Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Het criminele lichaam als attractie

De terdoodveroordeelde misdadiger François Rosseel en zijn trawant Guillaume Vandenplas prevelden hun laatste woorden op 18 februari 1848. Op die dag maakte de guillotine prompt een einde aan hun leven. De executie van de criminelen bracht een grote menigte kijklustigen naar de Brusselse Hallepoort. Executies waren immers publieke evenementen met een grote spektakelwaarde.

De publieke terechtstelling van Rosseel en Vandenplas gold als het sluitstuk van de saga van de Saint-Remymoorden, die het publiek wekenlang in de ban had gehouden. Via een uitgebreide krantenverslaggeving konden de Brusselaars de zoektocht volgen naar de daders van een brutale drievoudige roofmoord aan het Brusselse Sint-Goriksplein. De arrestatie van het duo en hun daaropvolgende proces waren smeuïg voer voor de pers. De dood van beide moordenaars was echter nog niet het einde van de saga. Ook na hun dood wekten de geguillotineerde lichamen veel interesse.

Afgehakte hoofden

Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto J. Geleyns.)
Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz.

Lichamen van terdoodveroordeelde criminelen intrigeerden en inspireerden bijvoorbeeld kunstenaars. De excentrieke schilder Antoine Wiertz probeerde via een hypnose-experiment het gevoel van onthoofding te beleven tijdens de executie van François Rosseel. Wiertz beweerde zich te kunnen verplaatsen in het lichaam van Rosseel door middel van hypnose. Op het moment van executie deelde Wiertz dus gevoelens en gedachten met de crimineel die zijn laatste seconden aftelde en het mes van de guillotine voelde klieven. De schilder beleefde het gevoel van de onthoofding als een vreselijke sensatie. Vanuit die ervaring legde hij de gruwel van de doodstraf vast op doek.

Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait. (Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait.

Ook de anatomie van de geëxecuteerde lichamen van criminelen wekte de interesse van kunstschilders. De romantische schilder Louis Gallait bemachtigde als eerste het afgehakte hoofd van de terdoodveroordeelde moordenaar Remy Bomal na diens terechtstelling in 1851. Een half uur na de executie schilderde Gallait een gedetailleerde schets van de anatomische kenmerken, ligging en positie van het geguillotineerde hoofd. Nadien gebruikte de kunstenaar zijn verworven kennis van afgehakte hoofden ter vollediging van een historieschilderij over de zestiende-eeuwse onthoofding van Egmond en Hoorne.

Niet alleen schilders interesseerden zich in de hoofden van geëxecuteerden. Ook anatomen maakten er aanspraak op. Ze verdedigden die aanspraak vanuit hun interesse voor de frenologie, de negentiende-eeuwse hersenleer die bepaalde hersengebieden aan karaktereigenschappen trachtte te koppelen. De Brusselse artsen van het Sint-Jansziekenhuis kregen  in de jaren 1840 de toestemming van het gerecht om de hoofden van ter dood gebrachte criminelen verder te onderzoeken in het anatomisch amfitheater. Dankzij die regeling kon de anatoom Pierre-Joseph-Cécilien Simonart bijvoorbeeld publiceren over de fysionomie van de misdadiger. Simonart vergeleek de anatomische eigenschappen van een terechtgestelde met de gegevens van andere criminelen en concludeerde dat de meest ontwikkelde hersendelen van deze personen correspondeerden met bezitterigheid, een aanleg voor diefstal en geheimzinnigheid.

Een afschuwelijk spektakel

Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen.

Na de voltooiing van de verschillende experimenten werden de schedels van de misdadigers in het anatomische kabinet bewaard. De opname van hoofden in de Brusselse anatomische collectie bracht ook ongewenste aandacht met zich mee. Zo gebeurde het meerdere malen dat de toeschouwers van het executiespektakel zich nadien naar het anatomisch amfitheater begaven om het afgehakte hoofd van dichtbij te bekijken. De anatomen namen maatregelen om de tentoonstelling van de hoofden te vermijden, maar toch kon een mensenmassa verschillende malen het amfitheater binnendringen.

Bij de overdracht van het hoofd van Pierre Janssens in 1855 kwam een massa kijklustigen opdagen. Het personeel van het amfitheater riep daarom de hulp in van de politie om de menigte te beheersen, maar rapporteerde nadien dat zelfs de agenten meer interesse toonden in het hoofd van de misdadiger dan in de uitoefening van hun ambt. De hospitaaladministratie vond de tentoonstelling van de hoofden hoogst ongepast en ook de algemene pers bestempelde het voorval als een ‘afschuwelijk spektakel’. De afkeuring van de tentoonstelling van de hoofden getuigt van een veranderende spektakelcultuur waarbij het niet langer wenselijk werd geacht om wetenschappelijke collecties open te stellen voor een breed publiek.

Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.
Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.

Nochtans was het net de groeiende populariteit van de frenologie bij een niet-medisch publiek die de nieuwsgierigheid naar de echte hoofden stimuleerde. Zo rapporteerde een krant dat veel toeschouwers op het proces van Remy Bomal enkel aanwezig waren om de gelaatstrekken van een moordenaar te bezichtigen. Ook de populariserende anatomische musea (gericht op een lekenpubliek) namen kopieën van hoofden van criminelen op in hun collectie. Bezoekers maakten er verder kennis met de frenologische leer en leerden het typische uiterlijk van de misdadiger herkennen.

Vele misdadigers verwierven een zekere beroemdheid tijdens hun proces en hun faam bleef ook na hun dood verder leven. Verhalen van spectaculaire moorden werden opgenomen en rijkelijk geïllustreerd in sensatieboeken die ‘juridische drama’s’ bundelden. Wassenbeeldenmusea verbeeldden gruwelijke moordtaferelen aan de hand van poppen in hun tentoonstelling. Net omdat criminelen vaak niet werden begraven was een trip naar het universitaire anatomische museum aanlokkelijk voor het publiek om contact te maken met het lichaam van een ‘celebrity’. Voortaan werd een niet-medisch publiek het privilege ontzegd om in aanraking te komen met de relieken van het criminele lichaam. Als alternatief bezochten belangstellenden populariserende anatomische musea (met kopieën van schedels en marmeren bustes) om een glimp van de glamour van het criminele lichaam op te vangen.

Meer lezen?

Sarah Tarlow, ‘Curious afterlives: the enduring appeal of the criminal corpse’, Mortality 21 (2016), 210-228.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Afbeeldingen:  Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, foto J. Geleyns; Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel; Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.

Het massagraf van de Titanic

De geschiedenis van de Titanic is vandaag vooral bekend als een hartverscheurend liefdesverhaal. De romance tussen de rijke Rose (Kate Winslet) en de arme Jack (Leonardo Di Caprio) kwam tot een abrupt einde toen het schip tot zinken werd gebracht door een aanvaring met een ijsberg. Waar we doorgaans niet bij stilstaan, is dat naast de liefde ook het lijk van Leo in het water viel. Op 15 april 1912, de dag na de ramp, scheen de zee volgens ooggetuigenverslagen ‘als met zwarte puntjes gezaaid’. Lijken van mannen, vrouwen en kinderen dobberden samen met het puin tussen de golven. Het verhaal van hun identificatie en begrafenis is een interessante passage in de cultuurgeschiedenis van massarampen en de dood.

De ‘mortuariumboot’

Op 17 april 1912 voer het kabelschip Mackay-Bennett met een lugubere taak uit naar het wrak van de Titanic. De bemanning was verantwoordelijk voor de berging van de meer dan driehonderd lichamen die drie dagen na de ramp nog in de Noord-Atlantische Oceaan dreven. Volgens de dagboeken van de schippers werd de sfeer grimmiger naarmate ze hun bestemming naderden – een ronddrijvend allegaartje van ‘versplinterd hout, mahoniehouten schuiven, bestek, stoelen van het dek, en dan nog lijken’. Alleen John R. Snow Jr., de professionele begrafenisondernemer die was meegenomen om lichamen aan boord te balsemen, ‘werd steeds vrolijker naarmate ze het toneel van zijn toekomstige professionele activiteiten naderden’. ‘Morgen’, zo getuigde een bemanningslid op 20 april, ‘wordt vast een goede dag voor hem’.

Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.
Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.

Uiteindelijk bracht de bemanning van de Mackay-Bennett tussen 21 en 26 april 306 lichamen aan boord. Slechts 190 van hen werden meegenomen naar de haven van Halifax. De overige 116 werden toevertrouwd aan de golven. Bij de keuze voor het zeemansgraf primeerden sociaaleconomische overwegingen. De beschikbare hoeveelheid balsemvloeistof volstond slechts om de lichamen van eersteklaspassagiers te behandelen. De lijken van de armere passagiers liet de kapitein ontbinden, waardoor ze niet mee aan wal konden worden gebracht. Tijdens drie begrafenisdiensten werden ze in verzwaarde lijkzakken overboord gegooid. Zoals een bemanningslid het plastisch omschreef: ‘splash, splash, splash’.

De identificatie

In Halifax werden de 190 lijken in rijen gelegd voor identificatie. Dat was belangrijk voor de familieleden, zowel om emotionele als om financiële redenen. De herkenning van een naaste hielp bij de verwerking van het verlies en betekende dat ze recht hadden op een financiële vergoeding. Zonder bewijs van overlijden bleven families daarentegen onzeker én vielen ze buiten de verzekeringspolis van de Titanic. Maar bijna twee weken na de ramp waren de dode lichamen moeilijk herkenbaar: er werden fouten gemaakt en een kwart van de lijken bleef anoniem. Voor de 116 achtergelaten slachtoffers was de identificatie nog moeilijker. Zij moesten indirect worden herkend aan de hand van gevonden bezittingen. In de woelige zee waren objecten echter beschadigd en door elkaar geschud, waardoor ze niet noodzakelijk hoorden bij het lichaam waarrond ze dreven.

De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.
De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.

Nochtans hadden de bemanningsleden van de Mackay-Bennett een professionele aanpak nagestreefd. De behandeling van de lijken was overgelaten aan professionals. Aan boord had de gediplomeerde balsemaar Snow voor de bewaring en rangschikking van de lichamen ingestaan. In Halifax wachtten ‘een troep lijkwagens’ en ‘een grote groep begrafenisondernemers, balsemaars en verpleegkundigen in lange zwarte jassen’ om de lijken klaar te leggen voor identificatie. Het waren tekenen van een veranderende doodscultuur: de rol van de familie, die traditioneel instond voor de opbaring van de overledene, werd geleidelijk overgenomen door experts. Daarnaast getuigde de omgang met de slachtoffers van het toegenomen belang van medische expertise. Een arts, Dr. John Henry Barnstead, had het identificatiesysteem aan boord bedacht. Op zijn bevel had elk lijk een genummerd ‘body report’ gekregen, waarin zowel lichamelijke kenmerken (geslacht, leeftijd, ras, lengte en speciale eigenschappen) als bezittingen waren opgesomd. Kranten publiceerden bovendien medische rapporten over de doodsoorzaken van de slachtoffers. Ze stelden vast dat ‘de lichamen door de druk van het water onmiddellijk stierven’ of dat ‘het merendeel der slachtoffers zonder pijn heenging’ en verzachtten zo het leed van de overlevenden.

De professionalisering van de massadood

Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.
Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.

Het verhaal van de Mackay-Bennett getuigt zo van een eerste professionalisering van de massadood. Vandaag worden slachtoffers van aanslagen en ongelukken geïdentificeerd aan de hand van hun DNA. Net zoals de vroegtwintigste-eeuwse body reports drukken deze tests zowel de expertise van de forensische geneesheer als een gevoel van controle uit. De nood om op objectieve wijze slachtoffers van rampen te identificeren lijkt sinds de Titanic nog gegroeid. Hoewel we bijvoorbeeld rationeel kunnen inzien dat alle ingescheepte passagiers van de MH17 door de crash het leven lieten, voelen we nood aan – liefst wetenschappelijk – bewijs voor die dood. Toch bepaalt geld en sociale status of we deze zekerheid verkrijgen. Terwijl de stoffelijke resten van de slachtoffers van de vliegtuigcrash na enkele dagen geïdentificeerd werden in Nederlandse laboratoria, maken andere rampen – zoals de vluchtelingencrisis – duidelijk dat minder bevoordeelden ook vandaag nog mogen sterven in anonimiteit. De professionalisering van de ramp gaat zo samen met een voortschrijdende ongelijkheid na de dood, net zoals aan boord van de Mackay-Bennett.

Tinne Claes is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Samen met Veronique Deblon werkt ze op een project over anatomie in België in de negentiende eeuw. Ze onderzoekt de zichtbaarheid, het prestige en de betekenis van anatomie in de academische en populaire cultuur tussen 1860 en 1930.

Hoe de arts een rechter werd

Op 1 januari 1931 werd de wet tot Bescherming van de Maatschappij van kracht. Krankzinnige delinquenten konden, zo bepaalde die wet, aan verzorgingsmaatregelen onderworpen worden. Ze werden geïnterneerd in gespecialiseerde penitentiar-psychiatrische instellingen, waar speciaal opgerichte commissies beslisten over hun plaatsing en eventueel (voorlopige) vrijlating. Ook al was het een rechter die besliste over het effectief in kracht stellen van de maatregel, het was duidelijk een arts die besliste of een delinquent ervoor in aanmerking kwam of niet. Vrijlatingen waren enkel mogelijk indien een psychiater oordeelde dat de geestestoestand van de geïnterneerde opnieuw ‘normaal’ was. Met die wet was de arts een rechter geworden.

Dat mocht Marie ondervinden toen ze in de winter van 1954 in de buurt van Brussel gearresteerd werd voor poging tot moord. Ze had thuis de gaskraan opengedraaid, haar dochter was ternauwernood aan de dood ontsnapt. Marie ontkende de moordpoging en beweerde dat ze enkel zichzelf van het leven wilde benemen. Ze bevond zich naar eigen zeggen in een zeer zware periode en had genoeg van het leven.

Enkele dagen na de feiten verscheen Marie in het justitiepaleis voor de onderzoeksrechter. Ze vertoonde er vreemd gedrag en at meermaals papier op. Onder meer door deze ‘crises’ besliste de onderzoeksrechter haar onmiddellijk te laten opnemen in de psychiatrische vleugel van de gevangenis van Vorst. Hij beval bovendien een volledig psychiatrisch onderzoek door een gerechtspsychiater. Die verklaarde dat Marie zich zowel tijdens het plegen van de feiten als in de periode erna in een staat van krankzinnigheid bevond. Ze had haar daden niet onder controle. In overeenstemming met de wet van 1931 werd Marie dan ook geïnterneerd voor een periode van vijf jaar.

Een vaag begrip  

Zaal voor geïnterneerden in het Etablissement voor Sociaal Verweer in Bergen, een van de penitentiair-psychiatrische instellingen waar de commissie geïnterneerden naar toe kon zenden.
Zaal voor geïnterneerden in het Etablissement voor Sociaal Verweer in Bergen, een van de penitentiair-psychiatrische instellingen waar de commissie geïnterneerden naar toe kon zenden.

Bij Marie had de onderzoeksrechter, onder meer omdat ze papier had opgegeten, een concrete aanleiding om haar te laten onderzoeken door een gerechtspsychiater. Toch was het in de jaren 1950 niet altijd duidelijk waarom bepaalde criminelen wel en anderen niet in aanmerking kwamen voor internering. Dat had voornamelijk te maken met het feit dat een duidelijke definitie voor het begrip ‘krankzinnigheid’ zowel in de juridische als in de medische wereld afwezig was. Het begrip had bijgevolg een zeer ruime betekenis.

Zeker in de jaren 1950 beging de meerderheid van de krankzinnige delinquenten kleine delicten. In de psychiatrische annexen verbleef een diverse groep van onder meer recidivisten, drugs- en alcoholverslaafden, depressieven, daklozen of seksuele delinquenten. Soms haalden gerechtspsychiaters in hun verslagen specifieke psychiatrische (persoonlijkheids)stoornissen aan, maar dit was zeker niet altijd het geval. Voor Marie was een verwijzing naar haar emotionele instabiliteit en haar depressieve toestand voldoende om haar ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. Allicht voelde de arts ook geen behoefte hier dieper op in te gaan, omdat ze in het verleden al meermaals was opgenomen voor psychische stoornissen. De vaagheid van het begrip krankzinnigheid zorgde er bovendien voor dat een uitgebreide en gefundeerde argumentatie niet altijd nodig was.

Korte evaluatie van de gevangenisarts na Marie’s aankomst in de gevangenis van Vorst.
Korte evaluatie van de gevangenisarts na Marie’s aankomst in de gevangenis van Vorst.

Eens abnormaal, altijd abnormaal

De interneringsmaatregel werd vaak voorgesteld in specifieke omstandigheden. Vreemd gedrag tijdens de arrestatie of een zwaar  strafblad waren voor de onderzoeksrechter duidelijke signalen. Ze gingen meestal gepaard met pogingen tot zelfmoord, met onvrijwillige doodslag op een kind of partner, vrijwillige brandstichting, diefstal, kleine zedendelicten, landloperij of desertie in vredestijd.

Cartoon gemaakt door een geïnterneerde die aantoont hoe hij het voorkomen bij de commissie ervoer.
Cartoon gemaakt door een geïnterneerde die aantoont hoe hij het voorkomen bij de commissie ervoer.

Slechts bij één categorie misdadigers was geen twijfel mogelijk: diegenen met een psychiatrisch of interneringsverleden. Wanneer een crimineel eenmaal de stempel van ‘abnormaal’ of geestelijk ziek kreeg opgedrukt, zat hij of zij ermee opgezadeld tot het einde van zijn of haar dagen. Zo was Marie volgens de gerechtspsychiater gedurende haar leven meermaals het slachtoffer geweest van ‘nerveuze crises’. Om deze ‘crises’ te behandelen had zij enkele maanden in een psychiatrische instelling verbleven. Dit verklaart mee waarom de onderzoeksrechter onmiddellijk beval Marie door een psychiater te laten onderzoeken. De psychiater gebruikte bovendien Maries verleden als onweerlegbare argumentatie in zijn verslag.

Hoewel het advies van de psychiater niet bindend was,  bestond er amper een weg terug. In beroep gaan was bovendien een ingewikkelde procedure en leverde zelden resultaat op.  De ‘krankzinnige’ crimineel kon moeilijk aan de stigmatisering ontsnappen.

Tijdens de periode van internering ageerden artsen bijna als rechters. Enkel wanneer zij groen licht gaven, kon de geïnterneerde in aanmerking komen voor een voorlopige vrijlating. Hun macht groeide nog meer na de wetsverandering van 1964, die de vaste interneringstermijnen van vijf, tien of vijftien jaar afschafte. Het werd een maatregel van onbepaalde duur, waarbij de adviserende arts grotendeels instond voor de beslissing tot definitieve vrijlating. Sommige daders, al hadden ze slechts zeer kleine misdaden gepleegd en was de argumentatie vaag, werden zo meer dan twintig jaar opgesloten in een penitentiar-psychiatrische instelling.

Diane Staelens is Master in de Geschiedenis. Ze studeerde af in de richting Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 met een masterproef over De vergeetput van justitie. Internering in België en de invloed van experten (1955-1975).

Poseren in de ziekenzaal van Sint-Raphaël, ca. 1930.
Poseren in de ziekenzaal van Sint-Raphaël, ca. 1930.

Vandaag lijkt het een vreemd beeld. Patiënten, bezoekers en verpleegsters, in een grote ruimte verzameld, allen keurig gekleed en ‒ op de zuster aan de linkerzijde na ‒ allen recht in de lens kijkend. Maar voor de Leuvenaars in de jaren tussen beide Wereldoorlogen ging er een zekere aantrekkingskracht uit van deze beelden, die vaak als postkaarten werden verspreid. De ziekenzalen van Sint-Raphaël aan de Kapucijnenvoer representeerden een ‘moderne’ gezondheidzorg, die op de burgerij en een opkomende  middenklasse was gericht.

Een halve eeuw eerder was zoiets onmogelijk geweest. In het midden van de negentiende eeuw werden ziekenhuizen door de burgerij erg negatief gepercipieerd. Het waren in de eerste plaats instellingen voor arbeiders en hulpbehoevenden. En ook bij hen genoot het ziekenhuis geen goede reputatie. Ze trokken er enkel heen bij langdurige ziekte, wanneer ze thuis niet door een arts konden worden verzorgd.

Die weerzin verdween in de late negentiende eeuw. De nieuwe chirurgie (met anesthesie en gesteriliseerde instrumenten) verbond het ziekenhuis met moderne wetenschap. En de toepassing van strengere principes van hygiëne in de verpleging maakte dat moderne zorg minder gemakkelijk in de eigen woning kon worden aangeboden. Patiënten trokken nu steeds vaker naar het ziekenhuis voor medische zorg.

De bestuurders van ziekenhuizen zagen die nieuwe, meer welgestelde patiënten graag komen. Ze vormden een nieuwe financieringsbron. Foto’s en postkaarten moesten zo de evolutie van zorg aan huis naar het hospitaal ondersteunen. Ze tonen het ziekenhuis als een moderne ruimte: schoon, met voortdurende zorg aan bed, en met veel licht en lucht dankzij de grote ramen en hoge plafonds. Ze scheppen tegelijk ook het beeld van een zekere huiselijkheid, met gedrapeerde tafeltjes met bloemen en planten: een nieuwe ‘thuis’ voor de patiënt.

Tekst: Joris Vandendriessche. Foto: Museum Histaruz.

Chronoscoop van Hipp uit de Collectie Michotte.
Chronoscoop van Hipp uit de Collectie Michotte.

De bibliotheek van Psychologie en Pedagogische wetenschappen aan de Dekenstraat in Leuven biedt onderdak aan een bijzondere collectie psychologische onderzoeksapparatuur: de Collectie Michotte. De man die de collectie zijn naam gaf, professor Albert Michotte (1881-1965), houdt er nog altijd een oogje in het zeil. Zijn portret hangt boven de vitrinekasten aan de wand. De ruim 200 instrumenten omspannen grofweg de periode 1890 tot 1950. Zo materialiseert de ‘Collectie Michotte’ het ontstaan en de ontwikkeling van een nieuw vakgebied: de (experimentele) psychologie. Anders dan hun filosofische voorgangers gingen onderzoekers vanaf de late negentiende eeuw de menselijke geest experimenteel benaderen. Instrumenten speelden hierbij een sleutelrol. Want zij maakten de geest meetbaar en konden wetenschappelijke idealen als herhaalbaarheid, kwantificatie en standaardisatie waarborgen.

De foto toont een ‘Chronoscoop van Hipp’ uit de jaren 1890. Vanuit de wens om psychische processen in harde cijfers te vatten, richtten de eerste experimenteel psychologen zich op reactietijdmeting. De Hippchronoscoop – feitelijk een grote elektronische stopwatch – was daarvoor onmisbaar en behoorde tot de standaarduitrusting van elk negentiende-eeuws psychologisch laboratorium. Ook het Leuvense laboratorium, opgericht in 1894 op de zolderverdieping van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, bezat twee exemplaren.

Aangedreven door een gewichtje en twee elektromagneten kon het toestel zeer korte tijdsintervallen meten. Het apparaat maakte wel veel lawaai, zodat het tijdens experimenten vaak in een andere ruimte werd geplaatst om de proefpersoon niet onnodig af te leiden. Veel reactietijdenonderzoek richtte zich op de verwerking van zintuiglijke prikkels tot eenvoudige motorische reacties, maar ook taalverwerking en geheugenprocessen werden met behulp van de chronoscoop onderzocht. Na de Eerste Wereldoorlog zou het vakgebied van de psychologie zich verder uitbreiden.

Tekst: Marleen Brock. Foto: Bruno Vandermeulen / KU Leuven. Meer lezen: Marleen Brock, Verlengstukken van het bewustzijn. Psychologische onderzoeksapparatuur uit de Collectie Michotte, Leuven, 2010.

Hoe vluchtelingen de Belgische wetenschap verrijkten

‘Vluchtelingen kosten handenvol geld’, zo klinkt het her en der in Europa en ook in ons land. Nochtans kunnen vluchtelingen hun gastland ook verrijken. Met wetenschap bijvoorbeeld. Daar biedt de  Belgische geschiedenis tal van voorbeelden van.

Bienvenue à Bruxelles

Een speelbal tussen republikeinen en royalisten, zo kun je vroegnegentiende-eeuws Frankrijk nog best omschrijven. Na de de val van Napoleon en de terugkeer van het koningschap vluchtten heel wat mannen en vrouwen voor de bloedige represailles van het nieuwe bewind. Niet zelden belandden zij in Belgische gebieden. Vooral het vrijzinnig klimaat van Brussel had een sterk aanzuigeffect. De vluchtelingenstroom naar de Brabantse hoofdstad werd zo groot dat de bewindvoerders zich lichtjes zorgen begonnen te maken.

Jean Garnier was in 1822-1823 rector van de Universiteit Gent.
Jean Garnier was in 1822-1823 rector van de Universiteit Gent.

Onder de vluchtelingen die rond 1815 in Brussel strandden, bevond zich Pierre Drapiez. In zijn wilde adolescentenjaren was deze bioloog met Napoleons Armee d’Orient naar Egypte en Syrië opgetrokken. Dat kwam hem nu duur te staan. In Frankrijk was hij directeur van een goeddraaiend bedrijf en hoofd van een prestigieuze school geweest, kortom iemand met aanzien. In Brussel was hij een nobody. Het bescheiden baantje als bijlesleraar bracht brood op de plank, maar was ver beneden zijn niveau. Geleidelijk aan kon de jonge allochtoon zich opwerken. Hij bouwde goede contacten uit met de Brusselse elite en mocht zelfs Koning Willem I tot zijn kennissen rekenen.

Ook voor de gerenommeerde wiskundige Jean Garnier lag de droom om zijn oude dag in la douce France te slijten aan diggelen. Maar alles was beter dan zijn vroegere leven, dat hij omschreef als ‘vol angst en levensgevaar’. Net als Drapiez prees Garnier zich gelukkig in Brussel een veilig toevluchtsoord te hebben gevonden.

Hun gastland had echter ook profijt aan de inwijkelingen. Garnier kwam werkelijk als geroepen. De Universiteit van Gent kampte bij haar oprichting in 1816 met een gebrek aan degelijke hoogleraren. Met zijn indrukwekkende staat van dienst en zijn stapel educatieve publicaties was Garnier the man for the job. Garnier speelde zo een doorslaggevende rol in de vorming van de volgende generatie Zuid-Nederlandse docenten. Aan Drapiez dankt ons land dan weer de Nationale Plantentuin. Niet alleen was de Franse migrant één van de initiatiefnemers van het project, ook de realisatie ervan in 1829 was grotendeels aan zijn connecties te danken.

Focus op talent

Met de komst van de Habsburgse troepen eindigden heel wat Italiaanse revolutionairen aan de galg.
Met de komst van de Habsburgse troepen eindigden heel wat Italiaanse revolutionairen aan de galg.

Drapiez en Garnier slaagden er snel in goede posities te verwerven, maar steun van het gastland was cruciaal. In het bijzonder de Brusselse Academie voor Wetenschappen toonde zich opmerkzaam voor het potentieel van ingeweken wetenschappers en droeg zo bij aan hun integratie. Dit ervoer althans Gaspard Pagani, een wiskundige die in 1820 de galgen van de Habsburgse troepen was ontvlucht. Het was meer dan een geluk dat de Italiaanse asielzoeker onmiddellijk in de gemeenschap van académiciens werd opgevangen. Pagani’s nieuwe vrienden – waaronder de bekende statisticus Adolphe Quetelet –  maakten het tot hun taak om zijn talenten te ontginnen. Zij wezen hem op de prijsvragen van de Klasse Wetenschappen, waarmee hij zijn naam kon lanceren. Met succes: nog vóór zijn tweede bekroning kreeg Pagani het lidmaatschap van de Academie aangeboden. Via de Academie schopte de Italiaanse wiskundige het in een mum van tijd tot hoogleraar aan de Universiteit van Leuven, waar hij in het onderzoek naar ruimtekrommen zijn naam vestigde. Precies zoals zijn vrienden hadden voorzien.

Ook in recentere tijden boekten vluchtelingen wetenschappelijk succes. Toen België in 1929 zijn grenzen opende voor het getergde gezin Prigogine, kon het niet vermoeden dat het zich daarmee van wereldfaam verzekerde. Ilya Romanovich Prigogine was een kleuter toen hij met zijn ouders de Sovjet-Unie ontvluchtte. De Prigogines verbleven enige tijd in Duitsland. Maar omdat vader Roman, een chemisch ingenieur, in het groeiende anti-Joodse klimaat geen job vond,  pakte het gezin opnieuw de koffers. In zijn nieuwe land België kregen de jonge Ilya en zijn ouders wel kansen om zich te ontplooien. Mits wat aanpassing kon Ilya aansluiten in het Brussels onderwijs. Daarna werd hij zelfs aangemoedigd om verder te studeren. Prigogine had nog maar pas het doctorsdiploma in de scheikunde op zak toen hij in 1950 tot hoogleraar werd benoemd. De Nieuwe Belg bleek een prijsbeest van het grootste kaliber: met Prigogine scoorde België in 1974 voor de allereerste keer de Nobelprijs in de chemie.

Prigogine neemt de Nobelprijs in ontvangst.
Prigogine neemt de Nobelprijs in ontvangst.

Gelijk burgerschap in de Republiek der Letteren

Naar aanleiding van de kwestie Pagani stelde wiskundige Adolphe Quetelet dat hij en zijn collega académiciens, steeds ‘verder keken dan de politieke situatie van de vluchteling’ en dat ‘hun interesse naar diens talenten uitging.’ Een dikke eeuw later sprak Prigogine in dezelfde trant over het fascinerende gevoel van wereldburgerschap dat hij als wetenschapper had mogen ervaren. Ongehinderd door landsgrenzen, taalbarrières of onderzoeksgewoonten vormden wetenschappers een gemeenschap, aldus de Nobellaureaat. Het maakte ook dat wetenschappers elkaar in tijden van nood spontaan de hand reikten.

In een tijd waarin universitaire allochtonen nog te vaak naar laaggeschoold werk worden georiënteerd, klinken de uitspraken van deze twee grote geleerden verbazend actueel. Misschien is het tijd om de traditie van solidariteit in de Republiek der Letteren in ere te herstellen.

Meer lezen over Drapiez, Prigogine en de andere naar België gevluchte wetenschappers kan op Bestor.

Lyvia Diser is gastblogger.  Ze  verdedigde in 2013 haar proefschrift Ambtenaren in witte jas. Laboratoriumwetenschap in het Belgisch overheidsbeleid (1870-1940). Momenteel is ze wetenschappelijk medewerker voor Bestor (Belgian Science and Technology Online Resources), een wetenschapshistorisch project onder de vleugels van het Nationaal Comité voor Logica, geschiedenis en filosofie der wetenschappen en Nationaal Centrum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen.

Karikatuur van Marie en Pierre Curie in Vanity Fair,  1904.
Karikatuur van Marie en Pierre Curie in Vanity Fair, 1904.

In 1903 wonnen Marie en Pierre Curie samen met Henri Becquerel de Nobelprijs voor Natuurkunde. Een jaar later memoreerde het Amerikaanse Vanity Fair de eerste vrouwelijke Nobelprijswinnaar en haar echtgenoot via een dubbelportret waarop hun ontdekking van radium werd verbeeld. Pierre staat op de voorgrond. De veel kleinere Marie staat achter hem en kijkt mee naar het zonet ontdekte radium. Compositorisch mocht de keuze om de kleinste persoon achteraan te plaatsen onhandig zijn, de vraag wie van hen de leiding had, was zo wel meteen beantwoord. Ook in de jaren nadien zou daar in de publieke opinie weinig twijfel over bestaan. Na Pierres dood werd Marie bijvoorbeeld ‘de weduwe van de uitvinder van het radium’ genoemd.

Het beeld was ook op een meer specifieke manier gekleurd door een stereotiepe invulling van mannelijke en vrouwelijke rollen in de wetenschap. In zijn ene hand houdt Pierre een boek, in de andere het resultaat van het onderzoek. Marie houdt één hand op de experimenteertafel en de andere op Pierres schouder en verbindt de denkende Pierre zo met het materiële werk dat nodig was voor de ontdekking. Die werkverdeling werd expliciet verbeeld in verschillende foto’s die van hen samen werden gemaakt: Marie als doener, aan het werk met labomateriaal, Pierre als denker, met een boek. In populariserende beschrijvingen van het labo-Curie heette het dan dat Pierre nadacht terwijl Marie geduldig roerde in de potten met kokende vloeistoffen waaruit radium zou worden geïsoleerd.

Het patroon refereerde aan een reële werkverdeling tussen beide wetenschappers, maar vergrootte de verschillen tussen hen beiden ook uit. Zoals uit hun gezamenlijke laboschriftjes blijkt, had geen van beiden een monopolie op de titel ‘doener’ of  ‘denker’. In het publieke beeld van wetenschap bleef het predicaat van ‘denker’ én van ‘ontdekker’ aan mannen voorbehouden.

Tekst: Kaat Wils. Foto: Wikimedia Commons.

Een autopsie in het Sint-Jansziekenhuis te Brussel, 1892.
Een autopsie in het Sint-Jansziekenhuis te Brussel, 1892.

In de late negentiende eeuw werden gedwongen dissecties controversiëler. Tot dan toe konden de lijken van arme ziekenhuispatiënten voor onderzoek en onderwijs worden gebruikt, zonder hun toestemming en ongeacht protest. De rechtvaardiging hiervoor was dat ‘gratis’ zorg het lichaam van de arme tot gemeenschappelijk goed maakte. Met de kennis geborgen in hun lichaam betaalden arme patiënten hun schulden aan de maatschappij, die hun behandeling had bekostigd.

Onder invloed van protest van de opkomende socialistische partij (die onderzoek op lichamen van armen veroordeelde als klassenjustitie) werden strengere regels opgesteld. Armen mochten niet meer zomaar worden gedissecteerd. Dit leidde tot een tekort voor de medische faculteit, die een oplossing vond in een vermeerdering van het aantal autopsieën. Autopsieën konden immers worden uitgevoerd zonder toestemming én in het geniep: medici maakten zich sterk dat familieleden niet zouden merken dat er een autopsie op het lichaam van hun overleden geliefde was uitgevoerd.

Autopsiehandboeken hechtten inderdaad steeds meer belang aan de integriteit van het lichaam. Snijden moest zo gebeuren dat het ‘volledig verborgen kon worden door een hemd’. Het gezicht en de handen, de lichaamsdelen die wij het meest vereenzelvigen met identiteit, mochten niet worden aangeraakt. Verwijderde organen werden vervangen door ‘watjes of doeken’ opdat de uiterlijke vorm van het lichaam niet zou veranderen. De praktijk van de autopsie veranderde zo onder invloed van sociale gevoeligheden. De autopsie was voortaan onzichtbaar. Lijken werden innerlijk geplunderd, maar bleven uiterlijk intact. Op deze manier is de vrouw op de foto, wier lichaam ondanks de vele verwijderde organen verrassend intact lijkt, een stille getuige van de worsteling van de laatnegentiende-eeuwse anatoom, die steeds moeilijker aan lijken kwam.

Tekst: Tinne Claes. Foto: Archief OCMW Brussel.

Toen het West-Vlaams nog barbaars was

‘Er wordt te veel West-Vlaams gesproken aan Kulak’, zo berichtte Albert Van Windekens, de decaan van de Leuvense faculteit Wijsbegeerte en Letteren, aan de Kortrijkse docenten in november 1966. Het taalgebruik van de studenten in de wandelgangen van de Leuvense afdeling deed hem pijn aan de oren. Hoezeer hij aan het begin van het eerste academiejaar van Kulak de toekomstige studenten ook had aangespoord hun ‘particularisme’ af te leggen zodat zij werkelijk als universitairen konden worden beschouwd, toch bleven de jongeren in Kortrijk zich uitdrukken in het dialect van hun streek. Zoals vele anderen was ook Van Windekens van mening dat dit niet alleen blijk gaf van een kortzichtige kerktorenmentaliteit van de West-Vlaamse jeugd, maar ook een blaam was voor de Katholieke Universiteit Leuven. Die maakte zich immers sterk met haar universitaire afdeling in Kortrijk de intellectuele ontplooiing van de kustprovincie te bevorderen.

Het wilde Westen

Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
Het studentensecretariaat in de grote hal van Kulak. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

Hoewel in de realiteit vooral politieke en katholieke druk de Katholieke Universiteit Leuven in het midden van vorige eeuw had overhaald om een afdeling in Kortrijk te stichten, werd het initiatief in de nationale en regionale pers voornamelijk voorgesteld als een ‘gunst’ van de Leuvense universiteit aan het ‘achtergestelde’ West-Vlaanderen. De universiteit bracht de kustprovincie de beschaving en creëerde er een ‘intellectueel en cultureel milieu’ waar niet alleen de West-Vlaamse jongeren maar de hele regionale bevolking van zou profiteren. Critici vroegen zich echter af of het schijnbaar grootmoedige gebaar wel zin had. Zou Kulak ooit een universitair onderwijsniveau halen, zo ver verwijderd van haar Leuvense Alma Mater?

Na zijn plaatsbezoek aan Kulak in november 1966 vreesde Van Windekens alvast even dat de criticasters het bij het rechte eind hadden. De studenten die hij aan Kulak had ontmoet, spraken volgens hem amper Algemeen Beschaafd Nederlands. Mochten zij zichzelf dan wel universitair geschoold, intellectueel ontplooid en ‘beschaafd’ noemen? Aan Kulak deelden de jonge docenten in de bezorgdheid van de Leuvense decaan. Velen van hen waren van buiten de West-Vlaamse provincie afkomstig, en vonden het taalgebruik van hun studenten ongepast. Herhaaldelijk spoorden zij hun pupillen aan correct te spreken: het zou niet alleen de studenten, maar ook het imago van Kulak ten goede komen.

ABN verheft het volk

P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).
P.C. Paardekooper tijdens een college Nederlandse taalkunde aan Kulak in het midden van de jaren 1970. Foto door Filip Tas, gepubliceerd in het jubileumboek naar aanleiding van het tweede lustrum van Kulak (1975).

De opdracht tot taalkundige beschaving van de West-Vlaamse jeugd werd door niemand zo ernstig genomen als door de Nederlandse taalkundige Pieter Cornelis Paardekooper. De hoogleraar vormde jarenlang het gevreesde gezicht van de opleiding Germaanse filologie aan Kulak. Vóór hij in 1970 aan Kulak werd benoemd, was hij bij vakgenoten in Nederland en Vlaanderen al bekend door de introductie van zijn grammaticale ontleedmethode (de ‘methode Paardekooper’) op basis van een verzameling speciaal door hem ontworpen tekens. Bij het grote publiek in België en ook in Frans-Vlaanderen was hij dan weer beroemd en berucht als fervent voorvechter van de positie van het Nederlands in beide gebieden. Door zijn compromisloze uitspraken werd hem zelfs een tijdlang de toegang tot het Belgische grondgebied ontzegd – een verbod dat hij zorgeloos aan zijn laars lapte.

 Aan Kulak voerde Paardekooper een ware kruistocht tegen het ‘barbaarse’ West-Vlaamse dialect, dat de West-Vlamingen volgens hem beperkte in hun mogelijkheden en geloofwaardigheid. Zijn betoog vond een korte tijd gehoor bij zowel docenten als studenten uit de richting Germaanse filologie. Die laatsten hadden overigens al vóór de komst van Paardekooper een poging gedaan om het studentenblaadje ’t Kulakske om te dopen tot Het Kulakje, omdat dat nu eenmaal beter Nederlands was. Zij stootten echter op hevig verzet van hun collega-studenten uit andere, niet-filologische richtingen, die de germanisten een arrogant en betweterig gedrag verweten. Het studentenblaadje nam vrij vlug terug zijn vertrouwde naam in het dialect aan.

Een universitair onderwijsniveau

Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Geert Defloor, student Germaanse filologie, voerde in 1982 verschillende keren P.C. Paardekooper op in zijn cartoons voor het studententijdschriftje [archief Alumni Germaanse].
Het idee dat de verspreiding van het ABN tot ‘volksverheffing’ zou leiden, verloor in de loop van de jaren 1970 en verder in de jaren 1980 aan kracht. Taal werd minder gelinkt aan zware concepten als ‘beschaving’ of een ‘universitaire vorming’. Ook de Kortrijkse docenten bekommerden zich minder om taal als een exponent van het onderwijsniveau van de instelling: dat Kulak wel degelijk een universitair onderwijsniveau haalde, bewezen na verloop van tijd immers de goede slaagcijfers van de Kulakstudenten. De Katholieke Universiteit Leuven op haar beurt interpreteerde haar aanwezigheid in West-Vlaanderen niet langer als een beschavende opdracht, maar als een economische opportuniteit. Door de groeiende concurrentie tussen de universiteiten in de jaren 1980 en 1990 werd de Kortrijkse campus van voormalige ‘gunst’ van de Leuvense universiteit ten aanzien van de West-Vlaamse bevolking, steeds meer een Leuvense ‘rekruteringspost’ voor West-Vlaams talent.

Alleen Paardekooper bleef vergadering na vergadering aandringen bij zijn collega’s om de studenten te verplichten ABN te spreken. Zijn brieven en bedes werden meestal mondeling bevestigd, maar amper in de praktijk omgezet. De strenge en rechtlijnige gedachtegang van de Nederlander maakte hem tot een lastig figuur die men liever negeerde.  En ook zijn zonderlinge levensstijl droeg weinig bij aan zijn geloofwaardigheid. Zijn moestuin met worteltjes op de campusgronden, zijn onafscheidelijke fiets met zwarte tassen, de omvorming van zijn kantoor tot zijn quasi permanente verblijfplaats, en zijn gewoonte om met ontbloot bovenlijf te zonnen achter zijn kantoorraam: het reduceerde hem tot een klucht en een dankbaar onderwerp voor cartoons in ’t Kulakske.

Saartje Vanden Borre is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en verbonden aan de Lerarenopleiding Geschiedenis. In 2015 publiceerde ze naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de Kulak het boek Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.

Het zachte gedruis van het leven

‘O, het leven na de dood teruggeven, welk eene taek voor een mensch’. De pogingen van de anatoom Adolphe Burggraeve en zijn assistent Edouard Meulewaeter om dode lichamen op een levendige manier te prepareren, rekenden op veel bewondering in de pers. Die bewondering werd ook gedeeld door de bezoekers van het anatomisch kabinet  van de Universiteit Gent. Naar aanleiding van de Gentse gemeentefeesten werd in 1837 de anatomische collectie opengesteld voor een breed publiek. De ‘schijn van het leven’ van de preparaten betoverde de toeschouwers, zoals werd gerapporteerd in het Bulletin van het Gentse geneeskundige genootschap.

Een stukje huid geïnjecteerd met kwik om de werking van het lymfensysteem te verduidelijken. Preparaat vervaardigd door Adolphe Burggraeve, Collectie Gents Universiteitsmuseum.
Een stukje huid geïnjecteerd met kwik om de werking van het lymfensysteem te verduidelijken. Preparaat vervaardigd door Adolphe Burggraeve, Collectie Gents Universiteitsmuseum.

Volgens het verslag ging alle aandacht uit naar het preparaat van een pasgeboren kind dat vredig leek te rusten in een glazen bokaal. De tentoongestelde lichamen werden door het publiek niet met de dood maar met de slaap geassocieerd. De Gentse anatomen injecteerden de lijken op zo’n manier dat de lichamen hun ‘natuurlijke’ huidskleur behielden. De rozige teint van de huid overtuigde de toeschouwers dat ‘het zachte gedruis van het leven’ nog steeds aanwezig was in de geconserveerde lichamen. De dood kreeg hierdoor een nieuwe betekenis en werd niet langer geassocieerd met de rottingsprocessen en de ontbinding van het lijk. De preparaten benadrukten de pracht van het anatomische lichaam en de schoonheid van de dood.

De identiteit van de personen die tot preparaat werden vervormd, is moeilijk te achterhalen. Meestal belandden de lichamen van arme patiënten uit de ziekenhuizen in de handen van de anatoom. Wanneer de familie van een overledene de begrafeniskosten niet kon betalen, verzorgde het hospitaalbestuur de graflegging in ruil voor een dissectie van het lichaam. Omdat overledenen dus nooit hun toestemming gaven voor de conservering van hun lichaam mogen vandaag ook geen foto’s online worden gepubliceerd van sommige preparaten.

Doodskunstenaars

Gravure van een preparaat van Frederik Ruysch.
Gravure van een preparaat van Frederik Ruysch.

De preparaten in het Gentse kabinet herinnerden aan het werk van de Nederlandse anatoom Frederik Ruysch. Hij ontdekte in de zeventiende eeuw een nieuwe manier om lichamen te conserveren en verwierf daardoor een grote bekendheid. Ruysch’ preparaten belichaamden een elegantie en schoonheid door hun levendige voorkomen en hun decoraties in textiel en kant. Omdat de preparaten zo’n sierlijk uiterlijk hadden, verkreeg Ruysch de bijnaam ‘de doodskunstenaar’.

Hoewel elegante preparaten niet langer als ‘wetenschappelijk’ beschouwd werden in de negentiende eeuw, zocht Burggraeve expliciet de associatie met de Nederlandse anatomische traditie. Burggraeve kleedde anatomische preparaten opnieuw aan met textiel naar het voorbeeld van de preparaten van Ruysch. Een bezoek aan de anatomische collecties van Leiden en Utrecht had Burggraeve geïnspireerd om sierlijke preparaten te vervaardigen. In Leiden zag hij waarschijnlijk enkele preparaten van Ruysch samen met de preparaten van Albinus, waaronder het preparaat van een kinderhand dat een stukje oogvlies vasthoudt. De kinderhand van Albinus was een verwijzing naar de preparaten van Frederik Ruysch. Het gebruik van de hand in anatomische preparaten werd een symbool voor het belang van zintuigen en vaardigheden voor de studie van de anatomie.

Preparaat van een kinderhand vervaardigd door B.S. Albinus. Museum Boerhaave, collectie LUMC. Fotograaf J. Ebenstein.
Preparaat van een kinderhand vervaardigd door B.S. Albinus. Museum Boerhaave, collectie LUMC. Fotograaf J. Ebenstein.

Net zoals een dissectie, was het vervaardigen van een preparaat een moeilijke opdracht die veel oefening en behendigheid vroeg. Een preparaat uit de anatomische collectie van Gent toont daarom het half gedissecteerde hoofd van een vrouw waar een hand aan werd toegevoegd. De elegante, intacte hand vermenselijkte het opengesneden en gemutileerde lichaam van de vrouw en plaatste het preparaat opnieuw in een lange anatomische traditie.

Een felbegeerd geheim

Sierlijke preparaten verloren over het algemeen hun wetenschappelijke relevantie op het einde van de achttiende eeuw. Toch verkregen de preparaten van Burggraeve wel nog een grote waardering in de Gentse medische wereld. De mogelijkheid om het dode lichaam voor te stellen als levend, bleef haar nut voor het onderwijs behouden. Zo zouden studenten voortaan het levende lichaam kunnen bestuderen aan de hand van het dode lichaam. Verschillende processen die zich enkel voordoen in het levende lichaam, zoals de bloedsomloop of de werking van de lymfevaten, werden door de tussenkomst van de anatoom zichtbaar gemaakt.

Portret van Adolphe Burggraeve.
Portret van Adolphe Burggraeve.

De medische wereld speculeerde duchtig over de preparatietechniek van Burggraeve. De anatoom suggereerde via het levendige uiterlijk en de stijl van de preparaten dat hij de injectiemethode van Ruysch had herontdekt. Net daarom veroorzaakten de preparaten van Burggraeve zo’n ophef; in de eerste helft van de negentiende eeuw werd aangenomen dat het recept van de injectiemethode immers verloren was gegaan. Burggraeve vestigde zijn prestige als anatoom door te stellen dat hij er als eerste in de geschiedenis in was geslaagd om een vaak gezocht raadsel op te lossen.

Pas vele jaren later onthulde Burggraeve de details van zijn injectiemethode. De preparaten werden opgespoten met roodgekleurde gelatine en bewaard in een verzuurde alcoholoplossing. Op dat moment toonden de opvolgers van Burggraeve niet langer belangstelling voor de elegante preparaten. De productie ervan nam te veel tijd in beslag en zelfs voor het onderwijs hadden ze nog nauwelijks nut. De preparaten werden in de tweede helft van de negentiende eeuw wel nog tentoongesteld als historische curiositeit, maar werden niet langer opgevoerd als toonbeeld van de schoonheid van het dode lichaam.

De preparaten van Burggraeve zijn nog tot 20 december te bezichtigen op de tentoonstelling Post-Mortem in Gent. Het dode lichaam wordt er benaderd vanuit een dialoog tussen wetenschap en hedendaagse kunst. De tentoonstelling plaatst een reeks objecten uit de universitaire collecties in de kijker met aandacht voor de geschiedenis van de anatomie. Deze blog is een bewerking van een tekst die eerder in de bezoekersgids van de tentoonstelling verscheen.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.