Categorie archief: Lijsten

4 katholiek verantwoorde manieren om syfilis te bestrijden

De zomer is helaas voorbij. Toch trakteren we u nog op een laatste zomerblog met katholiek gezondheidsadvies om syfilis te lijf te gaan.

Syfilis was al sinds de zestiende eeuw bekend en gevreesd. Tot de negentiende eeuw werd een besmetting met syfilis echter vooral als een persoonlijk drama beschouwd, dat enkel de patiënt zelf en zijn gezin raakte. In de negentiende eeuw kwam hier verandering in. Onder invloed van het idee dat een “ras” niet alleen positief kon evolueren maar ook ten onder kon gaan aan bijvoorbeeld ziektes en immoreel gedrag – het zogenaamde degeneratiedenken – werd syfilis bij uitstek dé ziekte die heel de maatschappij schade kon berokkenen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de bezorgdheid om de gevreesde geslachtsziekte bijna een medische obsessie. Deze aandacht stond in schril contrast met de genezingskansen. Veel verder dan wat halfslachtige behandelingen met kwik en arseen kwamen artsen immers niet.

“Prevent Syphilis in Marriage”, poster van the New York State Department of Health.

Niet alle dokters hadden dezelfde visie op hoe de verspreiding van de ziekte kon worden tegengegaan. In 1922, toen de Eerste Wereldoorlog – zo werd beweerd – een nieuwe stimulans had gegeven aan het aantal besmettingen, formuleerde de Brusselse katholieke arts Fernand Daubresse een aantal richtlijnen over hoe zijn collega’s op een moreel verantwoorde manier met de ziekte konden omgaan. Katholieke artsen hadden zich net verenigd in de Société belge de Saint-Luc, waarbinnen ze morele en medische thema’s bediscussieerden. Hun discussies vonden ook een weg naar het tijdschrift van de vereniging, het Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc. De adviezen van Daubresse in het in dit tijdschrift verschenen artikel “La lutte contre les maladies vénériennes” moesten katholieke artsen helpen om “individuen, de familie en de toekomst van het ras” te beschermen tegen de ravage die syfilis kon aanrichten.

  1. Deugdelijkheid

Oude vuistregels werden over heel het medisch spectrum gedeeld. Ook katholieke dokters vonden het “beter te voorkomen dan te genezen”, maar zij vulden dit adagium anders in dan hun liberale collega’s. Die laatsten durfden al wel eens het gebruik van anticonceptie aan te raden, wat in de ogen van de katholieke artsen verderfelijk was. Naast religieuze bezwaren speelde de overtuiging dat de man zijn passies moest kunnen bedwingen hier een grote rol bij. Katholieke artsen wensten zich niet neer te leggen bij het idee dat “de menselijke passie te groot is” om seksuele matigheid te bepleiten. Zelfcontrole was cruciaal voor elke welopgevoede burger. Voor vrijgezellen was geheelonthouding dus het beste en enige sluitende preventiemiddel om niet besmet te raken met een venerische ziekte. Voor echtgenoten betekende dit vasthouden aan de huwelijkse trouw en geen genot buiten het echtelijk bed zoeken.

Prent uit 1895 die op afschrikwekkende wijze de gevolgen van syfilis moest tonen.
  1. Angst

“Maar zelfs als de geest sterk is, is het vlees soms zwak,” moesten ook deze katholieke artsen toegeven. Omdat zij beseften dat niet elke jongeman zijn driften kon bedwingen louter op basis van zijn loyaliteit aan de katholiek moraal, dienden dokters ook de negatieve gevolgen van een losse seksuele omgang te benadrukken. Deze voorlichting moest bovendien de medische gevolgen van syfilis overstijgen. Dokters moesten de jeugd inpeperen dat het te vroeg (lees: voor het huwelijk) en te gulzig verkennen van de menselijke seksuele capaciteiten niet alleen “de normale evolutie van het menselijk organisme belemmert”, maar hen ook teleurgesteld, egoïstisch, afgemat, ongevoelig, ongeïnteresseerd – kortom, gedegenereerd – zou maken. Besmetting zou bovendien niet enkel hen, maar heel hun familie schade berokkenen.

  1. Sport en spel

Niet enkel tijdens consultaties, maar ook in de openbare ruimte moest het ideaal van onthouding aangemoedigd worden. Posters op publieke plaatsen dienden de voordelen van seksuele onthouding te benadrukken. Tegelijk moesten jongeren een andere manier aangereikt krijgen om hun jeugdige energie kwijt te kunnen. Hier hadden de dokters een gezond alternatief voor ogen: “we moeten hun exuberante fysieke activiteit richting sport en spel leiden, en zo hun lichaam en geest zoveel mogelijk op peil houden.” Zo sloegen de dokters twee vliegen in één klap. Jongelingen werden namelijk weggehouden van seksuele escapades en tegelijk fysiek en mentaal fit gehouden. Immers, de jeugd vormde de toekomst van de samenleving.

Poster van het Franse Departement voor Hygiëne.
  1. Hygiëne

Katholieke artsen benadrukten wel dat zij uiteraard nog steeds dokters bleven en niet enkel moraalridders waren. Zolang het binnen de grenzen van het moreel aanvaardbare bleef, kon medisch bijgesprongen worden om de mogelijk negatieve gevolgen van seksueel contact te bestrijden. Waar condooms uit den boze waren, was het ontsmetten van de geslachtsdelen voor en na de daad wél toegestaan. Tenminste, voor mannen vormden desinfecterende middelen geen probleem. Maar “voor vrouwen is het gebruik van antiseptica, voor en na geslachtsgemeenschap, tegelijkertijd een anticonceptiepraktijk die spermatozoa vernietigt op dezelfde manier als de ziektekiemen”. Enkel in zéér uitzonderlijke situaties, zoals wanneer er sprake was van verkrachting, was het vrouwen toegestaan ontsmettingsmiddel te gebruiken.

Katholieke dokters bewandelden in hun opvattingen over syfilis soms een dunne koord tussen medisch en moreel verantwoord, maar uiteindelijk stond het matigheidsideaal voorop in hun kruistocht tegen syfilis. De morele deugdelijkheid van seksuele terughoudendheid benadrukken was de eerste taak van elke katholieke arts, onder het motto dat abstinentie de beste anticonceptie was. En als jongelingen aan dit ideaal van deugdelijk gedrag niet genoeg hadden om zich in te houden, dan moest het maar op een harde manier, met dreigende woorden en afschrikwekkende prenten van patiënten en hun symptomen om te tonen wat de ziekte kon aanrichten. Het medische kwam er slechts in laatste instantie bij kijken, in heel uitzonderlijke omstandigheden van besmetting. Pas in de jaren 1940, met de ontwikkeling en verspreiding van penicilline, werd syfilis een pak makkelijker te genezen. Ondertussen was de medische hysterie rond een mogelijke degeneratie van de samenleving ook al eventjes gaan liggen. Zowel bezorgde artsen als krolse jongelingen konden iets meer op hun beide oren slapen.

Meer lezen.

Fernand Daubresse, “La lutte contre les maladies vénériennes dans ses rapports avec la morale catholique,” Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc, 1.2 (1922), 19-31.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.

Cornflakes eten en nog 4 andere remedies tegen zelfbevrediging

Als je Instagram mag geloven, bestaat het ontbijt tegenwoordig eerder uit hippe homemade granola of de alomtegenwoordige avocado. Toch zal de naam ‘Kellogg’ bij velen nog een belletje doen rinkelen. De cornflakes die u daarmee voor ogen krijgt, zijn een uitvinding van de arts, nutritionist en zevendedagsadventist John Harvey Kellogg (1852-1943). Wat u misschien niet weet, is dat Kellogg een bevlogen bestrijder van alle vormen van seksualiteit was. Hij was ervan overtuigd dat je door het eten van het juiste voedsel de menselijke lusten onder controle kon houden. Net als velen van zijn collega-artsen richtte hij zijn pijlen specifiek op het bestrijden van masturbatie, dat in de late negentiende eeuw als zondig en als een gevaar voor de gezondheid werd beschouwd.   

Hij voerde zijn kruistocht vanuit het Battle Creek Sanitarium, een medisch centrum en kuuroord waarvan hij aan het hoofd stond. Het sanitarium was gesticht door zevendedagsadventisten en gasten werden onderworpen aan de strenge leef- en dieetregels eigen aan deze geloofsstrekking. Kellogg promootte er vegetarisme en een eetpatroon dat verder zo flets mogelijk was om genot, seksuele opwinding en de drang tot masturbatie tegen te gaan. Het was vanuit die principes dat hij cornflakes zou ontwikkelen, samen met zijn broer Will Keith Kellogg. Toen ze ruzie kregen over het toevoegen van suiker aan het recept, besloot Will in 1906 zijn eigen weg te gaan en richtte hij de latere Kellogg Company op.

Maar Hoewel John Harvey Kelloggs naam nu vooral verbonden is met de cornflakes die hij bedacht, kende hij in zijn eigen tijd vooral succes met zijn werken over seksuele opvoeding. Daarbij bepleitte hij zeer verregaande methoden om masturbatie tegen te gaan. In ‘Treatment for Self-Abuse and its Effects’, een hoofdstuk uit zijn bestseller uit 1888, Plain Facts for Old and Young (nota bene gedeeltelijk geschreven tijdens zijn eigen, seksloze huwelijksreis) geeft hij volgende tips aan ouders:

  1. Besnijdenis

“Een methode die zelden faalt bij kleine jongens,” zo schreef hij, “is de besnijdenis. De operatie moet uitgevoerd worden door een arts zonder het toedienen van verdoving, aangezien de pijn van de operatie een heilzaam effect zal hebben op de geest, zeker als de besnijdenis verbonden wordt met het idee van bestraffing.”

John Harvey Kellogg, c. 1910.
  1. Hechtingen

Voor de bezorgde ouders die niet het mes in de voorhuid van hun zoon wilden zetten, had Kellogg ook een alternatieve methode bedacht, namelijk “het aanbrengen van een of meer zilveren hechtingen op een zodanige wijze dat een erectie wordt voorkomen. De voorhuid wordt over de eikel naar voren getrokken en de naald waaraan de draad is bevestigd, wordt van de ene kant naar de andere kant doorgehaald. Na het doortrekken van de draad worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo dicht mogelijk afgeknipt.” Hij verzekerde ouders dat dit “een zeer krachtig middel is om de drang tot [masturbatie ] te overwinnen.”

  1. Fenol of amputatie

Als arts en man van de wereld wist dokter Kellogg dat ook vrouwen zich wel eens durfden bezondigen aan zelfbevrediging. Vandaar dat hij in zijn boek ook advies opnam voor ouders van meisjes: “Bij meisjes heeft de schrijver ondervonden dat het toepassen van pure fenol [carbolzuur] op de clitoris een uitstekende manier is om de abnormale lusten te onderdrukken.” Hardleerse gevallen konden succesvol behandeld worden door hun clitoris en/ of schaamlippen te verwijderen.

  1. Elektroshocks

Ten slotte prees Kellogg ook een behandeling aan die zich meer op de geest dan op de schaamstreek richtte en bovendien zowel voor jongens als voor meisjes effectief zou zijn: met enkele welgemikte elektroshocks konden ouders erop vertrouwen dat hun kroost niet meer de hand aan zichzelf zou slaan.

Meer lezen.

Kellogg, J.H., 1888. Plain Facts for Old and Young: Embracing the Natural History and Hygiene of Organic Life. Burlington (Iowa): I.F. Segner. Te raadplegen via: https://archive.org/details/plainfaorold00kell/page/n5

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Milk and cornflakes bread door Justin Pinkney (CC BY-NC-SA 2.0).

5 medicijnen tegen de kwalen van de grootstad

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: tips voor stadsbewoners met lichamelijke en geestelijke problemen.

Leven in de negentiende-eeuwse stad leek soms eerder een kwestie van overleven. Beluiken met kleine, donkere woningen waren broeihaarden van ziekte en onrust. De bewoners waren niet alleen arm maar vooral ook immoreel – toch in de ogen van de dominante bourgeoisie. Vooral na 1880 werd de grootstad almaar vaker omschreven in termen als onnatuurlijk, beklemmend, beangstigend, vermoeiend en smerig. Zeker in contrast met het platteland, waar water en lucht, aarde en ruimte in overvloed aanwezig waren, kwam de stad er bekaaid vanaf. Ook in België dachten velen na over hoe de lichamelijke en geestelijke gezondheidsrisico’s konden worden ingedijkt. De oplossingen gingen heel uiteenlopende richtingen uit, waaronder de volgende vijf.

Vanaf 1895 konden kinderen uit het Antwerps stedelijk onderwijs ’s zomers twee weken terecht in het Naamse dorpje Hamois om er nieuwe krachten op te doen [Ons Woord, 9 (1902)].
  1. Vluchten

In een stad die zelf fundamenteel ongezond was, konden zieken geen genezing vinden. Nieuwe opvattingen over geestesziekte leidden tot de oprichting van psychiatrische instellingen buiten de hectische, gekmakende stad. Maar ook voor lichamelijke klachten adviseerden dokters een verblijf buiten de agglomeratie. Zuivere lucht en helder water golden als remedie voor een waaier aan klachten. Oude kuuroorden als Spa en Chaudfontaine kenden een nieuwe populariteit, kustdorpjes groeiden uit tot drukbezochte badsteden. Wie aan tuberculose leed, hoefde vanaf 1896 niet meer richting buitenland te trekken maar kon in een sanatorium in de bossen van Bokrijk terecht.

  1. Excursies

Ook stedelingen met een goede gezondheid deden er verstandig aan om hun habitat van tijd tot tijd te ontvluchten. Deze regelmatige verandering van milieu zou de zintuigen terug op scherp stellen, het lichaam sterken en de mentale weerbaarheid verhogen. Een langere vakantie, bijvoorbeeld in de Ardennen, genoot de voorkeur, maar ook een korte uitstap zou renderen. Die kon verschillende gedaanten aannemen. Rustige uitstapjes op de fiets waren ideaal om alle stress achter zich te laten én om het eigen land echt te leren kennen – steden waren toch maar anoniem en oppervlakkig. Meer pedagogisch van opzet waren zogenaamde herborisaties, verkenningen van de flora van een bepaalde regio.

De Mechelse stadstuin van François de Cannart d’Hamale, voorzitter van de Belgische federatie van tuinbouwkringen [La Belgique Horticole, 23 (1873)].
  1. Tuinieren

Omdat een tochtje buiten de stad hooguit sporadisch kon gebeuren, dachten sommigen na over een oplossing dichter bij huis. Tuinieren was daarbij the next best thing, een brug naar het platteland. Rijke stedelingen lieten zich in de loop van de negentiende eeuw almaar makkelijker overtuigen om geen tuinman aan te nemen maar zelf aan de slag te gaan: zelfverheffing, tevredenheid, rust, wijsheid maar ook gezondheid waren slechts enkele van de troeven waarmee gespecialiseerde genootschappen deze van oorsprong landelijke, natuurlijke praktijk aanraadden. Wie minder geld en ruimte had, hoefde niet te wanhopen: kamerplanten boden gelijkaardige voordelen maar dan binnenskamers. Vanaf de jaren 1890 raakten dan ook nog eens volkstuinen snel ingeburgerd. De teelt van groenten, fruit en bloemen op kleine percelen gold als een wondermiddel voor de gezondheid en moraal van arbeiders.

  1. Aanplantingen

Sommige plantenliefhebbers, maar ook politici en architecten, pleitten voor een grootschaliger aanpak: private tuinen waren goed, maar aanplantingen in de openbare ruimte waren beter. In parken, op plantsoentjes en in de schaduw van straatbomen zou elke stedeling van groene, landelijke accenten kunnen genieten. Dat genot was echter vooral esthetisch: anders dan vandaag speelde het gezondheidsargument in negentiende-eeuws België hoogst zelden mee in de keuze voor openbaar groen – opvallend, want in Engeland werd al sinds de jaren 1830 in dergelijke termen over aanplantingen gesproken. Bovendien kregen Belgische stadsbomen zelfs vaak met tegenkanting af te rekenen: velen vonden dat ze woningen duister, vochtig en dus net ongezond maakten!

Er waren vele mogelijkheden voor de aanplanting van bomenrijen, maar een vorm van regelmaat was altijd een vereiste [Nouvelles Annales de la Construction, 2 (1856)].
  1. Stadsplanning

Typisch voor het burgerlijke zelfvertrouwen van de negentiende eeuw was het geloof dat men de gezondheidsrisico’s van de grootstad ter plaatse kon verhelpen, via een ambitieuze stadsplanning. Een verwoestende opeenvolging van epidemieën, vooral cholera – alleen al in Gent eiste de ziekte doorheen de negentiende eeuw maar liefst negenduizend doden – vormde een doorslaggevende motivatie om de stad van binnenuit te vernieuwen. Saneringen zoals de overwelving van de vervuilde, stinkende Zenne in Brussel in de late jaren 1860 betekenden een radicale transformatie van het stadsbeeld. Vaak geïnspireerd door Parijs moesten ook in Belgische steden vele wijken met smalle steegjes plaats maken voor nieuwbouw met kaarsrechte, brede lanen.

De aanvoer en circulatie van zuivere lucht, afkomstig van – uiteraard – het platteland was misschien wel het voornaamste principe om de gezondheid van de stadsbewoner te verbeteren. Dat die verkeersaders een eeuw later met hun gemotoriseerd verkeer en het bijhorende lawaai en fijn stof vooral een oorzaak van gezondheidsklachten zouden vormen, was op dat ogenblik nog geheel ondenkbaar.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

4 to-do’s bij de eerste zorg voor prille moeders

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele voorschriften voor toekomstige verloskundigen.

Eugène Hubert in 1884 (Archief UCL).

De taak van een verloskundige stopt niet bij de geboorte, zo sprak de Leuvense hoogleraar in de geneeskunde Eugène Hubert zijn medische studenten aan het einde van de negentiende eeuw toe. De voorschriften die de diepgelovige katholieke arts tijdens zijn colleges meegaf aan toekomstige verloskundigen, zijn veelzeggend over de harde realiteit van het kraambed. Studenten die ze anderhalve eeuw geleden moesten instuderen, werden in hun latere loopbaan gegarandeerd geconfronteerd met zwangerschapscomplicaties, moeilijke bevallingen en de dood. Maar meer dan alleen in de geschiedenis van het bevallen, bieden de voorschriften ook een unieke inkijk in de toenmalige dominante denkkaders en praktijken in België. Aan u om ze te ontdekken.

Onderstaande voorschriften van Eugène Hubert zijn afkomstig uit zijn laatste verloskundige handboek voor medische studenten, Accouchements: gynécologie et déontologie (1892). Ze zijn vrij letterlijk vertaald.

De moeder van deze eenogige baby met voorhoofdkwab kon wel wat troost gebruiken.
  1. Geef peptalk

Een geboorte kan veel verdriet veroorzaken bij de moeder. Het gebeurt dat ze teleurgesteld is over het geslacht van haar pasgeboren baby. Soms is hij lelijk of misvormd. In nog andere gevallen heeft het kind de bevalling niet overleefd. Op zo’n momenten moet je de vrouw troosten en haar pijn verzachten. Wanneer het doodgeboren kind gedoopt is, is dat gemakkelijk: vrome vrouwen kunnen zich hun arme kleine moeiteloos voorstellen met vleugeltjes!

  1. Houd de prille moeders niet wakker

Sta toe dat de pas bevallen vrouw zich overgeeft aan een heilzame slaap. Je moet haar niet wakker houden, zoals dat gebeurde in de tijd van Lodewijk XIV, zogenaamd omdat vrouwen die inslapen ongemerkt zouden kunnen sterven aan bloedingen. Als er reden is tot ongerustheid, volstaat het om aan de vroedvrouw te vragen om de moeder in het oog te houden.

  1. Verplicht (ongehoorzame) vrouwen tot bedrust

In de eerste negen dagen na de bevalling is bedrust absoluut noodzakelijk. Volkse vrouwen hebben de neiging om vroeger op te staan, en het is dan ook bij hen dat er vooral complicaties en, later, verzakkingen van de baarmoeder optreden. Velen geloven namelijk dat een negende dag rust ongeluk zou brengen, wat volgens ons een ongegronde overtuiging is. Om ongehoorzame vrouwen tot rust te brengen, kan je gerust een of ander vooroordeel uitbuiten.

Een vrouw die op het punt staat te bevallen (Wellcome Collection. CC BY).
  1. Stel de kerkgang uit

In de meeste katholieke landen is het gebruikelijk dat bevallen vrouwen zich voor het eerst aan de buitenwereld tonen in de kerk. Deze kerkgang in een vaak koude en vochtige kerk vindt best 3 tot 4 weken na de bevalling plaats als de kraamvloed – het verlies van bloed, slijm en resten van de moederkoek – is gestopt. Het is ontoelaatbaar voor de 10e of de 15e dag, vooral als de kerkgang de gelegenheid vormt voor het houden van een familiemaal. Daar wordt de moeder aan allerlei verleidingen blootgesteld, gaande van “Neem een beetje van dit, en een beetje van dat, zo goed dat het is!” Maar een beetje van dit, een beetje van dat, een beetje van alles betekent een indigestie! Er is ook nog een andere reden om de terugkeer naar de geloofsgemeenschap uit te stellen. Dit moment gaat gepaard met de terugkeer naar het gemeenschappelijk bed. Maar met een onstabiele en vochtafdrijvende baarmoeder doet de prille moeder er goed aan om in een afzonderlijk bed te slapen.

Aandachtige lezers hebben gezien dat Hubert een tipje van de sluier oplicht over de schrijnende gevolgen van sociale ongelijkheid voor de gezondheid van bevallen vrouwen. In tegenstelling tot vrouwen uit de middenklasse, die zich in alle rust aan hun herstel konden wijden, moesten arbeidersvrouwen hun werk na de bevalling – met alle gevolgen van dien – snel hervatten. Negentiende-eeuwse medische teksten geven echter amper blijk van interesse in de dieperliggende oorzaken van de hoge moeder- en zuigelingensterfte. In bovenstaande voorschriften besteedt Hubert bijvoorbeeld geen aandacht aan de relatie tussen complicaties na de bevalling en de erbarmelijke leefomstandigheden van vrouwen uit lagere klassen. Structurele oplossingen voor de hoge mortaliteit van arme vrouwen en hun kinderen in het kraambed kwamen er pas na de Eerste Wereldoorlog.

Meer lezen.

Hubert, E., Accouchements: gynécologie et déontologie. Cours professés à l’Université Catholique de Louvain (volume 1). Leuven, 1892, 473-482.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van katholieke en liberale artsen die in de negentiende eeuw actief waren als verloskundigen en gynaecologen.

Titelafbeelding: Vaginaal onderzoek. Uit Maygrier, Nouvelles, 1825. Wellcome Collection. CC BY.

7 keer komaf met slaapwandelen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Wie soms al eens last heeft van slaapwandelen, vindt hieronder een aantal tips van een negentiende-eeuwse huisarts.

“Och, dat is toch een eeuwigdurende onrust, dokter! Een mijner zooner verlaat bijna elken nacht zijn bed, loopt het huis rond en somtijds ook wel de straat op. Gisteren nacht zat hij omgekleed in de dakgoot, van waar hem de knecht, met gevaar beider leven, heeft weggehaald. Eenige dagen geleden, heeft hij zonder het te weten, heel den nacht zitten schrijven. Hij heeft in zijn slaap latijnsche verzen gemaakt, die een Vergilius zouden beschamen.”

Dr. Renier Snieders, 1812-1888 (KU Leuven collectie).

Klinkt bovenstaande verzuchting jou bekend in de oren? Dan deel je waarschijnlijk het huis met een slaapwandelaar. In tegenstelling tot de slaapwandelaar die zich de volgende dag van geen kwaad bewust is, kan dit gedrag bij huisgenoten wel eens resulteren in slapeloze nachten. Zo dus ook bij deze negentiende-eeuwse dame. Uit schrik dat haar zoon zich op een volgende nachtelijke omzwerving ernstig zou verwonden, ging ze te rade bij een plaatselijke arts. Dokter Snieders gaf haar enkele aanbevelingen en die deel ik graag met jou.

  1. Vermijd lichamelijke prikkels

Om te beginnen adviseerde dokter Snieders om niet met een al te verzadigde maag in bed te kruipen: “Ik zoude hem aanraden ‘s avonds zeer weinig of liever in het geheel niets te gebruiken, over het algemeen zeer matig te leven, weinig verhittend voedsel en vooral nooit geestrijke dranken te drinken. Vermijd een al te overvloedig en prikkelend avondmaal. Probeer misbruik van sterke dranken zeker op jonge leeftijd te vermijden: het zijn voornamelijk aankomende jongelingen bij wie men het nachtwandelen het meeste aantreft. Groote menschen zijn zelden en grijsaards bijna nooit daarmede behept.”

  1. Slaap op een harde matras

Volgens de dokter kan ook je bed invloed hebben op je slaapgedrag: “Overigens geve men den slaapwandelaar eerder een hard dan een zacht bed, hem tevens aanbevelende, zijn hoofd altijd tamelijk hoog op het hoofdkussen te leggen.”

Slaapwandelende Lady Macbeth door Artus Scheinder, omstreeks 1900.
  1. Maak het hoofd vrij (figuurlijk)

Een te grote hersenactiviteit vlak voor het slapengaan zou eveneens nefast zijn. “Nachtwandelen wordt ook wel eens bevorderd door de aanhoudende en tot laat in den avond gerekte studie, alsook door de werking der driften, zooals droefheid, gramschap, woede, wraak, nijd en anderen. Tracht uw moreel gestel zoveel mogelijk bedaard te houden, verwijder uit uwen geest elke oorzaak van verdriet en hevige aandoening, welke aanleiding zou kunnen geven tot de ontroering der zenuwen.”

  1. Maak het hoofd vrij (letterlijk)

Als we dokter Snieders mogen geloven, ligt de oorzaak van slaapwandelen mogelijks bij een overschot van bloed in de hersenen. Hij gaf daarbij volgend advies: “Bij een oplettende waarnemer blijkt het somtijds dat de nachtwandelaar het hoofd niet juist vrij heeft; in andere woorden, dat er zekere aandrang naar dat orgaan plaats heeft; in dit geval kunnen eene aderlating of een applicaat van bloedzuigers aan het hoofd, of liever somtijds aan den aarsdarm zeer dienstig wezen.”

  1. Neem een fris bad en een paar pilletjes

“Hebben wij te doen met eene bovenmatige prikkelbaarheid der zenuwen, welke hier als een aanleidende oorzaak moet beschouwd worden, zoo zullen frissche baden, en eenige zenuwstillende geneesmiddelen, uiteraard enkel door een geneesheer voorgeschreven, zeer ten pas komen”, aldus de dokter.

Een dokter brengt bloedzuigers aan bij een patiënt. Wellcome Collection. CC BY.
  1. Zoek een aangenaam verzetje

Ook gezonde verstrooiing overdag was volgens hem belangrijk voor het tot rust komen van lichaam en geest bij het slapengaan. “Reizen, jagen, visschen, groote wandelingen in de vrije lucht, in een woord al wat den zieke een aangenaam verzet, gepaard met lichaamsbeweging kan verschaffen, mag niet verwaarloosd worden.”

  1. In hoogste nood: laat je slaan op doktersadvies

Als al het voorgaande geen beterschap bracht, had dokter Snieders nog een laatste hulpmiddel achter de hand. Zo schreef hij een slaapwandelaar gekend te hebben die voor altijd genezen werd door “hem telkens een geducht pak slaag te geven”. Hij voegde er wel aan toe dit middel enkel aan te wenden “in het geval dat men met minder hevige middelen den gewenschten uitslag niet heeft verkregen.”

De opvattingen over de oorzaak en behandeling van slaapwandelen ondergingen doorheen de geschiedenis een aanzienlijke verandering. Slaapwandelaars werden lange tijd beschreven als personen die bezeten waren door de duivel, of die net gezegend waren met een goddelijke aanwezigheid. In het volksgeloof werd slaapwandelen ook lang beschouwd als een vloek of het openlijk gevolg van een of andere zonde. Die perceptie veranderde zeer geleidelijk naar een focus op de mentale toestand van de slaapwandelaar, al bleven metafysische speculaties nog lang doorleven.

Slaapwandelen werd vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gezien als een geestelijke ziekte, een psychosomatische klacht. De idee dat slaapwandelen een psychiatrische aandoening is, blijkt ook uit de beschrijvingen en raadgevingen van dokter Snieders. Zo spreekt hij over “den zieke” en legt hij meerdere malen een verband tussen slaapwandelen en iemands geestelijke gesteldheid. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw werd slaapwandelen helemaal losgemaakt van paranormale of psychiatrische connotaties en werd het geclassificeerd als een slaapstoornis.

Bovenstaande adviezen tegen slaapwandelen komen uit het boek Mentor van Jan Renier Snieders. Snieders, een gediplomeerde geneesheer wonende en werkende te Turnout (1812-1888), gaf in dit boek in de vorm van (fictieve) dialogen tussen dokter en patiënt gezondheidsadvies aan ‘gewone’ mensen. Zijn interesse in en bekommernis om volksgezondheid kwam tot uiting in dit werk waarin hij heel uiteenlopende onderwerpen besprak, van bloedneuzen tot indigesties en dus ook slaapwandelen.

Meer lezen.

Snieders, J. R., Mentor: verspreide aanteekeningen over volksgeneeskunde en gezondheidsleer, ’s-Hertogenbosch, 1870.

Umanath, S., Sarezky D. en Finger, S., ‘Sleepwalking through History: Medicine, Arts, and Courts of Law’, Journal of the History of the Neurosciences, 20 (2011), 253-276.

Linde Tuybens is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

5 koloniale gezondheidstips voor trips naar de tropen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele praktische tips voor reizen in ‘De Kongo’.

Verre reizen gaan vaak gepaard met een grondige medische voorbereiding. Vandaag komt men al erg ver met een handvol vaccins en een stevige voorraad malariatabletten. Op dergelijke preventieve maatregelen kon men zich echter nog niet beroepen ten tijde van het kolonialisme, toen Belgen naar Congo werden gestuurd om grondstoffen te ontginnen, ‘de beschaving’ te brengen of de staatsadministratie uit te bouwen. Gelukkig publiceerde het Ministerie van Koloniën geregeld medische handleidingen waarin allerlei tropische ziektes, symptomen en behandelingswijzen werden opgesomd. Op die manier kon de Belgische koloniaal toch met een rits praktische tips op zak naar ‘De Kongo’ afreizen. Niet al die adviezen waren echter altijd even nuttig en duidelijk. Hieronder vindt u 5 van de merkwaardigste gezondheidstips voor trips naar de tropen uit de Beknopte geneeskundige leidraad ten dienste van den reiziger in Congo uit 1929.

Voorpagina van “Reiziger in Congo”.
  1. Seksualiteit

“De venerische ziekten [seksueel overdraagbare aandoeningen] verminderen en vernietigen soms het productievermogen van den mensch. Zij verkorten het leven en dooden het geslacht. Vermijd ze, en verzorg ze indien zulk ongeluk U trof. […] De gemeenschap met personen van gewillige zeden eindigt gewoonlijk met bevlekking van venerische ziekten.”

  1. Voeding

“Ingemaakt goed is krachteloos voedsel. Gebruik dit zoo weinig mogelijk. In Congo is het gebruik van ingemaakte groenten een onzin.”

  1. Drank

“Vermijd het gebruik van eetlustwerkende dranken. Maak u gewoon weinig te drinken, uitgenomen als gij koorts hebt. Gebruik over dag nooit alcoholische dranken, als gij in het geval zoudt zijn u aan de zon te moeten blootstellen.”

Dit gezin kleedde zich zoals het hoorde.
  1. Kledij

“Over dag als ondergoed: een flanellen, zijden of katoenen hemd, nooit een lijnwaden. Tricots en singels, enz. dienen verworpen daar zij te veel prangen, tenzij ze geweven waren met breede mazen. Draag altijd den flanellen lendeband (breede band dien men driemaal rondt het lichaam windt). De bovenkleedij moet licht zijn en van heldere kleur (wit of khaki); zij moet daarenboven wijd zijn. […] Men moet het dragen van kleederen bij de negers bevorderen.”

  1. Arbeid

“Elke overdaad is schadelijk, zoals elke oorzaak overigens die het evenwicht der levensverrichtingen dreigt te verbreken. Overmatig werken kan zoo schadelijk zijn als overdaad in drank of geslachtsverkeer. […] Het visschen over dag is voor de inlanders.”

Het medische nut van deze richtlijnen kan op z’n minst ernstig in twijfel worden getrokken. Het beschermen van de fysieke gezondheid van de Belgische koloniaal vormde niet de essentie van deze tips. Ze moesten de industrieel, missionaris of koloniaal ambtenaar in eerste instantie een gedragsideaal ter ondersteuning van het koloniale project voorspiegelen. De adviezen met betrekking tot seksualiteit en alcoholische consumpties hadden dan ook een duidelijk moraliserend objectief. Net als in het moederland werden alcoholisme en geslachtziektes in de kolonie gezien als ernstige sociale kwalen. Door te verwijzen naar de “personen van gewillige zeden” werd de Congolese vrouw indirect op een heel geseksualiseerde manier voorgesteld.

Het racisme in de geselecteerde ‘gezondheidstips’ komt echter nog op andere manieren tot uiting. Zo werd het dragen van kledij voorgesteld als een teken van beschaving en was het een onderdeel van de beschavingsmissie om deze westerse norm aan Congolese volkeren op te leggen. Ook het afserveren van de Congolese keuken met de woorden “krachteloos voedsel” en “onzin”, kan als een vorm van cultureel geweld gelden. Ten slotte blijkt het raciale machtsonevenwicht uit de passage over arbeid. Van de koloniaal werd niet verwacht dat hij grote fysieke inspanningen zou leveren. Daarvoor mocht en moest hij gebruik maken van de “diensten” van de lokale bevolking. De beschreven richtlijnen lieten de “reiziger in Congo” dus al met de verschillende facetten van de koloniale ideologie kennismaken voordat hij er voet aan de grond zette.

Meer lezen.

Ministerie van Koloniën. Beknopte geneeskundige leiddraad ten dienste van den reiziger in Congo. Brussel: Drukerij Travaux publics, 1929.

Monaville, Pedro. “‘Conseils aux partants’: Une lecture politique des manuels d’hygiène coloniale publiés en Belgique (1895-1950)”, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 1–2, nr. 36 (2006): 97-125.

Reinout Vander Hulst is als doctorandus verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij bereidt een proefschrift voor over katholieke geneeskunde in België en Congo van 1900-1965.

4 manieren om van je blaasstenen af te komen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. We starten met enkele medische behandelingen voor mannen met pijnlijke blaasstenen.

Misschien denk je dat historici een vrij gemakkelijk beroep hebben. Dat wat ze onderzoeken is immers lang geleden gebeurd en zal ze dus niet persoonlijk raken. Niets is minder waar: tijdens hun onderzoek komen ze onder meer beschrijvingen van ziektegevallen tegen waarbij ze tijdens het lezen met almaar groeiend medelijden de lijdensweg van de patiënt volgen, in de hoop dat deze de helse beproevingen uiteindelijk toch heeft overleefd. Ze zien in negentiende-eeuwse periodieken allerlei ziektebeelden en de bijbehorende behandelingen voorbijkomen: van buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en amputaties zonder verdoving tot uit de hand gelopen worminfecties. Deze zomerblog biedt een overzicht van een viertal voorbeelden van de mogelijke behandeling van blaasstenen die worden vermeld in het Nederlandse Practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang (1822-1856). Deze blaasstenen kwamen het meeste voor bij mannen, en maakten het hen soms onmogelijk om te urineren – wat zonder behandeling de dood tot gevolg kon hebben.

Dertigdelige Lithotomieset, Parijs, Frankrijk, 1820-1860. Collectie: Science Museum, London. CC BY.
  1. Het gebruik van tangen

Als de patiënt geluk had, was de blaassteen door de krampen van het urinewegstelsel al zo ver op weg naar de uitgang gebracht, dat een arts deze makkelijk kon bereiken. In 1837 berichtte een arts bijvoorbeeld over de lotgevallen van een 38-jarige man, die plotseling erge moeite had gekregen met urineren. Na drie maanden zonder medische hulp had hij ‘gedurig koude rillingen, en hij bragt de nachten voor het grootste gedeelte slapeloos door.’ Het lukte de arts niet om de steen te pakken te krijgen, en er werden daarom warme baden, ‘verzachtende pappen’, amandelmelk, ‘slijmige dranken’ en ‘eene gepaste diëet’ voorgeschreven. Veertien dagen later lukte het alsnog om de blaassteen ‘onder geringe pijnen’ met een tang naar buiten te halen.

Chirurgische verwijdering van een blaassteen door middel van een snede boven de schaamstreek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De laterale lithotomie

Volgens een andere arts was de sectio lateralis de beste en meest gangbare methode voor het verwijderen van blaasstenen. Deze bestond eruit eerst via de urinebuis een sonde tot in de blaas in te brengen en vervolgens een lange incisie in het perineum te maken richting de punt van de sonde, om zo de blaashals te openen en vervolgens de steen weg te kunnen nemen. De arts beschreef twee operaties die hij op deze manier had uitgevoerd, en die beide goed waren afgelopen. Hij was zich erg van de risico’s van de operatie bewust: deze kon leiden tot cystevorming, ‘verettering van het celweefsel’ en stuipen die het succes van de operatie en zelfs het leven van de patiënt in gevaar konden brengen.

  1. De snede boven de schaamstreek

Een andere manier om de steen te bereiken als deze nog niet in de urineleider was afgedaald, was om de blaas als het ware van de voorkant te bereiken. Deze operatie werd bijvoorbeeld uitgevoerd op een oudere patiënt die vanwege een vergrote prostaat niet op een andere manier kon worden geopereerd. Hij werd in de juiste positie gebracht – en waarschijnlijk door een aantal potige helpers in bedwang gehouden – waarna er een incisie in het huid-, vet- en spierweefsel boven het schaambeen werd gemaakt om daarna de blaas open te snijden. ‘Oogenblikkelijk stroomde nu de urien uit de wonde , en de steen konde zonder groote moeite met eene tang weggenomen worden’. Tot de achttiende dag na de operatie lekte er nog urine uit de wond, maar uiteindelijk herstelde de patiënt volledig. ‘Het doorklieven der regte buikspieren heeft den lijder niets gehinderd; hij gaat regtop als bevorens en bevindt zich volkomen wèl.’

Drie manieren om de blaas te bereiken, afgebeeld in een negentiende-eeuws medisch handboek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De proctolithotomie

Voor het opereren bij grotere stenen werd aangeraden om de blaas via de achterkant te benaderen en dus via de anus te opereren, omdat deze aan grote stenen immers ‘eenen ruimen weg opent’. Een patiënt die ‘in geene positie voor zijne pijnen eenige verligting meer konde vinden’ ondernam zelfs een zesdaagse voetreis ‘die hij als ’t ware voortkruipend had moeten afleggen’ om de arts van zijn keuze te bereiken. Hij was dus erg verzwakt, maar omdat hij niet leek aan te sterken, ging de arts toch tot een operatie over. Het mocht niet baten. ‘Aanhoudend zonken de krachten, tot aan het gevoel van vernietiging toe klom de spierzwakte, en onder onwillekeurige ontlastingen, beven [en] deliria, gaf de lijder op den 11den dag na de operatie, den geest.’

De gevolgen van de hierboven beschreven operaties waren ingrijpend. Pas omstreeks het midden van de negentiende eeuw werd mondjesmaat met narcose gewerkt. De hier beschreven patiënten moesten de beschreven operaties hoogstwaarschijnlijk nog zonder anesthesie ondergaan. De ingreep kon tot bloedingen en ontstekingen leiden die de dood tot gevolg hadden. De wonden heelden bovendien meestal langzaam, en vaak bleven patiënten nog lange tijd incontinent. Tegenwoordig komen blaasstenen in de Westerse wereld nauwelijks nog voor dankzij verbeterde leefomstandigheden. Bovendien zijn ze, wanneer ze toch opduiken, beter op te sporen vanwege nieuwe technieken. Daarna worden ze met behulp van elektriciteit, schokgolven of ultrasoon geluid vergruisd. Van een helse marteling is hun behandeling daardoor veranderd in een pijnloze aangelegenheid.

Meer lezen.

Aschendorf, H., ‘Eenige opmerkingen over den steen in de blaas en de steensnede, d.i.  blaassnede’, Nieuw practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang 29 (1850), 290-296.

Tarler, H., ‘Drie gevallen van Steenen in de Pishuis’, Nieuw practisch tijdschrift 16 (1837), 223-229.

Keeman, J.N., ‘Blaasstenen en lithotomie, een verdwenen kwaal als fundament van de urologie’, Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 150 (2006), 2805-2812. Geraadpleegd via https://www.ntvg.nl/artikelen/blaasstenen-en-lithotomie-een-verdwenen-kwaal-als-fundament-van-de-urologie/volledig op 22 mei 2019.

Wouter Egelmeers is als doctoraatstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt de impact van het eerste visuele massamedium, de toverlantaarn, op het negentiende-eeuwse Belgische onderwijs. Vorig jaar was hij verbonden aan een project over redactiepraktijken in negentiende-eeuwse wetenschappelijke tijdschriften.

Zes absolute must haves voor verveelde ‘landverraders’

Gastblog door Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts.

Verveling is een even banaal als herkenbaar spook. Of het je nu overkomt tijdens een dag met te veel regen en te weinig wifi, dan wel een door generatiekloven geteisterd communiefeest, iedereen is wel eens bang om in een plant te veranderen. Dat nagenoeg universele karakter van het lamlendige nietsdoen maakt het ook tot een boeiende, vaak onderschatte kracht in de geschiedenis. Neem nu bijvoorbeeld eind 1944, toen in België tussen de 55.000 en 70.000 verdachten van collaboratie werden opgesloten in gevangenissen en tijdelijke interneringscentra, zoals de gevangenis van Sint Gillis, het Klein Kasteeltje te Brussel en de interneringscentra van Lokeren en Sint-Kruis. In latere publicaties van collaborerende auteurs zoals Filip De Pillecyn werd de algemene stemming onder de geïnterneerden steevast voorgesteld als politieke rancune en verbittering aan het adres van een vijandelijke Belgische staat. Maar wat met dat veel alledaagser kwaad, genaamd verveling? “Gevangen zitten is de vervelendste stiel die er bestaat”, schreef een geïnterneerde aan zijn moeder.

Tekenen en portretschilderen was een populaire bezigheid in de interneringscentra, zoals mag blijken uit dit portret van een Nicolas Cage-lookalike. [ADVN, AC 422].

We mogen natuurlijk niet vergeten dat de meeste geïnterneerden zich niet zonder reden in hechtenis bevonden. Het gaat hier immers over zogeheten ‘landverraders’, verdachten van economische, politieke of culturele medewerking met de bezetter, die eerst moesten worden heropgevoed voor ze weer toegang kregen tot het maatschappelijke leven. Maar dat oeverloze verveling en monotonie niet bepaald de ideale voedingsbodem vormen voor een dergelijke herintegratie, besefte ook de overheid. Na verloop van tijd groeide de mogelijkheid om de uren binnen de kampuren te wijden aan iets nuttigs of iets leuks.

Hier volgt daarom een kleine handleiding voor de geïnterneerde, bestaande uit zes absolute must haves om de dagelijkse sleur van het kampleven door te komen: van sigaretten tot een patente advocaat.

  1. Sigaretten

In de eerste maanden zochten de geïnterneerden verstrooiing in de weinige activiteiten die op dat moment tot de mogelijkheden behoorden: kaarten, schaken, lezen en – last but not least – roken. Alles hielp in de strijd tegen de verveling, ook wanneer de longen erdoor werden aangetast en de kampleiding het ten strengste had verboden. Of zoals iemand later over zijn dagen in een interneringscentrum noteerde: “Gepakt worden bij het roken was een zware overtreding. Hiertegen zondigde iedereen de gehele dag. In ‘t begin was het een kat- en muisspel”.

  1. Werkgerief

Geleidelijk aan werden de geïnterneerden beter uitgerust in hun pogingen om het spook van de verveling te lijf te gaan. Uiteenlopende attributen kwamen tot hun beschikking te staan: penselen en tekenpotloden, maar ook timmergerief, gietvormen en zelfs soldeerbouten. Dankzij de oprichting van de Dienst voor Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij in november 1946 kon het culturele leven binnen de interneringscentra zich ten volle ontvouwen. Artistieke expressie en technische bedrijvigheid stimuleerden volgens het nieuwe interneringsbeleid immers de wederopvoeding van de geïnterneerden. Resultaat? Een outburst van soms verrassend vernuftige objecten, zoals een intrigerende lamp in de vorm van een waterpomp.

Een lamp vervaardigd in Merksplas rond 1950. Het opvallende aan de lamp is het waterpompmotief, waarbij de pomp fungeerde als de aan- en uitschakelaar. [ADVN, VVO 1109].
  1. Balvaardigheid

Clichés in de beeldvorming van collaboratie en repressie werden door het dagelijkse kampleven meestal tegengesproken. Maar andere stereotypen zagen zich er dan weer bevestigd: sluit honderden mannen op in een interneringscentrum en stel na verloop van tijd vast dat de zin van hun leven een vurig beleden sportcompetitie is geworden. Met de oprichting van de Welfare, de organisatie voor culturele bedrijvigheid in de interneringscentra, riepen de geïnterneerden zelf allerlei activiteiten in het leven om het vegeteren tegen te gaan: toneel, cabaret, zang en – niet het minst – sport. Dat de handbal- en volleybalcompetities op heel wat belangstelling konden rekenen, blijkt onder meer uit enkele bijzonder geestdriftige wedstrijdverslagen, zoals van deze handbalwedstrijd in het IC Merksplas: “Stan was flegmatisch zoals altijd, Nand stoer als een pantserwagen, den Djé bijtend als ‘n “peperbolleke”, […] zo zien we onze Pandoeren graag en we zijn zeker dat we met dit machtige zevental een kans hebben om de competitie te winnen.”

  1. Radiostem

Ook in de gevangenis van Sint-Gillis vond het nieuwe interneringsbeleid, gericht op herintegratie na de vrijlating, weerklank. Vanaf de lente van 1947 resoneerde tussen 11.00 en 21.00 uur zelfs een hoogst onverwacht geluid binnen de gevangenismuren: Radio Sint-Gillis, een initiatief van de gedetineerden zelf, wilde het monotone gevangenisleven opluisteren met muziek, sportkronieken, taal en literatuur, luisterspelen, educatieve en medische praatjes. De directie steunde het initiatief, al diende een van de gevangenen er wel over te waken dat de presentatoren zich niet voorbij de grenzen van het politiek wenselijke praatten.

B. Peleman vormde samen met O. Daem en F. De Pillecyn de kernredactie van Radio Sint-Gillis. Tekening van J. Vermeire, 1948. [ADVN, VB2696].
  1. Advocaat

405 493. Dat is het aantal gerechtelijke dossiers dat in de periode tussen 1944 en 1950 door de Belgische staat werd geopend tegen vormen van collaboratie met de Duitse bezetter. Het leven van de verdachten draaide volledig rond deze dossiers en een afspraak met de advocaat prijkte steeds bovenaan de agenda. Gedurende de interneringstijd wandelden dan ook geregeld dienaars van Vrouwe Justitia door de poorten van de gevangenis. Het valt allicht niet meer te achterhalen, maar het recordaantal van deze bewogen bezoekjes zou wel eens op naam kunnen staan van advocaat Frans Van der Elst. Zijn cliënten waren dan ook niet van de minste. Hendrik Elias bijvoorbeeld: voormalig leider van het VNV, een Vlaams-nationalistische politieke partij die een van de hoofdrolspelers was in de collaboratie.

  1. Good will

‘Al doende leert men’. Uiteindelijk vormen vooral arbeid en onderwijs de sleutel tot een succesvolle herintegratie in de maatschappij. Het was toch vanuit die optiek dat de Dienst Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij de geïnterneerden vanaf 1947 een goed gestoffeerd pakket cursussen en opleidingen aanbood, waaronder talen, handelswetenschappen, elektriciteit en automechanica. Menige gevangene zag zo’n nieuwe stiel wel zitten: niet alleen was er het vooruitzicht van werkzekerheid, het was ook de geknipte gelegenheid voor wie aan de staat wilde tonen dat hij bereid was om bij te dragen aan de maatschappij. Bij heel wat geïnterneerden ontstond de hoop om – met een vervroegde vrijlating – weer als een goede burger deel uit te maken van de samenleving. Ze ondergingen de intrigerende transformatie van ‘landverraders’ tot ‘vaderlanders’.

De interneringscentra en het overgeleverde erfgoed roepen dan ook vragen op die vandaag, gezien de recente debatten over de teruggekeerde IS-strijders, nog niet aan relevantie hebben ingeboet: wat is een effectief interneringsbeleid? Welke activiteiten bevorderen de wederopvoeding van de gevangenen? En zijn er manieren om de ongewenste idealen te verdrijven die door een mensenhoofd spoken?

Benieuwd naar sportverslagen, schilderijtjes, knutselwerken en ander erfgoed uit de interneringscentra?

De expo ‘Gemaakt achter prikkeldraad’ is te bezoeken van mei tot eind september in het ADVN | archief voor nationale bewegingen.

De lezing ‘Een lamp in een kamp? Nieuw licht op de interneringsperiode na WOII’ vindt plaats op 16 mei, om 19.30 uur in het ADVN. Inschrijven kan via publiekswerking@advn.be

Meer lezen.

Grevers, H., Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België: 1944-1950, Amsterdam, 2013.

ADVN-Mededelingen, 63, maart, 2019. [themanummer rond erfgoed uit interneringscentra][http://www.advn.eu/web/mededelingen/ADVN-Mededelingen-63.pdf]

Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts zijn gastbloggers. Aragorn behaalde een master in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen en werkt als onderzoeker aan het ADVN | archief voor nationale bewegingen. Hij publiceerde eerder al over de kritische verwerking van oorlog, collaboratie en repressie in de fictie van Hugo Claus. Kasper behaalde een doctoraat aan de University of Edinburgh, is verbonden aan het ADVN als onderzoeker, en verricht comparatief onderzoek naar nationalisme, nationale bewegingen, en historiografie.

Zes middeleeuwse topwijven

Gastblog door Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Nena Vandeweerdt.

De woorden ‘middeleeuwen’ en ‘vrouwenrechten’ zal u niet snel terugvinden in dezelfde zin. Films en boeken over het verleden portretteren middeleeuwse vrouwen meestal als gehoorzame huisvrouwen of smachtende prinsessen in kastelen. Maar hoewel de middeleeuwse maatschappij door en door patriarchaal was, beschikten vrouwen over meer rechten dan die clichéverhalen doen vermoeden en namen ze voluit deel aan het publieke leven. Daarom stellen we u graag voor aan zes middeleeuwse ‘topwijven’ uit Vlaamse steden. In de middeleeuwen was wijf overigens de neutrale benaming voor een vrouw. Het woord had dus helemaal niet de negatieve bijklank van vandaag.

Een vrouw helpt in een slagerij. Ze vangt het bloed op dat ze later zal gebruiken om bloedworsten te maken (Ibn Butlân, Tacuinum sanitatis, BNF, Département des manuscrits, Latin 9333).
  1. Machtilde Perloecx bekritiseert de keurmeesters

Op de Leuvense vismarkt ging het er niet altijd even vredig aan toe. Ambachtslieden leurden er met zeevissen die de stad werden ingevoerd en bewoners van de stad en haar omgeving verkochten er vis om een extra centje te verdienen. Ook vrouwen waren talrijk aanwezig, als kopers én verkopers. Die visverkoopsters, toen viswijven genoemd, genoten niet de beste reputatie, maar dit werkten ze zelf soms wel eens in de hand. Zo moest de Leuvense Machtilde Poerloecx zich in 1423 voor de stadsraad verantwoorden. Zij baatte een kraam uit op de vismarkt. Machtilde was verontwaardigd nadat de keurmeesters (dit waren mannen die de kwaliteit van de vissen keurden) haar vis hadden afgekeurd en riep hen daarop toe dat ze niet grondig keurden en dat “sij stoncken”. Hiermee stelde ze de rechtvaardigheid van het economische beleid van de stad in vraag – en hun welriekendheid. Dit werd haar niet in dank afgenomen en Machtilde werd op een bedevaart naar Milaan gestuurd.

  1. Katlijne van Brussel leert haar echtgenoot een lesje

Anno 1430 leefde de Leuvense Katlijne van Brussel in Kortrijk, waar ze een eigen handelszaak had uitgebouwd. Dat was ook nodig, want ze leefde gescheiden van haar man Hendrik, die nog in Leuven woonde met hun zoontje. Katlijnes succes kwam Hendrik echter al snel ter ore. “Met behendicheiden ende scoenen woerden” smeekte hij haar om terug te keren naar haar thuisstad. Minder gewiekst in de liefde dan in het ondernemerschap verkocht Katlijne haar zaak. Ze stuurde de opbrengst alvast naar Hendrik alvorens zelf de reis te maken. Eenmaal aangekomen in Leuven stond ze – letterlijk – voor een gesloten deur. Hendrik weigerde niet alleen zijn echtgenote te verwelkomen, hij woonde ook samen met een vriendin en hield Katlijnes geld voor zichzelf. Katlijne wist wat haar te doen stond: gesteund door vrienden trok ze naar de rechtbank, en vroeg hen “omme Godswille” om gerechtigheid te laten geschieden. Dat lukte ook: de Leuvense stadsraad strafte Hendrik en dwong hem om het geld dat hij met “listigher subtijlheyt” had ontvreemd terug te geven aan Katlijne. Eind goed, al goed voor Katlijne.

  1. Woyeken Hagen zegt neen tegen een gearrangeerd huwelijk

In 1500 ontving het Antwerpse stadsbestuur een klacht van de familieleden van Woyeken Hagen. Ze claimden dat een zekere Symoen het meisje tegen haar wil had geschaakt. De gerechtsofficier confronteerde Woyeken met de klacht, waarop ze ontkende dat Symoen haar ontvoerd had. Integendeel, Woyeken verklaarde prompt dat ze uit vrije wil was meegegaan en geen andere man wilde. Ze had namelijk vernomen dat haar familie haar aan een “leeliken man mit eenen baerde” wilde koppelen. Om dat te vermijden trouwde ze snel met Symoen, hoewel Woyeken eigenlijk minderjarig was (jonger dan 25 volgens het middeleeuws recht) en de goedkeuring van haar familie nodig had. De schepenen bestraften Symoen daarom met een boete. Toch was het huwelijk tussen Woyeken en Symoen geldig en onbreekbaar. Beide partners hadden namelijk ingestemd en dat was de enige voorwaarde om te trouwen in de middeleeuwen. Voor meisjes als Woyeken boden schakingen dus een mooie kans om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen.

De priester brengt de rechterhanden van de verloofden samen wat hun instemming en keuze voor elkaar symboliseert (British Library, catalogue of illuminated manuscripts, Royal 17 F IV, fol. 65v.).
  1. Liesbet van Keerbeke verzet zich tegen haar uitsluiting uit het slagersambacht

In 1564 besliste de Leuvense stadsraad, na aandringen van het slagersambacht, dat slagersweduwen de zaak van hun overleden echtgenoot in het Vleeshuys niet langer mochten uitbaten. Volgens de ambachtslieden tastte de aanwezigheid van gevestigde weduwen het inkomen van jongere gezellen van het ambacht aan. Die nieuwe regeling was echter buiten Liesbet van Keerbeke gerekend. Twee jaar na de verordening stapte deze slagersweduwe naar de stadsraad. Ze stelde dat ze als arme weduwe zonder de zaak van haar voormalige echtgenoot haar kinderen niet meer kon onderhouden. Daarnaast argumenteerde Liesbet dat weduwen in alle Leuvense ambachten steeds het beroep van de overleden echtgenoot hadden verdergezet. De stadsraad gaf gehoor aan haar argumenten en Liesbet kreeg toelating om de vleeskraam te blijven uitbaten totdat haar zoon meerderjarig was. Het bleef niet bij die uitzondering: vier jaar later schrapte de stadsraad de verordening in zijn geheel. Liesbet kende als ambachtsweduwe haar rechten en aarzelde niet om die af te dwingen voor de schepenbank.

  1. Cornelijken Barinagen laat zich niet doen door haar belager

Op 14 augustus 1480 viel het verdict in de rechtszaak die de Gentse Cornelijken Baringen samen met haar ouders had aangespannen. De schepenbank veroordeelde Colaert Roose tot een verbanning van vijftig jaar uit Gent. Colaert had Cornelijken het leven immers erg zuur gemaakt. Als jonge vrouw – vermoedelijk was ze een tiener – zocht ze al een tijdje naar een geschikte partner. Maar tot Cornelijkens grote frustratie hapte geen enkele man toe, en dat was de schuld van Colaert Roose. Deze man verspreidde immers kwalijke roddels over haar en zei dat hij met haar had geslapen. In de eergevoelige middeleeuwse maatschappij waren zo’n woorden niet onschuldig. Het seksueel gedrag van vrouwen bepaalde hun reputatie én die van hun familie. Voor jonge meisjes waren maagdelijkheid en eerbaarheid daarom erg belangrijk. Door Colaerts “blameerlijke ende afdraghelijke woorden” had Cornelijken dan ook “diverssche goede huwelijken” misgelopen die ze nochtans “gherne ghe(h)adt hadde”. Nu Colaert zwaar bestraft werd en het duidelijk was dat Cornelijken een “eerbaer maeghdekin” was, kon ze haar zoektocht naar een partner met goede moed hervatten.

Een visverkoopster in haar verkoopkraam (Ibn Butlân, Tacuinum sanitatis,BNF, Département des manuscrits, Latin 9333).
  1. Janne Schuts groeit uit tot een gerespecteerde zakenvrouw

Janne Schuts, een alleenstaande vrouw in vijftiende-eeuws Antwerpen, verstrekte op grote schaal leningen aan haar stadgenoten. Dat was een typische activiteit voor alleenstaande vrouwen in middeleeuwse steden, maar weinigen waren zo actief als Janne. Zij liet zo’n 158 transacties registeren voor de Antwerpse schepenbank – een enorm aantal. Dat waren voornamelijk leningen maar ook investeringen in vastgoed. Janne was daarmee een erg succesvolle geldschieter die de groeiende Antwerpse economie van krediet voorzag. Ze deed dat bovendien vanuit een allesbehalve evidente positie: ze was van bescheiden komaf en de alleenstaande moeder van een onwettig kind uit een affaire. Toch klom ze op van dienstmeisje naar een vishandelaarster met een eigen zaak, om vervolgens begijn te worden. In het begijnhof gaf ze les en breidde ze haar investeringsactiviteiten uit. Dankzij wat financiële meevallers en zakelijk talent kon ze een klein fortuin opbouwen, dat ze onder andere gebruikte om aan haar zus en dochter een mooie huwelijksgift mee te geven.

Meer lezen.

Haemers J., Bardyn A., Delameillieure C. (red.), Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad. Antwerpen, 2019.

Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Nena Vandeweerdt zijn gastbloggers. Andrea verricht postdoctoraal onderzoek naar de economische genderrollen, machtsverhoudingen, en taakverdeling binnen het middeleeuws huwelijk in de laatmiddeleeuwse Nederlanden. Het doctoraatsonderzoek van Chanelle richt zich op de controle van ouders en overheden op de partnerkeuze van jongeren in laatmiddeleeuws Gent, Leuven en Antwerpen. Nena vergelijkt in haar doctoraat de posities van vrouwen in de beroepenwereld van Noord- en Zuid-Europa in de vijftiende en zestiende eeuw. De drie onderzoeksters zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven.

Titelafbeelding: Fresco in het Castello di Issogne, Aosta, Italië.

Maartens 5 favoriete Brusselse stadsparken

Brussel herbergt vele stadsparken: sommige bekend en drukbezocht, andere meer in de luwte van de hoofdstad. Wat de meeste echter delen, zijn hun negentiende-eeuwse oorsprong en wortels in de opkomende burgerlijke cultuur van die tijd. Naast verkoeling in deze warme dagen bieden deze parken dan ook een interessante blik op een nieuwe bourgeoisie die zich in een identiteit probeerde aan te meten, en op de veranderende rol van natuur in een uit zijn voegen barstende grootstad.

  1. Warandepark, Brussel

Het Warandepark, pal in het centrum van de stad, kent een middeleeuwse oorsprong. Zijn huidige vorm dankt het park echter aan de heraanleg van het Koningsplein aan het einde van de achttiende eeuw, onder het Oostenrijks regime. Veel meer dan een rustpunt waar de Brusselaar van een stukje natuur in de stad kon genieten, was het park echter een plek waar men kwam om te kijken en bekeken te worden. De Brusselse burgerij was niet geïnteresseerd in verpozen tussen het groen en ontsnappen aan de stedelijke drukte. Strenge culturele codes en tradities bepaalden waar, wanneer en hoe de leden van de bourgeoisie rondwandelden tussen de bomen van de Brusselse Warande. Een rondje bezweet joggen of ergens willekeurig in het gras neerploffen zat er rond 1800 niet meteen in.

  1. Leopoldspark, Etterbeek

In het jonge België roerde zich in Brussel al snel een nieuwe elite die van de stad een moderne hoofdstad wilde maken. De oude stadsomwalling was dan al gesloopt, Brussel was klaar om haar gloriejaren aan te vatten. Het resultaat van een eerste bouwcampagne was de Leopoldwijk, een kraaknieuwe woonomgeving voor de Brusselse bourgeoisie. Een park om te wandelen en met hun welstand te pronken, stond hoog op het verlanglijstje van de bewoners van de nieuwe, prestigieuze herenhuizen. De schenking van Jean-Jacques Dubois de Bianco van zijn verwilderd domein aan de jonge Société Royale de Zoologie, d’Horticulture et d’Agrégement in 1851 gaf de burgerij in de wijk de kans om het landhuis en het omliggende terrein om te toveren tot een plek van enerzijds mondaine ontspanning en anderzijds wetenschap. Architecten Alphonse Balat en Louis Fuchs kregen de opdracht het overwoekerde domein tot een elegant wandelpark om te toveren. Vijvers, bomen en heuvels waren er al, ze dienden enkel nog verder aangekleed te worden met rotsen tot het schilderachtig landschap van een Engels park. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw zouden rondom het park nog de dieren- en plantentuin van Brussel en allerlei wetenschappelijke instellingen verrijzen die nu het aanzicht van de site bepalen.

  1. Ter Kamerenbos, Elsene

Ter Kamerenbos ontstond in de jaren 1860 om heel andere redenen. De stad Brussel wilde in navolging van Parijs nog een groen prestigeproject. Tegelijk was het tegen dan duidelijk geworden dat urbanisatie ook zijn schaduwzijden had. De inwoners van de snelgroeiende stad Brussel kregen meer en meer behoefte aan ademruimte en natuur. In het historische centrum was echter geen plaats meer voor een park. De omliggende gemeenten, tot dan relatief onafhankelijke plattelandsdorpen, boden meer mogelijkheden en werden langzaam geïntegreerd in de metropool. Zo ook Elsene, dat via de Louizalaan hechter verbonden raakte met Brussel. Voor Ter Kamerenbos koos de stad – middels een wedstrijd waar ook Fuchs aan deelnam maar die hij verrassend genoeg verloor – voor een ontwerp van de Duitser Edouard Keillig. Zijn visie, een bosrijk park waar zo weinig mogelijk aan de oorspronkelijk begroeiing geraakt zou worden, lag in de lijn van die van het stadsbestuur en speelde in op de noden van het publiek. De Brusselaar moest de stad hier even kunnen vergeten zonder deze te verlaten. Het park werd een vluchtroute in plaats van louter decor voor het gepronk van de bourgeoisie. De illusie van het platteland stond nu centraal. Het zicht op de buitenwereld werd door het dichtbeboste park tot een minimum beperkt. Een kloof en vijver hielden het park over zijn hele lengte interessant voor de bezoeker. Het grootse, halfronde plein en de paviljoenen rond het park moesten het Ter Kamerenbos aan de buitenkant dan weer de grandeur verlenen waar de burgerlijke context om bleef vragen.

  1. Park van Woluwe, Woluwe

Ter Kamerenbos probeerde dus prestige en sociale noden met elkaar te verzoenen. Wél nog een echt, exclusief prestigeproject was het park van Woluwe, een resultaat van de Expo van 1897. Deze vond plaats in zowel het Jubelpark als op het koninklijk domein van Tervuren. Om de twee locaties te verbinden, liet Leopold II de al eerder uitgetekende Tervurenlaan aanleggen. Met de tram zouden bezoekers zich makkelijk kunnen verplaatsen. Om het traject aantrekkelijker te maken voor de bourgeoisie, besliste Leopold II tot de bouw van een groots park langs de avenue. Het platte terrein van Woluwe werd door de Franse architect Emile Lainé kunstmatig van meer reliëf voorzien. Enerzijds kon de bezoeker zo uitkijken over het landschap. Anderzijds boden de beboste dalen en heuvels opnieuw de illusie van één te zijn met de natuur. De idyllische sfeer werd nog artificieel aangedikt door de toevoeging van bijvoorbeeld watervalletjes. Na de dood van de koning werd het park van Woluwe opgenomen in de Koninklijke Schenking aan de Belgische Staat en stond het open voor het brede publiek.

  1. Josaphatpark, Schaarbeek

Lange tijd was Schaarbeek, net zoals veel andere randgemeentes, een plattelandsdorp op enkele kilometers van Brussel. Rond 1900 veranderde het aangezicht van het middeleeuwse dorp echter snel. Een nieuw, monumentaal stadhuis werd neergepoot, en de oude Sint-Servaaskerk werd gesloopt en vervangen. In dit kader paste ook de aanleg van de mooie, elegante Louis Bertrandlaan met zijn eclectisch geheel van prachtige gevels, die naar één van de nieuwe groene longen van de stad leidde: het Josaphatpark. Ondanks een conflict met de weduwe die eigenares was van het park, slaagde de gemeente Schaarbeek er via de tussenkomst van Leopold II toch in het park in handen te krijgen. Naast de creatie van open ruimte in de steeds drukker wordende stad, was landschapsbehoud nog belangrijker in de aanleg van het park dan in de late negentiende eeuw. Het Josaphatpark moest ruw, onverzorgd en wild blijven, een overblijfsel van het platteland in plaats van een (re)constructie ervan. Architect Galoppin gruwde van “rechtlijnige en geometrische grasperken, die slechts groteske karikaturen zijn van de natuur”. Tegelijkertijd werd het park ook opengesteld voor allerlei activiteiten. De tijd van het behaaglijk flaneren over kaarsrechte paden, omgeven door keurig geknipte hagen, was ver weg. In de plaats daarvan kwamen voetballende kinderen en vissende volwassenen het park bevolken. De vissers zijn intussen verdwenen, maar voetballende kinderen behoren nog altijd tot het vast decor van het Josaphatpark.

Meer lezen.

Stynen, A. Proeftuinen van Burgerlijkheid. Stadsnatuur in Negentiende-Eeuws België. Leuven, 2010.

De reeks Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis uitgegeven door de dienst Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.