Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Wat je altijd al hebt willen weten over wondontsmetting

Voor de ontsmetting van wonden wordt vandaag nog steeds de methode Carrel-Dakin gebruikt. Deze methode vindt haar oorsprong in de Eerste Wereldoorlog, en werd voor het eerst op grote schaal toegepast in een Belgisch fronthospitaal. Het was een uitvinding van de Franse arts Alexis Carrel, die in 1912 de Nobelprijs voor Geneeskunde had gekregen, en van zijn Britse collega Henry Dakin, die Carrel tijdens de oorlog in zijn laboratorium in Compiègne kwam assisteren. Ze hadden vastgesteld dat gasgangreen onvermijdelijk leidde tot de amputatie van het getroffen lichaamsdeel, en dat de bestaande ontsmettingsmiddelen hiertegen geen soelaas boden. Daarom ontwikkelden Carrel en Dakin een nieuwe methode voor de ontsmetting van wonden. Daarbij werden rubberen buisjes met daarin een oplossing van natriumhypochloriet in de wonde gebracht.

De Brusselse verpleegster Jane de Launoy (links op de foto) bij de toepassing van de Carrel-Dakin methode voor wondontsmetting in het fronthospitaal L’Océan in de De Panne (Cinematek, Brussel).

In maart 1915 lichtte Carrel zijn methode toe aan dokter Antoine Depage, geneesheer-directeur van L’Océan in De Panne, het grootste Belgische fronthospitaal. Depage beval de techniek onmiddellijk aan voor de gewonden in zijn hospitaal. De verpleegster Jane de Launoy schreef kort nadien in haar dagboek: “De gasgangreengevallen die in het begin nogal veel voorkwamen, worden zeldzamer sinds ze de Carrelmethode toepassen.” Ook onderluitenant Arthur Pasquier, die twee weken later op bezoek was in het hospitaal, schreef in zijn dagboek over de nieuwe methode: “Tegen wil en dank woon ik het reinigen bij van een wonde, waarin een soort glazen bevloeiingssysteem voortdurend de ontsmettende oplossing hypochloriet laat lopen. Naar het schijnt heeft dit systeem bij herhaalde toepassing uitstekende genezing teweeggebracht.”

Vanaf het najaar van 1915 werd de methode ‘op proef’ toegepast in het hospitaal. Omdat de techniek uitstekend werkte, werd ze vanaf 1916 systematisch gebruikt bij alle gangreenwonden in L’Océan. Hierdoor werden heel wat amputaties vermeden. De methode bleek zeer doeltreffend, en wordt daarom ook nu nog toegepast. Het gebruik ervan neemt de laatste jaren wel af vanwege het irriterend effect van chloor, de allergische verschijnselen die het soms veroorzaakt en het feit dat heel wat ziektekiemen er ondertussen resistent voor geworden zijn.

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Wat je altijd al hebt willen weten over de doopspuit

Negentiende-eeuwse schets van een doop in de baarmoeder (Thirion, Du baptême intra-utérin, 1846).

De doopspuit was een van de grote medisch-religieuze innovaties uit de achttiende en negentiende eeuw. De verspreiding ervan ging hand in hand met een groeiende theologische consensus over de onsterfelijke ziel van embryo’s en foetussen. Steeds meer katholieke denkers geloofden op basis van recente medische kennis over de menselijke voortplanting dat ongeboren leven vanaf de bevruchting bezield was. In tegenstelling tot wat men vroeger had geloofd, moesten foetussen volgens negentiende-eeuwse theologen nog geen menselijke vormen hebben om hun ziel te kunnen ontvangen. Als zelfs het kleinste, met het oog onzichtbare embryo begiftigd was met een ziel, betekende dat voor katholieken dat ze in elk stadium van de zwangerschap de doop moesten toedienen. In kerkelijke richtlijnen voor priesters, dokters en vroedvrouwen werd de doopspuit aangeraden als een eerste voorwaardelijke doop bij foetussen die zich nog in de baarmoeder bevonden. Zodra het kind geboren was, diende het opnieuw gedoopt te worden. Alleen zo kon men er zeker van zijn dat het water het hoofdje echt had bereikt, en het doopsel dus geldig was.

Tot in de twintigste eeuw gebruikten dokters en vroedvrouwen de doopspuit wanneer ze dachten dat een foetus de geboorte niet zou overleven. In zulke gevallen brachten ze de spuit in via de vagina, in de hoop dat het doopwater het hoofdje zou bereiken. Daarna gingen ze meestal over tot een risicovolle operatie die mogelijk of zeker zou leiden tot zijn dood. In de negentiende eeuw namen – vooral liberale – artsen bijvoorbeeld regelmatig hun toevlucht tot medische abortus wanneer zij vermoedden dat een vrouw met een smal bekken op het einde van haar zwangerschap tijdens een uitputtende bevalling zou bezwijken. Zo’n operatie was dan wel fataal voor het leven van de foetus, maar dankzij de doopspuit was zijn ziel in elk geval gered.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van levensbeschouwelijke diversiteit in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Zingt allen mee over tbc

Gastblog door Christiaan Engberts.

Over de historische ervaringen van artsen met nieuwe medicijnen is weinig geweten. De introductie van een verondersteld geneesmiddel tegen tuberculose in 1890 vormt hierop een uitzondering. De controverses die dit middel opriep, vonden namelijk een plek in de liederen die deze artsen bij hun lokale bijeenkomsten zongen.

Een medicijn tegen tuberculose

Een Tuberculine-injectie in het Charité ziekenhuis in Berlijn.

Tuberculose was in de negentiende eeuw een van de meest voorkomende dodelijkste ziekten. Tot het einde van deze eeuw bleef het onduidelijk waardoor de zogenaamde “witte plaag” veroorzaakt werd. Robert Kochs ontdekking van de hiervoor verantwoordelijke bacterie in 1882 leek echter een veelbelovende eerste stap in de richting van een geneesmiddel. Acht jaar later leek het eindelijk zo ver. Op een congres in Berlijn kondigde Koch trots aan dat hij het gehoopte medicijn ontwikkeld had. De stemming onder artsen en patiënten was euforisch toen het middel onder de naam Tuberculine op de markt kwam.

De euforie duurde echter maar kort. Koch bleek niet in staat te zijn de productiemethode en werking van zijn middel helder te beschrijven en het bleek vaak niet te werken. De medische wereld raakte verdeeld in voor- en tegenstanders van de nieuwe kuur. Vooraanstaande onderzoekers voerden in vakbladen en op congressen felle debatten. De discussie bleef voortwoekeren totdat Tuberculine in de 20e eeuw enkel nog als diagnostisch hulpmiddel en niet langer meer als geneesmiddel gebruikt zou worden.

Het medisch treurlied

De dodelijke uitwerking van tuberculose en de felle debatten tussen prominente wetenschappers leidden ertoe dat het Tuberculinedebat ook ‘gewone’ artsen in zijn greep hield. Hoewel zij zelden de pretentie hadden nieuwe argumenten in de discussie aan te dragen, weerspiegelden zij de heersende onenigheid in hun liederen. Wie in de negentiende eeuw een Duits artsencongres bezocht, kon er namelijk van op aan dat er niet alleen lezingen en discussies op het programma stonden. Na een overvloedige avondmaaltijd werd er meestal ook gezongen.

Titelblad van het Liederbuch.

De liedteksten waren vaak speciaal voor de gelegenheid geschreven op bekende melodieën. De verzamelde heren zongen onder meer graag over hun liefde voor drank, voor vrouwen en voor de eigen professie. Daarnaast goten ze hun eigenliefde regelmatig in de vorm van een treurlied vanuit het oogpunt van een ziekteverwekker. In een van hun liederen doet een lintworm bijvoorbeeld verslag van de wrede verstoring van zijn vredige leven in een heerlijk knusse darm; in een ander lied herinnert een cataract zich de hem noodlottige ingreep van een oogarts.

Bijna alle treurliederen in de in 1892 uitgegeven bundel Liederbuch für Deutsche Aerzte und Naturforscher prijzen de successen van de medische wetenschap zonder voorbehoud. Er is echter één uitzondering: zodra het over de behandeling van tuberculose gaat, verandert de teneur. De hoopvolle vreugde van augustus 1890 slaat langzaam om in een gevoel van teleurstelling.

Van euforie tot vertwijfeling

Het aanvankelijke enthousiasme klinkt door in het Klaaglied van de Tuberculosebacterie. Zoals gebruikelijk in dit genre, beschrijven de eerste coupletten van het lied hoe plezierig het bacteriënleven wel niet kan zijn.  Zoals het in een treurlied nu eenmaal gaat, blijkt echter al snel dat deze idylle geen lang leven beschoren is. Een met een injectiespuit bewapende arts haalt een streep door de rekening:

“Nu rommelt en knelt mijn maag
Nu verschrompelt mijn bestaan.
En dat deed de nare dokter
Met Koch’s Tuberculine.”

Al spoedig werd dit lied gevolgd door sceptischer liederen. Het lied De Bacterie uit 1890 suggereert dat men misschien te vroeg had gejuicht. De tekst – een dialoog tussen een oude wijze en een jonge bezorgde tuberculosebacterie – bevat echter nog geen expliciete kritiek op de werkzaamheid van Kochs middel. In de slotstrofe suggereert de oude bacterie dat ze de arts te slim af kunnen zijn door zijn Tuberculine ’s nachts te stelen.

Antropomorfe microben uit het Liederbuch.

Een jaar later sijpelde er echter steeds meer openlijke kritiek op Kochs middel door in de liedteksten. Ondertussen was gebleken dat Tuberculine hoogstwaarschijnlijk geen blijvende immuniteit kon bewerkstelligen. In het licht van de opeenhoping van dergelijke teleurstellende bevindingen werden de liedteksten steeds kritischer. Het lied Tuberculinum Kochii, gezongen bij een bijeenkomst van artsen uit Hessen in 1891, wekt zelfs de suggestie dat het Koch al die tijd enkel om financieel gewin te doen was geweest:

“Het jaar is voorbij – stop de lofzangen.
Hoeveel hoop verzonk er niet in het graf!
Zij die met goede moed kwamen – ach! – ze taaiden
Met bezwaard hart en lege buidel weer af.”

Dergelijke liederen die de behandelende artsen op hun lokale bijeenkomsten zongen, illustreren hoeveel impact Kochs uitvinding op de medische wereld had. Voor een keer lieten ze liederen met titels als Nunc est bibendum en Dit glas op de vrouwen achterwege om in plaats daarvan de meest recente stand der wetenschap in liedvorm aan een kritische beschouwing te onderwerpen.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw.

Toen vrouwelijke studenten nog porrekes waren

“Dus dan waren wij met achten in een zaal van vierhonderd. En dan moesten wij natuurlijk vooraan zitten, want in die tijd mochten de meisjes niet achteraan, zelfs niet op de tweede rij gaan zitten.” Aan het woord is een voormalige vrouwelijke studente die in de jaren 1960 wiskunde studeerde aan de universiteit te Leuven. De strikte scheiding van mannen en vrouwen in de aula’s doet vermoeden dat mannelijke en vrouwelijke studenten in aparte werelden leefden, maar was dat wel zo?

Gescheiden werelden

Tijdens het college anatomie zaten de vrouwen samen op een rij (universiteitsarchief Leuven).

Toen er in 1921 voor het eerst vrouwelijke studenten naar Leuven kwamen, maakten de Belgische bisschoppen zich zorgen. Ze vreesden dat de mannelijke en vrouwelijke studenten elkaar zouden afleiden van hun studies. Om vrouwelijke studenten te beschermen tegen het ‘mannelijke kwaad’ stichtten ze pedagogieën waar meisjes onder toezicht van nonnen in Leuven konden verblijven. De vice-rector Honoré Van Waeyenberg ging zo ver dat hij in 1936 de volgende regel invoerde: “De meisjesstudenten gelieven steeds met twee over straat te gaan. Onnodig te herhalen dat het nooit mag gebeuren dat zij met studenten samen naar de cursus gaan of dezelfde verlaten.” Tijdens vergaderingen en in de bibliotheek moesten vrouwelijke studenten apart van de mannelijke studenten zitten. Het was ook verboden voor vrouwen om naar bioscopen, dancings, drank- en eetgelegenheden te gaan.

In de jaren 1960 verdwenen de meeste beperkingen, maar vrouwelijke studenten bleven verplicht om hun eerste jaar op een pedagogie door te brengen. Mannen waren hier niet toegelaten. Wanneer een studente met een man wilde afspreken, moest de man aan de poort of op de gang van de pedagogie op haar wachten. De zusters controleerden daarnaast ook het doen en het laten van de vrouwelijke studenten door een avondklok in te stellen. Meisjes die op pedagogieën verbleven, moesten ten laatste om elf uur ’s avonds terug zijn. Wanneer vrouwen na hun eerste of tweede jaar naar een privaat kot verhuisden, hadden ze meer vrijheid. De avondklok verdween en ze mochten eten waar ze wilden. De meisjeskoten bleven wel verboden terrein voor mannelijke studenten en veel kotbazen bleven de meisjes controleren.

Het was een ongeschreven regel dat deze scheiding ook werd doorgevoerd in de auditoria, waar vrouwen op de eerste rijen moesten plaatsnemen. Doordat ze vooraan zaten, voelden veel vrouwen zich bekeken en waren ze ook gemakkelijke slachtoffers voor plagerijen. Vrouwen die bijvoorbeeld te laat waren, konden getrakteerd worden op een fluitconcert als ze de hele aula moesten doorlopen om de eerste rij te bereiken. De mannelijke studenten hadden ook de gewoonte om hun vrouwelijke collega’s al lachend por te noemen. Vrouwelijke studenten hadden hier weinig problemen mee: “Wij waren de porren van Leuven. Wij vonden dat wel leuk. Erg vond ik dat niet, dat paste allemaal in die tijdsgeest denk ik.”

Vermaak

Studenten in het studentenrestaurant Alma (universiteitsarchief Leuven).

De jaren 1960 luidden wel enkele veranderingen in. Voor die tijd was het studentenleven voornamelijk gericht op mannen. De exclusief mannelijke studentenclubs domineerden het studentenlandschap. Tijdens de jaren 1960 begonnen vrouwen ook meer deel te nemen aan het studentenleven. Het studentenrestaurant Alma en de bioscoop waren ideale plaatsen om samen te komen en te ontspannen. Steeds meer vrouwen werden bovendien actief in het bestuur van de faculteitskringen – meestal als secretaresse, een functie die als typisch vrouwelijk werd aanzien.

Tijdens de avondactiviteiten van de studentenkringen, zoals cantussen en thé-dansants waren ook steeds meer vrouwen aanwezig. Op cantussen dronken vrouwen samen met mannen bier, al deden ze dat meestal in mindere mate. Thé-dansants waren dansgelegenheden waar mannen en vrouwen per twee dansten. Vrouwen moesten wachten tot mannelijke studenten hen ten dans vroegen. Het was gebruikelijk dat deze laatsten hun danspartners trakteerden en hen na een avondje uit naar hun pedagogie of kot brachten.

Studerende vrouw, werkende vrouw?

Studenten verpozen in het Begijnhof.

De jaren 1960 kunnen gezien worden als een overgangsperiode naar een gemengd studentenmilieu. Toch bleven de oude genderspecifieke rollenpatronen voortbestaan. Vrouwelijke studenten werden geacht rokken te dragen en in de faculteitskringen  zogenaamd vrouwelijke taken zoals secretaresse op zich te nemen. Deze maatschappelijke rollenpatronen kwamen nog meer tot uiting in hun latere leven. Veel vrouwelijke alumni merkten dat de uitbouw van een loopbaan moeilijk te verzoenen viel met maatschappelijke verwachtingen rond hun rol als moeder. Veel afgestudeerde vrouwen gingen dan ook nooit werken of kwamen terecht in de onderwijssector.

Lies Depickere was in het academiejaar 2017-2018 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over de ervaringen van vrouwelijke studenten aan de Leuvense universiteit in 1960-1968.

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten

In de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog wordt amper aandacht besteed aan het werk van Belgische verpleegsters. Ze waren nochtans met achthonderd, en speelden een vaak levensreddende rol bij de verzorging van gewonde soldaten en burgers. ‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten stond er op hun speldje in een van de grootste Belgische fronthospitalen.

Nieuwe verpleegkundige praktijken

Jane de Launoy (links) bij de toepassing van een nieuwe techniek voor wondontsmetting (Cinematek).

De doorbraak voor de professionalisering van het verpleegstersberoep situeerde zich in België in het eerste decennium van de twintigste eeuw. De eerste opleidingen zorgden ervoor dat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 4477 verpleegsters over een diploma beschikten. Slechts van 8,27 % van dit totaal is met zekerheid bekend dat ze tijdens de oorlog als verpleegster actief waren. Dit cijfer is redelijk laag, omdat het bijna onmogelijk was om vanuit bezet België in fronthospitalen terecht te komen.

Daarom kwamen er tijdens de oorlog nieuwe opleidingen in Londen en Calais. Die moesten zorgen voor de aanvoer van Belgische verpleegsters in de verschillende fronthospitalen. De verpleegsters die in beide steden een stoomcursus volgden, kwamen nadien meteen in Belgische fronthospitalen terecht. Ze werden er geconfronteerd met uiteenlopende en vaak nieuwe praktijken, zoals amputaties, buikoperaties en ontsmetting van oorlogswonden. Ook nieuwe technieken als radiografie, fysiotherapie en bloedtransfusie werden toegepast. De verpleegkundige praktijken hadden meermaals een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van de gewonde soldaten.

‘De vermoeidheid zit diep’

Tekening van een uitgeputte Belgische verpleegster door een Britse soldaat (University of Victoria’s Special Collections Library).

De oorlogsomstandigheden stelden de Belgische verpleegsters zowel fysisch als psychisch zwaar op de proef: velen raakten oververmoeid en werden ziek. De strijd voor het overleven van de gewonden, het personeelstekort, de lange diensttijden, de vermoeiende nachtdiensten, de confrontatie met de dood en de schaarse ontspanningsmogelijkheden zorgden voor een zware fysieke en mentale belasting bij het verpleegkundig korps. De vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zoniet jaren duren om opnieuw weerstand op te bouwen,’ schreef frontverpleegster Jane de Launoy in haar dagboek. Een aantal van haar collega’s moest het werk stopzetten: tussen eind 1916 en eind 1918 dienden 113 verpleegsters hun ontslag in. In diezelfde periode werden ook 680 verpleegsters van het ene naar het andere hospitaal overgeplaatst, wat zorgde voor heel wat stress. Minstens 34 Belgische verpleegsters overleefden de oorlog niet.

Bij de uitoefening van hun werk waren er ook regelmatig spanningen met niet-opgeleide verpleegsters. Vanaf het begin van de oorlog waren er vele dames, meestal uit de burgerij, die op vrijwillige basis verpleegkundige zorgen wensten te verstrekken. Ze beschikten daarvoor meestal niet over de nodige competenties. Dit zorgde voor ergernis bij de geschoolde verpleegsters. Zij vonden dat opleiding en bekwaamheid primeerden op goede intenties.

Ook de verhoudingen tussen Belgische en Britse verpleegsters liepen niet altijd van een leien dakje. De Britse verpleegsters hanteerden een streng reglement, dat hen niet toestond om op het bed van een gewonde te gaan zitten en hen verbood om patiënten met hun naam aan te spreken. De Belgische verpleegsters vonden dat hun Britse collega’s hierdoor te weinig morele steun en troost aan de gewonden gaven. Sommige gewonden gaven daarom aan dat ze het liefst door Belgische verpleegsters werden verzorgd.

Altijd troosten

Belgische frontverpleegsters boden vooral troost (Archief Belgische Rode Kruis).

Bij de verpleegkundige praktijken van Belgische verpleegsters was het opvallend dat het troostende aspect sterk op de voorgrond trad. In zoverre de oorlogsomstandigheden dat toelieten, namen ze de tijd om met de gewonden te praten en hen moed in te spreken. De vooroorlogse traditie van katholieke zorg – waarbij naast religieuzen ook welgestelde dames morele en spirituele ondersteuning boden – speelde daarbij een belangrijke rol. Altijd troosten vat dan ook – meer dan genezen en verlichten – de essentie van het werk van de Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog goed samen. Dat werk is grotendeels onbekend gebleven, maar in de huidige herdenking van de Eerste Wereldoorlog verdient het zeker een plaats.

Meer weten.

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, 2018).

Tentoonstelling Heelkracht. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Poperinge, 30 juni-16 september 2018)

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Exit Sint-Pietersziekenhuis

Op de nieuwjaarsreceptie van de stad Leuven liet burgemeester Louis Tobback optekenen dat het Sint Pietersziekenhuis dit jaar wordt gesloopt. Weinigen zullen het verdwijnen van deze ‘gele olifant’ als een verlies beschouwen. De voorste vleugel van dit tussen 1955 en 1983 opgetrokken gebouwencomplex werd nooit volledig in gebruik genomen en staat er vandaag troosteloos bij. De ‘laatste stadskanker’ in de Leuvense stadskern, aldus Tobback.

Monumentale ingang van het negentiende-eeuwse Sint-Pietersziekenhuis aan de Brusselsestraat. (Collectie Histaruz)

Vanuit historisch opzicht is de sloop van het Sint-Pietersziekenhuis geen opmerkelijke gebeurtenis. Sinds het midden van de negentiende eeuw werd de kliniek verschillende keren afgebroken en heropgebouwd. Telkens was het doel plaats te ruimen voor een moderner hospitaal. Nu echter – en dat is wel een breuk met het verleden – voorziet het stadsbestuur een andere bestemming voor de site. Er komt wellicht een podiumkunstenzaal. Zo eindigt een traditie van ziekenzorg in de binnenstad: een overzicht.

 

Binnenhoven, tuinen en paviljoenen

Het plan Maukers uit 1930 bood meer ruimte aan opkomende specialismen maar bleef gebonden aan het oorspronkelijke grondplan. (Stadsarchief Leuven)

Het eerste Sint-Pietersziekenhuis kon zelf pas worden gebouwd na de sloop van een ouder ‘gasthuis’. In 1830 had de Commissie voor Burgerlijke Hospitalen – een voorloper van het latere OCMW – beslist dat het Sint-Elisabethgasthuis niet langer volstond. Dat gebouw was in de dertiende eeuw opgetrokken door de zusters Augustinessen naast hun klooster. Zorg voor ziel en lichaam was er eeuwenlang nauw verweven. Het gasthuis beantwoordde echter niet langer aan de negentiende-eeuwse hygiënistische standaarden. Er was meer licht en ventilatie nodig. De ruimte ontbrak ook om patiënten met besmettelijke ziekten voldoende af te zonderen.

Provinciaal architect Alexander Van Arenbergh ontwierp een nieuw, monumentaal rechthoekig gebouw met twee binnenhoven, vier paviljoenen en een grote tuin. In totaal konden er zo’n 250 patiënten worden gehospitaliseerd. Mannen en vrouwen lagen apart in grote zalen van wel 24 bedden. De eersten daarvan werden opgenomen in 1849. De voorste binnenhof was naar de straatzijde toe open in een U-vorm. Leuven kreeg zo een neoclassicistisch landmark in de Brusselsestraat, een eigentijds ontwerp dat in vele opzichten leek op het Sint-Jansziekenhuis dat in diezelfde periode in Brussel door Henry Patoes werd neergezet.

Onderwijs en onderzoek

Functionalistisch schema uit 1949 voor een nieuw Sint-Pietersziekenhuis. (Stadsarchief Leuven)

Het Sint-Pietersziekenhuis was bovendien een academische kliniek. Het functioneerde als de voornaamste opleidingsplek voor de studenten geneeskunde van de Leuvense universiteit. Rond 1900 dwong hun toenemende aantal tot nieuwe constructiewerken. Zo werd de tuin grotendeels opgeofferd voor de bouw van klinische auditoria. De opkomst van de bacteriologie – een nieuw specialisme – maakte investeringen in labo’s, sterilisatieruimtes, verbandkamers en betere operatiekwartieren noodzakelijk. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreunde het negentiende-eeuwse gebouw onder de voortdurende drang naar medische vernieuwing.

Een eerste poging tot een meer structurele oplossing werd in 1930 ondernomen. De Brusselse architect Gustave Maukers presenteerde toen het plan om een volledige verdieping bij te bouwen en de ruimtes te herbestemmen. Maukers behoorde tot een kransje architecten die in het interbellum de ziekenhuisarchitectuur probeerden te vernieuwen. Zij vertrokken vanuit de beoogde functie van de ruimtes. In Maukers plan werden onder meer aangepaste zalen voor kindergeneeskunde, pneumologie (onder andere met kuurgalerijen voor tuberculosepatiënten) en dermatologie voorzien. Toch zou dit functionalisme in Leuven, in tegenstelling tot in Gent en Brussel, slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd worden voor de Tweede Wereldoorlog. Het Gentse Universitair Ziekenhuis of de Brusselse Héger-kliniek waren nieuwe constructies terwijl in Leuven werd vastgehouden aan het bestaande negentiende-eeuwse grondplan.

Functionalisme en hoogbouw

Het originele ontwerp uit 1951 van Cloquet-Van Montfort-Vandeput voorzag een kleiner voorgebouw dan wat uiteindelijk gerealiseerd werd. (Copyright Stadsarchief Leuven)

Aan het einde van de jaren 40 leek het lot van het ‘oude’ Sint-Pietersziekenhuis bezegeld. De bezetting door Duitse troepen tijdens de oorlog en een brand in 1944 hadden grote schade aangericht. Met de gelden voor de wederopbouw en de nationale fondsen voor ziekenhuisbouw in de jaren 50 was er bovendien financiële ruimte. Sloop en nieuwbouw lagen voor de hand. Een ontwerp van architectentrio Cloquet-Van Montfort-Vandeput werd in 1951 goedgekeurd. De sloopwerken namen meteen een aanvang en vier jaren later verrees de eerste vleugel van het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis, een torengebouw van veertien verdiepingen.

Met de nieuwbouw werd een modernistische ziekenhuisarchitectuur gerealiseerd. Die voorzag in een centralisatie van gedeelde functies (radiologie, intensieve zorgen, administratie enz.) en een scheiding van de ‘stromen’ van bezoekers, patiënten en medisch personeel. In de tweede helft van de jaren 60 werd een spoedafdeling geopend aan de achterzijde van de kliniek: ambulances reden af en aan vanop de Brusselsestraat over de overwelfde Dijle.

Taalstrijd

Het oude Sint-Pietersziekenhuis moest in de jaren 50 wijken voor een nieuw torengebouw. In de jaren 70 werd een tweede vleugel bijgebouwd. (Collectie Histaruz)

De verdere geschiedenis van het Sint-Pietersziekenhuis oogt minder fraai. Tijdens de woelige jaren 60 werd de kliniek een speelbal in het politieke spel rond Leuven-Vlaams. Dat Nederlandstalige patiënten er door Franstalige professoren en artsen-in-opleiding werden behandeld, was een doorn in het oog van de Vlaamse Beweging. De aanhoudende kritiek droeg ertoe bij dat de Faculteit Geneeskunde als een van de eerste faculteiten taalkundig gesplitst werd. Reeds in 1963 werd beslist dat voor de Franstalige artsen een nieuwe kliniek bij Brussel zou worden gebouwd. Sint-Pieters werd op termijn een exclusief Nederlandstalig ziekenhuis.

Gasthuisberg

Tegelijkertijd besloten de Nederlandstalige professoren uit te breiden buiten het stadscentrum. Begin jaren 70 werd de eerste steen gelegd van Gasthuisberg. In 1975 ging het kinderziekenhuis – het eerste van vele gebouwen op de campus – open. De beslissing om te blijven investeren in Sint-Pieters bleek achteraf een vergissing. In 1977 werd een tweede vleugel in gebruik genomen. Begin jaren 80 werd nog een groot nieuw gebouw opgetrokken dat – op enkele verdiepingen na – steeds heeft leeggestaan. Ondertussen sloeg het beleid om: er was nu sprake van een nationaal ‘beddenoverschot’ en een nood aan besparingen. Het dure en deels ongebruikte Sint-Pietersziekenhuis werd zo een heikel dossier in de relatie tussen stad en universiteit. De vondst van asbestdeeltjes in de oudste gebouwen bemoeilijkte bovendien een eventuele afbraak.

Luchtfoto van het hospitaalcomplex Sint-Pieters: het gebouw aan de straatzijde dateert van de vroege jaren 80. (Collectie Histaruz)

Die afbraak lijkt nu toch van start te zullen gaan. Daarmee komt een einde aan de traditie van academische zorg in de Brusselsestraat. De grote schaal waarop die vandaag wordt beoefend, vergt een medische en mobiliteitsinfrastructuur die onverzoenbaar lijkt met de binnenstad. Wie het komende jaar langs het Sint-Pietersziekenhuis wandelt, kan misschien eens via de zijkant naar achteren gaan. Daar staat nog een stukje – de zuidvleugel – van het negentiende-eeuwse hospitaal recht. Je kan er tegelijk ook de vleugels van de jaren 50 en 70, en het gebouw van de jaren 80 aanschouwen. Anderhalve eeuw hospitaalgeschiedenis in één oogopslag.

 

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen. Bijzondere dank aan Edith Willekens en Liesbeth Croimans van het Leuvense stadsarchief voor hun hulp bij het onderzoek voor deze blogtekst.

Hebben dokters de geketende psychiatrische patiënt bevrijd?

Gastblog door Eva Andersen.

Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw worden vaak omschreven als een kenteringsperiode voor de psychiatrie. In deze periode streefden artsen naar een humanere behandeling van mensen met een psychische aandoening. Verhalen over bekende artsen als de Franse dokters Philippe Pinel en Jean-Etienne Esquirol, de Brit William Tuke en de Belgische psychiater Jozef Guislain die de geesteszieken uit hun ketenen en mensonterende omstandigheden bevrijdden, hebben een bijna mythische allure gekregen.

Non-restraint

Een foto van een psychiatrische patiënt die op een stoel in bedwang wordt gehouden. (CC BY Henry Clarke, Welcome collection)

Negentiende-eeuwse psychiaters in Europa en Amerika stonden voor hetzelfde vraagstuk bij hun pogingen om de menswaardige behandeling van patiënten te verbeteren. Aan de ene kant stelden ze zich in toenemende mate vragen bij het gebruik van de bestaande dwangmiddelen zoals handboeien, kettingen en dwangbuizen. Aan de andere kant wilden ze de controle behouden over moeilijk beheersbare patiënten. Via buitenlandse contacten maakten zij kennis met alternatieven.

In 1839 introduceerde de gerenommeerde Britse arts John Conolly de non-restraint methode in de instelling voor geesteszieken van Hanwell in Groot-Brittannië met het doel psychiatrische patiënten humaner te behandelen. Zijn voorstel bouwde voort op de ideeën van de Franse arts Philippe Pinel en de Britten William Tuke en Robert Gardiner Hill. Kettingen, handboeien en dwangbuizen werden vervangen door een “zachtere” aanpak. In deze aanpak stond redeneren met de patiënten centraal. Volgens een aantal Britse psychiaters wisten vele patiënten immers goed wanneer zij in de fout gingen. “De invloed van een gezonde op een zieke geest” kon zo zijn werk doen.

De isoleercel

Maar wat als patiënten toch gewelddadig of geagiteerd reageerden of een suïcidaal gedrag vertoonden? Hoe moest men ze in bedwang houden als mechanische dwangmiddelen uit den boze waren? Een van de oplossingen die men voorzag was de isoleercel. In Europa werd druk gedebatteerd over het feit of een padded room al dan niet als een vorm van mechanische dwang gold. De Franse arts Moreau de Tour bijvoorbeeld vond de gehele non-restraint praktijk maar niets. Hij meende dat het een terugkeer naar oude gewoontes was en de kunst van het genezen terug in zijn kinderschoenen plaatste. Een mening die echter niet door alle Franse artsen gedeeld werd. Sommigen onder hen prezen juist de vooruitgang die de Britten geboekt hadden en hoopten dat de non-restraint methode ook meer ingebed zou raken in Frankrijk.

Isoleercellen hadden geen hoeken zodat patiënten zich nooit uit het zicht van het personeel konden bevinden.

Jules Morel, een Belgische psychiater, was in tegenstelling tot Moreau wel geïnteresseerd in de mogelijkheden van de non-restraint. In 1893 vroeg hij inlichtingen aan zijn Britse collega Bedford Pierce over de praktijk van de isoleercel. Die stuurde hem instructies met een bijbehorende schets en zelfs een sample van de rubber die hij in de isoleercellen van het York Retreat gebruikte. Of Morel met deze informatie ook daadwerkelijk iets gedaan heeft en of de non-restraint methode veel gebruikt werd in België, is onduidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid was de verspreiding ervan vrij beperkt.

Douchebaden

Niet enkel de isoleercel vormde een onderdeel van de non-restraint. Een andere vaak toegepaste techniek was die van de hydrotherapie die zowel in Europa als Amerika gebruikt werd. Eén van de vele vormen van hydrotherapie was die van de douchebaden, waarbij patiënten onder een continue straal van koud of warm water werden gezet om te kalmeren. Vele buitenlandse artsen vonden dit een intrigerende behandelmethode en maakten tijdens hun bezoeken aan Europese en Amerikaanse ‘krankzinnigengestichten’ veel aantekeningen over het gebruik ervan.

Een voorbeeld van een douchebad.

Ondanks het enthousiasme van vele psychiaters over deze  behandelingsmethode, hadden de douchebaden niet altijd het gewenste effect. Soms resulteerde het gebruik van de douchebaden in het overlijden van patiënten. Omdat zij te lang (20 tot 30 minuten) aan het water werden blootgesteld, kon de shock leiden tot hun dood. Na enkele dodelijke voorvallen velde de Britse Lunacy Commission, die toezicht hield op de psychiatrische instellingen en het welzijn van geesteszieken, een oordeel over de behandelingsmethode. De comissie was van mening dat de douchebaden enkel voor een kortere periode (drie minuten) gebruikt mochten worden. Deze richtlijn moest in Groot-Brittanië verdere ongelukken voorkomen.

De non-restraint methode bestond daarnaast nog uit andere ‘tactieken’ zoals het voorzien van entertainment en bezigheidstherapie. In de instelling van Hanwell werden er bijvoorbeeld wel eens bals georganiseerd voor de patiënten. Mannelijke patiënten konden buiten petanque spelen en er werden begeleide wandelingen gemaakt op het platteland.

Een voortdurende discussie

Hoe meer patiënten geëntertaind werden, hoe minder snel ze geagiteerd raakten. Volgens Britse artsen lokten de “zachtere” repressiemiddelen minder hevige reacties uit bij de patiënten. In Europa en Amerika bleef de non-restraint echter nog lange tijd de gemoederen beroeren bij voor- en tegenstanders.

De artsen die de psychiatrische patiënten van hun ketenen verlosten, werden door hun tijdgenoten als pioniers van de psychiatrie omschreven. Ook vandaag de dag worden zij gezien als ‘vaders van de psychiatrie’. Toch stroken hun ideeën over waardige behandelingen in instellingen niet per se met hedendaagse behandelingsmethodes. De douche- en badbehandelingen raakten in de loop van de twintigste eeuw in onbruik. Daarnaast lokken de voor- en nadelen van isolement tegenwoordig nog vaak discussies uit.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.

Begraven als honden

De grootste horror voor de armen van de negentiende eeuw was het hospitaal. Er bestond immers altijd een reële kans dat ze tijdens een kosteloos verblijf in een van de overbevolkte ziekenzalen zouden bezwijken aan hun kwaal. En wat er dan na de dood met hun lichaam gebeurde, dat hadden zij noch hun overlevende familieleden in de hand.

Anonieme ‘hondenbegrafenissen’

Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865)
Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865).

Dode lichamen van armen kwamen na hun overlijden in een van de Brusselse publieke ziekenhuizen terecht in het anatomisch amfitheater. Daar werden de lijken verschillende keren ontleed door geneeskundestudenten, waarna het stoffelijk overschot zo snel mogelijk op een naburig kerkhof werd begraven. Van de lijken bleef er weinig intact. De goedkope individuele doodskisten waarin de menselijke resten werden verzameld, bevatten naast lichaamsdelen ook ondefinieerbare lichaamsvloeistoffen en weefsels. Zo gebeurde het weleens dat er per ongeluk lichaamsresten van meerdere overledenen in een kist belandden. Deze anonieme begrafenissen, waarbij armen niet de kans kregen om afscheid te nemen van hun naasten, stonden in de volksbuurten van Brussel bekend als onfatsoenlijke ‘hondenbegrafenissen’.

Arme families probeerden hun overleden verwanten dit lot te besparen, maar werden daarbij gehinderd door de bestaande ziekenhuisreglementen. In principe hadden zij het recht om het lichaam van hun overleden kind, ouder, broer of zus op te eisen. Op deze manier konden ze belemmeren dat het door anatomisten werd opengesneden en hadden ze de kans om de begrafenis bij te wonen. Dat was echter alleen mogelijk als families binnen 24 uur na de dood van hun familielid de kosten van de doodskist en de begrafeniskoets betaalden, wat voor armlastige families een financieel moeilijke, zij het niet per se onmogelijke zaak was. Na deze termijn werden de lichamen overgebracht naar het anatomisch amfitheater.

Wat niet weet, wat niet deert

Een bijkomend struikelblok was de nalatigheid van ziekenhuismedewerkers. Het gebeurde regelmatig dat families niet of te laat werden geïnformeerd over de dood van hun naaste. Bij aankomst na 24 uur in het ziekenhuis kregen ze te horen dat de begrafenis al achter de rug was. In werkelijkheid bevond het lichaam zich op dat moment op de dissectietafel in het anatomisch amfitheater. Personeelsleden moesten de trieste waarheid verhullen om hartverscheurende scènes van verontwaardigde families in de gangen van de ziekenhuizen te vermijden. Anonieme begrafenissen van ontlede patiënten werden met andere woorden in duisternis gehuld.

Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930
Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930.

Ook verwanten die er wel in slaagden om tijdig de begrafeniskosten te betalen, moesten niet hopen op een respectvolle behandeling van het lichaam van hun naasten. Dit werd in een mortuarium tussen andere lichamen gelegd, waar familieleden de overledene konden komen groeten. Tot de verbijstering van sommige familieleden waren deze lijken allesbehalve presentabel. Onbedekt en met geopende ogen werden ze aan het rouwende publiek tentoongesteld. Familieleden reageerden onder meer geschokt op de gewelddadige manier waarop de kisting plaatsvond. In bijzijn van familieleden sloegen ziekenhuismedewerkers de planken rondom de overledene vast met spijkers.

De kracht van protest

Doorheen de negentiende eeuw brachten dergelijke klachten weinig veranderingen teweeg aan de omgang met lijken van armlastige patiënten. Dat betekende niet dat familieleden helemaal machteloos stonden tegenover de gang van zaken. Door luidkeels en met geweld te protesteren, konden zij ad hoc bepaalde rechten opeisen. Zo was het voor personeelsleden onmogelijk om de doodskist volgens de voorschriften een uur voor de begrafenis te sluiten, omdat er altijd nog laattijdige familieleden opdaagden die stonden op hun recht om respect te betuigen aan het lichaam. Om de goede vrede in het ziekenhuis te bewaren, was het personeel bereid tot beperkte tegemoetkomingen.

Schets van een lijkkoets, 1846
Schets van een lijkkoets, 1846.

De klachten van Brusselse armen vonden wel gehoor in politieke middens. De meest invloedrijke kritiek op de gang van zaken in ziekenhuizen ging uit van de socialisten. In hun strijd tegen klassenongelijkheid en voor algemeen stemrecht richtten zij omstreeks 1880 hun pijlen onder meer op de minderwaardige behandeling van armen voor en na hun dood. Brussel werd in deze periode de setting van opeenvolgende stakingen en gewelddadige betogingen. Ziekenhuisdirecties vreesden zelfs voor de komst van rode vlaggen en bijhorende manifestaties in eigen huis.

Begraven in een nieuw jasje

In deze politiek woelige periode zagen de ziekenhuisbestuurders zich genoodzaakt om de omstandigheden van armenbegrafenissen te verbeteren. Opgeëiste lichamen werden vanaf de eeuwwisseling in een nieuw jasje begraven. In plaats van de gebrekkige platte kisten voerde men aantrekkelijkere vijfhoekige kisten met een rode binnenbekleding in. De nagels om de kisten mee dicht te timmeren werden vervangen door schroeven. Zwarte stof op de kisten moest een fatsoenlijk afgeschermd transport van de doden doorheen de gangen in het ziekenhuis verzekeren. In 1910 was er zelfs sprake van kussentjes voor onder de hoofden van de overleden patiënten. Fatsoen en respect werden langzamerhand woorden van betekenis in de omgang met de lichamen van armen.

Veel armen konden na hun dood helaas niet profiteren van de nieuwe maatregelen. Zonder familieleden die hun lichamen konden opeisen, voelden ziekenhuisbeheerders zich niet genoodzaakt om aandacht te besteden aan het lot van hun stoffelijk overschot. Deze lijken passeerden zoals vanouds langs het anatomisch amfitheater, vooraleer ze hun laatste rustplaats in goedkope sjofele kisten bereikten. Niemand was aanwezig op hun begrafenis.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en vrijzinnigheid in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Vanitasstilleven, 1625, door Pieter Claesz. (Haarlem, Frans Hals Museum)

Een kleine geschiedenis van het dankwoord

Het dankwoord is een bijzonder genre. Hoe onpersoonlijk een academisch boek verder ook is, in het dankwoord geven auteurs een stukje van hun ziel bloot. Tussen waslijsten van namen ontwaren we persoonlijke relaties en diepe gevoelens, blijken van erkenning en tekenen van humor. Maar ondanks die persoonlijke stijl staat in de meeste dankwoorden toch min of meer hetzelfde. In het dankwoord geven onderzoekers immers aan dat ze zich de normen en het zelfbeeld van hun beroepsgroep eigen hebben gemaakt. Samen met die normen en dat zelfbeeld zijn dankwoorden de afgelopen eeuw dan ook sterk veranderd.

Een aangename plicht

Het dankwoord zoals we het vandaag kennen, vooraan of tegenwoordig ook vaak achteraan in een boek, is nog vrij jong. De gewoonte om in België de term ‘dankwoord’ te gebruiken in bijvoorbeeld doctoraten – een tekstgenre waarbij dankwoorden heel gebruikelijk zijn – kwam pas op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Sinds de jaren zeventig was het echter al gebruikelijk om een ‘voorwoord’ te schrijven dat in veel gevallen ook enkel een dankwoord was. En nog daarvoor was het (al zeker sinds de negentiende eeuw) gebruikelijk om aan het einde van de inleiding een of twee alinea’s voor te behouden voor het betuigen van erkentelijkheid aan zij die tot het proefschrift bijdroegen.

Prof. Dr. Emile Lousse (1905-1986) werd al eens bedankt voor zijn ‘vriendelijke vingerwijzingen’.

De vorm en benaming van het dankwoord is niet zonder belang. Niet alleen is het dankwoord vooral in de jaren tachtig sterk in lengte toegenomen, de functie ervan is ook veranderd. De woorden van dank die tot de jaren vijftig werden geschreven, legden heel sterk de nadruk op ‘erkentelijkheid’. ‘Het is ons een aangename plicht onze erkentelijkheid te betuigen’, schreef zuster Marie Hereswitha in 1941, ‘aan allen die ons in meerdere of mindere mate behulpzaam waren bij het tot stand komen van ons werk.’ De onderzoekers vonden het hun plicht om aan te geven dat hun proefschrift niet alleen hun eigen werk was, maar ook dat van anderen. ‘Als ons werk enige verdienste heeft,’ klonk het nog in 1959, ‘dan danken wij dit aan de heren Professoren’. De jonge academici toonden dat ze zich de deugd van de bescheidenheid hadden eigen gemaakt.

Die nadruk op plicht en erkenning is sinds de jaren zestig op het achterplan geraakt. De deugd van bescheidenheid maakte plaats voor die van persoonlijke dankbaarheid. ‘Wij geloven niet dat onze boot zonder zijn vaste hand de eindhaven zou bereikt hebben’, schreef Klaas Maddens over de promotor van zijn proefschrift in 1975. De prille onderzoeker presenteerde het proefschrift veel meer als een eigen werk en sprak persoonlijk dank uit aan al wie daarbij geholpen had. Dat werd niet zozeer als een plicht voorgesteld, hoe aangenaam die ook mocht geweest zijn, maar als een quasi-spontane, hoogst individuele uiting van een gevoel. ‘Het eindpunt van een dissertatie is een moment van onversneden vreugde. Niet alleen omdat de tekst afgeleverd wordt, maar ook omdat ik dankbaar kan terugdenken aan al wie zijn fervente steun verleende’, klonk het in 1993. Een ideaal van plichtsgetrouwheid ruimde plaats voor een ideaal van oprechtheid.

Vereerde leermeesters

De geschiedenis van het dankwoord is er een van winnaars en verliezers. De enige vaste waarde in dankwoorden bij proefschriften is dat de promotoren die het proefschrift begeleidden genoemd worden – zelfs bij grote onvrede over die begeleiding. De manier waarop is evenwel ook veranderd: werden promotoren in de eerste helft van de twintigste eeuw nog wel eens voor hun ‘vriendelijke vingerwijzingen’ bedankt, dan werd het in het nieuwe millennium gebruikelijker om de promotor voor het vertrouwen en de steun te bedanken, welaan, zelfs te stellen dat de promotor een vriend was geworden.

Fragment uit het dankwoord van Lode Wils.

De grote verliezers zijn de andere professoren van de faculteit. Sinds de negentiende eeuw was het gebruikelijk om hen met name te bedanken. In 1954 liet Lode Wils nog weten dat het zijn ‘aangename plicht’ was om ‘hier onze dank te mogen uitdrukken tegenover onze vereerde leermeesters aan de Katholieke Universiteit te Leuven, aan wie wij onze wetenschappelijke opleiding verschuldigd zijn, en wier verheven voorbeeld in ons het verlangen gewekt heeft om naar mogelijkheden tot de wetenschap bij te dragen.’ Maar vanaf de jaren zestig verdwenen de vereerde leermeesters uit het beeld. Enkel als ze actief aan het proefschrift bijdroegen, bijvoorbeeld door hoofdstukken na te lezen, verdienden ze een vermelding. En die was zelden nog zo barok als bij Wils.

Gelukkig zijn er naast verliezers ook winnaars. Tot rond 1975 bestond het volledige bedankte publiek in een proefschrift uit zeergeleerde professoren en figuren in de marge van het academisch bedrijf: bibliothecarissen, proeflezers, financierende instellingen. Sindsdien verschenen er heel wat figuren die eigenlijk niets met het proefschrift te maken hadden, maar de auteur ervan moreel en emotioneel ondersteund hadden. Eerst kwamen de ouders en de echtgenotes. Ze werden al snel vergezeld door broers en zussen, grootouders, kinderen, huisgenoten, oude studievrienden, bureaugenoten en ex-lieven. Zij werden bedankt voor steun en verstrooiing en hen werd verontschuldiging gevraagd voor de vele afwezigheden tijdens de afwerking van het proefschrift (een tijdlang was er zelfs sprake van de ‘doctoraatsweduwe’). Academici tonen zo dat ze weliswaar menselijk zijn, maar dat het met hun arbeidsethos toch goed zit.

(CC-BY 3.0 Waov12)

Academische deugden

De geleerde van de eerste helft van de twintigste eeuw presenteerde zich als iemand die toegewijd, bescheiden en leergierig was en respect had voor hiërarchie en gebruiken. De geleerde bij het dagen van de eenentwintigste eeuw presenteerde zich als een mens van de wereld. Iemand die niet alleen met zijn of haar neus in de boeken zat, iemand die werk en persoonlijk leven in elkaar liet overvloeien. Het hoeft niet te verbazen dat net vanaf de jaren negentig de kwinkslag haar opgang maakte: plots doken in dankwoorden niet-bestaande personen, huisdieren of bekende zangers op. Tussen de bedankingen sloop al eens een speelse belediging. De onderzoeker van de eenentwintigste eeuw hecht belang aan oprechtheid, originaliteit en persoonlijkheid en schuwt verdenkingen van slaafs formalisme.

Elwin Hofman is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Momenteel schrijft hij aan het dankwoord van zijn proefschrift The Internalization of Man. Stigma, Criminal Justice and Self in the Southern Netherlands, 1750-1830.

Hoe echografie van de foetus een kindje maakte

Wat zie je wanneer je naar bovenstaande afbeelding kijkt? De kans is groot dat je dit wazig zwart-wit beeld meteen herkent als een echografie. Het is het resultaat van een medisch technisch onderzoek dat de gynaecoloog in staat stelt te kijken naar wat er zich afspeelt in de buik van zijn patiënte. Maar een echografie is veel meer dan een medisch instrument om de ontwikkelende foetus te onderzoeken. Sinds haar popularisering in de jaren tachtig zijn de echografische beelden buiten de muren van de praktijk van de gynaecoloog getreden en deel geworden van een bredere en persoonlijkere verbeelding van de foetus. De abstracte, zwart-witte vlekken werden gebruikt door aanstaande mama’s en papa’s om hun toekomstig kind in hun geest te portretteren.

‘Ons kindje’

Da Vinci’s onderzoek van het menselijke embryo. (Royal Collection, Londen)

Op zich is het verlangen om voorbij de baarmoederwand te kijken niets nieuws. Al in de vroege zestiende eeuw maakte Da Vinci uitgebreide schetsen van hoe hij zich het leven in de buik van een zwangere vrouw inbeeldde. Maar ook buiten de studiekamers van geleerden vormden aanstaande moeders en vaders zich een beeld van hun toekomstige baby. Wat de introductie van echografie echter bijzonder maakte, was dat ze de aanstaande ouders van persoonlijke beelden van de foetus voorzag.

Voor het eerst kwamen ouders dankzij de echografie tijdens de zwangerschap in contact met afbeeldingen van hun eigen ongeboren kind. Ze konden zijn of haar bewegingen onder begeleiding van de gynaecoloog meevolgen op een klein schermpje. Het aanwijzen van de ontwikkelende handjes en voetjes, het zien van de precieze ligging van de foetus in de baarmoeder en het geluid van het kloppend hart vormden allemaal een basis om verder op te fantaseren. De naamloze foetus uit de boeken werd op deze manier vervangen door beelden van ‘ons kindje’.

Spelen met de tenen

Voetjes van een menselijke foetus. (CC BY-SA 4.0 Juan Caparrós en Gustavocarra)

De mogelijkheid om visuele informatie over de foetus te bezitten veranderde de ervaring van de zwangerschap dan ook op verschillende manieren. Voor Nadine, die een echografie onderging in 1990, zorgde dit bijvoorbeeld voor een levendige verbeelding van wat er zich in haar buik afspeelde, op een manier die een paar decennia ervoor onmogelijk was. In een gesprek over haar zwangerschapservaringen vertelde ze hoe ze tijdens haar bezoek aan de gynaecoloog steeds haar best deed om de echografiebeelden in haar geheugen te prenten. Wanneer ze dan thuis in de zetel zat, probeerde ze zich op basis hiervan in te beelden wat haar ongeboren kindje allemaal aan het uitspoken was:

ik kon bij manier van spreken
bijna met haar tenen spelen

De vrouw gebruikte de beelden die ze bij de gynaecoloog zag om aan het stampen van de foetus betekenis te geven. Haar idee dat ze als het ware met de tenen ervan kon spelen, toont hoe de echografie aan het gevoel van verbondenheid met het leven in haar buik een nieuwe dimensie gaf. De foetus was voor haar al een dochtertje met wie ze kon ravotten.

Angst

Een echografie van Chris.

Maar de mogelijkheid om een foetus van dichtbij te bekijken, bracht ook een keerzijde met zich mee. Echografie werd immers ontwikkeld om misvormingen van de foetus voor de geboorte op te sporen en indien mogelijk te behandelen. Naast een gevoel van verbondenheid met het ongeboren kind boezemde echografie bijgevolg ook angst in. Angst dat het beeld van een toekomstige zoon of dochter niet overeen zou komen met de werkelijkheid, angst dat de gynaecoloog gebreken zou ontdekken. Dit gevoel sijpelde sterk door in de woorden van Chris, die als diabetes-patiënte meerdere echo’s liet nemen in 1988. Zij koesterde een irrationele angst dat de gynaecoloog haar zou vertellen dat haar kindje een hazenlip zou hebben:

want ik had
stom
(lacht)
heel mijn zwangerschap schrik voor een hazenlip

Uit haar woorden wordt duidelijk dat Chris niet alleen wist dat de gynaecoloog aan de hand van een echografie kon ontdekken of haar kindje de gevreesde hazenlip zou bezitten, maar ook hoe deze angst haar zwangerschapservaring tekende. In dit geval stimuleerde echografie dus de verbeelding op een meer negatieve wijze: het zette Chris aan tot doemdenken. De mogelijkheid om haar foetus van dichtbij te bekijken, betekende immers ook dat ze van dichtbij alles kon zien misgaan.

Beide voorbeelden tonen aan hoe de echografie op verschillende manieren de zwangerschapservaring veranderde in de jaren tachtig. Het abstracte leven in de zwangere buik kon dankzij deze nieuwe technologie de vorm van een kind aannemen in de verbeelding, met alle gevolgen van dien. Afhankelijk van de omstandigheden waarbinnen de zwangerschap verliep, lokte echografie zowel gevoelens van verbondenheid met de foetus als angst om de gezondheid ervan uit. De zwart-witte beelden waar we inmiddels allemaal mee vertrouwd zijn, hadden dus ook een grote impact op het leven buiten de praktijk van de gynaecoloog.

Samuel Vermote is student cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over de invloed van de echografie op de relatie tussen vrouwen en de medische wereld.

Titelafbeelding: Foto Nevit Dilmen (CC BY-SA 3.0).