Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Wat je altijd al hebt willen weten over het dieet van Charles Darwin

Natuurwetenschapper Charles Darwin heeft amper een introductie nodig. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met de evolutietheorie, die hij ontvouwde in zijn boek On the Origin of Species (Over het ontstaan van soorten) (1859). Met dat werk legde hij de grondslagen voor de vandaag nog steeds gangbare visie op de geschiedenis van het leven op aarde en het ontstaan van de mens. Veel minder bekend zijn Darwins excentrieke eetgewoonten: de dieren die hij bestudeerde, belandden vroeg of laat immers ook op zijn bord. Tijdens zijn onderzoeksreizen met zijn beroemde zeilschip de Beagle at hij met veel enthousiasme de meest exotische van zijn specimen op, zoals armadillo, poema en leguaan.

Charles Darwin door J. Cameron.

Hij ontwikkelde deze opmerkelijke gewoonte tijdens zijn jeugd. Zijn vroege fascinatie voor insecten bracht hem er als tiener al toe de kevers die hij verzamelde, ook op smaak te onderzoeken. Tijdens zijn studententijd in Cambridge werd hij bovendien voorzitter van de Glutton Club. Deze ‘foodie club’ avant la lettre kwam wekelijks bijeen om samen ‘vreemd vlees’ te proeven. Zo verorberden de leden met smaak havik en roerdomp, maar werd de club uiteindelijk ontbonden na een sterk tegenvallend recept met bosuil.

Waar Darwin dan wel de voorkeur aan gaf? Net als veel zeelui die voor hem de Galapagoseilanden bezochten, hield hij enorm van de zachte smaak van de reuzenschildpad. Niettemin claimde hij dat het beste vlees dat hij ooit at, afkomstig was van een klein bruin knaagdier uit Zuid-Amerika. Hij noemde het dier niet bij naam, maar het gaat vermoedelijk om de agouti rat of capibara. Smakelijk!

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: bereide armadillo, Belen market, Iquitos, Peru (2011) door Matt Wootton (CC BY-NC-SA 2.0).

Op bezoek in een middeleeuws bordeel in Leuven

Gastblog door Jelle Haemers.

Waar boden prostituees hun diensten aan in middeleeuws Leuven? We zoeken het even voor u uit, en bezoeken met een nieuwsgierige blik een bordeel. Prostituees waren geen ‘marginalen’ in de middeleeuwen, zoals soms gedacht wordt, want ze bevonden zich in het hart van de stad.

Waar kon je terecht?

Leuven kende twee rosse buurten. Ten eerste vond je ‘vrouwen van lichte levene’, zoals prostituees toen heetten, rond het Ladeuzeplein, waar nu de universiteitsbibliotheek gevestigd is. Die ligt immers op het tracé van de oude, twaalfde-eeuwse stadsomwalling. Aan de buitenkant van die muur tippelden prostituees, zoals in de Ravenstraat en Vlamingenstraat. Toen de muur gebouwd werd, bevond de rosse buurt zich dus buiten de stad, maar na verloop van tijd raakte deze buitenwijk volgebouwd. Toch bleven de prostituees er klanten lokken. Ze bevonden zich dus voortaan in het midden van de stad, en konden er relatief vrij hun gang gaan. Prostitutie was geen misdaad, maar wel een zonde. Het werd afgekeurd vanuit moreel oogpunt, maar strafbaar was het niet.

Een man leidt een vrouw binnen in een slaapkamer, een ander koppel eet er.

Ten tweede vond je in het noorden van Leuven enkele bordelen, langs de aanlegplaatsen op de Dijle, bij de abdij van Sint-Geertrui. De uitgeputte reiziger kon er bijvoorbeeld terecht in het pand ‘De Roose’ waar er gepast vermaak werd aangeboden. Ook vandaag nog zijn havenbuurten (of treinstations) een geliefkoosde plaats voor prostitutie – in Leuven daarentegen is de gentrificatie er nu doorgedrongen, en verdwenen de ‘quade herberghen’, zoals ze soms genoemd werden. Ook verder stroomopwaarts kwamen mannen aan hun trekken. In de Wieringstraat, dichtbij het paleis van de hertog van Brabant, lag namelijk een gerespecteerd bordeel. Maar ook de Halvestraat stond bekend om zijn seksueel vertier. Beide etablissementen waren aan de Dijle gelegen, want bordelen verbruikten veel water.

Hoe zag een bordeel er vanbinnen uit?

Bordelen waren bovenal badhuizen. De bezoeker betaalde er voor een duik in een badkuip, gevuld met heet water, want niet iedereen beschikte over de faciliteiten om zelf een verwarmd bad te nemen. Door middel van een buizenstelsel dat aan een kachel verbonden was, werd warme lucht door het gebouw vervoerd. Die kachel heette een stoof, en heeft zijn benaming aan het hele gebouw gegeven. Middeleeuwse ‘stoven’ zijn dus huizen waar je met het gezin terecht kon voor een verkwikkend bad. Op sommige dagen konden mannen of vrouwen er afwisselend terecht, op andere dagen baadden koppels of gezinnen er gezamenlijk. Niet alle badhuizen lieten dus prostituees toe.

Drie koppels hebben vertier in dezelfde kamer: ze drinken en tafelen er, en gaan er naar bed.

Waar dat wél het geval was, hadden de verschillende ruimtes in het pand toepasselijke namen. In het bordeel in de Wieringstraat kon je bijvoorbeeld de kamer ‘De Pauw’ boeken, ‘De Papegaai’, of ‘De Roos’. Vogel- en bloemennamen waren erg populair voor kamers in dergelijke stoven, want ze stonden symbool voor de activiteiten die er plaatsvonden. De papegaai met zijn felle kleuren, of de pauw met zijn uitbundig verenkleed om vrouwtjes te lokken, waren populaire erotische metaforen. In het bordeel ‘De Roose’ was er een zogenaamde ‘gevogelte kamer’, die tot de verbeelding sprak. In de Wieringstraat bood de eigenaar zelfs een ‘Hertogenkamer’ aan, een luxueus vertrek met een fauteuil, drie bedden en twee schrijnen.

De meeste kamers bevatten trouwens meerdere bedden. Je trof ze zowel in gewone badhuizen als bordelen aan: kamers waarin gezinnen of koppels terecht konden voor een verpozing. Privacy was relatief in de middeleeuwen. Schrijnen of gordijnen schermden je af, maar je begaf je met meerdere vrienden of familieleden naar hetzelfde vertrek. De iconografie spreekt boekdelen: koppels nemen in dezelfde ruimte een bad terwijl ze een maaltijd nuttigen. De tafel en het bed staan gedekt. Uit onlangs opgedoken inventarissen van bordelen weten we dat de prenten aan de werkelijkheid beantwoorden. De Wieringstraat had 42 bedden in totaal, met op één kamer (de ‘Vrouwenkamer’) zelfs zes bedden.

Wie kwam er over de vloer?

Voor zover geweten is, konden in de bordelen enkel hetero’s terecht, want homoseksualiteit was taboe. Er zijn wel verhalen bekend van vrouwen die zich in mannenkleren hulden, maar de zogenaamde ‘Donkere Kamer’ in het bordeel ‘De Roose’ was zeker geen dark room. ‘Vrouwen van lichte levene’ trof je er wel aan. Sommigen hadden faam gemaakt, anderen wilden snel iets bijverdienen.

Mannen en vrouwen feesten erop los in een gelagzaal van een bordeel.

De helft van de Leuvense bordelen werd overigens uitgebaat door vrouwen, misschien ‘prostituees op rust’ die het gemaakt hadden? Sommige van die bordeeluitbaatsters waren zelfs eigenares, hetgeen op een gefortuneerde positie wijst. Doorgaans waren badhuizen in het bezit van gegoede families. Zelfs Jan Ballinc, een priester van de Sint-Pieterskerk, bezat er één. In een huurcontract dat van zijn ‘stove’ bewaard bleef, stond wel de clausule dat de uitbater geen ‘oneerbare vrouwen’ mocht ontvangen. Het was duidelijk enkel een badhuis.

Een andere eigenaar had minder scrupules. In een huurovereenkomst van zijn bordeel in de Halvestraat uit 1456 liet Jan Van Udekem optekenen dat hij het wekelijks kosteloos mocht bezoeken. Geen clausule dit keer dat er geen prostituees actief mochten zijn. Uit andere bronnen weten we overigens dat buurtbewoners klaagden over het losbandige gedrag van de bezoekers. Bovendien, zo stond in het contract, zou de uitbaatster op de vier belangrijkste feestdagen de bezoekende eigenaar gratis een kan Rijnwijn aanbieden. Jan reserveerde zich dus het recht om er althans viermaal per jaar op gepaste wijze de feestdag te vieren.

Was de Leuvense situatie uniek? Je kan het lezen in:

Schoorens L. & Haemers J., Vogelvrije vrouwen? Prostitutie in laatmiddeleeuws Brabant, Leuven, 2018.

Haemers J., Bardyn A., Delameillieure C. (red.), Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad. Antwerpen, 2019.

Geïnteresseerden kunnen zich inschrijven voor de boekpresentatie van Wijvenwereld op donderdag 7 maart om 18 uur in het stadhuis van Leuven. Op woensdag 13 maart om 19 uur geeft Jelle Haemers een lezing over prostitutie in de middeleeuwen in het Leuvens stadsarchief.

Jelle Haemers is gastblogger. Hij is hoofd van de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar politieke conflicten in de late middeleeuwen en naar gendergeschiedenis in Europese steden.

Wat je altijd al hebt willen weten over wondontsmetting

Voor de ontsmetting van wonden wordt vandaag nog steeds de methode Carrel-Dakin gebruikt. Deze methode vindt haar oorsprong in de Eerste Wereldoorlog, en werd voor het eerst op grote schaal toegepast in een Belgisch fronthospitaal. Het was een uitvinding van de Franse arts Alexis Carrel, die in 1912 de Nobelprijs voor Geneeskunde had gekregen, en van zijn Britse collega Henry Dakin, die Carrel tijdens de oorlog in zijn laboratorium in Compiègne kwam assisteren. Ze hadden vastgesteld dat gasgangreen onvermijdelijk leidde tot de amputatie van het getroffen lichaamsdeel, en dat de bestaande ontsmettingsmiddelen hiertegen geen soelaas boden. Daarom ontwikkelden Carrel en Dakin een nieuwe methode voor de ontsmetting van wonden. Daarbij werden rubberen buisjes met daarin een oplossing van natriumhypochloriet in de wonde gebracht.

De Brusselse verpleegster Jane de Launoy (links op de foto) bij de toepassing van de Carrel-Dakin methode voor wondontsmetting in het fronthospitaal L’Océan in de De Panne (Cinematek, Brussel).

In maart 1915 lichtte Carrel zijn methode toe aan dokter Antoine Depage, geneesheer-directeur van L’Océan in De Panne, het grootste Belgische fronthospitaal. Depage beval de techniek onmiddellijk aan voor de gewonden in zijn hospitaal. De verpleegster Jane de Launoy schreef kort nadien in haar dagboek: “De gasgangreengevallen die in het begin nogal veel voorkwamen, worden zeldzamer sinds ze de Carrelmethode toepassen.” Ook onderluitenant Arthur Pasquier, die twee weken later op bezoek was in het hospitaal, schreef in zijn dagboek over de nieuwe methode: “Tegen wil en dank woon ik het reinigen bij van een wonde, waarin een soort glazen bevloeiingssysteem voortdurend de ontsmettende oplossing hypochloriet laat lopen. Naar het schijnt heeft dit systeem bij herhaalde toepassing uitstekende genezing teweeggebracht.”

Vanaf het najaar van 1915 werd de methode ‘op proef’ toegepast in het hospitaal. Omdat de techniek uitstekend werkte, werd ze vanaf 1916 systematisch gebruikt bij alle gangreenwonden in L’Océan. Hierdoor werden heel wat amputaties vermeden. De methode bleek zeer doeltreffend, en wordt daarom ook nu nog toegepast. Het gebruik ervan neemt de laatste jaren wel af vanwege het irriterend effect van chloor, de allergische verschijnselen die het soms veroorzaakt en het feit dat heel wat ziektekiemen er ondertussen resistent voor geworden zijn.

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Wat je altijd al hebt willen weten over de doopspuit

Negentiende-eeuwse schets van een doop in de baarmoeder (Thirion, Du baptême intra-utérin, 1846).

De doopspuit was een van de grote medisch-religieuze innovaties uit de achttiende en negentiende eeuw. De verspreiding ervan ging hand in hand met een groeiende theologische consensus over de onsterfelijke ziel van embryo’s en foetussen. Steeds meer katholieke denkers geloofden op basis van recente medische kennis over de menselijke voortplanting dat ongeboren leven vanaf de bevruchting bezield was. In tegenstelling tot wat men vroeger had geloofd, moesten foetussen volgens negentiende-eeuwse theologen nog geen menselijke vormen hebben om hun ziel te kunnen ontvangen. Als zelfs het kleinste, met het oog onzichtbare embryo begiftigd was met een ziel, betekende dat voor katholieken dat ze in elk stadium van de zwangerschap de doop moesten toedienen. In kerkelijke richtlijnen voor priesters, dokters en vroedvrouwen werd de doopspuit aangeraden als een eerste voorwaardelijke doop bij foetussen die zich nog in de baarmoeder bevonden. Zodra het kind geboren was, diende het opnieuw gedoopt te worden. Alleen zo kon men er zeker van zijn dat het water het hoofdje echt had bereikt, en het doopsel dus geldig was.

Tot in de twintigste eeuw gebruikten dokters en vroedvrouwen de doopspuit wanneer ze dachten dat een foetus de geboorte niet zou overleven. In zulke gevallen brachten ze de spuit in via de vagina, in de hoop dat het doopwater het hoofdje zou bereiken. Daarna gingen ze meestal over tot een risicovolle operatie die mogelijk of zeker zou leiden tot zijn dood. In de negentiende eeuw namen – vooral liberale – artsen bijvoorbeeld regelmatig hun toevlucht tot medische abortus wanneer zij vermoedden dat een vrouw met een smal bekken op het einde van haar zwangerschap tijdens een uitputtende bevalling zou bezwijken. Zo’n operatie was dan wel fataal voor het leven van de foetus, maar dankzij de doopspuit was zijn ziel in elk geval gered.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van levensbeschouwelijke diversiteit in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Zingt allen mee over tbc

Gastblog door Christiaan Engberts.

Over de historische ervaringen van artsen met nieuwe medicijnen is weinig geweten. De introductie van een verondersteld geneesmiddel tegen tuberculose in 1890 vormt hierop een uitzondering. De controverses die dit middel opriep, vonden namelijk een plek in de liederen die deze artsen bij hun lokale bijeenkomsten zongen.

Een medicijn tegen tuberculose

Een Tuberculine-injectie in het Charité ziekenhuis in Berlijn.

Tuberculose was in de negentiende eeuw een van de meest voorkomende dodelijkste ziekten. Tot het einde van deze eeuw bleef het onduidelijk waardoor de zogenaamde “witte plaag” veroorzaakt werd. Robert Kochs ontdekking van de hiervoor verantwoordelijke bacterie in 1882 leek echter een veelbelovende eerste stap in de richting van een geneesmiddel. Acht jaar later leek het eindelijk zo ver. Op een congres in Berlijn kondigde Koch trots aan dat hij het gehoopte medicijn ontwikkeld had. De stemming onder artsen en patiënten was euforisch toen het middel onder de naam Tuberculine op de markt kwam.

De euforie duurde echter maar kort. Koch bleek niet in staat te zijn de productiemethode en werking van zijn middel helder te beschrijven en het bleek vaak niet te werken. De medische wereld raakte verdeeld in voor- en tegenstanders van de nieuwe kuur. Vooraanstaande onderzoekers voerden in vakbladen en op congressen felle debatten. De discussie bleef voortwoekeren totdat Tuberculine in de 20e eeuw enkel nog als diagnostisch hulpmiddel en niet langer meer als geneesmiddel gebruikt zou worden.

Het medisch treurlied

De dodelijke uitwerking van tuberculose en de felle debatten tussen prominente wetenschappers leidden ertoe dat het Tuberculinedebat ook ‘gewone’ artsen in zijn greep hield. Hoewel zij zelden de pretentie hadden nieuwe argumenten in de discussie aan te dragen, weerspiegelden zij de heersende onenigheid in hun liederen. Wie in de negentiende eeuw een Duits artsencongres bezocht, kon er namelijk van op aan dat er niet alleen lezingen en discussies op het programma stonden. Na een overvloedige avondmaaltijd werd er meestal ook gezongen.

Titelblad van het Liederbuch.

De liedteksten waren vaak speciaal voor de gelegenheid geschreven op bekende melodieën. De verzamelde heren zongen onder meer graag over hun liefde voor drank, voor vrouwen en voor de eigen professie. Daarnaast goten ze hun eigenliefde regelmatig in de vorm van een treurlied vanuit het oogpunt van een ziekteverwekker. In een van hun liederen doet een lintworm bijvoorbeeld verslag van de wrede verstoring van zijn vredige leven in een heerlijk knusse darm; in een ander lied herinnert een cataract zich de hem noodlottige ingreep van een oogarts.

Bijna alle treurliederen in de in 1892 uitgegeven bundel Liederbuch für Deutsche Aerzte und Naturforscher prijzen de successen van de medische wetenschap zonder voorbehoud. Er is echter één uitzondering: zodra het over de behandeling van tuberculose gaat, verandert de teneur. De hoopvolle vreugde van augustus 1890 slaat langzaam om in een gevoel van teleurstelling.

Van euforie tot vertwijfeling

Het aanvankelijke enthousiasme klinkt door in het Klaaglied van de Tuberculosebacterie. Zoals gebruikelijk in dit genre, beschrijven de eerste coupletten van het lied hoe plezierig het bacteriënleven wel niet kan zijn.  Zoals het in een treurlied nu eenmaal gaat, blijkt echter al snel dat deze idylle geen lang leven beschoren is. Een met een injectiespuit bewapende arts haalt een streep door de rekening:

“Nu rommelt en knelt mijn maag
Nu verschrompelt mijn bestaan.
En dat deed de nare dokter
Met Koch’s Tuberculine.”

Al spoedig werd dit lied gevolgd door sceptischer liederen. Het lied De Bacterie uit 1890 suggereert dat men misschien te vroeg had gejuicht. De tekst – een dialoog tussen een oude wijze en een jonge bezorgde tuberculosebacterie – bevat echter nog geen expliciete kritiek op de werkzaamheid van Kochs middel. In de slotstrofe suggereert de oude bacterie dat ze de arts te slim af kunnen zijn door zijn Tuberculine ’s nachts te stelen.

Antropomorfe microben uit het Liederbuch.

Een jaar later sijpelde er echter steeds meer openlijke kritiek op Kochs middel door in de liedteksten. Ondertussen was gebleken dat Tuberculine hoogstwaarschijnlijk geen blijvende immuniteit kon bewerkstelligen. In het licht van de opeenhoping van dergelijke teleurstellende bevindingen werden de liedteksten steeds kritischer. Het lied Tuberculinum Kochii, gezongen bij een bijeenkomst van artsen uit Hessen in 1891, wekt zelfs de suggestie dat het Koch al die tijd enkel om financieel gewin te doen was geweest:

“Het jaar is voorbij – stop de lofzangen.
Hoeveel hoop verzonk er niet in het graf!
Zij die met goede moed kwamen – ach! – ze taaiden
Met bezwaard hart en lege buidel weer af.”

Dergelijke liederen die de behandelende artsen op hun lokale bijeenkomsten zongen, illustreren hoeveel impact Kochs uitvinding op de medische wereld had. Voor een keer lieten ze liederen met titels als Nunc est bibendum en Dit glas op de vrouwen achterwege om in plaats daarvan de meest recente stand der wetenschap in liedvorm aan een kritische beschouwing te onderwerpen.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw.

Toen vrouwelijke studenten nog porrekes waren

“Dus dan waren wij met achten in een zaal van vierhonderd. En dan moesten wij natuurlijk vooraan zitten, want in die tijd mochten de meisjes niet achteraan, zelfs niet op de tweede rij gaan zitten.” Aan het woord is een voormalige vrouwelijke studente die in de jaren 1960 wiskunde studeerde aan de universiteit te Leuven. De strikte scheiding van mannen en vrouwen in de aula’s doet vermoeden dat mannelijke en vrouwelijke studenten in aparte werelden leefden, maar was dat wel zo?

Gescheiden werelden

Tijdens het college anatomie zaten de vrouwen samen op een rij (universiteitsarchief Leuven).

Toen er in 1921 voor het eerst vrouwelijke studenten naar Leuven kwamen, maakten de Belgische bisschoppen zich zorgen. Ze vreesden dat de mannelijke en vrouwelijke studenten elkaar zouden afleiden van hun studies. Om vrouwelijke studenten te beschermen tegen het ‘mannelijke kwaad’ stichtten ze pedagogieën waar meisjes onder toezicht van nonnen in Leuven konden verblijven. De vice-rector Honoré Van Waeyenberg ging zo ver dat hij in 1936 de volgende regel invoerde: “De meisjesstudenten gelieven steeds met twee over straat te gaan. Onnodig te herhalen dat het nooit mag gebeuren dat zij met studenten samen naar de cursus gaan of dezelfde verlaten.” Tijdens vergaderingen en in de bibliotheek moesten vrouwelijke studenten apart van de mannelijke studenten zitten. Het was ook verboden voor vrouwen om naar bioscopen, dancings, drank- en eetgelegenheden te gaan.

In de jaren 1960 verdwenen de meeste beperkingen, maar vrouwelijke studenten bleven verplicht om hun eerste jaar op een pedagogie door te brengen. Mannen waren hier niet toegelaten. Wanneer een studente met een man wilde afspreken, moest de man aan de poort of op de gang van de pedagogie op haar wachten. De zusters controleerden daarnaast ook het doen en het laten van de vrouwelijke studenten door een avondklok in te stellen. Meisjes die op pedagogieën verbleven, moesten ten laatste om elf uur ’s avonds terug zijn. Wanneer vrouwen na hun eerste of tweede jaar naar een privaat kot verhuisden, hadden ze meer vrijheid. De avondklok verdween en ze mochten eten waar ze wilden. De meisjeskoten bleven wel verboden terrein voor mannelijke studenten en veel kotbazen bleven de meisjes controleren.

Het was een ongeschreven regel dat deze scheiding ook werd doorgevoerd in de auditoria, waar vrouwen op de eerste rijen moesten plaatsnemen. Doordat ze vooraan zaten, voelden veel vrouwen zich bekeken en waren ze ook gemakkelijke slachtoffers voor plagerijen. Vrouwen die bijvoorbeeld te laat waren, konden getrakteerd worden op een fluitconcert als ze de hele aula moesten doorlopen om de eerste rij te bereiken. De mannelijke studenten hadden ook de gewoonte om hun vrouwelijke collega’s al lachend por te noemen. Vrouwelijke studenten hadden hier weinig problemen mee: “Wij waren de porren van Leuven. Wij vonden dat wel leuk. Erg vond ik dat niet, dat paste allemaal in die tijdsgeest denk ik.”

Vermaak

Studenten in het studentenrestaurant Alma (universiteitsarchief Leuven).

De jaren 1960 luidden wel enkele veranderingen in. Voor die tijd was het studentenleven voornamelijk gericht op mannen. De exclusief mannelijke studentenclubs domineerden het studentenlandschap. Tijdens de jaren 1960 begonnen vrouwen ook meer deel te nemen aan het studentenleven. Het studentenrestaurant Alma en de bioscoop waren ideale plaatsen om samen te komen en te ontspannen. Steeds meer vrouwen werden bovendien actief in het bestuur van de faculteitskringen – meestal als secretaresse, een functie die als typisch vrouwelijk werd aanzien.

Tijdens de avondactiviteiten van de studentenkringen, zoals cantussen en thé-dansants waren ook steeds meer vrouwen aanwezig. Op cantussen dronken vrouwen samen met mannen bier, al deden ze dat meestal in mindere mate. Thé-dansants waren dansgelegenheden waar mannen en vrouwen per twee dansten. Vrouwen moesten wachten tot mannelijke studenten hen ten dans vroegen. Het was gebruikelijk dat deze laatsten hun danspartners trakteerden en hen na een avondje uit naar hun pedagogie of kot brachten.

Studerende vrouw, werkende vrouw?

Studenten verpozen in het Begijnhof.

De jaren 1960 kunnen gezien worden als een overgangsperiode naar een gemengd studentenmilieu. Toch bleven de oude genderspecifieke rollenpatronen voortbestaan. Vrouwelijke studenten werden geacht rokken te dragen en in de faculteitskringen  zogenaamd vrouwelijke taken zoals secretaresse op zich te nemen. Deze maatschappelijke rollenpatronen kwamen nog meer tot uiting in hun latere leven. Veel vrouwelijke alumni merkten dat de uitbouw van een loopbaan moeilijk te verzoenen viel met maatschappelijke verwachtingen rond hun rol als moeder. Veel afgestudeerde vrouwen gingen dan ook nooit werken of kwamen terecht in de onderwijssector.

Lies Depickere was in het academiejaar 2017-2018 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over de ervaringen van vrouwelijke studenten aan de Leuvense universiteit in 1960-1968.

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten

In de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog wordt amper aandacht besteed aan het werk van Belgische verpleegsters. Ze waren nochtans met achthonderd, en speelden een vaak levensreddende rol bij de verzorging van gewonde soldaten en burgers. ‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten stond er op hun speldje in een van de grootste Belgische fronthospitalen.

Nieuwe verpleegkundige praktijken

Jane de Launoy (links) bij de toepassing van een nieuwe techniek voor wondontsmetting (Cinematek).

De doorbraak voor de professionalisering van het verpleegstersberoep situeerde zich in België in het eerste decennium van de twintigste eeuw. De eerste opleidingen zorgden ervoor dat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 4477 verpleegsters over een diploma beschikten. Slechts van 8,27 % van dit totaal is met zekerheid bekend dat ze tijdens de oorlog als verpleegster actief waren. Dit cijfer is redelijk laag, omdat het bijna onmogelijk was om vanuit bezet België in fronthospitalen terecht te komen.

Daarom kwamen er tijdens de oorlog nieuwe opleidingen in Londen en Calais. Die moesten zorgen voor de aanvoer van Belgische verpleegsters in de verschillende fronthospitalen. De verpleegsters die in beide steden een stoomcursus volgden, kwamen nadien meteen in Belgische fronthospitalen terecht. Ze werden er geconfronteerd met uiteenlopende en vaak nieuwe praktijken, zoals amputaties, buikoperaties en ontsmetting van oorlogswonden. Ook nieuwe technieken als radiografie, fysiotherapie en bloedtransfusie werden toegepast. De verpleegkundige praktijken hadden meermaals een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van de gewonde soldaten.

‘De vermoeidheid zit diep’

Tekening van een uitgeputte Belgische verpleegster door een Britse soldaat (University of Victoria’s Special Collections Library).

De oorlogsomstandigheden stelden de Belgische verpleegsters zowel fysisch als psychisch zwaar op de proef: velen raakten oververmoeid en werden ziek. De strijd voor het overleven van de gewonden, het personeelstekort, de lange diensttijden, de vermoeiende nachtdiensten, de confrontatie met de dood en de schaarse ontspanningsmogelijkheden zorgden voor een zware fysieke en mentale belasting bij het verpleegkundig korps. De vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zoniet jaren duren om opnieuw weerstand op te bouwen,’ schreef frontverpleegster Jane de Launoy in haar dagboek. Een aantal van haar collega’s moest het werk stopzetten: tussen eind 1916 en eind 1918 dienden 113 verpleegsters hun ontslag in. In diezelfde periode werden ook 680 verpleegsters van het ene naar het andere hospitaal overgeplaatst, wat zorgde voor heel wat stress. Minstens 34 Belgische verpleegsters overleefden de oorlog niet.

Bij de uitoefening van hun werk waren er ook regelmatig spanningen met niet-opgeleide verpleegsters. Vanaf het begin van de oorlog waren er vele dames, meestal uit de burgerij, die op vrijwillige basis verpleegkundige zorgen wensten te verstrekken. Ze beschikten daarvoor meestal niet over de nodige competenties. Dit zorgde voor ergernis bij de geschoolde verpleegsters. Zij vonden dat opleiding en bekwaamheid primeerden op goede intenties.

Ook de verhoudingen tussen Belgische en Britse verpleegsters liepen niet altijd van een leien dakje. De Britse verpleegsters hanteerden een streng reglement, dat hen niet toestond om op het bed van een gewonde te gaan zitten en hen verbood om patiënten met hun naam aan te spreken. De Belgische verpleegsters vonden dat hun Britse collega’s hierdoor te weinig morele steun en troost aan de gewonden gaven. Sommige gewonden gaven daarom aan dat ze het liefst door Belgische verpleegsters werden verzorgd.

Altijd troosten

Belgische frontverpleegsters boden vooral troost (Archief Belgische Rode Kruis).

Bij de verpleegkundige praktijken van Belgische verpleegsters was het opvallend dat het troostende aspect sterk op de voorgrond trad. In zoverre de oorlogsomstandigheden dat toelieten, namen ze de tijd om met de gewonden te praten en hen moed in te spreken. De vooroorlogse traditie van katholieke zorg – waarbij naast religieuzen ook welgestelde dames morele en spirituele ondersteuning boden – speelde daarbij een belangrijke rol. Altijd troosten vat dan ook – meer dan genezen en verlichten – de essentie van het werk van de Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog goed samen. Dat werk is grotendeels onbekend gebleven, maar in de huidige herdenking van de Eerste Wereldoorlog verdient het zeker een plaats.

Meer weten.

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, 2018).

Tentoonstelling Heelkracht. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Poperinge, 30 juni-16 september 2018)

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

4 redenen om een diepgelovige vroedvrouw te veroordelen in de late negentiende eeuw

Een bevalling loopt mis in 1867. Wanneer de aanstaande moeder overlijdt, grijpt haar diepgelovige vroedvrouw Mme Vandenbussche naar het scalpel. Om het zieltje van het ongeboren kind te redden, opent ze de zwangere buik en sprenkelt er doopwater in.

De rechtszaak

De rechtszaak die hierop volgde, liet stof opwaaien in juridische en politieke kringen. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Hof van Cassatie. Het verdict leidde tot discussies in het parlement.

Waarom zo’n ophef?

Ook priesters, die vooral in landelijke gebieden hun roeping nog vaak combineerden met een job als dorpsarts, probeerden soms het eeuwige leven van ongeboren kinderen veilig te stellen. Volgens kerkelijke richtlijnen was de keizersnede de zekerste manier om een kind te dopen indien de moeder overleed tijdens de bevalling. Bij het gebruik van een doopspuit was het immers onzeker of het water zijn doel zou bereiken. Slechts wanneer je het hoofdje zag, kon je zeker zijn dat het doopsel correct was uitgevoerd, en het zieltje was gered.

Toch waren de acties van Vandenbussche ongewoon. Gelijkaardige incidenten zijn op een hand te tellen, omdat de gelegenheid zich niet vaak voordeed en wellicht niet alle priesters de kerkelijke richtlijnen naadloos opvolgden. Maar dit betekende nog niet dat Vandenbussche een crimineel feit had gepleegd. De commotie draaide vooral om de vraag of zij de wet had geschonden. Was het strafbaar om in een lijk te snijden om een ongeboren kind te dopen? En zo ja, op welke grond?

  1. Moord

De negentiende-eeuwse angst voor schijndood leidde niet alleen tot de constructie van mortuaria, maar ook tot de uitvinding van allerhande ‘beveiligingsmechanismen’ die toelieten om vanuit de kist te communiceren met de buitenwereld (Wellcome Images).

De openbare aanklager zei: moord of doodslag. Hoe kon Mme Vandenbussche zeker weten dat de moeder was overleden? Volgens hem kon de dood slechts worden vastgesteld door een medische expert. Het was mogelijk dat een “leek” als Vandenbussche de dood verkeerd had ingeschat. Misschien leefde de zwangere vrouw nog, en had zij haar vermoord toen ze de incisie maakte.

De zorgen van de openbare aanklager waren niet ongegrond. In het negentiende-eeuwse België beschreven artsen de dood als “een proces, dat niet ineens gebeurt, maar dat een begin en een einde heeft”. Omdat het sterven volgens hen zich maar geleidelijk aan voltrok, dachten zij dat het pas overleden lichaam zich “in een tussenstadium tussen leven en dood” bevond.

Deze onzekere toestand van het lijk was niet zonder gevolg. Een begrafenis mocht pas plaatsvinden na een termijn van 24 uur. Ook dissectie moest wachten. Op kerkhoven en in ziekenhuizen werden mortuaria opgetrokken, die dienst deden als wachtkamers voor het geval dat iemand slechts schijndood zou blijken. Ook keizersneden, een vrij nieuwe een beruchte operatie, stelden artsen voor een dilemma. Als zij wachtten tot ze met zekerheid het overlijden van de moeder konden vaststellen, was het ongeboren kind niet langer levensvatbaar. Wanneer zij daarentegen het kind wilden redden, liepen ze het risico om de moeder – die misschien nog leefde – te verwonden.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat Vandenbussche geen moordenares was, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat de vrouw nog leefde op het moment van de ingreep. Bovendien, zo vermeldde het verdict, “kon er ook geen sprake zijn van slagen en verwondingen, want een lijk kan je niet kwetsen”.

  1. Kwakzalverij

Deze negentiende-eeuwse cartoon toont de spanning tussen de mannelijke gynaecoloog en de vrouwelijke vroedvrouw (Wellcome Images).

Een onwettige medische ingreep dan maar? Want mocht Mme Vandenbussche, als vroedvrouw, wel een scalpel gebruiken?

Vroedvrouwen waren bij wet ondergeschikt gemaakt aan de per definitie mannelijke gynaecoloog of geneesheer. Zo stelde een wet van 12 maart 1818 dat vroedvrouwen slechts mochten helpen bij bevallingen “welke door de natuur bewerkt of door de hand ten uitvoer gebracht” konden worden. Medische instrumenten – verlostangen en zaagforcepsen, maar ook scalpels – waren voor hen verboden. De vroedvrouw mocht moeder en baby wel verzorgen (een taak die paste bij haar vrouwelijke, gevoelige natuur), maar enkel een mannelijke arts mocht hen behandelen.

Toch besloot de rechter dat Vandenbussche niet schuldig pleet. Zij maakte, zo stelde hij, maar één incisie, die enkel de spirituele en niet de fysieke redding van het kind beoogde. Een poging tot keizersnede was strafbaar geweest, een ziel redden was dat niet.

  1. Schending van eigendom

Een derde optie was schending van eigendom. Een negentiende-eeuws juridisch naslagwerk legde uit dat het lijk van een persoon het bezit was van de familie, “zoals het lijk van een dier toebehoort aan de eigenaar van dat dier tijdens het leven”. Door in een dood lichaam te snijden, had Vandenbussche andermans eigendom geschonden: een strafbaar feit.

Maar deze interpretatie strookte niet met de tijdsgeest. Onder invloed van de geleidelijke afschaffing van de slavernij, beargumenteerden steeds meer juristen dat het lichaam nooit iemands eigendom kon zijn. Lijkenrovers werden vrijgesproken omdat het stelen van een dood lichaam in strikte zin geen diefstal was: het lijk was geen ding, en dus niemands bezit. Ook anatomen stelden dat ze zonder toestemming een autopsie mochten uitvoeren. Omdat het lijk geen ding was, schaadden zij geen eigendom. De patiënt was dood, dus een autopsie kon ook niet gelden als slagen en verwondingen.

  1. Grafschennis

Een jurist probeerde nog, “het is grafschennis”. De rechter schudde zijn hoofd. Grafschennis gold alleen tijdens en na de begrafenis. Voor de begrafenis was het lijk niet wettelijk beschermd.

De beslissing werd op ongeloof onthaald. Als het onbegraven lijk niet geschonden kon worden als ding, en ook niet als persoon, kon iedereen dan zomaar zijn of haar gang gaan met dode lichamen? Betekende dit bijvoorbeeld dat artsen naar hartenlust lijken konden ontleden, zonder toestemming?

In principe wel. In 1887 ontliep ook de arts en antropoloog Emile Houzé de arm der wet, hoewel hij het lichaam van één van zijn patiënten had gestolen om het skelet te bewaren in zijn anatomische collectie.

Het verdict

Mme Vandenbussche haalde opgelucht adem. Het Hof van Cassatie oordeelde dat haar gedrag roekeloos was, maar niet kon worden veroordeeld voor de wet.

Het op eerste zicht onbegrijpelijke verslag van haar rechtszaak is een uitzonderlijk venster op de laatnegentiende-eeuwse samenleving. De zaak Vandenbussche biedt niet alleen aanknopingspunten om veranderende mentaliteiten over de dood en het ongeboren leven te bestuderen, maar werpt ook een licht op belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de professionalisering van de geneeskunde en een beginnende secularisering.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de diverse manieren waarop ongewenste kinderloosheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Exit Sint-Pietersziekenhuis

Op de nieuwjaarsreceptie van de stad Leuven liet burgemeester Louis Tobback optekenen dat het Sint Pietersziekenhuis dit jaar wordt gesloopt. Weinigen zullen het verdwijnen van deze ‘gele olifant’ als een verlies beschouwen. De voorste vleugel van dit tussen 1955 en 1983 opgetrokken gebouwencomplex werd nooit volledig in gebruik genomen en staat er vandaag troosteloos bij. De ‘laatste stadskanker’ in de Leuvense stadskern, aldus Tobback.

Monumentale ingang van het negentiende-eeuwse Sint-Pietersziekenhuis aan de Brusselsestraat. (Collectie Histaruz)

Vanuit historisch opzicht is de sloop van het Sint-Pietersziekenhuis geen opmerkelijke gebeurtenis. Sinds het midden van de negentiende eeuw werd de kliniek verschillende keren afgebroken en heropgebouwd. Telkens was het doel plaats te ruimen voor een moderner hospitaal. Nu echter – en dat is wel een breuk met het verleden – voorziet het stadsbestuur een andere bestemming voor de site. Er komt wellicht een podiumkunstenzaal. Zo eindigt een traditie van ziekenzorg in de binnenstad: een overzicht.

 

Binnenhoven, tuinen en paviljoenen

Het plan Maukers uit 1930 bood meer ruimte aan opkomende specialismen maar bleef gebonden aan het oorspronkelijke grondplan. (Stadsarchief Leuven)

Het eerste Sint-Pietersziekenhuis kon zelf pas worden gebouwd na de sloop van een ouder ‘gasthuis’. In 1830 had de Commissie voor Burgerlijke Hospitalen – een voorloper van het latere OCMW – beslist dat het Sint-Elisabethgasthuis niet langer volstond. Dat gebouw was in de dertiende eeuw opgetrokken door de zusters Augustinessen naast hun klooster. Zorg voor ziel en lichaam was er eeuwenlang nauw verweven. Het gasthuis beantwoordde echter niet langer aan de negentiende-eeuwse hygiënistische standaarden. Er was meer licht en ventilatie nodig. De ruimte ontbrak ook om patiënten met besmettelijke ziekten voldoende af te zonderen.

Provinciaal architect Alexander Van Arenbergh ontwierp een nieuw, monumentaal rechthoekig gebouw met twee binnenhoven, vier paviljoenen en een grote tuin. In totaal konden er zo’n 250 patiënten worden gehospitaliseerd. Mannen en vrouwen lagen apart in grote zalen van wel 24 bedden. De eersten daarvan werden opgenomen in 1849. De voorste binnenhof was naar de straatzijde toe open in een U-vorm. Leuven kreeg zo een neoclassicistisch landmark in de Brusselsestraat, een eigentijds ontwerp dat in vele opzichten leek op het Sint-Jansziekenhuis dat in diezelfde periode in Brussel door Henry Patoes werd neergezet.

Onderwijs en onderzoek

Functionalistisch schema uit 1949 voor een nieuw Sint-Pietersziekenhuis. (Stadsarchief Leuven)

Het Sint-Pietersziekenhuis was bovendien een academische kliniek. Het functioneerde als de voornaamste opleidingsplek voor de studenten geneeskunde van de Leuvense universiteit. Rond 1900 dwong hun toenemende aantal tot nieuwe constructiewerken. Zo werd de tuin grotendeels opgeofferd voor de bouw van klinische auditoria. De opkomst van de bacteriologie – een nieuw specialisme – maakte investeringen in labo’s, sterilisatieruimtes, verbandkamers en betere operatiekwartieren noodzakelijk. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreunde het negentiende-eeuwse gebouw onder de voortdurende drang naar medische vernieuwing.

Een eerste poging tot een meer structurele oplossing werd in 1930 ondernomen. De Brusselse architect Gustave Maukers presenteerde toen het plan om een volledige verdieping bij te bouwen en de ruimtes te herbestemmen. Maukers behoorde tot een kransje architecten die in het interbellum de ziekenhuisarchitectuur probeerden te vernieuwen. Zij vertrokken vanuit de beoogde functie van de ruimtes. In Maukers plan werden onder meer aangepaste zalen voor kindergeneeskunde, pneumologie (onder andere met kuurgalerijen voor tuberculosepatiënten) en dermatologie voorzien. Toch zou dit functionalisme in Leuven, in tegenstelling tot in Gent en Brussel, slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd worden voor de Tweede Wereldoorlog. Het Gentse Universitair Ziekenhuis of de Brusselse Héger-kliniek waren nieuwe constructies terwijl in Leuven werd vastgehouden aan het bestaande negentiende-eeuwse grondplan.

Functionalisme en hoogbouw

Het originele ontwerp uit 1951 van Cloquet-Van Montfort-Vandeput voorzag een kleiner voorgebouw dan wat uiteindelijk gerealiseerd werd. (Copyright Stadsarchief Leuven)

Aan het einde van de jaren 40 leek het lot van het ‘oude’ Sint-Pietersziekenhuis bezegeld. De bezetting door Duitse troepen tijdens de oorlog en een brand in 1944 hadden grote schade aangericht. Met de gelden voor de wederopbouw en de nationale fondsen voor ziekenhuisbouw in de jaren 50 was er bovendien financiële ruimte. Sloop en nieuwbouw lagen voor de hand. Een ontwerp van architectentrio Cloquet-Van Montfort-Vandeput werd in 1951 goedgekeurd. De sloopwerken namen meteen een aanvang en vier jaren later verrees de eerste vleugel van het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis, een torengebouw van veertien verdiepingen.

Met de nieuwbouw werd een modernistische ziekenhuisarchitectuur gerealiseerd. Die voorzag in een centralisatie van gedeelde functies (radiologie, intensieve zorgen, administratie enz.) en een scheiding van de ‘stromen’ van bezoekers, patiënten en medisch personeel. In de tweede helft van de jaren 60 werd een spoedafdeling geopend aan de achterzijde van de kliniek: ambulances reden af en aan vanop de Brusselsestraat over de overwelfde Dijle.

Taalstrijd

Het oude Sint-Pietersziekenhuis moest in de jaren 50 wijken voor een nieuw torengebouw. In de jaren 70 werd een tweede vleugel bijgebouwd. (Collectie Histaruz)

De verdere geschiedenis van het Sint-Pietersziekenhuis oogt minder fraai. Tijdens de woelige jaren 60 werd de kliniek een speelbal in het politieke spel rond Leuven-Vlaams. Dat Nederlandstalige patiënten er door Franstalige professoren en artsen-in-opleiding werden behandeld, was een doorn in het oog van de Vlaamse Beweging. De aanhoudende kritiek droeg ertoe bij dat de Faculteit Geneeskunde als een van de eerste faculteiten taalkundig gesplitst werd. Reeds in 1963 werd beslist dat voor de Franstalige artsen een nieuwe kliniek bij Brussel zou worden gebouwd. Sint-Pieters werd op termijn een exclusief Nederlandstalig ziekenhuis.

Gasthuisberg

Tegelijkertijd besloten de Nederlandstalige professoren uit te breiden buiten het stadscentrum. Begin jaren 70 werd de eerste steen gelegd van Gasthuisberg. In 1975 ging het kinderziekenhuis – het eerste van vele gebouwen op de campus – open. De beslissing om te blijven investeren in Sint-Pieters bleek achteraf een vergissing. In 1977 werd een tweede vleugel in gebruik genomen. Begin jaren 80 werd nog een groot nieuw gebouw opgetrokken dat – op enkele verdiepingen na – steeds heeft leeggestaan. Ondertussen sloeg het beleid om: er was nu sprake van een nationaal ‘beddenoverschot’ en een nood aan besparingen. Het dure en deels ongebruikte Sint-Pietersziekenhuis werd zo een heikel dossier in de relatie tussen stad en universiteit. De vondst van asbestdeeltjes in de oudste gebouwen bemoeilijkte bovendien een eventuele afbraak.

Luchtfoto van het hospitaalcomplex Sint-Pieters: het gebouw aan de straatzijde dateert van de vroege jaren 80. (Collectie Histaruz)

Die afbraak lijkt nu toch van start te zullen gaan. Daarmee komt een einde aan de traditie van academische zorg in de Brusselsestraat. De grote schaal waarop die vandaag wordt beoefend, vergt een medische en mobiliteitsinfrastructuur die onverzoenbaar lijkt met de binnenstad. Wie het komende jaar langs het Sint-Pietersziekenhuis wandelt, kan misschien eens via de zijkant naar achteren gaan. Daar staat nog een stukje – de zuidvleugel – van het negentiende-eeuwse hospitaal recht. Je kan er tegelijk ook de vleugels van de jaren 50 en 70, en het gebouw van de jaren 80 aanschouwen. Anderhalve eeuw hospitaalgeschiedenis in één oogopslag.

 

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen. Bijzondere dank aan Edith Willekens en Liesbeth Croimans van het Leuvense stadsarchief voor hun hulp bij het onderzoek voor deze blogtekst.

Hebben dokters de geketende psychiatrische patiënt bevrijd?

Gastblog door Eva Andersen.

Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw worden vaak omschreven als een kenteringsperiode voor de psychiatrie. In deze periode streefden artsen naar een humanere behandeling van mensen met een psychische aandoening. Verhalen over bekende artsen als de Franse dokters Philippe Pinel en Jean-Etienne Esquirol, de Brit William Tuke en de Belgische psychiater Jozef Guislain die de geesteszieken uit hun ketenen en mensonterende omstandigheden bevrijdden, hebben een bijna mythische allure gekregen.

Non-restraint

Een foto van een psychiatrische patiënt die op een stoel in bedwang wordt gehouden. (CC BY Henry Clarke, Welcome collection)

Negentiende-eeuwse psychiaters in Europa en Amerika stonden voor hetzelfde vraagstuk bij hun pogingen om de menswaardige behandeling van patiënten te verbeteren. Aan de ene kant stelden ze zich in toenemende mate vragen bij het gebruik van de bestaande dwangmiddelen zoals handboeien, kettingen en dwangbuizen. Aan de andere kant wilden ze de controle behouden over moeilijk beheersbare patiënten. Via buitenlandse contacten maakten zij kennis met alternatieven.

In 1839 introduceerde de gerenommeerde Britse arts John Conolly de non-restraint methode in de instelling voor geesteszieken van Hanwell in Groot-Brittannië met het doel psychiatrische patiënten humaner te behandelen. Zijn voorstel bouwde voort op de ideeën van de Franse arts Philippe Pinel en de Britten William Tuke en Robert Gardiner Hill. Kettingen, handboeien en dwangbuizen werden vervangen door een “zachtere” aanpak. In deze aanpak stond redeneren met de patiënten centraal. Volgens een aantal Britse psychiaters wisten vele patiënten immers goed wanneer zij in de fout gingen. “De invloed van een gezonde op een zieke geest” kon zo zijn werk doen.

De isoleercel

Maar wat als patiënten toch gewelddadig of geagiteerd reageerden of een suïcidaal gedrag vertoonden? Hoe moest men ze in bedwang houden als mechanische dwangmiddelen uit den boze waren? Een van de oplossingen die men voorzag was de isoleercel. In Europa werd druk gedebatteerd over het feit of een padded room al dan niet als een vorm van mechanische dwang gold. De Franse arts Moreau de Tour bijvoorbeeld vond de gehele non-restraint praktijk maar niets. Hij meende dat het een terugkeer naar oude gewoontes was en de kunst van het genezen terug in zijn kinderschoenen plaatste. Een mening die echter niet door alle Franse artsen gedeeld werd. Sommigen onder hen prezen juist de vooruitgang die de Britten geboekt hadden en hoopten dat de non-restraint methode ook meer ingebed zou raken in Frankrijk.

Isoleercellen hadden geen hoeken zodat patiënten zich nooit uit het zicht van het personeel konden bevinden.

Jules Morel, een Belgische psychiater, was in tegenstelling tot Moreau wel geïnteresseerd in de mogelijkheden van de non-restraint. In 1893 vroeg hij inlichtingen aan zijn Britse collega Bedford Pierce over de praktijk van de isoleercel. Die stuurde hem instructies met een bijbehorende schets en zelfs een sample van de rubber die hij in de isoleercellen van het York Retreat gebruikte. Of Morel met deze informatie ook daadwerkelijk iets gedaan heeft en of de non-restraint methode veel gebruikt werd in België, is onduidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid was de verspreiding ervan vrij beperkt.

Douchebaden

Niet enkel de isoleercel vormde een onderdeel van de non-restraint. Een andere vaak toegepaste techniek was die van de hydrotherapie die zowel in Europa als Amerika gebruikt werd. Eén van de vele vormen van hydrotherapie was die van de douchebaden, waarbij patiënten onder een continue straal van koud of warm water werden gezet om te kalmeren. Vele buitenlandse artsen vonden dit een intrigerende behandelmethode en maakten tijdens hun bezoeken aan Europese en Amerikaanse ‘krankzinnigengestichten’ veel aantekeningen over het gebruik ervan.

Een voorbeeld van een douchebad.

Ondanks het enthousiasme van vele psychiaters over deze  behandelingsmethode, hadden de douchebaden niet altijd het gewenste effect. Soms resulteerde het gebruik van de douchebaden in het overlijden van patiënten. Omdat zij te lang (20 tot 30 minuten) aan het water werden blootgesteld, kon de shock leiden tot hun dood. Na enkele dodelijke voorvallen velde de Britse Lunacy Commission, die toezicht hield op de psychiatrische instellingen en het welzijn van geesteszieken, een oordeel over de behandelingsmethode. De comissie was van mening dat de douchebaden enkel voor een kortere periode (drie minuten) gebruikt mochten worden. Deze richtlijn moest in Groot-Brittanië verdere ongelukken voorkomen.

De non-restraint methode bestond daarnaast nog uit andere ‘tactieken’ zoals het voorzien van entertainment en bezigheidstherapie. In de instelling van Hanwell werden er bijvoorbeeld wel eens bals georganiseerd voor de patiënten. Mannelijke patiënten konden buiten petanque spelen en er werden begeleide wandelingen gemaakt op het platteland.

Een voortdurende discussie

Hoe meer patiënten geëntertaind werden, hoe minder snel ze geagiteerd raakten. Volgens Britse artsen lokten de “zachtere” repressiemiddelen minder hevige reacties uit bij de patiënten. In Europa en Amerika bleef de non-restraint echter nog lange tijd de gemoederen beroeren bij voor- en tegenstanders.

De artsen die de psychiatrische patiënten van hun ketenen verlosten, werden door hun tijdgenoten als pioniers van de psychiatrie omschreven. Ook vandaag de dag worden zij gezien als ‘vaders van de psychiatrie’. Toch stroken hun ideeën over waardige behandelingen in instellingen niet per se met hedendaagse behandelingsmethodes. De douche- en badbehandelingen raakten in de loop van de twintigste eeuw in onbruik. Daarnaast lokken de voor- en nadelen van isolement tegenwoordig nog vaak discussies uit.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.