Categorie archief: Lijsten

5 favorieten van Tom Verschaffel

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week zijn we toe aan de laatste editie van deze zomer, met het favoriete leesvoer van Tom Verschaffel.

  1. De roman van Ferrara

Il romanzo di Ferrara is de overkoepelende titel van zowat het volledige oeuvre van Giorgio Bassani. Dat bestaat uit zes boeken: één grotere roman (meteen Bassani’s bekendste boek: De tuin van de Finzi-Contini’s uit 1962) en verder enkele korte romans en verhalenbundels. Alle verhalen spelen zich af in Ferrara, in de tijd van het Fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de nasleep ervan. Ze zijn deels autobiografisch, maar toch staat het leven van de auteur zelf niet centraal. Het geheel geeft een prachtig en pakkend beeld van het leven in de stad en in het bijzonder van de joodse gemeenschap.

Giorgio Bassani, De roman van Ferrara (Meulenhoff 2010; oorspronkelijke Italiaanse uitgave 1953-1972).

  1. De Thibaults

Al in de Top 5 van Kaat Wils en ook ik kan De Thibaults – inderdaad – onmogelijk niét opnemen. Opnieuw een romancyclus: zeven boeken (en een epiloog) van ongelijke lengte, in het Nederlands uitgegeven in twee dikke delen, met het verhaal van twee, zeer verschillende broers. Het geheel is magistraal en meeslepend (de eerste delen gaan vooral over de verhouding tussen de zoons en de dominante vader), maar ik wil hier in het bijzonder wijzen op het lange laatste boek (in het Nederlands het volledige tweede volume), duizend pagina’s waarin een periode wordt beschreven van niet meer dan enkele maanden, vlak voor en na het begin van de Eerste Wereldoorlog. Nooit is zo helder en overtuigend beschreven hoe (zoveel) mensen die geen oorlog wilden en tot op het laatste moment zelfs niet konden geloven dat die er zou komen, niet voorkwamen dat de oorlog uitbrak, erin werden meegesleept en ten prooi vielen aan patriotisme.

Roger Martin du Gard, De Thibaults (2 delen, Meulenhoff 2014-2015; oorspronkelijke Franse uitgave 1922-1940).

  1. Geteld, geteld

Geteld, geteld is het eerste (en helaas ook het enige in het Nederlands vertaalde) deel van een trilogie (1934-1940), waarin de Hongaarse schrijver Miklós Bánffy het verhaal vertelt van enkele leden van een adellijke familie, tegen de achtergrond van de maatschappelijke ontwikkelingen en politieke gebeurtenissen op het einde van de negentiende eeuw en de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Bánffy, zelf een edelman en politicus (hij was in de jaren 1920 korte tijd minister van Buitenlandse Zaken), schetst in een weids fresco een Hongarije in verval, met in de hoofdrol een adel waarvan de rol definitief is uitgespeeld.

Miklós Bánffy, Geteld, geteld (Atlas 2012; oorspronkelijke Hongaarse uitgave 1934).

  1. Middlemarch

Grote roman van George Eliot, die het leven schetst in een klein Engels stadje, met een veelheid aan personages en verwikkelingen. Scherpzinnig en soms heel geestig maakt Eliot voelbaar hoe grondig de maatschappij in de negentiende eeuw veranderde en welke impact dat had op het dagelijkse leven van individuen, met – het is wel algemeen bekend dat achter het mannelijk pseudoniem van Eliot een vrouwelijke auteur schuilgaat – een bijzondere aandacht voor de rol van vrouwen. In de Engelse literatuur zijn wel meer romans gewijd aan (aspecten van) de modernisering van het leven in de negentiende eeuw en de schokken die zij meebracht: een ander magistraal voorbeeld is De weg van alle vlees (1903) van Samuel Butler.

George Eliot, Middlemarch (Athenaeum 2016; oorspronkelijke Engelse uitgave 1871-1872).

  1. Het bureau

Nog een romancyclus, bestaande uit zeven boeken, ongeveer vijfduizend bladzijden in totaal. Allemaal gewijd aan de dagelijkse bezigheden van een niet al te vrolijke man die werkt op een wetenschappelijk onderzoeksinstituut voor volkskunde (eigenlijk het Meertensinstituut in Amsterdam). Het boek beschrijft met dodelijke precisie een saai leven met zijn zich steeds herhalende routines, maar is, als je er eenmaal “in” zit, o zo verslavend. Bovendien geeft het de dagelijks praktijk van de wetenschappelijke arbeid weer, met bijvoorbeeld ook een ontluisterend, maar tegelijk hilarische en herkenbare voorstelling van wetenschappelijke (historische) congressen.

J.J. Voskuil, Het bureau (Van Oorschot 1996-2000)

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: CC-BY Andy Roberts

5 toppers van Nelleke Teughels

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week: Nelleke Teughels.

  1. In 1926: ein Jahr am Rand der Zeit / In 1926: Living at the edge of time

Ik werd getipt over dit boek door Kurt Vanhoutte, een collega aan de Universiteit Antwerpen, en ik wil het hier zelf warm aanbevelen. Auteur Hans Ulrich Gumbrecht wil de lezer het jaar 1926 laten beleven zoals de tijdgenoot het ervoer, met een veelheid aan uiteenlopende ervaringen die op hem afkomen. Gumbrecht verwerpt in dit boek de conventies van een lineaire verhaallijn en opent het tijd-ruimtecontinuüm door in 51 korte maar onderling via verwijzingen met elkaar verbonden essays de dagelijkse realiteit te onderzoeken, zoals liften, cafés, vliegtuigen, haargel, stierenvechten, Toetanchamon en danstrends. Er is geen juiste volgorde om het boek te lezen; het werkt als literair equivalent van surfen en doorklikken op het internet, waarmee het ook meteen perfect de kinetische en gefragmenteerde cultuur van de tijd weerspiegelt.

Hans Ulrich Gumbrecht, In 1926: living at the edge of time (Cambridge/Londen 1997).

  1. Die Stadt / La Ville

Deze graphic novel avant la lettre door de Belgische houtsnijder en graficus Frans Masereel verbeeldt op weergaloze manier het stedelijke Europa uit het interbellum. Het boek omvat 100 magnifieke en krachtige houtsneden die leven en werk, rijkdom en armoede, eenzaamheid en hoop in de grootstad belichten. Ook al gaat het om momentopnames – een familie aan tafel, een vrouw die uit het raam naar de sterrenhemel tuurt, een opgehitste massa – toch kan je in elk van de afbeeldingen een heel verhaal lezen. Het geheel woordeloze album kent echter geen opgelegde verhaallijn die alle houtsneden verbindt. Het gaat om een portret van een plaats en tijd, de grootstad uit de jaren 1920, maar tegelijkertijd blijft het werk ook erg tijdloos aandoen. De scènes met grote menigtes – in musea, restaurants of in de straat – geven een toen nog nieuw fenomeen weer dat intussen de stedelijke norm is geworden. Ook de begrafenisscène, met een man die alles staat te filmen, toont een nieuwerwets fenomeen dat intussen alledaags is geworden.

Frans Masereel, Die Stadt (München 1925).

  1. Breakfast of Champions

Kurt Vonnegut staat niet bekend om zijn optimistisch mensbeeld, maar alleen al voor zijn inventieve en onvergelijkbare schrijfstijl wil ik dit zelfs voor zijn doen erg misantropische boek toch sterk aanraden. Hij kan de meest banale zaken op zo’n originele manier benaderen dat je niet enkel een aha-ervaring doormaakt maar ook nog eens gegniffel met moeite zal kunnen onderdrukken. Het verhaal zelf speelt zich grotendeels af in het fictieve Midland City in Indiana en draait om de onvermijdelijke confrontatie tussen Dwayne Hoover en Kilgore Trout. Trout is schrijver, maar zijn sciencefictionverhalen raken alleen maar (doch op ruime schaal) gepubliceerd in pornografische tijdschriften. Hoover is een aanvankelijk charmante maar niettemin ernstig gestoorde Pontiac-verkoper, wiens mentale stoornis hem ertoe brengt te geloven dat een verhaal van Trout De Waarheid bevat. Aan de hand van elegante satirische wendingen, kinderlijke tekeningen en scherpe analyses legt Vonnegut bloot wat hij absurd of simpelweg verwerpelijk vindt aan de Amerikaanse maatschappij van de jaren 60 en 70. Daarmee behandelt hij thema’s als de Vietnamoorlog, vrije wil, seks, racisme en zelfs massagesalons.

Kurt Vonnegut, Breakfast of Champions (New York 1973)

  1. East of Eden

Tegen het decor van de prachtig door Steinbeck beschreven Salinas Valley, een uitgestrekte landbouwvallei in Californië, volgt deze roman de relaties van twee families, de Trasks en Hamiltons. Het verhaal is geïnspireerd door de Bijbelse verhalen over Adam en Eva en over Kaïn en Abel en verkent de relaties tussen ouders en kinderen, tussen broers en tussen mensen, tussen geschiedenis en plaats. Daarmee is het een verhaal over heel basale emoties: liefde, jaloezie, met op de achtergrond de angst afgewezen te worden. Steinbecks verhaal overspant verschillende generaties en omvat een stoet aan intrigerende, levensechte personages waarvan niet altijd duidelijk te zeggen valt of ze goed of slecht zijn.

John Steinbeck, East of Eden (New York 1952).

  1. Metaphors we live by

Dit boek was voor mij als jonge onderzoeker een revelatie – het toont aan de hand van eenvoudige voorbeelden aan hoe metaforen ons begrip van de wereld die we rondom ons ervaren mee structureren en vorm geven zonder dat we het zelf beseffen. Sinds zijn publicatie in 1982 kreeg het boek aardig wat kritiek te verduren. De detailanalyses zijn inderdaad vaak overtrokken en de stijl is soms wat drammerig. Dit hangt nauw samen met het argumentatieve karakter van het boek en het blijkbaar nogal onbuigzame karakter van één van de auteurs. Maar het boek is erg belangrijk geweest vanwege de vernieuwende inzichten die in een coherent kader worden voorgesteld. Ondanks enkele terechte kritieken biedt dit werk van Lakoff en Johnson een intrigerende maar verhelderende blik op hoe taal onze visie op de werkelijkheid bepaalt en op hoe ons brein werkt.

Georg Lakoff & Mark Johnson, Metaphors we live by (Chicago 1982).

Nelleke Teughels is als doctor-assistent aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis verbonden. Ze doet onderzoek naar voedingscultuur in de negentiende en twintigste eeuw.

Titelafbeelding: CC-BY Andy Roberts

De 5 toppers van Jo Tollebeek

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Deze week: Jo Tollebeek.

L’embarras du choix! Ik noem vijf prachtige boeken, stuk voor stuk illustraties van wat een eigenzinnige cultuurgeschiedenis zoal kan inhouden.

  1. Going Once. 250 Years of Culture, Taste and Collecting

Het Londense veilinghuis Christie’s, opgericht in 1766, vierde zijn verjaardag met een boek waarin tweehonderdvijftig loten uit de voorbije verkopen worden voorgesteld: van een in 1771 geveilde collectie schelpen en fossielen (83£ 8s) over de zwarte Givenchy-jurk die Audrey Hepburn in Breakfast at Tiffany’s (1961) droeg, tot Van Goghs in 1990 verkochte portret van dokter Gachet (49.200.000£). Een geschiedenis van hebzucht, bewondering en verrassingen.

Going Once. 250 Years of Culture, Taste and Collecting (Phaidon Press 2016).

  1. Crime Album Stories. Paris 1886-1902

De Amerikaanse historica van de fotografie Eugenia Parry vertelt in dit boek vijfentwintig misdaadverhalen. Zij vertrekt daarbij van een bij een Parijse antiquair aangetroffen album met foto’s die een aantal in de Franse hoofdstad tijdens het fin de siècle gepleegde moorden moesten documenteren. Tegen een decor van misdaad en sensatie voert Parry een pedante criminoloog en een geduldige, intuïtieve detective op.

Eugenia Parry, Crime Album Stories. Paris 1886-1902 (Scalo 2000).

  1. Huis van het leven

La casa della vita, zo luidt de titel van de autobiografie die de Italiaanse literatuurhistoricus Mario Praz in 1958 publiceerde. Het is een wonderlijk en ontroerend boek, waarin de schrijver de lezer door zijn appartement in Rome leidt en bij elk object uit zijn fantastische Empire-collectie halthoudt om een episode uit zijn leven te vertellen. Praz stond model voor de hoofdfiguur van Visconti’s Conversation Piece (1974), een oude kluizenaar, die door Burt Lancaster wordt gespeeld.

Mario Praz, Huis van het leven (Agon 1992).

  1. The Hall of Uselessness

Wie graag essays leest, zal in Simon Leys de archetypische essayist herkennen. De eminente sinoloog werd bij zijn dood in 2014 door een Frans minister gehuldigd als ‘meertalige Belg, beeldenstormer, anticonformist, liefhebber van de Franse literatuur en van het intellectuele debat’. In The Hall of Uselessness is zijn beste werk gebundeld: essays over onder meer China, de universiteit en de literatuur.

Simon Leys, The Hall of Uselessness. Collected Essays (New York Review Books 2013).

  1. Esel. Ein Portrait

Een cultuurgeschiedenis van de ezel: de Duitse schrijfster Jutta Person volgt de ezel in de campagna van Goethe, reconstrueert de biografie van het dier als philosophische Stehenbleiber, herinnert aan de elegante vertolking van Catherine Deneuve in Peau d’âne (1970) en vraagt zich af waarom ‘ezel’ vandaag niet langer een serieus scheldwoord is. Een grappig boek, vol herkenbare inzichten. Ezel!

Jutta Person, Esel. Ein Portrait (Matthes & Seitz 2013).

Jo Tollebeek is als gewoon hoogleraar aan de onderzoekgroep Cultuurgeschiedenis verbonden. Hij is decaan van de faculteit Letteren van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de geschiedenis van de geschiedschrijving en de historische cultuur in de negentiende en twintigste eeuw, en naar universiteits- en wetenschapsgeschiedenis.

Titelfoto: Andy Roberts (CC-BY).

De 5 favorieten van Kaat Wils

Tijdens de zomervakantie polsen we naar het favoriete cultuurhistorische leesvoer van onze onderzoekers. Kaat Wils bijt de spits af.

  1. The Woman Beneath the Skin

Hoofdfiguren in dit boek zijn de vroeg-achttiende-eeuwse Duitse arts Johannes Pelargius Storch en zijn patiënten. Zij ervoeren en interpreteerden hun lichaam op een manier die wezenlijk anders is dan wat we vandaag gewend zijn. Van een man wiens lichaam zoveel melk produceerde dat hij er kaas van maakte, keek Storch niet op. Barbara Duden doet dat evenmin. Op uiterst behoedzame wijze toont deze Duitse historica hoe het lichaam zowel materialiteit als cultuur is, en hoe gender in die achttiende-eeuwse plattelandswereld niet vanuit lichamelijke kenmerken van mannen en vrouwen werd gedefinieerd.

Barbara Duden, The Woman Beneath the Skin. A Doctor’s Patients in Eighteenth-Century Germany (Harvard University Press 1991; oorspronkelijke Duitse uitgave 1987).

  1. Publieke werken

Dit boek vertelt het tragische verhaal van de laat-negentiende-eeuwse Amsterdamse vioolbouwer Walter Vedder en zijn neef, de oude apotheker Anijs uit Hoogeveen. De eerste vecht tegen de nietsontziende modernisering van de stad, gesymboliseerd door de bouw van het centraal station en het hotel Victoria. De tweede richt zijn idealisme en persoonlijke frustratie op het lot van de arme bewoners van de naburige veenkolonie. Thomas Rosenbooms boek leest als een negentiende-eeuwse roman, strak van opbouw, zonder ironie, in een taal en stijl die uit een andere wereld lijken te komen. Slechts de ijzingwekkend precieze psychologische portretteringen en de zintuiglijkheid die het boek uitademt, verraden de jonge leeftijd van het werk.

Thomas Rosenboom, Publieke werken (Querido 1999).

  1. Thessaloniki. Stad van geesten 1430-1950

De Britse historicus Mark Mazower vertelt in dit boek de tumultueuze geschiedenis van de multiculturele stad Thessaloniki, van bij de inname in 1430 van de Byzantijnse stad door de Osmanen, tot in de twintigste eeuw. Toen werd de stad Grieks, nadat de moslims waren verdreven en Griekse christenen werden geïmporteerd, en vervolgens, een oorlog verder, de joden, die al eeuwenlang een belangrijke bevolkingsgroep vormden, werden gedeporteerd. Mazowers boek is een echte biografie, een spannend boek dat het beste van een lineair verhaal met oog voor detail verenigt met de nuance en de brede blik die eigen zijn aan de academicus. Voor wie nog geen vakantiebestemming heeft, is dit een absolute aanrader.

Mark Mazower, Thessaloniki. Stad van geesten 1430-1950 (Contact 2005; oorspronkelijke Engelse uitgave 2004).

  1. De Thibaults

Nog zo’n heerlijk negentiende-eeuws aandoende historische roman in de beste realistische traditie. Het boek vertelt het verhaal van twee broers uit een katholiek burgerlijk gezin, van de Belle Epoque tot in de Eerste Wereldoorlog. Ook hier staan de personages centraal, in al hun complexiteit en irrationaliteit, met schitterende dialogen. Het was dankzij Tom Verschaffel dat ik dit boek (en de Nobelprijswinnende auteur) leerde kennen – benieuwd of het ook in zijn top 5 is terechtgekomen…

Roger Martin du Gard, De Thibaults, (2 delen, Meulenhoff 2014-2015; oorspronkelijke Franse uitgave 1922-1940).

  1. Le Linge du Palais-Bourbon

De Franse historica en sociologe Gardey brengt in dit boek een ongewone geschiedenis van het Franse parlement. Centraal staat de vraag hoe de materiële, ruimtelijke en lichamelijke organisatie van het parlement mee vorm gaven aan wat politieke vertegenwoordiging betekende. De kelders en de coulissen waar dienstboden, wasvrouwen en stenografen zich bevonden, krijgen evenveel aandacht als de plenaire zaal en haar meubilair. Het boek toont onder meer hoe er zich in de negentiende eeuw een langzame masculinisering van de Assemblée voltrok en hoe moeizaam de feminisering van het personeel na de Tweede Wereldoorlog bleek. Voor wie nieuwsgierig is: op donderdag 21 september is de auteur te gast in Leuven om over haar boek te spreken – allen welkom.

Delphine Gardey, Le Linge du Palais-Bourbon. Corps, matérialité et genre du politique à l’ère démocratique (Le Bord de l’eau 2015).

Kaat Wils is het hoofd van de onderzoekgroep Cultuurgeschiedenis. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de geschiedenis van gender en lichamelijkheid, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek.

Titelfoto: Andy Robert (CC-BY)

5 manieren om beroemd te worden als negentiende-eeuws avant-gardekunstenaar

Roem, succes en erkenning waren streefdoelen van veel negentiende-eeuwse kunstenaars. Ook in Brusselse avant-gardekringen en genootschappen was dat op het einde van de negentiende eeuw vaak het geval. Ondanks hun strijd met het strenge academisme en hun cultivering van het ‘kunst-om-de-kunst’-principe, streefden ook zij binnen hun eigen alternatief netwerk naar erkenning en succes. Die strijd vond plaats achter de schermen, maar was daarom zeker niet minder intens.

De onbetwiste meester in het sturen van zijn eigen succes was de Oostendse kunstschilder James Ensor (1860-1949). Als lid van de Brusselse avant-gardegroep ‘Les XX’ ontwikkelde hij een beginnende markt tussen 1883 en 1893. Al in die beginfase van zijn carrière manipuleerde hij op voortreffelijke wijze zijn eigen weg naar erkenning en succes. Deze vijf strategieën plaveiden zijn weg naar het succes.

  1. Creëer een publiek imago
Zelfportet van James Ensor uit 1883.

Negentiende-eeuwse kunstenaars streefden niet louter roem na via hun werk, maar vooral via hun persoon en het imago dat ze aan zichzelf koppelden. Op het einde van de negentiende eeuw ruimde de interesse voor het werk van zowel beeldende kunstenaars als literatoren plaats voor de interesse in de individuele persoon. Ensor maakte voorbeeldig gebruik van die evolutie en profileerde zich in de media maar al te graag als een resolute avant-gardist. Hij hechtte een enorm belang aan perceptie en gaf het beeld van zichzelf als onbegrepen genie bewust en zorgvuldig vorm.

Dat hij dit beeld van zichzelf uitdroeg in de media betekende echter niet dat erkenning en succes voor hem niets betekenden. Zelfs integendeel, door zich in de media onverschillig op te stellen, kon hij er helemaal niet van verdacht worden zijn avant-garde principes opzij te hebben gezet en een aanhanger van het establishment te zijn geworden. Het was een welgekozen vorm van self-fashioning die hem de kans gaf zich achter de schermen wel degelijk – ongegeneerd – te focussen op het uitbouwen van zijn (commercieel) succes.

  1. Ga mee in een groep
Musique Russe, 1886.

Doelbewust stapte James Ensor vanaf 1883 mee in het uniek onafhankelijkheidsverhaal van ‘Les XX’. Door zich collectief te distantiëren van de officiële instanties en het academisme ontwikkelden de Vingtisten een groepsidentiteit, die ook een commercieel nut had. Het zorgde er namelijk voor dat er zich een specifiek publiek van geïnteresseerden aan de groep kon binden. Ensor en kompanen zetten dit verhaal kracht bij door een portretcultuur op te starten waarbij ze model stonden voor elkaars werken. Op die manier werd de collectieve identiteit van ‘Les XX’ duidelijk op de wanden van hun tentoonstellingen en streefden ze als groep naar prestige. Naast een puur institutionele groep werden ze zo ook een sociale groep. Ensor stond onder andere model voor een werk van Isidore Verheyden op het ‘Salon des XX’ van 1886 en Willy Finch stond op zijn beurt model voor Ensors Musique Russe (1886) op dezelfde tentoonstelling.

  1. Plaats je werk in de spotlights

Postkaart van Ensor aan Maus (25 december 1889) met bovenaan links een plattegrond met wandafmetingen van de expositieruimte van de tentoonstelling van het jaar voordien.

Ensor was altijd en overal bezig met het in de schijnwerpers zetten van zijn werken. Naar aanloop van de jaarlijkse tentoonstellingen van ‘Les XX’ werd telkens via een lotingsysteem bepaald hoeveel wandruimte een kunstenaar ter beschikking kreeg en welke kunstenaar welk stuk wand toegewezen kreeg. Telkens Ensor zich hier niet in kon vinden, verzocht hij Octave Maus, de secretaris van de groep, om daar verandering in te brengen. In 1888 zat hij er niet om verlegen Maus te adviseren de werken van Henri de Toulouse-Lautrec naar beneden te halen en te vervangen door de zijne. In 1889 pleitte hij dan weer voor meer wandruimte door zelfs een plattegrond te tekenen waarmee hij verwees naar de ruimte die enkele collega-Vingtisten het jaar voordien verkregen. Ook verzocht hij Maus geregeld om de namen door te geven van de kunstenaars wiens werken naast die van hem zouden worden opgehangen. Dat stelde hem in staat daarop in te spelen en zich te profileren tegenover hen. Door zich op te stellen als een veeleisende perfectionist ten opzichte van de presentatie van zijn werken, zocht hij letterlijk de spotlights op.

  1. Zoek een animateur d’art
Portret van Octave Maus door Theo Van Rysselberghe (1885).

Netwerken was een sleutel tot succes en dat realiseerde een jonge Ensor zich al snel. Hij zocht contacten in zowel burgerlijke als artistieke kringen en verbond zich met verschillende animateurs d’art. Een animateur d’art was een polyvalent kunstliefhebber die actief kunst verdedigde door als tussenpersoon op verschillende manieren bruggen te bouwen tussen kunstenaars en zijn eigen milieu. Binnen ‘Les XX’ kon Ensor rekenen op steun van secretaris en kunstanimateur Octave Maus die – vaak indirect – als tussenfiguur optrad bij het promoten en verhandelen van zijn werken. Zo gaf hij Ensor bijvoorbeeld goede referenties mee toen hij in 1892 in Londen wilde exposeren en verkopen.

Buiten ‘Les XX’ knoopte Ensor een opmerkelijke relatie aan met fysicus Ernest Rousseau en zijn vrouw Mariette. Ze wierpen zich op als managers, ‘pleegouders’, mecenassen en kunsthandelaars van de jonge kunstenaar; ze nodigden hem uit op intellectuele (netwerk)bijeenkomsten in hun salon, ze voorzagen hem van onderdak, ze kochten verschillende van zijn werken aan en brachten zijn gravurecollectie bij hen thuis onder, stelden die open en onderhandelden met potentiële kopers.

  1. Bespeel je biografen
Aankondiging van het verschijnen van Eugène Demolders biografie van Ensor in L’Art Moderne van 11 september 1892.

Kunstenaarsbiografieën hadden een grote invloed op de perceptie van negentiende-eeuwse avant-gardekunstenaars. Vanuit contacten die Ensor zelf opbouwde, schreven schrijver Eugène Demolder (1893) en criticus Pol De Mont (1895) beiden een biografische studie van de jonge kunstenaar. Ze bezorgden hem grote naambekendheid en het verschijnen ervan ging vaak nog eens gepaard met de nodige media-aandacht. In tegenstelling tot recensies van critici over zijn werken, beslist de kunstenaar bij een biografie in zekere zin zelf mee wat er over hem geschreven wordt. Ensor bespeelde dan ook zijn biografen en spoorde hen aan om zijn miskenning en gebrek aan waardering ten tijde van ‘Les XX’ in de verf te zetten. Die studies stelden hem dus in staat om zijn eigen beeldvorming mee vorm te geven.

Lees meer over Ensors zucht naar roem ten tijde van ‘Les XX’.

Tekst: Marjoleine Delva. Titelafbeelding: Henry De Groux, Portret van James Ensor 1907. MuZee, Oostende (PD).

5 alternatieven voor de dodelijke keizersnede in de negentiende eeuw

De keizersnede stelde negentiende-eeuwse artsen voor een groot dilemma. Gebrekkige hygiënische omstandigheden en hechtingstechnieken beperkten de overlevingskansen van vrouwen. Vooral in drukbevolkte stedelijke kraamklinieken stierven zij meestal aan een buikvliesontsteking of inwendige bloedingen. Het kind overleefde de operatietafel in het geval van een spoedige ingreep doorgaans wel.

Verschillende mogelijke keizersneden.

Het uitblijven van verbetering in de mortaliteitsstatistieken verdeelde de medische gemeenschap in een groep van voor- en tegenstanders naargelang hun religieuze overtuiging en morele principes. De medisch-ethische discussies over het al dan niet toepassen van de keizersnede vloeiden vooral voort uit een gebrek aan goede alternatieven. Artsen die vrouwen met een te smal bekken wilden behoeden voor een dodelijke keizersnede, hadden weinig andere keuze dan het ongeboren kind te doden.

  1. Therapeutische abortus

Bij sommige zwangere vrouwen konden dokters in een vroeg stadium al voorspellen dat hun smalle bekken een bevalling zonder keizersnede onmogelijk zou maken. In zulke gevallen probeerden bepaalde dokters vrouwen te overtuigen van een zwangerschapsonderbreking om medische redenen. In 1852 keurde de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België deze medische praktijk na lang beraad goed. Eensgezindheid was er evenwel niet. Aan de Katholieke Universiteit Leuven werden medische studenten ontraden om therapeutische abortussen uit te voeren.

  1. Embryotomie
Deze vorm van embryotomie stond bekend als céphalotomie: het doorboren van het hoofd van de foetus. De weergegeven perforator is ontworpen door de Franse dokter Hippolyte Blot.

Ook voldragen foetussen stond geregeld hetzelfde dodelijke lot te wachten bij een gecompliceerde bevalling. Embryotomie is een overkoepelende term voor verminkende operaties die het volume van de voldragen foetus in de baarmoederholte verkleinden, om het afvloeien van de foetus te vergemakkelijken. Artsen ontwikkelden tijdens hun loopbaan eigen instrumenten om onder meer het hoofd van het kind te doorboren, te verbrijzelen of los te maken van de rest van het lichaam. Dergelijke operaties werden probleemloos toegepast als de foetus geen teken van leven gaf. Bij een levend kind meenden voorstanders van embryotomie, waaronder een aantal professoren aan de ULB, dat ze er goed aan deden om te kiezen voor “het minste kwaad”: de opoffering van het kind in ruil voor het leven van de moeder.

  1. Kunstmatige bevalling

De kunstmatige bevalling in de zesde, zevende of achtste maand van de zwangerschap vormde een derde alternatief. Deze kinderen werden levensvatbaar geacht en konden door hun kleiner volume via het geboortekanaal ter wereld komen. De overlevingskansen van deze premature baby’s na de geboorte waren echter miniem. De eerste couveuses deden pas op het einde van de negentiende eeuw hun intrede in de Belgische ziekenhuizen.

  1. Amputatie van de baarmoeder
Een therapeutische abortus bij een foetus van 5 maanden.

In 1876 voerde de Italiaanse arts Eduardo Porro een succesvolle keizersnede uit waarbij heel de baarmoeder werd verwijderd. Deze operatieve ingreep beperkte niet alleen de kans op bloedingen, vrouwen konden na de operatie ook geen kinderen meer krijgen. Sommige artsen zoals de Luikse professor Adolphe Wasseige juichten de operatie toe aangezien “misvormde” vrouwen niet opnieuw zouden worden blootgesteld aan een operatie. Andere artsen meenden echter dat de amputatie een vrouw ontdeed van haar vrouwelijkheid.

  1. Postmortale keizersnede

In het slechtste geval konden dokters een postmortale keizersnede uitvoeren om het kind te redden. Negentiende-eeuwse dokters geloofden dat het na de dood van de moeder nog enkele momenten tot uren in de buik bleef leven. De keizersnede was een snelle maar daarom ook gevaarlijke manier om de foetus te bevrijden. Artsen hadden namelijk moeite met het vaststellen van de dood van de moeder. Medische denkbeelden over schijndood – iemand die dood lijkt, maar eigenlijk nog leeft – confronteerden artsen met een gelijkaardig dilemma als de gewone keizersnede: moest men wachten tot de dood van de vrouw met zekerheid was vastgesteld, of moest men een postmortale keizersnede uitvoeren op een vrouw die mogelijk nog leefde?

Het einde van het verloskundige dilemma

Op het einde van de negentiende eeuw was de cirkel weer rond. Kort na de experimenten van Porro ontwikkelde men in 1882 betere hechtingstechnieken om de baarmoederholte na afloop van een klassieke keizersnede volledig te sluiten. In combinatie met het gebruik van bacteriedodende middelen verhoogden de chirurgische praktijken de levenskansen van vrouwen. Tegelijkertijd verloren de dodelijke operaties op de foetus hun vanzelfsprekendheid in medische kringen. Na decennia van verhitte discussie kwam er een einde aan het verloskundige dilemma.

Tekst: Jolien Gijbels. Titelafbeelding: Illustratie van een methode voor keizersnede, uit J.M. Bourgery, Traité complet de l’anatomie de l’homme, dl. 7, Parijs, 1840.

5x de eerste vrouw in Leuven

Het is 8 maart, Internationale Vrouwendag. Overal ter wereld voeren vrouwen vandaag actie voor gelijke rechten. Aan de Gentse universiteit vindt bijvoorbeeld een Women’s Strike plaats voor meer gendergelijkheid in de academische wereld. Het kostte vrouwen tot nog toe bijzonder veel moeite om aan de Vlaamse universiteiten binnen te breken en er op te klimmen in de hiërarchie. Ook aan de Leuvense universiteit konden vrouwen nog maar met mondjesmaat doordringen tot het professorenkorps en de hogere beleidsfuncties. We goten de moeizame vrouwelijke opmars aan de grootste universiteit van Vlaanderen in een lijstje.

  1. De eerste vrouwelijke studenten
Vrouwelijke studenten in de jaren 20. (Universiteitsarchief KU Leuven)

Bijna honderd jaar geleden, in 1920, stelde de Leuvense universiteit voor het eerst haar deuren open voor vrouwelijke studenten. Dat was een stuk later dan de universiteiten van onder meer Brussel en Gent, waar vrouwelijke studenten zich vanaf de vroege jaren 1880 konden inschrijven. Dat de Leuvense universiteit aanvankelijk niet stond te springen om vrouwelijke studenten te ontvangen, kon u eerder al lezen in een blogtekst over de Amerikaanse uitwisselingsstudente Anne B.C. Hart.

Na de Tweede Wereldoorlog schreven vrouwen zich aan de Leuvense universiteit steeds massaler in als student. Vandaag stromen er jaarlijks ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke studenten in, maar bij heel wat opleidingen is er wel een serieus genderonevenwicht. Zo rekruteert de opleiding Ingenieurswetenschappen veel meer mannelijke dan vrouwelijke studenten. Bij de opleiding Logopedische en Audiologische Wetenschappen is de situatie precies omgekeerd.

  1. De eerste vrouwelijke hoogleraar
Marguerite Lefèvre, de eerste vrouwelijke hoogleraar in Leuven.

In 1960 werd de geografe Marguerite Lefèvre de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Leuvense universiteit. Ze was toen al 66 jaar oud. Hoewel ze de taken die bij het hoogleraarschap hoorden al jaren uitoefende, talmde de universiteit bijzonder lang om haar de titel toe te kennen. De decennia nadien nam het aantal vrouwelijke professoren aan de Leuvense universiteit eerder aarzelend toe. Vandaag is iets meer dan een kwart van het Leuvense professorenkorps vrouw.

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit kreeg in het interbellum Irène Van der Bracht (niet zonder tegenkanting) als eerste vrouw de titel van hoogleraar. Zij doceerde er aan de afzonderlijke meisjesafdeling van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding. Het aantal vrouwen in het huidige professorenkorps van de Gentse universiteit benadert procentueel gezien dat van de Leuvense universiteit.

  1. De eerste vrouwelijke decaan
Katlijn Malfliet werd in 2010 de eerste vrouwelijke decaan aan de KU Leuven. (Rob Stevens)

Vrouwen stootten aan de Leuvense universiteit maar met mondjesmaat door tot het professorenkorps en binnen dat korps maakten zij ook uiterst traag promotie. Het aantal vrouwelijke professoren met de graad van gewoon hoogleraar is vandaag nog steeds erg gering. Die graad was en is nodig om – bijvoorbeeld – tot decaan van een faculteit te kunnen worden verkozen. Pas in 2010 kreeg de Leuvense universiteit met Katlijn Malfliet voor het eerst een vrouwelijke decaan, aan de Faculteit Sociale Wetenschappen. Momenteel heeft de Leuvense universiteit twee vrouwelijke decanen (op vijftien).

Ter vergelijking: aan de Gentse universiteit zijn momenteel alle elf decanen mannen. De universiteit had eerder wel al vijf vrouwelijke decanen (de eerste van 1978 tot 1980). Aan de Universiteit Antwerpen is vandaag een van de negen decanen een vrouw, aan de Vrije Universiteit Brussel een van de acht.

  1. De eerste vrouwelijke vicerector
De Leuvense rector en vicerectoren in 2014. Twee van de acht vicerectoren zijn vrouwen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Een trap boven de decanen staan in de universitaire hiërarchie de vicerectoren. Zij maken deel uit van de bestuursploeg van de rector. De Leuvense universiteit telt vandaag twee vrouwen in haar team van acht vicerectoren. Eén van die twee vrouwen is de eerder genoemde Malfliet, die als vicerector onder meer bevoegd is voor het diversiteitsbeleid van de universiteit. De Germaniste Emma Vorlat was de eerste vrouw die aan de Leuvense universiteit in de bestuursploeg van de rector werd opgenomen. In 1985 werd zij door rector Roger Dillemans aangesteld als groepsvoorzitter Humane Wetenschappen (toen werd voor deze functie nog niet de term ‘vicerector’ gebruikt).

Emma Vorlat in 2015. Zij was in 1985 de eerste vrouw die in de bestuursploeg van de KU Leuven werd opgenomen. (KU Leuven – Rob Stevens)

Ter vergelijking: zowel aan de Universiteit Antwerpen als aan de Vrije Universiteit Brussel zijn er momenteel twee mannelijke en twee vrouwelijke vicerectoren. Aan de Gentse universiteit is er altijd maar één vicerector en dat was tot nu toe nog nooit een vrouw.

  1. De eerste vrouwelijke rector

Bij de laatste rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit moest burgerlijk ingenieur Karen Maex in de tweede rond nipt de duimen leggen tegen kerkjurist Rik Torfs. Naast Maex was ook burgerlijk ingenieur Tine Baelmans kandidaat geweest – zij waren de allereerste vrouwen die zich in de strijd om het Leuvense rectorschap hadden gegooid. Geen van beiden haalde het echter en de Leuvense universiteit kreeg in 2013 dus niet voor het eerst een vrouw aan het hoofd. Maex is intussen wel aangesteld als rector van de Universiteit van Amsterdam.

Met arts Marie De Groodt-Lasseel en historica Els Witte hadden in Vlaanderen het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (een van de voorlopers van de Universiteit Antwerpen) en de Vrije Universiteit Brussel respectievelijk van 1977 tot 1981 en van 1994 tot 2000, wel al een eerste vrouwelijke rector. Sinds 2013 is ook de Gentse universiteit met arts Anne De Paepe aan haar eerste vrouwelijke rector toe. In 2016 verkoos de Vrije Universiteit Brussel communicatiewetenschapster Caroline Pauwels als haar tweede vrouwelijke rector.

De kandidaten voor de nakende rectorsverkiezingen aan de Leuvense universiteit zijn nog niet officieel bekend. In de Verenigde Staten stellen na de nederlaag van Hillary Clinton als eerste vrouwelijke kandidaat bij de presidentsverkiezingen heel wat ontgoochelde kiezers hun hoop op Michelle Obama. Met de hashtag ‘#Michelle2020’ porren zij de voormalige First Lady aan om zich na de eerste termijn van Donald Trump in de kiesstrijd voor het presidentschap te werpen. Wat denkt u – waar zal het glazen plafond het eerst aan diggelen gaan: aan het hoofd van het machtigste land van de wereld of aan het hoofd van de grootste universiteit van Vlaanderen?

Tekst: Liesbet Nys. Titelafbeelding: Cherchez la femme: stoet der togati bij de opening van het academiejaar 2006-2007. Fragment uit foto KU Leuven – Rob Stevens.

Negen middeleeuwse helden

De middeleeuwse mens hield van lijstjes maken. Er waren tal van lijsten van geleerden uit de klassieke oudheid. Er werden lijsten opgesteld om de diverse deugden te illustreren. Ook de bekende bestiaria zijn eigenlijk niet meer dan een opsomming van diersoorten. De meeste lijsten werden telkens door de auteur zelf samengesteld. De lijst van ‘de negen besten’ was echter ander type. De vorm ervan lag al op voorhand vast.

Koning Arthur als lid van de negen besten, detail wandtapijt (ca. 1400). Metropolitan Museum of Art.

‘De negen besten’ is een lijst van negen heersers en ridders uit de geschiedenis en mythologie. Ze moesten het ideaalbeeld van de ideale heerser tonen. De negen heersers zijn ingedeeld in drie groepen: de heidense, de joodse en de christelijke. De lijst zou rond 1300 ontstaan zijn in de Nederlanden met het anonieme gedicht Van neghen den besten dat door sommigen aan Jacob van Maerlant wordt toegewezen. Vanuit onze gewesten verspreidde de lijst zich razendsnel doorheen Europa. In de loop van de zeventiende eeuw verloor de lijst aan populariteit om in de achttiende eeuw volledig te verdwijnen. Vandaag zijn weliswaar enkele individuen uit de lijst nog wel bekend, de lijst zelf is al lang geen gemeengoed meer.

De negen besten waren ontzettend populair aan het hof en in aristocratische kringen. Zo schreef Jean Molinet in 1467 een lofdicht voor de pas overleden Bourgondische hertog Filips de Goede waarbij hij liet uitschijnen dat de gestorven hertog de eervolle lijst van helden vervoegde. Maar ook in het stedelijke milieu was het een bekend thema. Zo werden de negen besten afgebeeld in het oudste deel van het stadhuis van Keulen (1330) waar ze als prototype van rechtvaardige heersers het goede voorbeeld gaven. Ze werden ook vaak opgevoerd tijdens Blijde Intredes en andere processies. Maar ook in kerkelijke milieus werd de lijst vernoemd. Deze teksten stelden aan de lezer de retorische vraag waar de helden gebleven waren. Door de dood van deze helden centraal te stellen, wezen deze teksten vooral op de sterfelijkheid van de mens.

Godfried van Bouillion, detail fresco I Nove Prodi in Castello della Manta, Italië, ca. 1420

Ook alternatieve lijsten zagen al snel het licht. Zo werden de negen helden soms vergezeld door negen beste vrouwen, hoewel er discussie was over de samenstelling van deze lijst. Geen andere lijst werd echter zo populair of was zo wijdverspreid. Zowel in de literatuur als in de kunst was hun invloed enorm. De volgende keer dat je dus enkele heerschappen uit de lijst tegenkomt, is het nu op een schilderij, in een boek of op een gevel, besef dan dat het gaat om een (gedeeltelijke) weergave van de populairste lijst uit de late middeleeuwen.

De negen besten

  1. Hector

Hector was de zoon van Priamos, koning van Troje. Tijdens de Trojaanse oorlog was hij de belangrijkste verdediger van de stad tegen de Griekse aanvallers. Uiteindelijk werd hij door Achilles in een duel gedood, waarna de goden zijn lichaam beschermden tegen de mishandelingen van Achilles.

  1. Alexander de Grote

Alexander de Grote was koning van Macedonië en bouwde via zijn veroveringstochten een rijk uit van aan de Ionische Zee tot aan de Himalaya. Uiteindelijk stierf hij op 32-jarige leeftijd aan een onbekende ziekte.

  1. Julius Caesar

Julius Caesar was generaal en alleenheerser van Rome en vooral bekend van zijn verovering van Gallië. Hij werd door zijn politieke tegenstanders vermoord.

Houtsnede met daarop de drie heidense helden: Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar.
  1. Jozua

Jozua was een vertrouweling van Mozes en nam het leiderschap van Israël over na diens overlijden. Hij veroverde verschillende gebieden voor de joden en verspreidde zo mee het Jodendom.

  1. David

David was koning van Israël en stond bekend als een goed en rechtvaardig heerser. Hij versloeg Goliath in een heldhaftig duel. In de middeleeuwen geloofde men dat hij een voorvader was van Jozef, de stiefvader van Jezus.

  1. Judas Maccabeüs
Judas Maccabeüs.

Judas Maccabeus of Judas de Makkabeeër was een van de leiders van de Makkabese opstand. Hij veroverde de tempel en liet hem reinigen. Hij zou uiteindelijk sterven op het slagveld en het einde van de opstand niet meemaken.

  1. Arthur

Arthur was de legendarische koning van Brittannië en aanvoerder van de ridders van de ronde tafel. Hij was een populair figuur in de middeleeuwse literatuur.

  1. Karel de Grote

Karel de Grote was een Frankisch heerser die in 800 door de paus tot Keizer werd gekroond. Hij veroverde nieuwe gebieden en volkeren die hij vervolgens liet bekeren tot het christendom. Na zijn dood ontstonden al snel verschillende verhalen en legenden over hem.

  1. Godfried van Bouillon

Godfried van Bouillon was een held van de eerste kruistocht. Hij speelde een sleutelrol bij de verovering van Jeruzalem en verwierf zo faam bij zijn tijdgenoten. Hij kreeg de titel beschermer van Heilig Graf en zou ook in Jeruzalem sterven.

Meer lezen

De transcriptie van het Middelnederlandse gedicht Van neghen den besten.

W. Anrooij, Helden van weleer: de Negen Besten in de Nederlanden (1300-1700), Amsterdam, 1997.

Tekst: Hannelore Franck. Titelafbeelding: De negen besten op het stadhuis van Keulen, Elke Wetzig, Wikimedia Commons.

5 revolutionaire uitvindingen waar niemand in geloofde

In de negentiende en vroege twintigste eeuw oefenden wereldtentoonstellingen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Het waren feesten van vooruitgang, waar je kennis kon maken met nieuwe vormen van entertainment maar ook met de allerlaatste technologieën. Bovenal waren het manifestaties van het industriële kapitalisme. Een groeiend aantal (massa)producenten zocht internationale afzetmarkten voor hun producten en de wereldtentoonstellingen boden hen een manier om miljoenen potentiële klanten te bereiken.

De wereldtentoonstelling bracht echter niet voor alle fabrikanten het verhoopte succes. Dit is een lijst van uitvindingen die op een wereldtentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond werden en daar maar weinig succes kenden. Na technologische verbeteringen konden ze toch een belangrijke plaats in onze moderne samenleving veroveren.

  1. De ritssluiting (Chicago World’s Fair, 1893)

Het vroegste idee voor een ritssluiting kwam van de Amerikaan Elias Howe, die er in 1851 een patent op nam. Verdere stappen ondernam Howe echter niet, vermoedelijk omdat hij het te druk had met het op punt stellen van een andere uitvinding, de naaimachine.

Pas 44 jaar later bedacht Withcomb Judson, een mechanisch ingenieur uit Chicago, een sluiting gelijkaardig aan wat Howe had beschreven in zijn patent. Hij ontwierp een metalen treksluiting bestaande uit twee rijen, eentje met ogen en eentje met haken, die in elkaar konden grijpen. Nadat hij in 1891 een patent op zijn uitvinding had verkregen, startte hij een bedrijfje op in Hoboken, New Jersey, om de sluiting te commercialiseren. In 1893 toonde hij de meest recente versie op de Wereldtentoonstelling in Chicago. Er was helaas één fundamenteel probleem: de sluiting ging steeds vanzelf terug open. Het mag dan ook niet verbazen dat onder de 20 miljoen bezoekers aan de Chicago World’s Fair er maar één geïnteresseerde koper gevonden werd: de U.S. Postal Service  kocht 20 exemplaren om er hun postzakken mee af te sluiten.

De ritssluiting werd niettemin nog niet afgeschreven. Na jaren van studie werd in 1913 binnen het inmiddels overgenomen bedrijf van Judson, de Universal Fastener Company, alsnog een goedwerkende rits ontworpen. Het was de Zweeds-Amerikaanse ingenieur Gideon Sundback die dit voor elkaar kreeg door de haken en ogen te vervangen door tandjes en inkepingen. De timing zat goed: de ritssluiting stond net voor de Eerste Wereldoorlog op punt en vond een gretige afnemer in het Amerikaanse leger.

Het duurde nog twintig jaar om de mode-industrie te overtuigen van het nut van een ritssluiting. Er waren immers voldoende en prima alternatieven voorhanden. De producenten van ritsen en hun marketingafdelingen wisten rond het midden van de jaren 30 ten slotte toch een brede markt aan te boren, in eerste instantie door handig in te spelen op het (imaginaire) probleem van wat in het Engels ‘gaposis’ wordt genoemd, namelijk de ongewenste inkijk via de gaten tussen de knoopsluiting van strak zittende kledij. Ritssluitingen werden gepromoot als de oplossing voor dit gênante fenomeen. Een ander verkoopargument, namelijk dat de ritssluiting het uitkleden aanzienlijk versnelde, wist dan weer de meer warmbloedige consumenten te overtuigen.

  1. De zelfrijdende auto (New York World’s Fair, 1964)

Al in 1939 werd op de wereldtentoonstelling in New York gedroomd van zelfrijdende auto’s, die via radiobesturing vanuit een centrale toren veilig en vlot over de autostrade zouden geleid worden. In 1964 konden bezoekers aan het paviljoen van General Motors op de New York World’s Fair een prototype van een zelfrijdende auto bewonderen, de Firebird IV. Net als zijn eerdere naamgenoten was het ontwerp van deze auto geïnspireerd door de vormgeving van vliegtuigen en straaljagers in het bijzonder. Ondanks zijn aerodynamische uiterlijk haalde de Firebird IV geen hoge snelheden, want de auto was nog niet operationeel. Met het ontwerp wilde GM hun toekomstbeeld presenteren van een auto die zijn passagiers zelf doorheen het verkeer op de autosnelweg zou loodsen en dit tegen tweemaal de toen gangbare snelheid. De bestuurder zou zelf terug controle over het voertuig krijgen zodra hij de snelweg verliet.

Maar verder dan het prototype geraakte General Motors niet en het idee werd in de vroege jaren 1980 naar de prullenmand verwezen. Twee decennia later werd het terug opgepikt en de droom van GM is intussen bijna werkelijkheid.

  1. De faxmachine (Great Exhibition, Londen, 1851)
Image Courtesy of Old School Ads (via BizTech)

Het concept van de faxmachine  bestaat al sinds 1843, toen de Schotse uurwerkmaker Alexander Bain een patent nam op een ‘kopieertelegraaf’. Het principe behelst een elektrische machine met twee slingers, één in de verzender en één in de ontvanger, die gesynchroniseerd bewegen. Het lukte Bain echter niet meteen dit principe ook succesvol in de praktijk te brengen. De Brit Frederick Bakewell slaagde hier, dankzij zijn technologische verbeteringen aan Bains ontwerp, wel in. Hij demonstreerde zijn werkende machine op de Great Exhibition in Londen in 1851, tot grote ergernis van Bain, die gelijktijdig met een verbeterde versie kwam.

Ondanks verdere aanpassingen die toelieten om niet enkel handgeschreven berichten maar ook afbeeldingen over grote afstanden verzenden en ontvangen, bleef de grote doorbraak van de faxmachine uit. Er bleven immers teveel praktische problemen mee verbonden, zoals synchronisatie en de hoge kost voor de gebruikers. Het publiek dat op de New Yorkse wereldtentoonstelling van  1939 de eerste echt commercieel levensvatbare versie van de fax te zien kreeg, was zich er dan ook niet van bewust dat de uitvinding toen al bijna 100 jaar oud was. Grootschalig succes en zelfs een hip imago kende de fax uiteindelijk pas in de jaren 1970 en 1980, tijdens het yuppie –tijdperk.

  1. Een drijvende stad (Okinawa Ocean Expo, 1975)

Lang voor het Seasteading Institute in 2008 haar onderzoek startte naar de mogelijkheden van permanente, op zee drijvende steden, tekenden Japanse architecten al plannen voor drijvende luchthavens. Op de Expo’75 in Okinawa, een thematische wereldtentoonstelling gewijd aan oceanen en oceanografie, stelden ze bovendien hun plannen voor om delen van de oceaan te urbaniseren. De blikvanger van de tentoonstelling was Aquapolis, een drijvende stad ontworpen door de Japanse architect Kiyonori Kikutake en een prototype voor woongemeenschappen op zee.

  1. Humanoïde robots (New York World’s Fair, 1939)

Elektro, de robot die werd ontworpen en gerealiseerd door de Westinghouse Electric Corporation tussen 1937 en 1938, was zeker niet de eerste humanoïde robot. Al in 1495 bijvoorbeeld realiseerde Leonardo da Vinci een mechanische ridder die verschillende maar zeer eenvoudige handelingen kon uitvoeren zoals zitten, staan en de armen bewegen. Ook Elektro had buiten zijn amusementswaarde weinig te bieden – hij kon geen huishoudelijke taken op zich nemen of mensen anderszins assisteren. Bij zijn publieke debuut op de wereldtentoonstelling van 1939 was hij echter voor zowat alle bezoekers de eerste ontmoeting met een menselijk uitziende robot en met zijn lengte van 210cm en goudkleurige aluminium aankleding was hij een indrukwekkende verschijning. Hoewel Westinghouse honderdduizenden dollars investeerde in Elektro, beknotte de rudimentaire technologie van de dag echter letterlijk zijn bewegingsruimte. Hij kon 26 simpele handelingen uitvoeren, zoals wandelen, ballonnen opblazen en roken(!) en 700 woorden zeggen dankzij de 78-toerenplaat in zijn massieve borstkas.

Ondanks dit bescheiden repertoire werd hij de ster van de expo. Bezoekers waren diep onder de indruk van zijn spraakvermogen en van hoe hij in staat was orders te begrijpen en uit te voeren. Bij zijn verschijning op het balkon waar hij zijn kunsten aan het publiek toonde, overschouwde Elektro dan ook in de regel een massa mensen zoals enkel de grootsten der volksmenners die op de been konden brengen. Hij belichaamde het eindeloze vooruitgangsoptimisme dat de wereldtentoonstellingen zo graag wilden uitdragen.

Helaas voor Elektro was de wereld een heel andere plaats na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe tijdperk leek hij hopeloos verouderd, een restant uit eerdere, naïevere tijden. Hij werd dan ook enkel nog als onschuldig entertainment ingezet in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Toen hij ook daar de stempel ‘oubollig’ kreeg, moest Elektro elders aan de bak. Zijn ‘carrière’ bereikte in 1960 een dieptepunt met een rol in de film Sex Kittens Go to College (1960).

Terwijl humanoïde robots vandaag de dag een belangrijke rol spelen in allerhande soorten wetenschappelijk onderzoek, wordt ook de amusementswaarde van dergelijke robots weer geapprecieerd en worden ze vanuit die optiek meer en meer ingezet in de zorgsector. Een comeback van Elektro is dus nog niet uitgesloten.

Tekst: Nelleke Teughels. Titelafbeelding: Hall of Inventions, New York World’s Fair, 1940.

4 manieren om embryo’s te bemachtigen in de negentiende eeuw

De vroege stadia van de zwangerschap waren in het begin van de negentiende eeuw een medisch mysterie. De menselijke eicel werd pas ontdekt in 1827; Oscar Hertwig beschreef het principe van de bevruchting voor het eerst correct in 1876. In populaire voorstellingen werd het ongeboren leven veelal weergegeven als een kind in klein formaat: zwangerschap was in deze reeksen geen proces van ontwikkeling, maar louter van groei.

Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.
Zwangerschap als groei, maar niet als ontwikkeling. Reeks van embryo’s in het publieke anatomische museum La Specola, circa 1800.

In een periode waarin studies over vrouwelijke anatomie frequent verschenen en de vergelijkende embryologie een hoge vlucht nam, bleef de kennis over de menselijke bevruchting en over de ontwikkeling van het menselijke embryo beperkt. Hoewel dit vandaag eigenaardig lijkt, is er een logische verklaring voor de trage ontwikkeling van de menselijke embryologie. In een tijdperk waarin er geen in-vitro technologie bestond, was het niet evident om zicht te krijgen op de eerste dagen en weken van de zwangerschap. Om embryo’s onder hun microscoop te krijgen, waren anatomen aangewezen op hun creativiteit – en op een flinke portie geluk.

  1. Miskramen

In de negentiende eeuw was de meest voorkomende ‘bron’ van embryo’s het miskraam. Wanneer vrouwen in het ziekenhuis onverwacht bloed verloren, grepen medici naar de microscoop in de hoop een embryo te ontdekken. Ook gewone vrouwen leerden om een arts te raadplegen bij abnormaal bloedverlies. De ontwikkeling van de embryologie ging zo hand in hand met een medicalisering van het miskraam, dat niet langer ‘afval’ of ‘klonters bloed’ maar een belangrijk medisch object produceerde: het embryo. Dit had gevolgen voor de ervaring van de zwangerschap: door de ontwikkeling van de embryologie werd het ongeboren leven vroeger als mens (h)erkend.

  1. Per post

In de tweede plaats waren embryologen afhankelijk van hun netwerk om ‘onderzoeksmateriaal’ te verkrijgen. Studenten en alumni werden aangemoedigd om bij interessante gevallen hun professor te contacteren. Dit was aantrekkelijk voor hen, omdat het gepaard ging met professioneel prestige. Een schenking van een interessant preparaat aan het anatomische museum betekende immers een vermelding van hun naam in wetenschappelijke genootschappen en tijdschriften. Om deze reden werden embryo’s en foetussen soms zelfs opgestuurd per post.

  1. Geluk bij autopsie

Miskramen brachten voornamelijk embryo’s voort met een lichamelijke beperking of pathologie, waardoor embryologen moeilijk zicht kregen op de normale ontwikkeling van het ongeboren leven. Daarom spoorden ze pathologen die een autopsie uitvoerden aan om steeds de inhoud van de baarmoeder te bekijken. Je wist immers nooit of de vrouw op de autopsietafel zwanger was geweest. In 1871 zwijmelde een Brusselse embryoloog van blijdschap:

“Een foetus van de eerste maand, integer en omringd door alle relevante organen… Deze vondst leidt tot een zeldzame vorm van geluk bij een oplettende arts.”

  1. Kweekprogramma’s
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.
De bekende Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His (1831-1904) toont de zwangerschap als een proces van zowel groei als ontwikkeling.

Om hun kans op dit ‘zeldzame geluk’ te vergroten, gingen embryologen in de jaren 1930 over tot geplande programma’s. De Boston Egg Hunt, georganiseerd door het Carnegie instuut, is vandaag het bekendst. In dit project hoopten embryoloog John Rock en patholoog Arthur Hertig door middel van gynaecologische operaties embryo’s jonger dan veertien dagen oud te vinden. Hiertoe rekruteerden ze getrouwde vrouwen van minder dan 45 jaar oud met minstens twee kinderen, die een hysterectomie (een verwijdering van de baarmoeder) moesten ondergaan. Ze werden gevraagd om een dagboek bij te houden over hun menstruatiecyclus, lichaamstemperatuur en seksleven. Deze data bepaalden de planning van hun operatie, die meestal plaatsvond vlak na de eisprong om zo de kans op wetenschappelijk succes te vergroten. De 34 embryo’s die Rock en Hertig vonden bij 211 onwetende vrouwen, vormen nog steeds de basis voor onze voorstelling van de vroegste 17 dagen – of ‘Carnegie stages’ 1 tot 5 – van het menselijke leven.

Het resultaat

Dankzij deze vier methoden werd de menselijke ontwikkeling in kaart gebracht. In populaire voorstellingen werden de gevonden embryo’s en foetussen gerangschikt van klein naar groot – van bevruchting tot bevalling. Deze reeksen gingen steeds meer de schoonheid en het vernuft van het ongeboren leven belichamen. Toch berustten de eerste representaties van het zich ontwikkelende embryo op miskramen, doodgeboortes en abortus. In een tijdperk zonder in-vitro technologie kon kennis over het leven slechts verkregen worden via de omweg van de dood.

Tekst: Tinne Claes. Titelafbeelding: Hermann Friedrich Kilian, Geburtshülflicher Atlas in 48 Tafeln und erklärendem Texte (Dusseldorf 1835-44). Wellcome Library, London (CC-BY-4.0).