Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Hoe vluchtelingen de Belgische wetenschap verrijkten

‘Vluchtelingen kosten handenvol geld’, zo klinkt het her en der in Europa en ook in ons land. Nochtans kunnen vluchtelingen hun gastland ook verrijken. Met wetenschap bijvoorbeeld. Daar biedt de  Belgische geschiedenis tal van voorbeelden van.

Bienvenue à Bruxelles

Een speelbal tussen republikeinen en royalisten, zo kun je vroegnegentiende-eeuws Frankrijk nog best omschrijven. Na de de val van Napoleon en de terugkeer van het koningschap vluchtten heel wat mannen en vrouwen voor de bloedige represailles van het nieuwe bewind. Niet zelden belandden zij in Belgische gebieden. Vooral het vrijzinnig klimaat van Brussel had een sterk aanzuigeffect. De vluchtelingenstroom naar de Brabantse hoofdstad werd zo groot dat de bewindvoerders zich lichtjes zorgen begonnen te maken.

Jean Garnier was in 1822-1823 rector van de Universiteit Gent.
Jean Garnier was in 1822-1823 rector van de Universiteit Gent.

Onder de vluchtelingen die rond 1815 in Brussel strandden, bevond zich Pierre Drapiez. In zijn wilde adolescentenjaren was deze bioloog met Napoleons Armee d’Orient naar Egypte en Syrië opgetrokken. Dat kwam hem nu duur te staan. In Frankrijk was hij directeur van een goeddraaiend bedrijf en hoofd van een prestigieuze school geweest, kortom iemand met aanzien. In Brussel was hij een nobody. Het bescheiden baantje als bijlesleraar bracht brood op de plank, maar was ver beneden zijn niveau. Geleidelijk aan kon de jonge allochtoon zich opwerken. Hij bouwde goede contacten uit met de Brusselse elite en mocht zelfs Koning Willem I tot zijn kennissen rekenen.

Ook voor de gerenommeerde wiskundige Jean Garnier lag de droom om zijn oude dag in la douce France te slijten aan diggelen. Maar alles was beter dan zijn vroegere leven, dat hij omschreef als ‘vol angst en levensgevaar’. Net als Drapiez prees Garnier zich gelukkig in Brussel een veilig toevluchtsoord te hebben gevonden.

Hun gastland had echter ook profijt aan de inwijkelingen. Garnier kwam werkelijk als geroepen. De Universiteit van Gent kampte bij haar oprichting in 1816 met een gebrek aan degelijke hoogleraren. Met zijn indrukwekkende staat van dienst en zijn stapel educatieve publicaties was Garnier the man for the job. Garnier speelde zo een doorslaggevende rol in de vorming van de volgende generatie Zuid-Nederlandse docenten. Aan Drapiez dankt ons land dan weer de Nationale Plantentuin. Niet alleen was de Franse migrant één van de initiatiefnemers van het project, ook de realisatie ervan in 1829 was grotendeels aan zijn connecties te danken.

Focus op talent

Met de komst van de Habsburgse troepen eindigden heel wat Italiaanse revolutionairen aan de galg.
Met de komst van de Habsburgse troepen eindigden heel wat Italiaanse revolutionairen aan de galg.

Drapiez en Garnier slaagden er snel in goede posities te verwerven, maar steun van het gastland was cruciaal. In het bijzonder de Brusselse Academie voor Wetenschappen toonde zich opmerkzaam voor het potentieel van ingeweken wetenschappers en droeg zo bij aan hun integratie. Dit ervoer althans Gaspard Pagani, een wiskundige die in 1820 de galgen van de Habsburgse troepen was ontvlucht. Het was meer dan een geluk dat de Italiaanse asielzoeker onmiddellijk in de gemeenschap van académiciens werd opgevangen. Pagani’s nieuwe vrienden – waaronder de bekende statisticus Adolphe Quetelet –  maakten het tot hun taak om zijn talenten te ontginnen. Zij wezen hem op de prijsvragen van de Klasse Wetenschappen, waarmee hij zijn naam kon lanceren. Met succes: nog vóór zijn tweede bekroning kreeg Pagani het lidmaatschap van de Academie aangeboden. Via de Academie schopte de Italiaanse wiskundige het in een mum van tijd tot hoogleraar aan de Universiteit van Leuven, waar hij in het onderzoek naar ruimtekrommen zijn naam vestigde. Precies zoals zijn vrienden hadden voorzien.

Ook in recentere tijden boekten vluchtelingen wetenschappelijk succes. Toen België in 1929 zijn grenzen opende voor het getergde gezin Prigogine, kon het niet vermoeden dat het zich daarmee van wereldfaam verzekerde. Ilya Romanovich Prigogine was een kleuter toen hij met zijn ouders de Sovjet-Unie ontvluchtte. De Prigogines verbleven enige tijd in Duitsland. Maar omdat vader Roman, een chemisch ingenieur, in het groeiende anti-Joodse klimaat geen job vond,  pakte het gezin opnieuw de koffers. In zijn nieuwe land België kregen de jonge Ilya en zijn ouders wel kansen om zich te ontplooien. Mits wat aanpassing kon Ilya aansluiten in het Brussels onderwijs. Daarna werd hij zelfs aangemoedigd om verder te studeren. Prigogine had nog maar pas het doctorsdiploma in de scheikunde op zak toen hij in 1950 tot hoogleraar werd benoemd. De Nieuwe Belg bleek een prijsbeest van het grootste kaliber: met Prigogine scoorde België in 1974 voor de allereerste keer de Nobelprijs in de chemie.

Prigogine neemt de Nobelprijs in ontvangst.
Prigogine neemt de Nobelprijs in ontvangst.

Gelijk burgerschap in de Republiek der Letteren

Naar aanleiding van de kwestie Pagani stelde wiskundige Adolphe Quetelet dat hij en zijn collega académiciens, steeds ‘verder keken dan de politieke situatie van de vluchteling’ en dat ‘hun interesse naar diens talenten uitging.’ Een dikke eeuw later sprak Prigogine in dezelfde trant over het fascinerende gevoel van wereldburgerschap dat hij als wetenschapper had mogen ervaren. Ongehinderd door landsgrenzen, taalbarrières of onderzoeksgewoonten vormden wetenschappers een gemeenschap, aldus de Nobellaureaat. Het maakte ook dat wetenschappers elkaar in tijden van nood spontaan de hand reikten.

In een tijd waarin universitaire allochtonen nog te vaak naar laaggeschoold werk worden georiënteerd, klinken de uitspraken van deze twee grote geleerden verbazend actueel. Misschien is het tijd om de traditie van solidariteit in de Republiek der Letteren in ere te herstellen.

Meer lezen over Drapiez, Prigogine en de andere naar België gevluchte wetenschappers kan op Bestor.

Lyvia Diser is gastblogger.  Ze  verdedigde in 2013 haar proefschrift Ambtenaren in witte jas. Laboratoriumwetenschap in het Belgisch overheidsbeleid (1870-1940). Momenteel is ze wetenschappelijk medewerker voor Bestor (Belgian Science and Technology Online Resources), een wetenschapshistorisch project onder de vleugels van het Nationaal Comité voor Logica, geschiedenis en filosofie der wetenschappen en Nationaal Centrum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen.

Karikatuur van Marie en Pierre Curie in Vanity Fair,  1904.
Karikatuur van Marie en Pierre Curie in Vanity Fair, 1904.

In 1903 wonnen Marie en Pierre Curie samen met Henri Becquerel de Nobelprijs voor Natuurkunde. Een jaar later memoreerde het Amerikaanse Vanity Fair de eerste vrouwelijke Nobelprijswinnaar en haar echtgenoot via een dubbelportret waarop hun ontdekking van radium werd verbeeld. Pierre staat op de voorgrond. De veel kleinere Marie staat achter hem en kijkt mee naar het zonet ontdekte radium. Compositorisch mocht de keuze om de kleinste persoon achteraan te plaatsen onhandig zijn, de vraag wie van hen de leiding had, was zo wel meteen beantwoord. Ook in de jaren nadien zou daar in de publieke opinie weinig twijfel over bestaan. Na Pierres dood werd Marie bijvoorbeeld ‘de weduwe van de uitvinder van het radium’ genoemd.

Het beeld was ook op een meer specifieke manier gekleurd door een stereotiepe invulling van mannelijke en vrouwelijke rollen in de wetenschap. In zijn ene hand houdt Pierre een boek, in de andere het resultaat van het onderzoek. Marie houdt één hand op de experimenteertafel en de andere op Pierres schouder en verbindt de denkende Pierre zo met het materiële werk dat nodig was voor de ontdekking. Die werkverdeling werd expliciet verbeeld in verschillende foto’s die van hen samen werden gemaakt: Marie als doener, aan het werk met labomateriaal, Pierre als denker, met een boek. In populariserende beschrijvingen van het labo-Curie heette het dan dat Pierre nadacht terwijl Marie geduldig roerde in de potten met kokende vloeistoffen waaruit radium zou worden geïsoleerd.

Het patroon refereerde aan een reële werkverdeling tussen beide wetenschappers, maar vergrootte de verschillen tussen hen beiden ook uit. Zoals uit hun gezamenlijke laboschriftjes blijkt, had geen van beiden een monopolie op de titel ‘doener’ of  ‘denker’. In het publieke beeld van wetenschap bleef het predicaat van ‘denker’ én van ‘ontdekker’ aan mannen voorbehouden.

Tekst: Kaat Wils. Foto: Wikimedia Commons.

Een autopsie in het Sint-Jansziekenhuis te Brussel, 1892.
Een autopsie in het Sint-Jansziekenhuis te Brussel, 1892.

In de late negentiende eeuw werden gedwongen dissecties controversiëler. Tot dan toe konden de lijken van arme ziekenhuispatiënten voor onderzoek en onderwijs worden gebruikt, zonder hun toestemming en ongeacht protest. De rechtvaardiging hiervoor was dat ‘gratis’ zorg het lichaam van de arme tot gemeenschappelijk goed maakte. Met de kennis geborgen in hun lichaam betaalden arme patiënten hun schulden aan de maatschappij, die hun behandeling had bekostigd.

Onder invloed van protest van de opkomende socialistische partij (die onderzoek op lichamen van armen veroordeelde als klassenjustitie) werden strengere regels opgesteld. Armen mochten niet meer zomaar worden gedissecteerd. Dit leidde tot een tekort voor de medische faculteit, die een oplossing vond in een vermeerdering van het aantal autopsieën. Autopsieën konden immers worden uitgevoerd zonder toestemming én in het geniep: medici maakten zich sterk dat familieleden niet zouden merken dat er een autopsie op het lichaam van hun overleden geliefde was uitgevoerd.

Autopsiehandboeken hechtten inderdaad steeds meer belang aan de integriteit van het lichaam. Snijden moest zo gebeuren dat het ‘volledig verborgen kon worden door een hemd’. Het gezicht en de handen, de lichaamsdelen die wij het meest vereenzelvigen met identiteit, mochten niet worden aangeraakt. Verwijderde organen werden vervangen door ‘watjes of doeken’ opdat de uiterlijke vorm van het lichaam niet zou veranderen. De praktijk van de autopsie veranderde zo onder invloed van sociale gevoeligheden. De autopsie was voortaan onzichtbaar. Lijken werden innerlijk geplunderd, maar bleven uiterlijk intact. Op deze manier is de vrouw op de foto, wier lichaam ondanks de vele verwijderde organen verrassend intact lijkt, een stille getuige van de worsteling van de laatnegentiende-eeuwse anatoom, die steeds moeilijker aan lijken kwam.

Tekst: Tinne Claes. Foto: Archief OCMW Brussel.

Toen het West-Vlaams nog barbaars was

‘Er wordt te veel West-Vlaams gesproken aan Kulak’, zo berichtte Albert Van Windekens, de decaan van de Leuvense faculteit Wijsbegeerte en Letteren, aan de Kortrijkse docenten in november 1966. Het taalgebruik van de studenten in de wandelgangen van de Leuvense afdeling deed hem pijn aan de oren. Hoezeer hij aan het begin van het eerste academiejaar van Kulak de toekomstige studenten ook had aangespoord hun ‘particularisme’ af te leggen zodat zij werkelijk als universitairen konden worden beschouwd, toch bleven de jongeren in Kortrijk zich uitdrukken in het dialect van hun streek. Zoals vele anderen was ook Van Windekens van mening dat dit niet alleen blijk gaf van een kortzichtige kerktorenmentaliteit van de West-Vlaamse jeugd, maar ook een blaam was voor de Katholieke Universiteit Leuven. Die maakte zich immers sterk met haar universitaire afdeling in Kortrijk de intellectuele ontplooiing van de kustprovincie te bevorderen.

Het wilde Westen

Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

Hoewel in de realiteit vooral politieke en katholieke druk de Katholieke Universiteit Leuven in het midden van vorige eeuw had overhaald om een afdeling in Kortrijk te stichten, werd het initiatief in de nationale en regionale pers voornamelijk voorgesteld als een ‘gunst’ van de Leuvense universiteit aan het ‘achtergestelde’ West-Vlaanderen. De universiteit bracht de kustprovincie de beschaving en creëerde er een ‘intellectueel en cultureel milieu’ waar niet alleen de West-Vlaamse jongeren maar de hele regionale bevolking van zou profiteren. Critici vroegen zich echter af of het schijnbaar grootmoedige gebaar wel zin had. Zou Kulak ooit een universitair onderwijsniveau halen, zo ver verwijderd van haar Leuvense Alma Mater?

Na zijn plaatsbezoek aan Kulak in november 1966 vreesde Van Windekens alvast even dat de criticasters het bij het rechte eind hadden. De studenten die hij aan Kulak had ontmoet, spraken volgens hem amper Algemeen Beschaafd Nederlands. Mochten zij zichzelf dan wel universitair geschoold, intellectueel ontplooid en ‘beschaafd’ noemen? Aan Kulak deelden de jonge docenten in de bezorgdheid van de Leuvense decaan. Velen van hen waren van buiten de West-Vlaamse provincie afkomstig, en vonden het taalgebruik van hun studenten ongepast. Herhaaldelijk spoorden zij hun pupillen aan correct te spreken: het zou niet alleen de studenten, maar ook het imago van Kulak ten goede komen.

ABN verheft het volk

P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

De opdracht tot taalkundige beschaving van de West-Vlaamse jeugd werd door niemand zo ernstig genomen als door de Nederlandse taalkundige Pieter Cornelis Paardekooper. De hoogleraar vormde jarenlang het gevreesde gezicht van de opleiding Germaanse filologie aan Kulak. Vóór hij in 1970 aan Kulak werd benoemd, was hij bij vakgenoten in Nederland en Vlaanderen al bekend door de introductie van zijn grammaticale ontleedmethode (de ‘methode Paardekooper’) op basis van een verzameling speciaal door hem ontworpen tekens. Bij het grote publiek in België en ook in Frans-Vlaanderen was hij dan weer beroemd en berucht als fervent voorvechter van de positie van het Nederlands in beide gebieden. Door zijn compromisloze uitspraken werd hem zelfs een tijdlang de toegang tot het Belgische grondgebied ontzegd – een verbod dat hij zorgeloos aan zijn laars lapte.

 Aan Kulak voerde Paardekooper een ware kruistocht tegen het ‘barbaarse’ West-Vlaamse dialect, dat de West-Vlamingen volgens hem beperkte in hun mogelijkheden en geloofwaardigheid. Zijn betoog vond een korte tijd gehoor bij zowel docenten als studenten uit de richting Germaanse filologie. Die laatsten hadden overigens al vóór de komst van Paardekooper een poging gedaan om het studentenblaadje ’t Kulakske om te dopen tot Het Kulakje, omdat dat nu eenmaal beter Nederlands was. Zij stootten echter op hevig verzet van hun collega-studenten uit andere, niet-filologische richtingen, die de germanisten een arrogant en betweterig gedrag verweten. Het studentenblaadje nam vrij vlug terug zijn vertrouwde naam in het dialect aan.

Een universitair onderwijsniveau

Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Het idee dat de verspreiding van het ABN tot ‘volksverheffing’ zou leiden, verloor in de loop van de jaren 1970 en verder in de jaren 1980 aan kracht. Taal werd minder gelinkt aan zware concepten als ‘beschaving’ of een ‘universitaire vorming’. Ook de Kortrijkse docenten bekommerden zich minder om taal als een exponent van het onderwijsniveau van de instelling: dat Kulak wel degelijk een universitair onderwijsniveau haalde, bewezen na verloop van tijd immers de goede slaagcijfers van de Kulakstudenten. De Katholieke Universiteit Leuven op haar beurt interpreteerde haar aanwezigheid in West-Vlaanderen niet langer als een beschavende opdracht, maar als een economische opportuniteit. Door de groeiende concurrentie tussen de universiteiten in de jaren 1980 en 1990 werd de Kortrijkse campus van voormalige ‘gunst’ van de Leuvense universiteit ten aanzien van de West-Vlaamse bevolking, steeds meer een Leuvense ‘rekruteringspost’ voor West-Vlaams talent.

Alleen Paardekooper bleef vergadering na vergadering aandringen bij zijn collega’s om de studenten te verplichten ABN te spreken. Zijn brieven en bedes werden meestal mondeling bevestigd, maar amper in de praktijk omgezet. De strenge en rechtlijnige gedachtegang van de Nederlander maakte hem tot een lastig figuur die men liever negeerde.  En ook zijn zonderlinge levensstijl droeg weinig bij aan zijn geloofwaardigheid. Zijn moestuin met worteltjes op de campusgronden, zijn onafscheidelijke fiets met zwarte tassen, de omvorming van zijn kantoor tot zijn quasi permanente verblijfplaats, en zijn gewoonte om met ontbloot bovenlijf te zonnen achter zijn kantoorraam: het reduceerde hem tot een klucht en een dankbaar onderwerp voor cartoons in ’t Kulakske.

Saartje Vanden Borre is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en verbonden aan de Lerarenopleiding Geschiedenis. In 2015 publiceerde ze naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de Kulak het boek Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.

Het zachte gedruis van het leven

‘O, het leven na de dood teruggeven, welk eene taek voor een mensch’. De pogingen van de anatoom Adolphe Burggraeve en zijn assistent Edouard Meulewaeter om dode lichamen op een levendige manier te prepareren, rekenden op veel bewondering in de pers. Die bewondering werd ook gedeeld door de bezoekers van het anatomisch kabinet  van de Universiteit Gent. Naar aanleiding van de Gentse gemeentefeesten werd in 1837 de anatomische collectie opengesteld voor een breed publiek. De ‘schijn van het leven’ van de preparaten betoverde de toeschouwers, zoals werd gerapporteerd in het Bulletin van het Gentse geneeskundige genootschap.

Een stukje huid geïnjecteerd met kwik om de werking van het lymfensysteem te verduidelijken. Preparaat vervaardigd door Adolphe Burggraeve, Collectie Gents Universiteitsmuseum.
Een stukje huid geïnjecteerd met kwik om de werking van het lymfensysteem te verduidelijken. Preparaat vervaardigd door Adolphe Burggraeve, Collectie Gents Universiteitsmuseum.

Volgens het verslag ging alle aandacht uit naar het preparaat van een pasgeboren kind dat vredig leek te rusten in een glazen bokaal. De tentoongestelde lichamen werden door het publiek niet met de dood maar met de slaap geassocieerd. De Gentse anatomen injecteerden de lijken op zo’n manier dat de lichamen hun ‘natuurlijke’ huidskleur behielden. De rozige teint van de huid overtuigde de toeschouwers dat ‘het zachte gedruis van het leven’ nog steeds aanwezig was in de geconserveerde lichamen. De dood kreeg hierdoor een nieuwe betekenis en werd niet langer geassocieerd met de rottingsprocessen en de ontbinding van het lijk. De preparaten benadrukten de pracht van het anatomische lichaam en de schoonheid van de dood.

De identiteit van de personen die tot preparaat werden vervormd, is moeilijk te achterhalen. Meestal belandden de lichamen van arme patiënten uit de ziekenhuizen in de handen van de anatoom. Wanneer de familie van een overledene de begrafeniskosten niet kon betalen, verzorgde het hospitaalbestuur de graflegging in ruil voor een dissectie van het lichaam. Omdat overledenen dus nooit hun toestemming gaven voor de conservering van hun lichaam mogen vandaag ook geen foto’s online worden gepubliceerd van sommige preparaten.

Doodskunstenaars

Gravure van een preparaat van Frederik Ruysch.
Gravure van een preparaat van Frederik Ruysch.

De preparaten in het Gentse kabinet herinnerden aan het werk van de Nederlandse anatoom Frederik Ruysch. Hij ontdekte in de zeventiende eeuw een nieuwe manier om lichamen te conserveren en verwierf daardoor een grote bekendheid. Ruysch’ preparaten belichaamden een elegantie en schoonheid door hun levendige voorkomen en hun decoraties in textiel en kant. Omdat de preparaten zo’n sierlijk uiterlijk hadden, verkreeg Ruysch de bijnaam ‘de doodskunstenaar’.

Hoewel elegante preparaten niet langer als ‘wetenschappelijk’ beschouwd werden in de negentiende eeuw, zocht Burggraeve expliciet de associatie met de Nederlandse anatomische traditie. Burggraeve kleedde anatomische preparaten opnieuw aan met textiel naar het voorbeeld van de preparaten van Ruysch. Een bezoek aan de anatomische collecties van Leiden en Utrecht had Burggraeve geïnspireerd om sierlijke preparaten te vervaardigen. In Leiden zag hij waarschijnlijk enkele preparaten van Ruysch samen met de preparaten van Albinus, waaronder het preparaat van een kinderhand dat een stukje oogvlies vasthoudt. De kinderhand van Albinus was een verwijzing naar de preparaten van Frederik Ruysch. Het gebruik van de hand in anatomische preparaten werd een symbool voor het belang van zintuigen en vaardigheden voor de studie van de anatomie.

Preparaat van een kinderhand vervaardigd door B.S. Albinus. Museum Boerhaave, collectie LUMC. Fotograaf J. Ebenstein.
Preparaat van een kinderhand vervaardigd door B.S. Albinus. Museum Boerhaave, collectie LUMC. Fotograaf J. Ebenstein.

Net zoals een dissectie, was het vervaardigen van een preparaat een moeilijke opdracht die veel oefening en behendigheid vroeg. Een preparaat uit de anatomische collectie van Gent toont daarom het half gedissecteerde hoofd van een vrouw waar een hand aan werd toegevoegd. De elegante, intacte hand vermenselijkte het opengesneden en gemutileerde lichaam van de vrouw en plaatste het preparaat opnieuw in een lange anatomische traditie.

Een felbegeerd geheim

Sierlijke preparaten verloren over het algemeen hun wetenschappelijke relevantie op het einde van de achttiende eeuw. Toch verkregen de preparaten van Burggraeve wel nog een grote waardering in de Gentse medische wereld. De mogelijkheid om het dode lichaam voor te stellen als levend, bleef haar nut voor het onderwijs behouden. Zo zouden studenten voortaan het levende lichaam kunnen bestuderen aan de hand van het dode lichaam. Verschillende processen die zich enkel voordoen in het levende lichaam, zoals de bloedsomloop of de werking van de lymfevaten, werden door de tussenkomst van de anatoom zichtbaar gemaakt.

Portret van Adolphe Burggraeve.
Portret van Adolphe Burggraeve.

De medische wereld speculeerde duchtig over de preparatietechniek van Burggraeve. De anatoom suggereerde via het levendige uiterlijk en de stijl van de preparaten dat hij de injectiemethode van Ruysch had herontdekt. Net daarom veroorzaakten de preparaten van Burggraeve zo’n ophef; in de eerste helft van de negentiende eeuw werd aangenomen dat het recept van de injectiemethode immers verloren was gegaan. Burggraeve vestigde zijn prestige als anatoom door te stellen dat hij er als eerste in de geschiedenis in was geslaagd om een vaak gezocht raadsel op te lossen.

Pas vele jaren later onthulde Burggraeve de details van zijn injectiemethode. De preparaten werden opgespoten met roodgekleurde gelatine en bewaard in een verzuurde alcoholoplossing. Op dat moment toonden de opvolgers van Burggraeve niet langer belangstelling voor de elegante preparaten. De productie ervan nam te veel tijd in beslag en zelfs voor het onderwijs hadden ze nog nauwelijks nut. De preparaten werden in de tweede helft van de negentiende eeuw wel nog tentoongesteld als historische curiositeit, maar werden niet langer opgevoerd als toonbeeld van de schoonheid van het dode lichaam.

De preparaten van Burggraeve zijn nog tot 20 december te bezichtigen op de tentoonstelling Post-Mortem in Gent. Het dode lichaam wordt er benaderd vanuit een dialoog tussen wetenschap en hedendaagse kunst. De tentoonstelling plaatst een reeks objecten uit de universitaire collecties in de kijker met aandacht voor de geschiedenis van de anatomie. Deze blog is een bewerking van een tekst die eerder in de bezoekersgids van de tentoonstelling verscheen.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

De eerste Congolese student in Leuven

Gastblog door Sam De Schutter.

“Iemand moest de eerste zijn om op de deur te kloppen en ze te openen voor anderen. Ik heb er nooit spijt van gehad om het proefkonijn te zijn in een experiment dat de meeste Belgische kolonialen beschouwden als gevaarlijk, zoniet onmogelijk voor gelijk welke Congolees op dat ogenblik.”

In 1972 blikte de Congolese Thomas Kanza met deze woorden terug op zijn universitaire studies in Leuven. Twintig jaar daarvoor was hij er immers als eerste Congolees in geslaagd om te beginnen aan de Leuvense universiteit. Na vier jaar studeerde hij af en daarmee werd hij de eerste Congolees met een universitair diploma. Zowel Kanza als enkele andere Congolezen die in de jaren 1950 aan Belgische universiteiten studeerden, speelden een belangrijke rol in het verhaal van de Congolese onafhankelijkheid.

Geen elite, geen zorgen?

Thomas Kanza en Dag Hammarskjöld, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in 1961 omkwam in een vliegtuigongeluk in Congo.
Thomas Kanza en Dag Hammarskjöld, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die in 1961 omkwam in een vliegtuigongeluk in Congo.

De Belgische koloniale onderwijspolitiek wordt vaak samengevat in de slogan “pas d’élite, pas d’ennuis”. Er werd vooral gemikt op basisonderwijs en een algemene vorming, eerder dan de ontwikkeling van een intellectuele elite. Dat zou toch alleen maar voor problemen zorgen. Hoewel dit systeem na de Tweede Wereldoorlog steeds meer onder druk kwam te staan, bleef het toch nog tot 1954 wachten op een eerste universiteit op Congolese bodem.

België stond ook weigerachtig tegenover de optie om Congolezen aan Belgische universiteiten te laten studeren, uit schrik dat zij daar al te progressieve en radicale ideeën zouden opdoen. Er was dus geen beurzensysteem en het was dan ook geen sinecure voor Thomas Kanza om in 1952 zijn studies in België aan te vatten. Hij werd echter geholpen door een aantal Belgen die er vrij progressieve ideeën op nahielden wat betreft de kolonie en de emancipatie van het Congolese volk. Met de schriftelijke toestemming van rector Honoré Van Waeyenbergh en de financiële steun van zakenman Romain Nélissen kon Kanza op negentienjarige leeftijd uiteindelijk beginnen aan zijn studies pedagogische wetenschappen.

De opdracht die Thomas Kanza in 1956 schreef in zijn Congo, pays des deux évolués.
De opdracht die Thomas Kanza in 1956 schreef in zijn Congo, pays des deux évolués.

De periode die Thomas Kanza in Leuven doorbracht legde een eerste basis voor de rol die hij later zou spelen in de aanloop naar de Congolese onafhankelijkheid. Wat de Belgische kolonisator had gevreesd, bleek stilaan onvermijdelijk te worden: er ontstond inderdaad een Congolese elite die wel eens voor heel wat ennuis zou kunnen zorgen. De Congolese studenten in België vormden een belangrijke spil in dat proces. Na Kanza kwamen immers nog andere Congolezen studeren aan de universiteit van Leuven en ook de Brusselse universiteit telde enkele Congolezen onder haar rangen. Die studenten legden op hun beurt contact met andere Congolezen die naar België afreisden. De missies nodigden bijvoorbeeld al langer vrome Congolezen uit naar België.

Vanaf 1953 haalde ook de Belgische overheid tweejaarlijks een aantal Congolezen naar België voor een soort studiereis. Nu de komst van Congolezen naar België niet meer tegen te houden was, wilde België toch de controle behouden over wat zij in de metropool te zien kregen. Thomas Kanza beklaagde zich erover dat de Belgen liever met deze bezoekers praatten, die gematigder leken dan de “radicale en zelfs extremistische” studenten. De bezoekers op hun beurt hadden dan weer de indruk dat de Congolese studenten in Leuven voornamelijk protegés waren van de koloniale administratie en de missies, in tegenstelling tot de anti-koloniale en marxistische studenten van Brussel.

Naar de onafhankelijkheid

In Kanza’s geval blijkt dat laatste alvast niet helemaal te kloppen. Na zijn periode in Leuven was hij een belangrijke voorvechter van de emancipatie van het Congolese volk. Hij had nauwe contacten met allerlei spilfiguren uit de Belgische en internationale antikoloniale beweging. Zijn netwerk strekte zich uit van Belgische progressieven en antikolonialen tot grondleggers van de Franse Négritude-beweging. Toch valt in Kanza’s geschriften een vrij gematigde positie tegenover België te bemerken. Hij bekritiseerde het koloniale systeem en was zeer scherp voor de “onrechtvaardigheden en de raciale kwellingen” die de Congolezen moesten ondergaan, maar een volledige breuk met de kolonisator was nog niet meteen aan de orde.

Een brief die Thomas Kanza in 1952 schreef aan de algemeen directeur van de Usines Textiles de Léopoldville, met de vraag om zijn studies in Leuven te sponsoren en in bijlage de schriftelijke toestemming van rector Van Waeyenbergh.
Een brief die Thomas Kanza in 1952 schreef aan de algemeen directeur van de Usines Textiles de Léopoldville, met de vraag om zijn studies in Leuven te sponsoren en in bijlage de schriftelijke toestemming van rector Van Waeyenbergh.

Zelfs in een artikel uit 1959, ongeveer een jaar voor de onafhankelijkheid, werd de mogelijkheid van een “Belgo-Congolese federatie” niet afgeschreven. Dat heeft ongetwijfeld te maken met zijn studies in België, die hij doorgaans omschrijft als een positieve ervaring. In 1956 schreef hij een kort pamflet onder de titel Congo, pays des deux évolués. In het exemplaar dat nu nog in de Leuvense bibliotheek te vinden is staat een persoonlijke opdracht van zijn hand: “L’Université Catholique de Louvain ainsi que son Recteur Magnifique S. Exc. Mgr. H. Van Waeyenbergh resteront créanciers du Congo et du peuple congolais.”

Ook in daden leverden Thomas Kanza en vele andere Congolezen die in België studeerden een belangrijke bijdrage in de aanloop naar de onafhankelijkheid van Congo. Zo werd op de rondetafelconferentie in Brussel van 1960, waar Congolezen en Belgen onderhandelden over de nakende onafhankelijkheid, besloten om een gemeenschappelijk Congolees front te vormen onder impuls van de “Association des Etudiants noirs du Congo en Belgique”. Ook Kanza nam deel aan de conferentie.

Na de onafhankelijkheid bleven deze universitairen eveneens een belangrijke rol spelen. Thomas Kanza werd minister-afgevaardigde bij de Verenigde Naties in de regering van Lumumba. Vele andere oud-studenten van Belgische universiteiten kregen belangrijke posities na 1960: Justin Bomboko, Marcel Lihau, Mario Cardoso, André Mandi, … Het zijn maar enkele namen die hun stempel hebben gedrukt op de politieke ontwikkelingen van het onafhankelijke Congo.

Hoewel het voor Congolezen moeilijk was om voor 1960 in België te studeren en zij nooit met meer dan dertig waren, konden zij uiteindelijk door de Belgische overheid niet langer genegeerd worden. Zij vormden immers een belangrijke spil binnen de nationalistische elite die in de jaren 1950 in Congo ontstond en hebben zo bijgedragen tot de onafhankelijkheid van hun land.

Titelafbeelding: Patrice Lumumba (links), eerste minister van Congo, samen met Thomas Kanza, toen ambassadeur bij de VN, op een vergadering van de VN in juli 1960.

Sam De Schutter is gastblogger. Hij studeerde geschiedenis en antropologie in Gent en Leuven en is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Zijn interesse gaat uit naar migratiegeschiedenis en de geschiedenis van postkoloniaal Afrika. Daarbij ligt zijn focus voornamelijk op de migratie tussen Congo en Europa.

Paradijs der krankzinnigen

Het Kempense dorp Geel pakt graag uit met haar eeuwenoude traditie om psychiatrische patiënten opvang te bieden in pleeggezinnen. Het Geelse kostgangersysteem wordt vaak gezien als de voorloper van een moderne trend in de geestelijke gezondheidszorg, waarbij wordt ingezet op het thuis verzorgen van psychiatrische patiënten. De organisatie van de opvang van patiënten onderging echter grote transformaties in de negentiende eeuw, waardoor de Geelse situatie minder uniek werd. Toch bleef de buitenwereld Geel beschouwen als een ‘paradis des fous’.

Dwalen door de straten

VeroniqueDeblon-Geel-GeelLangAl in de middeleeuwen was Geel een bedevaartsoord voor geesteszieken die genezing zochten bij de Heilige Dimpna. Nadien bleven velen er wonen of werden ze opgevangen bij inwoners van het dorp. De buitenlandse interesse in de Geelse gezinsverpleging groeide vanaf de negentiende eeuw. Artsen discussieerden over de zin en onzin van gezinsverpleging en brachten vaak een bezoek aan het dorp om de werking van het systeem te observeren. Ze troffen er een aparte situatie aan: geesteszieken mochten er immers in alle vrijheid door de straten ‘dwalen’.

Commentaar op het Geelse systeem uitte zich in een ruimtelijke en een medische kritiek en kwam voornamelijk uit de hoek van de ‘aliënisten’. Deze groep artsen ontwikkelde in de eerste helft van de negentiende eeuw een nieuwe methode om psychische aandoeningen te behandelen. Zij predikten het gebruik van de ‘morele therapie’. Patiënten werden behandeld door hen te isoleren van hun gebruikelijke omgeving. In een gespecialiseerde instelling werden ze vervolgens onderworpen aan een streng regime van rust, orde en discipline. Het morele gezag van de arts speelde een belangrijke rol in het genezingsproces.

Het huis van de psychiatrie

Decoratief traliewerk volgens Guislain.
Decoratief traliewerk volgens Guislain.

In België was Joseph Guislain de bekendste voorstander van de nieuwe therapie. In zijn thuisstad Gent ijverde hij voor de bouw van een nieuwe instelling, aangepast aan de laatste ontwikkelingen in de medische wetenschap. Zo werden mannen en vrouwen strikt van elkaar gescheiden en werden de patiënten volgens hun ziekte gecategoriseerd en samen in de instelling ondergebracht.

De architectuur van de instelling was erop gericht de patiënt af te leiden van de opsluiting. Ook al waren dezelfde controlemechanismes er aan het werk, Guislain meende dat de instelling niet de indruk mocht wekken een gevangenis te zijn. De tralies van de ramen moesten op een decoratieve manier in het raamwerk worden verwerkt. De ommuring van de instelling werd verborgen achter een grote haag.

Joseph Guislain (Universiteitsarchief Gent).
Joseph Guislain (Universiteitsarchief Gent).

Guislain streefde naar een hervorming van het psychiatrische landschap in België. Hij zocht en kreeg hiervoor steun van de overheid. Oorspronkelijk ijverde hij voor een stopzetting van het kostgangerssysteem in Geel. De vrijheid die de kostgangers genoten, de afwezigheid van een classificatie en het gebrek aan therapie maakten het systeem ongeschikt voor de genezing van psychische aandoeningen. Uit de parlementaire debatten uit deze periode blijkt echter dat de economische voordelen van de gezinsverpleging primeerden op de bezwaren van de aliënisten. Het was immers veel goedkoper om patiënten onder te brengen in gastgezinnen, waar ze kost en inwoon genoten in ruil voor hun werk in de landbouw.

Toch werd ook tegemoetgekomen aan de bezwaren van de aliënisten. In 1851 werd aan de nieuwe krankzinnigenwet een organiek reglement toegevoegd dat de uitzonderlijke toestand van Geel regelde. De zorg voor de zieken kwam in handen van de staat en Geel werd tot rijkskolonie verklaard. Er werd beslist een ziekenzaal in het dorp neer te planten om betere medische zorgen te verstrekken.

De illusie van de vrijheid

De infirmerie te Geel.
De infirmerie te Geel.

De ziekenzaal werd ontworpen door Adolphe Pauli, de architect die eerder in samenspraak met Guislain het instituut in Gent creëerde. De infirmerie vertoonde dan ook grote gelijkenissen met zijn Gentse tegenhanger. Het gebouw werd opgetrokken in dezelfde eclectische stijl en werd voltooid in 1862. Ondertussen stond in de kolonie een nieuwe directeur aan het roer. Dokter Bulckens was een leerling van Guislain en voerde tijdens zijn bewind verschillende hervormingen door, gebaseerd op de theorieën van zijn leraar.

De infirmerie fungeerde niet langer uitsluitend als ziekenzaal, maar werd ook gebruikt als ‘maison de correction’. Patiënten die zich in hun gezin niet correct gedroegen, werden als straf enkele dagen opgesloten in de infirmerie. Nieuwe patiënten die opgevangen werden in het dorp, werden eerst ter observatie opgenomen om hen correct te diagnosticeren. De patiënten werden daarna ingedeeld in categorieën waarop de nieuwe ruimtelijke indeling van het dorp was gebaseerd. Hierdoor kon men gemakkelijker toezicht houden op de patiënten en hun kostgezinnen.

VeroniqueDeblon-Geel-InfirmerieDe hervormingen transformeerden het dorp tot ‘een immense instelling’. De Geelse gezinsverpleging kreeg een andere status in de medische wereld. Artsen die het dorp bezochten concludeerden dat de patiënten er niet langer leefden in ‘totale vrijheid, maar ze hebben op zijn minst de illusie van de complete vrijheid’. Zowel in Gent als in Geel werd de vrijheid van de patiënt beknot door middel van de architectuur en de ruimtelijke indeling.

Een blik op de gelijkenissen tussen de klassieke instelling van Gent en het ‘buitenbeentje’ Geel relativeert de ‘uniciteit’ van de Geelse gezinsverpleging in de negentiende eeuw. De zorg in het dorp werd hervormd volgens een systeem waarbij isolement en opsluiting centraal stonden. Toch werd op zijn minst de ‘illusie van de vrijheid’ in Geel behouden, waardoor het vandaag nog steeds gezien wordt als de prelude van de deïnstitutionalisering van de psychiatrie in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Meer lezen

Eddy Muyllaert, ‘Médecin par état, architecte par goût. Joseph Guislain en de architectuur’, in P. Allegaert e.a. red., Geen rede mee te rijmen: geschiedenis van de psychiatrie, Tielt, 2012, 66-70.

Titelafbeelding: Stereofoto van de psychiatrische instelling van dokter Guislain in Gent, ca. 1860.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Hoe het embryo een kind werd

Op Pasen herdacht aartsbisschop Léonard tijdens de hoogmis alle ‘kinderen’ die sinds 1990 ‘slachtoffer’ werden van de abortuswet. Hij maande de aanwezige gelovigen aan om ‘nooit te vergeten dat wij allemaal ooit dat kleine embryo, die foetus waren in de moederschoot’. De logica van Léonard lijkt ons evident. Omdat wij allemaal ontstonden uit een embryo, voelt het natuurlijk een embryo te beschouwen als een klein mensje, als een individu in de kiem. Toch zijn embryo’s minder natuurlijk dan cultureel bepaald. Het was de negentiende-eeuwse embryoloog die het embryo construeerde als een onafhankelijk persoon. Het embryo werd geïsoleerd van de vrouw, die het alleenrecht over haar zwangerschap verloor – een denkwijze die doorleeft tot vandaag.

De geboorte van het embryo

De Duitse modelleurs Adolf en Friedrich Ziegler waren de belangrijkste producenten van embryologische modellen in de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Zelf beweerden ze over embryologie te ‘publiceren in plastiek’.
De Duitse modelleurs Adolf en Friedrich Ziegler waren de belangrijkste producenten van embryologische modellen in de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Zelf beweerden ze over embryologie te ‘publiceren in plastiek’.

Vroeger verwachtten zwangere vrouwen geen embryo. Voorstellingen van de inhoud van de baarmoeder waren schematisch en symbolisch. Vaak werd het ongeboren leven afgebeeld als het kindje Jezus of als een volwassene in klein formaat. Het ‘residu’ van miskramen was onherkenbaar, en werd door families en medici begraven of weggegooid. De embryologische wetenschap bracht hier in de negentiende eeuw verandering in. Embryo’s en foetussen werden verzameld en onder de microscoop geplaatst. Dit ging samen met een medicalisering van het miskraam: vrouwen leerden om een arts te raadplegen bij abnormaal bloedverlies en om foetussen niet weg te gooien maar aan een dokter te geven. Zwangerschapsverlies produceerde niet langer ‘afval’ of ‘klonters bloed’, maar een belangrijk medisch object: het embryo.

Eén van de invloedrijkste reeksen over menselijke embryologie uit de late negentiende eeuw was de Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His. (Wilhelm His, Anatomie menschlicher Embryonen Teil 3. Zur Geschichte der Organe, 1885.)
Eén van de invloedrijkste reeksen over menselijke embryologie uit de late negentiende eeuw was de Normentafel van de Duitse embryoloog Wilhelm His.

Meer nog dan andere anatomen, waren embryologen afhankelijk van visuele en materiële representaties om hun onderzoeksresultaten te communiceren. De vorm van embryo’s was immers erg fragiel en hun structuur was enkel waarneembaar met een microscoop. Zorgvuldig gemaakte tekeningen, modellen en preparaten maakten het embryo zichtbaar. De belangrijkste representatievorm was de reeks. Embryologen plaatsten verzamelde embryo’s en foetussen naast elkaar om de menselijke ontwikkeling te tonen. Door embryo’s steeds groter en menselijker weer te geven, werd de zwangerschap geschetst als een lineair proces van conceptie tot geboorte; van embryo tot kind. De reeks wekte zo de illusie dat het niet ging om verschillende dode preparaten afkomstig van miskramen, maar om één levend, zich ontwikkelend individu.

In populaire publicaties gingen deze reeksen van miskramen en doodgeboortes, ironisch genoeg, het ongeboren, zich ontwikkelend leven belichamen. In de publieke verbeelding werd de dood een symbool van het leven. Bovendien moedigden reeksen aan om de continuïteit te zien tussen embryo’s, foetussen en baby’s. De menselijkheid van het laatste figuur, het volgroeide kind, werd overgebracht op het eerste figuur, het embryo. Ook vroege embryo’s – die niet op mensen lijken -kregen zo menselijkheid. De startlijn van het leven verschoof. De afbeeldingen bevatten de boodschap dat ‘wij’ niet bestaan vanaf de geboorte maar vanaf de conceptie: de boodschap waar Léonard op Pasen naar verwees.

Het embryo als persoon

De foto’s van de Zweedse fotograaf Lennart Nilsson veroverden in 1965 de wereld. Hoewel voorgesteld als ‘het drama van het leven voor de geboorte’, toonden vele van zijn beelden chirurgisch verwijderde (dode) embryo’s en foetussen.
De foto’s van de Zweedse fotograaf Lennart Nilsson veroverden in 1965 de wereld. Hoewel voorgesteld als ‘het drama van het leven voor de geboorte’, toonden vele van zijn beelden chirurgisch verwijderde (dode) embryo’s en foetussen.

Tot de negentiende eeuw nam men aan dat de vrouw de ontwikkeling van het kind stuurde. Omdat het embryo gezien werd als een deel van de zwangere vrouw, werd haar goede gemoed cruciaal geacht voor de ontwikkeling van een gezond kind. Embryologen verwierpen deze theorie als bijgeloof en stelden daarentegen dat het embryo een onafhankelijk organisme was. De ontwikkeling van het kind was volgens hen het gevolg van biologische processen waar de moeder geen invloed op had. Eens verwekt, zouden gezonde kinderen zich op hun eentje ontwikkelen. Embryo’s kregen zo niet alleen een menselijke vorm, maar ook individualiteit toegeschreven.

In vroegtwintigste-eeuwse populaire publicaties werden deze embryologische theorieën aangegrepen om te bepleiten dat het embryo een persoon was. Zo leidde een boek uit 1931 uit de eigen bloedsomloop van de foetus af dat ‘het zijn eigen leven leidt, en zich al gedraagt als een onafhankelijk geheel, als een levende eenheid, een individu.’ Sterker nog: ‘het is niet alleen een individu maar een persoon.’

TinneClaes-EmbryoKind-NilssonOok in afbeeldingen werd het embryo weergegeven als een autonoom persoon: vaak zonder vruchtvliezen of navelstreng, rechtop en met een nadruk op de menselijke vorm. Deze traditie zet zich voort tot vandaag. Op de iconische foto’s van Lennart Nilsson lijkt de foetus eerder eenzaam te zweven in de ruimte dan veilig te verblijven in de moederschoot. Hedendaagse anti-abortuspropaganda toont goedgevormde kindervoetjes, maar geen baarmoeder.

De nageboorte

Dat brengt ons bij de opvallende afwezige in dit verhaal: de zwangere vrouw. Het embryo of de foetus was niet langer deel van haar lichaam. Terwijl het embryo een persoon werd, werd de vrouw gereduceerd tot broeikas. Het embryo ontwikkelde zich weliswaar in haar lichaam, maar bestond verder op zichzelf. In het embryologische verhaal over zwangerschap was de placenta niet alleen een ondoordringbare scheidingswand tussen het embryo en de vrouw, maar ook tussen een ‘persoon’ – de foetus – en zijn of haar ‘omgeving’ – de moeder.

De verpersoonlijking van het embryo baarde legale en ethische problemen. Een zwangerschap werd een potentieel conflict tussen twee individuen. Abortus evolueerde in België van een aanvechting van de openbare zeden naar een strafrechtelijke zaak tegen een persoon – een legale verandering die recent nog door de Unie van de Nederlandstalige abortuscentra als achterhaald werd bestempeld, maar springlevend is in de redenering van onze aartsbisschop. Als we het embryo zien als een persoon wordt abortus immers moord. De opkomst van foetale chirurgie, die soms erg risicovol is voor de moeder, kan alleen worden begrepen in onze huidige Westerse conceptie van zwangerschap en ongeboren leven. Stamcelonderzoek op embryo’s wordt dan weer in verschillende landen aan banden gelegd. De groeiende gelijkstelling van embryo, foetus en kind lijkt te leiden tot een dubbele standaard, waarbij de vrouw aan belang verliest. De verpersoonlijking van het embryo gaat, jammer genoeg, ten koste van de vrouw – die nochtans ook een persoon is, met rechten.

Meer lezen

Lynn M. Morgan, Icons of Life. A Cultural History of Human Embryos (University of California Press 2009).

Tatjana Buklijas en Nick Hopwood ontwikkelden een interessante online tentoonstelling over de visualisering van menselijke embryo’s van de middeleeuwen tot vandaag: Tatjana Buklijas en Nick Hopwood, Making Visible Embryos (2008-2010): http://www.hps.cam.ac.uk/visibleembryos/.

Tinne Claes is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Samen met Veronique Deblon werkt ze op een project over anatomie in België in de negentiende eeuw. Ze onderzoekt de zichtbaarheid, het prestige en de betekenis van anatomie in de academische en populaire cultuur tussen 1860 en 1930.

Shell shock, of de levende Onbekende Soldaat

Wie tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw op de schoolbanken zat, kon niet ontsnappen aan de alomtegenwoordigheid van de oorlog. Al in de onmiddellijke nadagen van het conflict investeerde de Belgische overheid in de verspreiding van een vaderlandslievend relaas over de moedige strijd van het Belgische volk en zijn helden. Wie te jong was om eigen herinneringen aan de oorlog te hebben, zou leren herinneren op school.

Een Duitse soldaat met shell shock.
Een Duitse soldaat met shell shock.

Grote afwezige in dit verhaal waren de duizenden soldaten die psychisch aan de oorlog ten onder waren gegaan. Anders dan de fysiek verminkte soldaten werden zij niet opgevoerd als na te volgen voorbeelden die vaderlandsliefde en moed met hun gezondheid hadden betaald. Zelfs de minderheid van pacifistisch of internationalistisch ingestelde leraren die hun leerlingen liefde voor de vrede en afkeer van de oorlog wilden bijbrengen, besteedde verrassend genoeg geen aandacht aan de psychische tol van oorlog. Het inzicht dat oorlog psychisch trauma met zich meebrengt, zou pas vanaf de late jaren 1970 breed maatschappelijk gehoor vinden. De Amerikaanse mobilisatie rond de Vietnamoorlog en zijn verwoestende effecten op de veteranen speelde daar een grote rol in. Tot dan regeerde het stigma van lafheid en gebrek aan mannelijkheid.

Nationale traumaculturen

Dat soldaten last krijgen van oorlogsmoeheid, is al sinds de oudheid bekend. Traditioneel werd die toestand met de term ‘nostalgie’ aangeduid. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog in de jaren 1860 – de periode waarin de psychiatrie en de neurologie zich als aparte medische disciplines ontwikkelden – werd de specifiekere term ‘neurasthenie’ gebruikt. En tijdens de Eerste Wereldoorlog deed de term ‘shell shock’ zijn intrede. Hoewel deze naam verwees naar de directe effecten van ontploffende granaten, groeide al vroeg tijdens de oorlog het besef dat ook wie niet onmiddellijk in vuurgevechten betrokken was, ziek kon worden door angst en onzekerheid. De symptomen waren niet min: verlamming, doofheid, stomheid, spasmen, waanbeelden, angsten, geheugenverlies. De omvang en intensiteit van het eeuwenoude fenomeen leek samen met de gewelddadigheid en het industrieel karakter van de oorlog exponentieel te zijn toegenomen.

Om shell shock te verhelpen werd geëxperimenteerd met elektrotherapie.
Om shell shock te verhelpen werd geëxperimenteerd met elektrotherapie.

Hoewel shell shock zich in alle oorlogvoerende landen op grote schaal voordeed, was de betekenis die de aandoening kreeg in elk land anders. Centraal in de discussie stond de vraag of de symptomen volledig gezonde mannen konden treffen, dan wel of het slechts ging om mensen die al een fysieke of mentale aanleg tot ziekte hadden. Dat kerngezonde dappere jongens ten prooi konden vallen aan totale aftakeling, bleek een moeilijk te aanvaarden realiteit. Zo leefde in Frankrijk in medische en militaire kringen de overtuiging dat oorlogshysterie (zoals shell shock daar veelal werd genoemd) eigenlijk een probleem van een falende wil was, en dus een probleem van lafheid en verraad. Bestraffing en ‘heropvoeding’ via zware elektrotherapie en het dwingend inpraten op de soldaten was het antwoord. In Italië werden verbanden gelegd met erfelijk geachte fenomenen van fysieke en mentale degeneratie onder de ‘lagere’ bevolkingsgroepen. Gezien het grote tekort aan soldaten was de militaire druk op artsen er bijzonder groot; hun devies was dat met pijnlijke en bestraffende methodes soldaten sneller opnieuw naar het front konden worden gestuurd dan met een teveel aan empathie.

Sommige Amerikaanse artsen lieten soldaten vissen en zwemmen als therapie.
Sommige Amerikaanse artsen lieten soldaten vissen en zwemmen als therapie.

In Groot-Brittannië was het beeld veel diffuser. De kwestie van de ‘aanleg’ beroerde ook hier de gemoederen, maar veel artsen konden niet anders dan vaststellen dat shell shock ook kerngezonde jongens trof. De gehanteerde therapieën waren diverser, maar eenduidige resultaten bleven uit. Lichte elektrotherapie bleek vaak het enige middel om verlamming te verhelpen, al werd de nood aan (tijdsintensieve en dus dure) psychotherapie door velen erkend. Maar net als elders kregen ook hier fysieke verwondingen prioriteit boven mentale problemen. En ook hier werden soldaten geëxecuteerd wegens verraad of desertie, terwijl zij eigenlijk – zo besefte men soms toen al – aan shell shock leden. De grootste erkenning van de realiteit en de specificiteit van de problematiek was te vinden in de Verenigde Staten. Een latere intrede in de oorlog en een sterkere positie van de psychiatrie binnen het leger maakten er een meer systematische opbouw van expertise mogelijk.

Ook in België toonden psychiaters zich over het algemeen begripvol ten aanzien van shell shock patiënten. Met wisselend succes trachtten zij de verminderde verantwoordelijkheid van de soldaten en de nood aan een specifieke behandeling ten aanzien van de militaire autoriteiten te verdedigen.

Brits beeldfragment ter promotie van genezingsprogramma’s voor shell shock.

Strijd om erkenning

Het shell shock probleem eindigde niet met de oorlog, wel integendeel. Nieuwe vragen lagen nu op tafel. Moest er met het oog op een gespecialiseerde behandeling worden gestreefd naar aparte psychiatrische tehuizen voor oorlogsveteranen? En hadden zij net als fysiek verminkte veteranen recht op een financiële vergoeding? De antwoorden op beide vragen verschilden van land tot land, maar globaal genomen was de wil om te investeren in specifieke instellingen gering, en was het pad naar een erkenning van oorlogsinvaliditeit bezaaid met hindernissen.

Een soldaat met shell shock in een Britse psychiatrische instelling.
Een soldaat met shell shock in een Britse psychiatrische instelling.

In België werden de soldaten met shell shock verspreid over de bestaande psychiatrische instellingen. In veel gevallen werden zij er geïnterneerd. Vaak smeekten de ouders de dienstdoende arts om hun zoon, die zij al jaren niet meer hadden gezien, naar huis te laten komen: ‘hij is toch altoos bij ons braeve geweest’ . Dat lukte soms, al bleek een heropname vaak nodig. Nog ongelukkiger was het lot van soldaten wier geheugenverlies zo groot was dat zij hun eigen naam en identiteit vergeten waren. Als er geen familieleden te hulp schoten, werden zij gecategoriseerd als soldat inconnu vivant. De onbekende soldaat had zo een levende, maar nooit herinnerde pendant.

Meer lezen

Tine Hens m.m.v. Saartje Vanden Borre en Kaat Wils, Oorlog in tijden van vrede. De Eerste Wereldoorlog in de klas, 1919-1940, 2015.

Pieter Verstraete en Christine Van Everbroeck, Verminkte stilte. De Belgische invalide soldaten van de Groote Oorlog, 2014.

Mark S. Micale en Paul Lerner (eds.), Traumatic Pasts. History, Psychiatry, and Trauma in the Modern Age, 1870-1930, 2001.

Kaat Wils is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de humane en biomedische wetenschappen, de geschiedenis van gender en lichamelijkheid, onderwijsgeschiedenis en geschiedenisdidactiek.

Pop-upanatomie

Pop-upboeken voor kinderen worden verkocht in allerlei maten en vormen: van kleine flapboekjes tot complexe uitvouwboeken die bij het openplooien een nieuwe driedimensionale wereld creëren. Hoewel ze vandaag gretig door kinderen worden gelezen, waren de eerste uitvouwboeken uitsluitend bestemd voor volwassenen. Pop-uptekeningen illustreerden oorspronkelijk enkel wetenschappelijke werken en werden voornamelijk gebruikt omwille van hun educatieve karakter.

Modeltekening

Uitvouwtekeningen bleken bijzonder geschikt voor het illustreren van de menselijke anatomie. Lezers werden uitgenodigd om de structuur van het lichaam te ontdekken door de verschillende delen van het papieren lichaam open te vouwen. Net als tijdens een echte dissectie werd het lichaam laag per laag ontleed. De tekeningen functioneerden dus als de eerste anatomische ‘modellen’ die niet alleen de bouw van het lichaam verduidelijkten, maar ook de onderlinge relaties tussen de verschillende lichaamsdelen verhelderden.

Een vroegmoderne uitvouwtekening.
Een vroegmoderne uitvouwtekening.

In de zestiende eeuw werden uitvouwmodellen gebruikt om anatomische handboeken te illustreren, maar circuleerden ze ook als vliegende bladen. Deze afzonderlijke tekeningen waren relatief goedkoop en gemakkelijk te verhandelen, waardoor ze zowel artsen als een niet-medisch publiek bereikten. In een periode waarin wetenschappelijke werken voornamelijk in het Latijn werden gepubliceerd, kon een lekenpubliek zonder enige notie van de taal toch een basiskennis van de anatomie verwerven dankzij de uitvouwtekeningen.

De betekenis van deze vliegende bladen was, net zoals de tekeningen, gelaagd. Ze verspreidden kennis van de anatomie, maar accentueerden ook de morele dimensie van de discipline. De afbeeldingen verheerlijkten de schoonheid van het lichaam als deel van een goddelijke schepping, en stimuleerden zelfkennis en een nieuwsgierigheid naar het eigen lichaam.

Animatie-anatomie

Prent uit het werk van Constant Crommelinck.
Prent uit het werk van Constant Crommelinck.

Op het einde van de achttiende eeuw waren ‘papieren dissecties’ in onbruik geraakt, maar hun verdwijning was slechts van korte duur. Het lijkentekort in Engeland in de negentiende eeuw deed anatomen zoeken naar alternatieven voor dissecties. De Britse anatoom Edward Tusson publiceerde in 1828 Myology, een handboek over de spieren. Sommige van de ‘platen’ uit het boek waren uitgerust met klepjes die in verschillende richtingen werden uitgevouwen. De moeilijkheden bij het opheffen van de flapjes zijn te vergelijken met de spanning van de spieren tijdens het ontleden van een lichaam. De materialiteit van de tekeningen maakte de illustraties dus geschikt om te functioneren als aanvulling op dissecties. Een tekening open- en dichtvouwen was vaak een complex werk waarbij dezelfde precisie, voorzichtigheid en vaardigheid aan de dag moest worden gelegd als in het anatomisch theater. Tegelijkertijd had het gebruik van pop-uptekeningen een grote aantrekkingskracht op anatomen die via populariserende publicaties anatomische kennis verspreidden bij een niet-medisch publiek.

Pop-upanatomie bij Achille Comte.
Pop-upanatomie bij Achille Comte.

Hoewel kennis van de anatomie dankzij modellen en tekeningen vaker het anatomisch theater verliet, was ze niet meteen voor iedereen toegankelijk in de negentiende eeuw. Populariserende publicaties waren enkel gericht op een burgerlijk publiek, waarbij opnieuw een morele boodschap werd gekoppeld aan de anatomische illustraties. De Franse natuurwetenschapper Achille Comte maakte bijvoorbeeld gebruik van uitvouwtekeningen om anatomie en fysiologie te demonstreren aan een lekenpubliek. De tekeningen in zijn werk hadden ook een religieuze betekenis. Het opheffen van de verschillende flapjes liet de lezer toe om zich te verbazen over de ingenieuze bouw van het menselijk lichaam als een wonder van de Schepper.

De fun, de hits

VeroniqueDeblon-PopupAnatomie-Crommelinck2De Belgische arts Constant Crommelinck beoogde met zijn anatomiehandboek eenzelfde doel. Anatomie was niet langer alleen maar een ‘nuttige wetenschap’ maar moest ook aangenaam en leuk zijn. Tijdens het samenstellen van zijn atlas ging hij te leen bij andere anatomen. Het handboek van Crommelinck bevatte een reeks bekende afbeeldingen uit de beroemdste anatomische atlassen, en werd een ‘best of’ van de mooiste illustraties. Crommelinck wou zo afstand nemen van de horror die dissectie opriep bij oningewijden. De studie van de anatomie werd losgekoppeld van het lijk. Lezers van zijn boek hoefden hun lichaam niet langer te spiegelen aan de gruwel van het opengesneden lijk, maar konden zich via de tekeningen vergapen aan de wonderen van het eigen lichaam.

VeroniqueDeblon-PopupAnatomie-Crommelinck3Uit het werk van Achille Comte kopieerde Crommelinck de flapillustraties die op eenzelfde manier werden uitgevouwen. Anatomie aanleren werd een aangename bezigheid waarbij het publiek een actieve rol kreeg toebedeeld en werd aangemoedigd zelf het lichaam te ontdekken door de flapjes open te vouwen. Populariserende handboeken verspreidden anatomie bij een breder publiek, dat hoofdzakelijk uit mannen bestond. De opgeleide man werd op het hart gedrukt om ‘niet langer te negeren wat hij is’. Crommelinck benadrukte de lezer dat ‘hij verplicht is het mooiste werk te kennen dat uit de handen van de Schepper is ontstaan’. De studie van de anatomie werd zo een onafwendbare opdracht voor het burgerlijke publiek.

In de tweede helft van de negentiende en de vroege twintigste eeuw zou de populariteit van anatomische uitvouwmodellen verder stijgen. Hun aanwezigheid zou zich niet langer beperken tot de bibliotheek van de burgerij. Uitvouwtekeningen bewezen hun nut in de huis-, tuin-, en keukengeneeskunde, ter illustratie van publiekslezingen en tijdens de opleiding van vroedvrouwen. Pas later in de twintigste eeuw werden pop-upboeken verbannen naar de kinderliteratuur. Tegenwoordig zijn anatomische uitvouwtekeningen alleen nog maar terug te vinden in kinderleerboeken.

Meer lezen

Andrea Carlino, Paper Bodies: A Catalogue of Anatomical Fugitive Sheets 1538-1687, Londen, 1999.

Michael Sappol, Dream Anatomy, Bethesda, 2006.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie inde Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.