken: totaal gedesillusioneerd overleed hij op 28 juni 1855. Na het sluiten van de Vrede van Parijs kon Tsaar Alexander II bovendien geen gebiedswinst voorleggen, maar verloor Rusland integendeel haar overwicht op de Zwarte Zee.

De Britse nachtmerrie

Dit verhaal legt de schuld netjes bij de Russische Tsaar, die los van de realiteit zijn eigen gang ging. Maar was één man echt verantwoordelijk voor het geweld,  en verdedigden de Britten en Fransen enkel de internationale rechtvaardigheid? Dat was alleszins de mening van de toenmalige Britse media en politiek.

De Britten vreesden namelijk de groei van het Russische Rijk. Indien de Tsaar zijn invloed over de Ottomanen bleef uitbreiden, zou hun eigen imperium mogelijk in het gedrang komen. Een dergelijke machtsverschuiving was uiteraard niet wenselijk en de soevereiniteit van de Sultan moest dan ook verdedigd worden. Hierbij werd gemakshalve vergeten dat Groot-Brittannië zelf haar rijk had kunnen opbouwen ten koste van anderen.

De Britten hadden bovendien hun eigen politieke plannen voor het Ottomaanse Rijk. Ze hadden er significante commerciële belangen en probeerden Turkije in te lijven in een vorm van ‘informal empire’. Doordrongen van de Britse liberale rol in de wereld, promootten de Britse politieke vertegenwoordigers hun eigen normen, waarden en cultuur, en probeerden ze het Ottomaanse Rijk (tot op zekere hoogte) te verwestersen. Commerciële en culturele druk gingen hand in hand bij het verzekeren van de Britse invloed.

Lord Palmerston
Lord Palmerston

De vrees voor een agressief Rusland ging echter een eigen leven leiden. De aan invloed winnende pers sprong op het thema, en droeg sterk bij tot het negatieve beeld dat van Rusland en de Tsaar werd gecreëerd. Politici die de oorlog met Rusland wilden voorkomen, konden rekenen op een stevige reprimande, wat zelfs zo ver ging dat sommige kranten vroegen om de executie van prins-gemaal Albert, de echtgenoot van Queen Victoria. De meeste media hadden één duidelijke wens: oorlog, met Groot-Brittannië als voorvechter van recht en rechtvaardigheid.

Aan de top van de politiek vertaalden deze elementen zich in het beleid van Palmerston, eerste minister vanaf februari 1855 maar al eerder betrokken bij het buitenlandse beleid. Al in 1833 was hij ervan overtuigd dat Rusland doelbewust en op agressieve wijze haar invloed en territorium wilde uitbreiden. Het gevolg was een even assertieve tegenpolitiek: met de steun van de publieke opinie ijverde hij voor een veel grootschaligere oorlog met Rusland. Een dergelijk groot conflict kwam er uiteindelijk niet, maar de teneur van zijn bewind was wel duidelijk: Rusland moest en zou aangepakt worden, met de Britten opnieuw als de vaandeldragers van Westerse vrijheid.

Het hele punt

Uit al deze opinies blijkt echter dat de Britse attitude (evenals de Franse) evenzeer had bijgedragen tot het oorlogsklimaat. Overtuigd van hun missie schrokken de Britten er niet voor terug om de wapens op te nemen, ook al waren er andere oplossingen mogelijk. Het idee was dat het imperiale en agressieve Rusland zichzelf maar in toom moest houden, zodat de beide grootmachten hun liberale principes en handelscontracten aan de Sultan konden oplegden. Deze nogal vreemde redenering van de Westerse beleidsmakers ging uiteraard niet ongemerkt voorbij aan het Russische hof. In december 1853 las Tsaar Nicolaas een commentaarstuk van de panslavistische auteur Pogodin:

Mikhail Pogodin
Mikhail Pogodin

‘Frankrijk neemt Algerije van Turkije, en bijna elk jaar annexeert Engeland een nieuw Indisch prinsdom: niets hiervan verstoort het machtsevenwicht; maar wanneer Rusland Moldavië en Walachije bezet, zij het enkel tijdelijk, verstoort dat wel het machtsevenwicht. Frankrijk bezet Rome en blijft er verschillende jaren in vredestijd: dat is niets; maar Rusland overweegt alleen maar om Constantinopel te bezetten, en de vrede in Europa is bedreigd. De Engelsen verklaren oorlog aan de Chinezen, […], en niemand heeft het recht om tussenbeide te komen; maar Rusland is verplicht de toestemming van Europa te vragen om te bakkeleien met haar buren. […]. We kunnen van het Westen niets meer verlangen dan blinde haat en kwaadaardigheid, aangezien het niets begrijpt en niets wilt begrijpen. ‘

Onderaan het geschrift van Pogodin schreef Don Quijote Nicolaas I een korte opmerking: ‘Dit is het hele punt’.

(Bram De Ridder)

Bram De Ridder is gastblogger. Hij is als Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar strategieën van grensbeheer tussen de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden (ca. 1580-1660).