Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Toen vrouwelijke studenten nog porrekes waren

“Dus dan waren wij met achten in een zaal van vierhonderd. En dan moesten wij natuurlijk vooraan zitten, want in die tijd mochten de meisjes niet achteraan, zelfs niet op de tweede rij gaan zitten.” Aan het woord is een voormalige vrouwelijke studente die in de jaren 1960 wiskunde studeerde aan de universiteit te Leuven. De strikte scheiding van mannen en vrouwen in de aula’s doet vermoeden dat mannelijke en vrouwelijke studenten in aparte werelden leefden, maar was dat wel zo?

Gescheiden werelden

Tijdens het college anatomie zaten de vrouwen samen op een rij (universiteitsarchief Leuven).

Toen er in 1921 voor het eerst vrouwelijke studenten naar Leuven kwamen, maakten de Belgische bisschoppen zich zorgen. Ze vreesden dat de mannelijke en vrouwelijke studenten elkaar zouden afleiden van hun studies. Om vrouwelijke studenten te beschermen tegen het ‘mannelijke kwaad’ stichtten ze pedagogieën waar meisjes onder toezicht van nonnen in Leuven konden verblijven. De vice-rector Honoré Van Waeyenberg ging zo ver dat hij in 1936 de volgende regel invoerde: “De meisjesstudenten gelieven steeds met twee over straat te gaan. Onnodig te herhalen dat het nooit mag gebeuren dat zij met studenten samen naar de cursus gaan of dezelfde verlaten.” Tijdens vergaderingen en in de bibliotheek moesten vrouwelijke studenten apart van de mannelijke studenten zitten. Het was ook verboden voor vrouwen om naar bioscopen, dancings, drank- en eetgelegenheden te gaan.

In de jaren 1960 verdwenen de meeste beperkingen, maar vrouwelijke studenten bleven verplicht om hun eerste jaar op een pedagogie door te brengen. Mannen waren hier niet toegelaten. Wanneer een studente met een man wilde afspreken, moest de man aan de poort of op de gang van de pedagogie op haar wachten. De zusters controleerden daarnaast ook het doen en het laten van de vrouwelijke studenten door een avondklok in te stellen. Meisjes die op pedagogieën verbleven, moesten ten laatste om elf uur ’s avonds terug zijn. Wanneer vrouwen na hun eerste of tweede jaar naar een privaat kot verhuisden, hadden ze meer vrijheid. De avondklok verdween en ze mochten eten waar ze wilden. De meisjeskoten bleven wel verboden terrein voor mannelijke studenten en veel kotbazen bleven de meisjes controleren.

Het was een ongeschreven regel dat deze scheiding ook werd doorgevoerd in de auditoria, waar vrouwen op de eerste rijen moesten plaatsnemen. Doordat ze vooraan zaten, voelden veel vrouwen zich bekeken en waren ze ook gemakkelijke slachtoffers voor plagerijen. Vrouwen die bijvoorbeeld te laat waren, konden getrakteerd worden op een fluitconcert als ze de hele aula moesten doorlopen om de eerste rij te bereiken. De mannelijke studenten hadden ook de gewoonte om hun vrouwelijke collega’s al lachend por te noemen. Vrouwelijke studenten hadden hier weinig problemen mee: “Wij waren de porren van Leuven. Wij vonden dat wel leuk. Erg vond ik dat niet, dat paste allemaal in die tijdsgeest denk ik.”

Vermaak

Studenten in het studentenrestaurant Alma (universiteitsarchief Leuven).

De jaren 1960 luidden wel enkele veranderingen in. Voor die tijd was het studentenleven voornamelijk gericht op mannen. De exclusief mannelijke studentenclubs domineerden het studentenlandschap. Tijdens de jaren 1960 begonnen vrouwen ook meer deel te nemen aan het studentenleven. Het studentenrestaurant Alma en de bioscoop waren ideale plaatsen om samen te komen en te ontspannen. Steeds meer vrouwen werden bovendien actief in het bestuur van de faculteitskringen – meestal als secretaresse, een functie die als typisch vrouwelijk werd aanzien.

Tijdens de avondactiviteiten van de studentenkringen, zoals cantussen en thé-dansants waren ook steeds meer vrouwen aanwezig. Op cantussen dronken vrouwen samen met mannen bier, al deden ze dat meestal in mindere mate. Thé-dansants waren dansgelegenheden waar mannen en vrouwen per twee dansten. Vrouwen moesten wachten tot mannelijke studenten hen ten dans vroegen. Het was gebruikelijk dat deze laatsten hun danspartners trakteerden en hen na een avondje uit naar hun pedagogie of kot brachten.

Studerende vrouw, werkende vrouw?

Studenten verpozen in het Begijnhof.

De jaren 1960 kunnen gezien worden als een overgangsperiode naar een gemengd studentenmilieu. Toch bleven de oude genderspecifieke rollenpatronen voortbestaan. Vrouwelijke studenten werden geacht rokken te dragen en in de faculteitskringen  zogenaamd vrouwelijke taken zoals secretaresse op zich te nemen. Deze maatschappelijke rollenpatronen kwamen nog meer tot uiting in hun latere leven. Veel vrouwelijke alumni merkten dat de uitbouw van een loopbaan moeilijk te verzoenen viel met maatschappelijke verwachtingen rond hun rol als moeder. Veel afgestudeerde vrouwen gingen dan ook nooit werken of kwamen terecht in de onderwijssector.

Lies Depickere was in het academiejaar 2017-2018 masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze schreef een masterproef over de ervaringen van vrouwelijke studenten aan de Leuvense universiteit in 1960-1968.

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten

In de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog wordt amper aandacht besteed aan het werk van Belgische verpleegsters. Ze waren nochtans met achthonderd, en speelden een vaak levensreddende rol bij de verzorging van gewonde soldaten en burgers. ‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten stond er op hun speldje in een van de grootste Belgische fronthospitalen.

Nieuwe verpleegkundige praktijken

Jane de Launoy (links) bij de toepassing van een nieuwe techniek voor wondontsmetting (Cinematek).

De doorbraak voor de professionalisering van het verpleegstersberoep situeerde zich in België in het eerste decennium van de twintigste eeuw. De eerste opleidingen zorgden ervoor dat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 4477 verpleegsters over een diploma beschikten. Slechts van 8,27 % van dit totaal is met zekerheid bekend dat ze tijdens de oorlog als verpleegster actief waren. Dit cijfer is redelijk laag, omdat het bijna onmogelijk was om vanuit bezet België in fronthospitalen terecht te komen.

Daarom kwamen er tijdens de oorlog nieuwe opleidingen in Londen en Calais. Die moesten zorgen voor de aanvoer van Belgische verpleegsters in de verschillende fronthospitalen. De verpleegsters die in beide steden een stoomcursus volgden, kwamen nadien meteen in Belgische fronthospitalen terecht. Ze werden er geconfronteerd met uiteenlopende en vaak nieuwe praktijken, zoals amputaties, buikoperaties en ontsmetting van oorlogswonden. Ook nieuwe technieken als radiografie, fysiotherapie en bloedtransfusie werden toegepast. De verpleegkundige praktijken hadden meermaals een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van de gewonde soldaten.

‘De vermoeidheid zit diep’

Tekening van een uitgeputte Belgische verpleegster door een Britse soldaat (University of Victoria’s Special Collections Library).

De oorlogsomstandigheden stelden de Belgische verpleegsters zowel fysisch als psychisch zwaar op de proef: velen raakten oververmoeid en werden ziek. De strijd voor het overleven van de gewonden, het personeelstekort, de lange diensttijden, de vermoeiende nachtdiensten, de confrontatie met de dood en de schaarse ontspanningsmogelijkheden zorgden voor een zware fysieke en mentale belasting bij het verpleegkundig korps. De vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zoniet jaren duren om opnieuw weerstand op te bouwen,’ schreef frontverpleegster Jane de Launoy in haar dagboek. Een aantal van haar collega’s moest het werk stopzetten: tussen eind 1916 en eind 1918 dienden 113 verpleegsters hun ontslag in. In diezelfde periode werden ook 680 verpleegsters van het ene naar het andere hospitaal overgeplaatst, wat zorgde voor heel wat stress. Minstens 34 Belgische verpleegsters overleefden de oorlog niet.

Bij de uitoefening van hun werk waren er ook regelmatig spanningen met niet-opgeleide verpleegsters. Vanaf het begin van de oorlog waren er vele dames, meestal uit de burgerij, die op vrijwillige basis verpleegkundige zorgen wensten te verstrekken. Ze beschikten daarvoor meestal niet over de nodige competenties. Dit zorgde voor ergernis bij de geschoolde verpleegsters. Zij vonden dat opleiding en bekwaamheid primeerden op goede intenties.

Ook de verhoudingen tussen Belgische en Britse verpleegsters liepen niet altijd van een leien dakje. De Britse verpleegsters hanteerden een streng reglement, dat hen niet toestond om op het bed van een gewonde te gaan zitten en hen verbood om patiënten met hun naam aan te spreken. De Belgische verpleegsters vonden dat hun Britse collega’s hierdoor te weinig morele steun en troost aan de gewonden gaven. Sommige gewonden gaven daarom aan dat ze het liefst door Belgische verpleegsters werden verzorgd.

Altijd troosten

Belgische frontverpleegsters boden vooral troost (Archief Belgische Rode Kruis).

Bij de verpleegkundige praktijken van Belgische verpleegsters was het opvallend dat het troostende aspect sterk op de voorgrond trad. In zoverre de oorlogsomstandigheden dat toelieten, namen ze de tijd om met de gewonden te praten en hen moed in te spreken. De vooroorlogse traditie van katholieke zorg – waarbij naast religieuzen ook welgestelde dames morele en spirituele ondersteuning boden – speelde daarbij een belangrijke rol. Altijd troosten vat dan ook – meer dan genezen en verlichten – de essentie van het werk van de Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog goed samen. Dat werk is grotendeels onbekend gebleven, maar in de huidige herdenking van de Eerste Wereldoorlog verdient het zeker een plaats.

Meer weten.

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, 2018).

Tentoonstelling Heelkracht. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Poperinge, 30 juni-16 september 2018)

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

4 redenen om een diepgelovige vroedvrouw te veroordelen in de late negentiende eeuw

Een bevalling loopt mis in 1867. Wanneer de aanstaande moeder overlijdt, grijpt haar diepgelovige vroedvrouw Mme Vandenbussche naar het scalpel. Om het zieltje van het ongeboren kind te redden, opent ze de zwangere buik en sprenkelt er doopwater in.

De rechtszaak

De rechtszaak die hierop volgde, liet stof opwaaien in juridische en politieke kringen. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Hof van Cassatie. Het verdict leidde tot discussies in het parlement.

Waarom zo’n ophef?

Ook priesters, die vooral in landelijke gebieden hun roeping nog vaak combineerden met een job als dorpsarts, probeerden soms het eeuwige leven van ongeboren kinderen veilig te stellen. Volgens kerkelijke richtlijnen was de keizersnede de zekerste manier om een kind te dopen indien de moeder overleed tijdens de bevalling. Bij het gebruik van een doopspuit was het immers onzeker of het water zijn doel zou bereiken. Slechts wanneer je het hoofdje zag, kon je zeker zijn dat het doopsel correct was uitgevoerd, en het zieltje was gered.

Toch waren de acties van Vandenbussche ongewoon. Gelijkaardige incidenten zijn op een hand te tellen, omdat de gelegenheid zich niet vaak voordeed en wellicht niet alle priesters de kerkelijke richtlijnen naadloos opvolgden. Maar dit betekende nog niet dat Vandenbussche een crimineel feit had gepleegd. De commotie draaide vooral om de vraag of zij de wet had geschonden. Was het strafbaar om in een lijk te snijden om een ongeboren kind te dopen? En zo ja, op welke grond?

  1. Moord
De negentiende-eeuwse angst voor schijndood leidde niet alleen tot de constructie van mortuaria, maar ook tot de uitvinding van allerhande ‘beveiligingsmechanismen’ die toelieten om vanuit de kist te communiceren met de buitenwereld (Wellcome Images).

De openbare aanklager zei: moord of doodslag. Hoe kon Mme Vandenbussche zeker weten dat de moeder was overleden? Volgens hem kon de dood slechts worden vastgesteld door een medische expert. Het was mogelijk dat een “leek” als Vandenbussche de dood verkeerd had ingeschat. Misschien leefde de zwangere vrouw nog, en had zij haar vermoord toen ze de incisie maakte.

De zorgen van de openbare aanklager waren niet ongegrond. In het negentiende-eeuwse België beschreven artsen de dood als “een proces, dat niet ineens gebeurt, maar dat een begin en een einde heeft”. Omdat het sterven volgens hen zich maar geleidelijk aan voltrok, dachten zij dat het pas overleden lichaam zich “in een tussenstadium tussen leven en dood” bevond.

Deze onzekere toestand van het lijk was niet zonder gevolg. Een begrafenis mocht pas plaatsvinden na een termijn van 24 uur. Ook dissectie moest wachten. Op kerkhoven en in ziekenhuizen werden mortuaria opgetrokken, die dienst deden als wachtkamers voor het geval dat iemand slechts schijndood zou blijken. Ook keizersneden, een vrij nieuwe een beruchte operatie, stelden artsen voor een dilemma. Als zij wachtten tot ze met zekerheid het overlijden van de moeder konden vaststellen, was het ongeboren kind niet langer levensvatbaar. Wanneer zij daarentegen het kind wilden redden, liepen ze het risico om de moeder – die misschien nog leefde – te verwonden.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat Vandenbussche geen moordenares was, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat de vrouw nog leefde op het moment van de ingreep. Bovendien, zo vermeldde het verdict, “kon er ook geen sprake zijn van slagen en verwondingen, want een lijk kan je niet kwetsen”.

  1. Kwakzalverij
Deze negentiende-eeuwse cartoon toont de spanning tussen de mannelijke gynaecoloog en de vrouwelijke vroedvrouw (Wellcome Images).

Een onwettige medische ingreep dan maar? Want mocht Mme Vandenbussche, als vroedvrouw, wel een scalpel gebruiken?

Vroedvrouwen waren bij wet ondergeschikt gemaakt aan de per definitie mannelijke gynaecoloog of geneesheer. Zo stelde een wet van 12 maart 1818 dat vroedvrouwen slechts mochten helpen bij bevallingen “welke door de natuur bewerkt of door de hand ten uitvoer gebracht” konden worden. Medische instrumenten – verlostangen en zaagforcepsen, maar ook scalpels – waren voor hen verboden. De vroedvrouw mocht moeder en baby wel verzorgen (een taak die paste bij haar vrouwelijke, gevoelige natuur), maar enkel een mannelijke arts mocht hen behandelen.

Toch besloot de rechter dat Vandenbussche niet schuldig pleet. Zij maakte, zo stelde hij, maar één incisie, die enkel de spirituele en niet de fysieke redding van het kind beoogde. Een poging tot keizersnede was strafbaar geweest, een ziel redden was dat niet.

  1. Schending van eigendom

Een derde optie was schending van eigendom. Een negentiende-eeuws juridisch naslagwerk legde uit dat het lijk van een persoon het bezit was van de familie, “zoals het lijk van een dier toebehoort aan de eigenaar van dat dier tijdens het leven”. Door in een dood lichaam te snijden, had Vandenbussche andermans eigendom geschonden: een strafbaar feit.

Maar deze interpretatie strookte niet met de tijdsgeest. Onder invloed van de geleidelijke afschaffing van de slavernij, beargumenteerden steeds meer juristen dat het lichaam nooit iemands eigendom kon zijn. Lijkenrovers werden vrijgesproken omdat het stelen van een dood lichaam in strikte zin geen diefstal was: het lijk was geen ding, en dus niemands bezit. Ook anatomen stelden dat ze zonder toestemming een autopsie mochten uitvoeren. Omdat het lijk geen ding was, schaadden zij geen eigendom. De patiënt was dood, dus een autopsie kon ook niet gelden als slagen en verwondingen.

  1. Grafschennis

Een jurist probeerde nog, “het is grafschennis”. De rechter schudde zijn hoofd. Grafschennis gold alleen tijdens en na de begrafenis. Voor de begrafenis was het lijk niet wettelijk beschermd.

De beslissing werd op ongeloof onthaald. Als het onbegraven lijk niet geschonden kon worden als ding, en ook niet als persoon, kon iedereen dan zomaar zijn of haar gang gaan met dode lichamen? Betekende dit bijvoorbeeld dat artsen naar hartenlust lijken konden ontleden, zonder toestemming?

In principe wel. In 1887 ontliep ook de arts en antropoloog Emile Houzé de arm der wet, hoewel hij het lichaam van één van zijn patiënten had gestolen om het skelet te bewaren in zijn anatomische collectie.

Het verdict

Mme Vandenbussche haalde opgelucht adem. Het Hof van Cassatie oordeelde dat haar gedrag roekeloos was, maar niet kon worden veroordeeld voor de wet.

Het op eerste zicht onbegrijpelijke verslag van haar rechtszaak is een uitzonderlijk venster op de laatnegentiende-eeuwse samenleving. De zaak Vandenbussche biedt niet alleen aanknopingspunten om veranderende mentaliteiten over de dood en het ongeboren leven te bestuderen, maar werpt ook een licht op belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de professionalisering van de geneeskunde en een beginnende secularisering.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de diverse manieren waarop ongewenste kinderloosheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Exit Sint-Pietersziekenhuis

Op de nieuwjaarsreceptie van de stad Leuven liet burgemeester Louis Tobback optekenen dat het Sint Pietersziekenhuis dit jaar wordt gesloopt. Weinigen zullen het verdwijnen van deze ‘gele olifant’ als een verlies beschouwen. De voorste vleugel van dit tussen 1955 en 1983 opgetrokken gebouwencomplex werd nooit volledig in gebruik genomen en staat er vandaag troosteloos bij. De ‘laatste stadskanker’ in de Leuvense stadskern, aldus Tobback.

Monumentale ingang van het negentiende-eeuwse Sint-Pietersziekenhuis aan de Brusselsestraat. (Collectie Histaruz)

Vanuit historisch opzicht is de sloop van het Sint-Pietersziekenhuis geen opmerkelijke gebeurtenis. Sinds het midden van de negentiende eeuw werd de kliniek verschillende keren afgebroken en heropgebouwd. Telkens was het doel plaats te ruimen voor een moderner hospitaal. Nu echter – en dat is wel een breuk met het verleden – voorziet het stadsbestuur een andere bestemming voor de site. Er komt wellicht een podiumkunstenzaal. Zo eindigt een traditie van ziekenzorg in de binnenstad: een overzicht.

 

Binnenhoven, tuinen en paviljoenen

Het plan Maukers uit 1930 bood meer ruimte aan opkomende specialismen maar bleef gebonden aan het oorspronkelijke grondplan. (Stadsarchief Leuven)

Het eerste Sint-Pietersziekenhuis kon zelf pas worden gebouwd na de sloop van een ouder ‘gasthuis’. In 1830 had de Commissie voor Burgerlijke Hospitalen – een voorloper van het latere OCMW – beslist dat het Sint-Elisabethgasthuis niet langer volstond. Dat gebouw was in de dertiende eeuw opgetrokken door de zusters Augustinessen naast hun klooster. Zorg voor ziel en lichaam was er eeuwenlang nauw verweven. Het gasthuis beantwoordde echter niet langer aan de negentiende-eeuwse hygiënistische standaarden. Er was meer licht en ventilatie nodig. De ruimte ontbrak ook om patiënten met besmettelijke ziekten voldoende af te zonderen.

Provinciaal architect Alexander Van Arenbergh ontwierp een nieuw, monumentaal rechthoekig gebouw met twee binnenhoven, vier paviljoenen en een grote tuin. In totaal konden er zo’n 250 patiënten worden gehospitaliseerd. Mannen en vrouwen lagen apart in grote zalen van wel 24 bedden. De eersten daarvan werden opgenomen in 1849. De voorste binnenhof was naar de straatzijde toe open in een U-vorm. Leuven kreeg zo een neoclassicistisch landmark in de Brusselsestraat, een eigentijds ontwerp dat in vele opzichten leek op het Sint-Jansziekenhuis dat in diezelfde periode in Brussel door Henry Patoes werd neergezet.

Onderwijs en onderzoek

Functionalistisch schema uit 1949 voor een nieuw Sint-Pietersziekenhuis. (Stadsarchief Leuven)

Het Sint-Pietersziekenhuis was bovendien een academische kliniek. Het functioneerde als de voornaamste opleidingsplek voor de studenten geneeskunde van de Leuvense universiteit. Rond 1900 dwong hun toenemende aantal tot nieuwe constructiewerken. Zo werd de tuin grotendeels opgeofferd voor de bouw van klinische auditoria. De opkomst van de bacteriologie – een nieuw specialisme – maakte investeringen in labo’s, sterilisatieruimtes, verbandkamers en betere operatiekwartieren noodzakelijk. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreunde het negentiende-eeuwse gebouw onder de voortdurende drang naar medische vernieuwing.

Een eerste poging tot een meer structurele oplossing werd in 1930 ondernomen. De Brusselse architect Gustave Maukers presenteerde toen het plan om een volledige verdieping bij te bouwen en de ruimtes te herbestemmen. Maukers behoorde tot een kransje architecten die in het interbellum de ziekenhuisarchitectuur probeerden te vernieuwen. Zij vertrokken vanuit de beoogde functie van de ruimtes. In Maukers plan werden onder meer aangepaste zalen voor kindergeneeskunde, pneumologie (onder andere met kuurgalerijen voor tuberculosepatiënten) en dermatologie voorzien. Toch zou dit functionalisme in Leuven, in tegenstelling tot in Gent en Brussel, slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd worden voor de Tweede Wereldoorlog. Het Gentse Universitair Ziekenhuis of de Brusselse Héger-kliniek waren nieuwe constructies terwijl in Leuven werd vastgehouden aan het bestaande negentiende-eeuwse grondplan.

Functionalisme en hoogbouw

Het originele ontwerp uit 1951 van Cloquet-Van Montfort-Vandeput voorzag een kleiner voorgebouw dan wat uiteindelijk gerealiseerd werd. (Copyright Stadsarchief Leuven)

Aan het einde van de jaren 40 leek het lot van het ‘oude’ Sint-Pietersziekenhuis bezegeld. De bezetting door Duitse troepen tijdens de oorlog en een brand in 1944 hadden grote schade aangericht. Met de gelden voor de wederopbouw en de nationale fondsen voor ziekenhuisbouw in de jaren 50 was er bovendien financiële ruimte. Sloop en nieuwbouw lagen voor de hand. Een ontwerp van architectentrio Cloquet-Van Montfort-Vandeput werd in 1951 goedgekeurd. De sloopwerken namen meteen een aanvang en vier jaren later verrees de eerste vleugel van het nieuwe Sint-Pietersziekenhuis, een torengebouw van veertien verdiepingen.

Met de nieuwbouw werd een modernistische ziekenhuisarchitectuur gerealiseerd. Die voorzag in een centralisatie van gedeelde functies (radiologie, intensieve zorgen, administratie enz.) en een scheiding van de ‘stromen’ van bezoekers, patiënten en medisch personeel. In de tweede helft van de jaren 60 werd een spoedafdeling geopend aan de achterzijde van de kliniek: ambulances reden af en aan vanop de Brusselsestraat over de overwelfde Dijle.

Taalstrijd

Het oude Sint-Pietersziekenhuis moest in de jaren 50 wijken voor een nieuw torengebouw. In de jaren 70 werd een tweede vleugel bijgebouwd. (Collectie Histaruz)

De verdere geschiedenis van het Sint-Pietersziekenhuis oogt minder fraai. Tijdens de woelige jaren 60 werd de kliniek een speelbal in het politieke spel rond Leuven-Vlaams. Dat Nederlandstalige patiënten er door Franstalige professoren en artsen-in-opleiding werden behandeld, was een doorn in het oog van de Vlaamse Beweging. De aanhoudende kritiek droeg ertoe bij dat de Faculteit Geneeskunde als een van de eerste faculteiten taalkundig gesplitst werd. Reeds in 1963 werd beslist dat voor de Franstalige artsen een nieuwe kliniek bij Brussel zou worden gebouwd. Sint-Pieters werd op termijn een exclusief Nederlandstalig ziekenhuis.

Gasthuisberg

Tegelijkertijd besloten de Nederlandstalige professoren uit te breiden buiten het stadscentrum. Begin jaren 70 werd de eerste steen gelegd van Gasthuisberg. In 1975 ging het kinderziekenhuis – het eerste van vele gebouwen op de campus – open. De beslissing om te blijven investeren in Sint-Pieters bleek achteraf een vergissing. In 1977 werd een tweede vleugel in gebruik genomen. Begin jaren 80 werd nog een groot nieuw gebouw opgetrokken dat – op enkele verdiepingen na – steeds heeft leeggestaan. Ondertussen sloeg het beleid om: er was nu sprake van een nationaal ‘beddenoverschot’ en een nood aan besparingen. Het dure en deels ongebruikte Sint-Pietersziekenhuis werd zo een heikel dossier in de relatie tussen stad en universiteit. De vondst van asbestdeeltjes in de oudste gebouwen bemoeilijkte bovendien een eventuele afbraak.

Luchtfoto van het hospitaalcomplex Sint-Pieters: het gebouw aan de straatzijde dateert van de vroege jaren 80. (Collectie Histaruz)

Die afbraak lijkt nu toch van start te zullen gaan. Daarmee komt een einde aan de traditie van academische zorg in de Brusselsestraat. De grote schaal waarop die vandaag wordt beoefend, vergt een medische en mobiliteitsinfrastructuur die onverzoenbaar lijkt met de binnenstad. Wie het komende jaar langs het Sint-Pietersziekenhuis wandelt, kan misschien eens via de zijkant naar achteren gaan. Daar staat nog een stukje – de zuidvleugel – van het negentiende-eeuwse hospitaal recht. Je kan er tegelijk ook de vleugels van de jaren 50 en 70, en het gebouw van de jaren 80 aanschouwen. Anderhalve eeuw hospitaalgeschiedenis in één oogopslag.

 

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen. Bijzondere dank aan Edith Willekens en Liesbeth Croimans van het Leuvense stadsarchief voor hun hulp bij het onderzoek voor deze blogtekst.

Hebben dokters de geketende psychiatrische patiënt bevrijd?

Gastblog door Eva Andersen.

Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw worden vaak omschreven als een kenteringsperiode voor de psychiatrie. In deze periode streefden artsen naar een humanere behandeling van mensen met een psychische aandoening. Verhalen over bekende artsen als de Franse dokters Philippe Pinel en Jean-Etienne Esquirol, de Brit William Tuke en de Belgische psychiater Jozef Guislain die de geesteszieken uit hun ketenen en mensonterende omstandigheden bevrijdden, hebben een bijna mythische allure gekregen.

Non-restraint

Een foto van een psychiatrische patiënt die op een stoel in bedwang wordt gehouden. (CC BY Henry Clarke, Welcome collection)

Negentiende-eeuwse psychiaters in Europa en Amerika stonden voor hetzelfde vraagstuk bij hun pogingen om de menswaardige behandeling van patiënten te verbeteren. Aan de ene kant stelden ze zich in toenemende mate vragen bij het gebruik van de bestaande dwangmiddelen zoals handboeien, kettingen en dwangbuizen. Aan de andere kant wilden ze de controle behouden over moeilijk beheersbare patiënten. Via buitenlandse contacten maakten zij kennis met alternatieven.

In 1839 introduceerde de gerenommeerde Britse arts John Conolly de non-restraint methode in de instelling voor geesteszieken van Hanwell in Groot-Brittannië met het doel psychiatrische patiënten humaner te behandelen. Zijn voorstel bouwde voort op de ideeën van de Franse arts Philippe Pinel en de Britten William Tuke en Robert Gardiner Hill. Kettingen, handboeien en dwangbuizen werden vervangen door een “zachtere” aanpak. In deze aanpak stond redeneren met de patiënten centraal. Volgens een aantal Britse psychiaters wisten vele patiënten immers goed wanneer zij in de fout gingen. “De invloed van een gezonde op een zieke geest” kon zo zijn werk doen.

De isoleercel

Maar wat als patiënten toch gewelddadig of geagiteerd reageerden of een suïcidaal gedrag vertoonden? Hoe moest men ze in bedwang houden als mechanische dwangmiddelen uit den boze waren? Een van de oplossingen die men voorzag was de isoleercel. In Europa werd druk gedebatteerd over het feit of een padded room al dan niet als een vorm van mechanische dwang gold. De Franse arts Moreau de Tour bijvoorbeeld vond de gehele non-restraint praktijk maar niets. Hij meende dat het een terugkeer naar oude gewoontes was en de kunst van het genezen terug in zijn kinderschoenen plaatste. Een mening die echter niet door alle Franse artsen gedeeld werd. Sommigen onder hen prezen juist de vooruitgang die de Britten geboekt hadden en hoopten dat de non-restraint methode ook meer ingebed zou raken in Frankrijk.

Isoleercellen hadden geen hoeken zodat patiënten zich nooit uit het zicht van het personeel konden bevinden.

Jules Morel, een Belgische psychiater, was in tegenstelling tot Moreau wel geïnteresseerd in de mogelijkheden van de non-restraint. In 1893 vroeg hij inlichtingen aan zijn Britse collega Bedford Pierce over de praktijk van de isoleercel. Die stuurde hem instructies met een bijbehorende schets en zelfs een sample van de rubber die hij in de isoleercellen van het York Retreat gebruikte. Of Morel met deze informatie ook daadwerkelijk iets gedaan heeft en of de non-restraint methode veel gebruikt werd in België, is onduidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid was de verspreiding ervan vrij beperkt.

Douchebaden

Niet enkel de isoleercel vormde een onderdeel van de non-restraint. Een andere vaak toegepaste techniek was die van de hydrotherapie die zowel in Europa als Amerika gebruikt werd. Eén van de vele vormen van hydrotherapie was die van de douchebaden, waarbij patiënten onder een continue straal van koud of warm water werden gezet om te kalmeren. Vele buitenlandse artsen vonden dit een intrigerende behandelmethode en maakten tijdens hun bezoeken aan Europese en Amerikaanse ‘krankzinnigengestichten’ veel aantekeningen over het gebruik ervan.

Een voorbeeld van een douchebad.

Ondanks het enthousiasme van vele psychiaters over deze  behandelingsmethode, hadden de douchebaden niet altijd het gewenste effect. Soms resulteerde het gebruik van de douchebaden in het overlijden van patiënten. Omdat zij te lang (20 tot 30 minuten) aan het water werden blootgesteld, kon de shock leiden tot hun dood. Na enkele dodelijke voorvallen velde de Britse Lunacy Commission, die toezicht hield op de psychiatrische instellingen en het welzijn van geesteszieken, een oordeel over de behandelingsmethode. De comissie was van mening dat de douchebaden enkel voor een kortere periode (drie minuten) gebruikt mochten worden. Deze richtlijn moest in Groot-Brittanië verdere ongelukken voorkomen.

De non-restraint methode bestond daarnaast nog uit andere ‘tactieken’ zoals het voorzien van entertainment en bezigheidstherapie. In de instelling van Hanwell werden er bijvoorbeeld wel eens bals georganiseerd voor de patiënten. Mannelijke patiënten konden buiten petanque spelen en er werden begeleide wandelingen gemaakt op het platteland.

Een voortdurende discussie

Hoe meer patiënten geëntertaind werden, hoe minder snel ze geagiteerd raakten. Volgens Britse artsen lokten de “zachtere” repressiemiddelen minder hevige reacties uit bij de patiënten. In Europa en Amerika bleef de non-restraint echter nog lange tijd de gemoederen beroeren bij voor- en tegenstanders.

De artsen die de psychiatrische patiënten van hun ketenen verlosten, werden door hun tijdgenoten als pioniers van de psychiatrie omschreven. Ook vandaag de dag worden zij gezien als ‘vaders van de psychiatrie’. Toch stroken hun ideeën over waardige behandelingen in instellingen niet per se met hedendaagse behandelingsmethodes. De douche- en badbehandelingen raakten in de loop van de twintigste eeuw in onbruik. Daarnaast lokken de voor- en nadelen van isolement tegenwoordig nog vaak discussies uit.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.

Begraven als honden

De grootste horror voor de armen van de negentiende eeuw was het hospitaal. Er bestond immers altijd een reële kans dat ze tijdens een kosteloos verblijf in een van de overbevolkte ziekenzalen zouden bezwijken aan hun kwaal. En wat er dan na de dood met hun lichaam gebeurde, dat hadden zij noch hun overlevende familieleden in de hand.

Anonieme ‘hondenbegrafenissen’

Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865)
Félicien Rops, La mort qui danse (ca. 1865).

Dode lichamen van armen kwamen na hun overlijden in een van de Brusselse publieke ziekenhuizen terecht in het anatomisch amfitheater. Daar werden de lijken verschillende keren ontleed door geneeskundestudenten, waarna het stoffelijk overschot zo snel mogelijk op een naburig kerkhof werd begraven. Van de lijken bleef er weinig intact. De goedkope individuele doodskisten waarin de menselijke resten werden verzameld, bevatten naast lichaamsdelen ook ondefinieerbare lichaamsvloeistoffen en weefsels. Zo gebeurde het weleens dat er per ongeluk lichaamsresten van meerdere overledenen in een kist belandden. Deze anonieme begrafenissen, waarbij armen niet de kans kregen om afscheid te nemen van hun naasten, stonden in de volksbuurten van Brussel bekend als onfatsoenlijke ‘hondenbegrafenissen’.

Arme families probeerden hun overleden verwanten dit lot te besparen, maar werden daarbij gehinderd door de bestaande ziekenhuisreglementen. In principe hadden zij het recht om het lichaam van hun overleden kind, ouder, broer of zus op te eisen. Op deze manier konden ze belemmeren dat het door anatomisten werd opengesneden en hadden ze de kans om de begrafenis bij te wonen. Dat was echter alleen mogelijk als families binnen 24 uur na de dood van hun familielid de kosten van de doodskist en de begrafeniskoets betaalden, wat voor armlastige families een financieel moeilijke, zij het niet per se onmogelijke zaak was. Na deze termijn werden de lichamen overgebracht naar het anatomisch amfitheater.

Wat niet weet, wat niet deert

Een bijkomend struikelblok was de nalatigheid van ziekenhuismedewerkers. Het gebeurde regelmatig dat families niet of te laat werden geïnformeerd over de dood van hun naaste. Bij aankomst na 24 uur in het ziekenhuis kregen ze te horen dat de begrafenis al achter de rug was. In werkelijkheid bevond het lichaam zich op dat moment op de dissectietafel in het anatomisch amfitheater. Personeelsleden moesten de trieste waarheid verhullen om hartverscheurende scènes van verontwaardigde families in de gangen van de ziekenhuizen te vermijden. Anonieme begrafenissen van ontlede patiënten werden met andere woorden in duisternis gehuld.

Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930
Ingang van het mortuarium van het Sint-Janshospitaal, 1930.

Ook verwanten die er wel in slaagden om tijdig de begrafeniskosten te betalen, moesten niet hopen op een respectvolle behandeling van het lichaam van hun naasten. Dit werd in een mortuarium tussen andere lichamen gelegd, waar familieleden de overledene konden komen groeten. Tot de verbijstering van sommige familieleden waren deze lijken allesbehalve presentabel. Onbedekt en met geopende ogen werden ze aan het rouwende publiek tentoongesteld. Familieleden reageerden onder meer geschokt op de gewelddadige manier waarop de kisting plaatsvond. In bijzijn van familieleden sloegen ziekenhuismedewerkers de planken rondom de overledene vast met spijkers.

De kracht van protest

Doorheen de negentiende eeuw brachten dergelijke klachten weinig veranderingen teweeg aan de omgang met lijken van armlastige patiënten. Dat betekende niet dat familieleden helemaal machteloos stonden tegenover de gang van zaken. Door luidkeels en met geweld te protesteren, konden zij ad hoc bepaalde rechten opeisen. Zo was het voor personeelsleden onmogelijk om de doodskist volgens de voorschriften een uur voor de begrafenis te sluiten, omdat er altijd nog laattijdige familieleden opdaagden die stonden op hun recht om respect te betuigen aan het lichaam. Om de goede vrede in het ziekenhuis te bewaren, was het personeel bereid tot beperkte tegemoetkomingen.

Schets van een lijkkoets, 1846
Schets van een lijkkoets, 1846.

De klachten van Brusselse armen vonden wel gehoor in politieke middens. De meest invloedrijke kritiek op de gang van zaken in ziekenhuizen ging uit van de socialisten. In hun strijd tegen klassenongelijkheid en voor algemeen stemrecht richtten zij omstreeks 1880 hun pijlen onder meer op de minderwaardige behandeling van armen voor en na hun dood. Brussel werd in deze periode de setting van opeenvolgende stakingen en gewelddadige betogingen. Ziekenhuisdirecties vreesden zelfs voor de komst van rode vlaggen en bijhorende manifestaties in eigen huis.

Begraven in een nieuw jasje

In deze politiek woelige periode zagen de ziekenhuisbestuurders zich genoodzaakt om de omstandigheden van armenbegrafenissen te verbeteren. Opgeëiste lichamen werden vanaf de eeuwwisseling in een nieuw jasje begraven. In plaats van de gebrekkige platte kisten voerde men aantrekkelijkere vijfhoekige kisten met een rode binnenbekleding in. De nagels om de kisten mee dicht te timmeren werden vervangen door schroeven. Zwarte stof op de kisten moest een fatsoenlijk afgeschermd transport van de doden doorheen de gangen in het ziekenhuis verzekeren. In 1910 was er zelfs sprake van kussentjes voor onder de hoofden van de overleden patiënten. Fatsoen en respect werden langzamerhand woorden van betekenis in de omgang met de lichamen van armen.

Veel armen konden na hun dood helaas niet profiteren van de nieuwe maatregelen. Zonder familieleden die hun lichamen konden opeisen, voelden ziekenhuisbeheerders zich niet genoodzaakt om aandacht te besteden aan het lot van hun stoffelijk overschot. Deze lijken passeerden zoals vanouds langs het anatomisch amfitheater, vooraleer ze hun laatste rustplaats in goedkope sjofele kisten bereikten. Niemand was aanwezig op hun begrafenis.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van religie en vrijzinnigheid in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Vanitasstilleven, 1625 door Pieter Claesz. (Haarlem, Frans Hals Museum)

Een kleine geschiedenis van het dankwoord

Het dankwoord is een bijzonder genre. Hoe onpersoonlijk een academisch boek verder ook is, in het dankwoord geven auteurs een stukje van hun ziel bloot. Tussen waslijsten van namen ontwaren we persoonlijke relaties en diepe gevoelens, blijken van erkenning en tekenen van humor. Maar ondanks die persoonlijke stijl staat in de meeste dankwoorden toch min of meer hetzelfde. In het dankwoord geven onderzoekers immers aan dat ze zich de normen en het zelfbeeld van hun beroepsgroep eigen hebben gemaakt. Samen met die normen en dat zelfbeeld zijn dankwoorden de afgelopen eeuw dan ook sterk veranderd.

Een aangename plicht

Het dankwoord zoals we het vandaag kennen, vooraan of tegenwoordig ook vaak achteraan in een boek, is nog vrij jong. De gewoonte om in België de term ‘dankwoord’ te gebruiken in bijvoorbeeld doctoraten – een tekstgenre waarbij dankwoorden heel gebruikelijk zijn – kwam pas op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Sinds de jaren zeventig was het echter al gebruikelijk om een ‘voorwoord’ te schrijven dat in veel gevallen ook enkel een dankwoord was. En nog daarvoor was het (al zeker sinds de negentiende eeuw) gebruikelijk om aan het einde van de inleiding een of twee alinea’s voor te behouden voor het betuigen van erkentelijkheid aan zij die tot het proefschrift bijdroegen.

Prof. Dr. Emile Lousse (1905-1986) werd al eens bedankt voor zijn ‘vriendelijke vingerwijzingen’.

De vorm en benaming van het dankwoord is niet zonder belang. Niet alleen is het dankwoord vooral in de jaren tachtig sterk in lengte toegenomen, de functie ervan is ook veranderd. De woorden van dank die tot de jaren vijftig werden geschreven, legden heel sterk de nadruk op ‘erkentelijkheid’. ‘Het is ons een aangename plicht onze erkentelijkheid te betuigen’, schreef zuster Marie Hereswitha in 1941, ‘aan allen die ons in meerdere of mindere mate behulpzaam waren bij het tot stand komen van ons werk.’ De onderzoekers vonden het hun plicht om aan te geven dat hun proefschrift niet alleen hun eigen werk was, maar ook dat van anderen. ‘Als ons werk enige verdienste heeft,’ klonk het nog in 1959, ‘dan danken wij dit aan de heren Professoren’. De jonge academici toonden dat ze zich de deugd van de bescheidenheid hadden eigen gemaakt.

Die nadruk op plicht en erkenning is sinds de jaren zestig op het achterplan geraakt. De deugd van bescheidenheid maakte plaats voor die van persoonlijke dankbaarheid. ‘Wij geloven niet dat onze boot zonder zijn vaste hand de eindhaven zou bereikt hebben’, schreef Klaas Maddens over de promotor van zijn proefschrift in 1975. De prille onderzoeker presenteerde het proefschrift veel meer als een eigen werk en sprak persoonlijk dank uit aan al wie daarbij geholpen had. Dat werd niet zozeer als een plicht voorgesteld, hoe aangenaam die ook mocht geweest zijn, maar als een quasi-spontane, hoogst individuele uiting van een gevoel. ‘Het eindpunt van een dissertatie is een moment van onversneden vreugde. Niet alleen omdat de tekst afgeleverd wordt, maar ook omdat ik dankbaar kan terugdenken aan al wie zijn fervente steun verleende’, klonk het in 1993. Een ideaal van plichtsgetrouwheid ruimde plaats voor een ideaal van oprechtheid.

Vereerde leermeesters

De geschiedenis van het dankwoord is er een van winnaars en verliezers. De enige vaste waarde in dankwoorden bij proefschriften is dat de promotoren die het proefschrift begeleidden genoemd worden – zelfs bij grote onvrede over die begeleiding. De manier waarop is evenwel ook veranderd: werden promotoren in de eerste helft van de twintigste eeuw nog wel eens voor hun ‘vriendelijke vingerwijzingen’ bedankt, dan werd het in het nieuwe millennium gebruikelijker om de promotor voor het vertrouwen en de steun te bedanken, welaan, zelfs te stellen dat de promotor een vriend was geworden.

Fragment uit het dankwoord van Lode Wils.

De grote verliezers zijn de andere professoren van de faculteit. Sinds de negentiende eeuw was het gebruikelijk om hen met name te bedanken. In 1954 liet Lode Wils nog weten dat het zijn ‘aangename plicht’ was om ‘hier onze dank te mogen uitdrukken tegenover onze vereerde leermeesters aan de Katholieke Universiteit te Leuven, aan wie wij onze wetenschappelijke opleiding verschuldigd zijn, en wier verheven voorbeeld in ons het verlangen gewekt heeft om naar mogelijkheden tot de wetenschap bij te dragen.’ Maar vanaf de jaren zestig verdwenen de vereerde leermeesters uit het beeld. Enkel als ze actief aan het proefschrift bijdroegen, bijvoorbeeld door hoofdstukken na te lezen, verdienden ze een vermelding. En die was zelden nog zo barok als bij Wils.

Gelukkig zijn er naast verliezers ook winnaars. Tot rond 1975 bestond het volledige bedankte publiek in een proefschrift uit zeergeleerde professoren en figuren in de marge van het academisch bedrijf: bibliothecarissen, proeflezers, financierende instellingen. Sindsdien verschenen er heel wat figuren die eigenlijk niets met het proefschrift te maken hadden, maar de auteur ervan moreel en emotioneel ondersteund hadden. Eerst kwamen de ouders en de echtgenotes. Ze werden al snel vergezeld door broers en zussen, grootouders, kinderen, huisgenoten, oude studievrienden, bureaugenoten en ex-lieven. Zij werden bedankt voor steun en verstrooiing en hen werd verontschuldiging gevraagd voor de vele afwezigheden tijdens de afwerking van het proefschrift (een tijdlang was er zelfs sprake van de ‘doctoraatsweduwe’). Academici tonen zo dat ze weliswaar menselijk zijn, maar dat het met hun arbeidsethos toch goed zit.

(CC-BY 3.0 Waov12)

Academische deugden

De geleerde van de eerste helft van de twintigste eeuw presenteerde zich als iemand die toegewijd, bescheiden en leergierig was en respect had voor hiërarchie en gebruiken. De geleerde bij het dagen van de eenentwintigste eeuw presenteerde zich als een mens van de wereld. Iemand die niet alleen met zijn of haar neus in de boeken zat, iemand die werk en persoonlijk leven in elkaar liet overvloeien. Het hoeft niet te verbazen dat net vanaf de jaren negentig de kwinkslag haar opgang maakte: plots doken in dankwoorden niet-bestaande personen, huisdieren of bekende zangers op. Tussen de bedankingen sloop al eens een speelse belediging. De onderzoeker van de eenentwintigste eeuw hecht belang aan oprechtheid, originaliteit en persoonlijkheid en schuwt verdenkingen van slaafs formalisme.

Elwin Hofman is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Momenteel schrijft hij aan het dankwoord van zijn proefschrift The Internalization of Man. Stigma, Criminal Justice and Self in the Southern Netherlands, 1750-1830.

5 alternatieven voor de dodelijke keizersnede in de negentiende eeuw

De keizersnede stelde negentiende-eeuwse artsen voor een groot dilemma. Gebrekkige hygiënische omstandigheden en hechtingstechnieken beperkten de overlevingskansen van vrouwen. Vooral in drukbevolkte stedelijke kraamklinieken stierven zij meestal aan een buikvliesontsteking of inwendige bloedingen. Het kind overleefde de operatietafel in het geval van een spoedige ingreep doorgaans wel.

Verschillende mogelijke keizersneden.

Het uitblijven van verbetering in de mortaliteitsstatistieken verdeelde de medische gemeenschap in een groep van voor- en tegenstanders naargelang hun religieuze overtuiging en morele principes. De medisch-ethische discussies over het al dan niet toepassen van de keizersnede vloeiden vooral voort uit een gebrek aan goede alternatieven. Artsen die vrouwen met een te smal bekken wilden behoeden voor een dodelijke keizersnede, hadden weinig andere keuze dan het ongeboren kind te doden.

  1. Therapeutische abortus

Bij sommige zwangere vrouwen konden dokters in een vroeg stadium al voorspellen dat hun smalle bekken een bevalling zonder keizersnede onmogelijk zou maken. In zulke gevallen probeerden bepaalde dokters vrouwen te overtuigen van een zwangerschapsonderbreking om medische redenen. In 1852 keurde de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België deze medische praktijk na lang beraad goed. Eensgezindheid was er evenwel niet. Aan de Katholieke Universiteit Leuven werden medische studenten ontraden om therapeutische abortussen uit te voeren.

  1. Embryotomie
Deze vorm van embryotomie stond bekend als céphalotomie: het doorboren van het hoofd van de foetus. De weergegeven perforator is ontworpen door de Franse dokter Hippolyte Blot.

Ook voldragen foetussen stond geregeld hetzelfde dodelijke lot te wachten bij een gecompliceerde bevalling. Embryotomie is een overkoepelende term voor verminkende operaties die het volume van de voldragen foetus in de baarmoederholte verkleinden, om het afvloeien van de foetus te vergemakkelijken. Artsen ontwikkelden tijdens hun loopbaan eigen instrumenten om onder meer het hoofd van het kind te doorboren, te verbrijzelen of los te maken van de rest van het lichaam. Dergelijke operaties werden probleemloos toegepast als de foetus geen teken van leven gaf. Bij een levend kind meenden voorstanders van embryotomie, waaronder een aantal professoren aan de ULB, dat ze er goed aan deden om te kiezen voor “het minste kwaad”: de opoffering van het kind in ruil voor het leven van de moeder.

  1. Kunstmatige bevalling

De kunstmatige bevalling in de zesde, zevende of achtste maand van de zwangerschap vormde een derde alternatief. Deze kinderen werden levensvatbaar geacht en konden door hun kleiner volume via het geboortekanaal ter wereld komen. De overlevingskansen van deze premature baby’s na de geboorte waren echter miniem. De eerste couveuses deden pas op het einde van de negentiende eeuw hun intrede in de Belgische ziekenhuizen.

  1. Amputatie van de baarmoeder
Een therapeutische abortus bij een foetus van 5 maanden.

In 1876 voerde de Italiaanse arts Eduardo Porro een succesvolle keizersnede uit waarbij heel de baarmoeder werd verwijderd. Deze operatieve ingreep beperkte niet alleen de kans op bloedingen, vrouwen konden na de operatie ook geen kinderen meer krijgen. Sommige artsen zoals de Luikse professor Adolphe Wasseige juichten de operatie toe aangezien “misvormde” vrouwen niet opnieuw zouden worden blootgesteld aan een operatie. Andere artsen meenden echter dat de amputatie een vrouw ontdeed van haar vrouwelijkheid.

  1. Postmortale keizersnede

In het slechtste geval konden dokters een postmortale keizersnede uitvoeren om het kind te redden. Negentiende-eeuwse dokters geloofden dat het na de dood van de moeder nog enkele momenten tot uren in de buik bleef leven. De keizersnede was een snelle maar daarom ook gevaarlijke manier om de foetus te bevrijden. Artsen hadden namelijk moeite met het vaststellen van de dood van de moeder. Medische denkbeelden over schijndood – iemand die dood lijkt, maar eigenlijk nog leeft – confronteerden artsen met een gelijkaardig dilemma als de gewone keizersnede: moest men wachten tot de dood van de vrouw met zekerheid was vastgesteld, of moest men een postmortale keizersnede uitvoeren op een vrouw die mogelijk nog leefde?

Het einde van het verloskundige dilemma

Op het einde van de negentiende eeuw was de cirkel weer rond. Kort na de experimenten van Porro ontwikkelde men in 1882 betere hechtingstechnieken om de baarmoederholte na afloop van een klassieke keizersnede volledig te sluiten. In combinatie met het gebruik van bacteriedodende middelen verhoogden de chirurgische praktijken de levenskansen van vrouwen. Tegelijkertijd verloren de dodelijke operaties op de foetus hun vanzelfsprekendheid in medische kringen. Na decennia van verhitte discussie kwam er een einde aan het verloskundige dilemma.

Tekst: Jolien Gijbels. Titelafbeelding: Illustratie van een methode voor keizersnede, uit J.M. Bourgery, Traité complet de l’anatomie de l’homme, dl. 7, Parijs, 1840.

Van prostituee tot witte engel

‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’, stond er tijdens de Eerste Wereldoorlog op het speldje van de verpleegsters van het hospitaal L’Océan in De Panne. De zin vatte perfect de rol van Belgische verpleegsters in de oorlog samen. Ze waren met enkele duizenden, vaak nog maar net opgeleid, en aan het werk in moeilijke omstandigheden. Toch slaagden ze er geleidelijk in respect af te dwingen voor het verpleegkundig beroep, dat voor de oorlog geen gunstige reputatie had.

Een moeizame start

Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in een hospice in Gent (Archief Zusters van Liefde, Gent).

Tot het einde van de negentiende eeuw waren religieuzen verantwoordelijk voor het verschaffen van verpleegkundige zorgen. Professionele scholing was daarbij onbestaande. In 1882 kwam daar voor het eerst verandering in, toen de stad Luik een theoretische en praktische cursus voor lekenverpleegsters organiseerde. Bij gebrek aan leerlingen werd deze opleiding echter twee jaar later al stopgezet. Ook Brussel gaf in dezelfde periode een eerste aanzet: in 1883 stelde de liberale burgemeester Karel Buls tevergeefs voor om een verpleegstersschool op te richten, en vier jaar later startte de socialistische arts César De Paepe met de organisatie van een beperkte verpleegstersopleiding.

Deze eerste initiatieven hadden af te rekenen met heel wat tegenstand en vooroordelen: de kloosterorden vreesden voor de aantasting van hun monopoliepositie, terwijl het geneeskundig corps bang was voor een aantasting van zijn gezag. Ook de gegoede burgerij haalde de neus op voor het in haar ogen minderwaardige beroep van verpleegster. Verpleegsters hadden toen het statuut van dienstmeid en konden soms amper lezen en schrijven.

Vooroorlogse diploma’s

Kandidaat-verpleegsters in de school van dokter Depage (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Ondanks de weerstand ging in 1902 een eenjarige opleiding voor lekenverpleegsters van start in het Stuyvenberghospitaal in Antwerpen. De echte doorbraak kwam er in 1907: in dat jaar zagen in Brussel niet minder dan drie opleidingen het licht. Onder impuls van de Raad der Godshuizen – de voorloper van het huidige OCMW – startte in het Sint-Janshospitaal een tweejarige opleiding. De Brusselse chirurg Antoine Depage begon zelfs met een driejarige opleiding. Als reactie op deze beide opleidingen voor lekenverpleegsters, ging kort daarna ook de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus van start met een eenjarige opleiding.

De wetgever reageerde opvallend snel op de nieuwe opleidingen. Op 4 april 1908 werd een koninklijk besluit goedgekeurd, waardoor verpleegsters voortaan over een bekwaamheidsdiploma moesten beschikken om hun beroep te mogen uitoefenen. De bestaande provinciale medische commissies organiseerden vanaf dan tweemaal per jaar cursussen en examens voor dit diploma. Tussen 1909 en 1914 reikten de commissies niet minder dan 4250 diploma’s uit. Ook de verpleegstersscholen van Brussel en Antwerpen leidden in dezelfde periode 300 verpleegsters op.

Een stoomcursus in Londen

Belgische verpleegsters tijdens hun opleiding in Londen (Koninklijk Legermuseum, Brussel) .

Deze verschillende verpleegstersopleidingen liepen tijdens de Eerste Wereldoorlog gewoon door. Ze ondervonden verrassend genoeg weinig tot geen hinder vanwege de Duitse bezettende overheid. Heel wat jonge vrouwen voelden zich aangesproken door het perspectief om gewonden te verzorgen, maar ook het vooruitzicht op werkzekerheid speelde een rol. De provinciale medische commissies reikten in de oorlog 1500 diploma’s uit, terwijl de verpleegstersscholen in Brussel en Antwerpen 200 verpleegsters een meerjarige opleiding verschaften. Een aantal van hen kwam terecht in hospitalen in bezet België, anderen slaagden erin om hun druk gesolliciteerde diensten aan te bieden in de fronthospitalen.

In 1915 ging onder impuls van de Belgische dokter Charles Jacobs in het King Albert’s Hospital in Londen ook een stoomcursus van start voor Belgische vrouwen die naar Groot-Brittannië waren gevlucht. Er werden 150 verpleegsters opgeleid, die dan meteen naar hospitalen in niet-bezet België of Noord-Frankrijk werden gestuurd. Ze vervingen er Britse verpleegsters, die in het begin van de oorlog hun hulp hadden aangeboden aan poor little Belgium, maar nu terug in Groot-Brittannië gingen werken.

‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’

Portret van Maria Gruwez, die als verpleegster in een Belgisch hospitaal in het Noord-Franse Gravelines werkte  (In Flanders Fields Museum, Ieper).

Door de inzet van al die gediplomeerde Belgische verpleegsters veranderde het beeld van hun beroep in de loop van de oorlog. In de eerste oorlogsmaanden heerste er nog veel wantrouwen tegenover deze jonge vrouwen, die omgingen met naakte mannenlichamen en het aandurfden hen onder de gordel te verzorgen. Grote delen van de bevolking vonden hun gedrag aanstootgevend, ze werden soms zelfs als prostituees betiteld.

Door hun deskundige zorgen en de groeiende waardering voor hun werk maakte dit wantrouwen geleidelijk plaats voor het beeld van de witte engelen: goed opgeleide vrouwen die dag en nacht klaarstonden om de gewonden te genezen, verlichten en/of troosten. ‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’, schreef een gewonde soldaat op het einde van de oorlog in het poëziealbum van een Belgische verpleegster. Het was illustratief voor de sterk gewijzigde houding tegenover het verpleegstersberoep.

Luc De Munck is student Cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over het werk van Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Titelafbeelding: Een Belgische verpleegster aan het werk in het hospitaal L’Océan (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Hoe taal een instrument van bekering werd

Gastblog door Zanna Van Loon.

De Europese ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld in 1492 door Christoffel Columbus had verregaande gevolgen. Europese ontdekkingsreizigers kwamen vanaf het einde van de vijftiende eeuw voor het eerst in contact met een tot dan toe onbekende wereld, onbereisde landschappen en tot de verbeelding sprekende, nu grotendeels uitgeroeide culturen. 1492 was het startpunt van een eeuwenlange Europese kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Die kolonisatie zette een economische en culturele uitwisseling tussen beide werelddelen in. Van mensen, ideeën en goederen, maar ook van informatie over inheemse talen.

De bekering van de Nieuwe Wereld

Zestiende-eeuwse muurschildering in het klooster van San Miguel Arcángel (Huejotzingo, Puebla, Mexico) die de aankomst van de eerste franciscanen in de Nieuwe Wereld in 1524 portretteert.

De kolonisatie van de Nieuwe Wereld verliep hand in hand met de evangelisatie van plaatselijke volkeren. Missionarissen van rooms-katholieke orden, zoals de franciscanen en de dominicanen, werden vanaf het begin aangespoord om de oversteek te maken en de ‘onwetende’ bevolking te bekeren tot het christendom. Al snel realiseerden deze Europese missieorden zich dat zij hen efficiënter ‘tot inkeer’ konden brengen door het woord van God te verkondigen in de inheemse talen. Om hun boodschap te kunnen uitdragen, verdiepten ze zich daarom in de studie van Amerindiaanse talen en stelden ze vervolgens grammatica’s, woordenlijsten en algemene beschrijvingen op om hun verworven kennis door te spelen aan opvolgers. Vanaf de zeventiende eeuw reisden ook protestantse missionarissen naar de Nieuwe Wereld met hetzelfde doel: de plaatselijke bevolking bekeren. Deze missionarisactiviteiten resulteerden eveneens in taalstudies, hetzij op een kleinere schaal.

Door zich in te laten met de studie van deze talen, verwierven Europese geestelijken inzichten in de geschiedenis, samenleving en levensstijl van inheemse gemeenschappen en kregen zij vat op de ontmoeting met ‘het onbekende’. De overgeleverde taalbeschrijvingen bieden bijgevolg een inkijk in Europese visies op de taal en op de cultuur van de Amerikaanse volkeren.

A Key into the Language of America

De titelpagina van A Key into the Language of America (Providence, John Carter Brown Library – Indigenous Collection).

A key into the Language of America: or, An help to the Language of the Natives in that part of America, called New-England, in 1643 in Londen gedrukt door George Dexter, is een mooie illustratie van hoe Europeanen naar niet-Europese culturen keken. De auteur, puriteins predikant Roger Williams (1604-1683), vestigde zich in New England in de jaren 1630 en ontwikkelde al snel een bijzondere belangstelling voor de lokale bevolking aan de oostkust: de Narragansett-indianen. Hij bestudeerde lange tijd hun levensstijl, tradities en taal. Het resultaat van zijn onderzoek was A Key into the Language of America, een overzicht van hun taal, het Narragansett, ingedeeld in dertig hoofdstukken. Williams was de eerste die structuur probeerde te brengen in de onbekende Narragansett-taal door de oorspronkelijke betekenis van inheemse woorden op schrift te brengen. Iedereen die in contact zou komen met deze indianen was volgens hem gebaat bij zijn studie.

Williams wilde de Narragansett-taal doorgronden om inzicht te verwerven in een onbekende wereld. Hij zag zijn woorden- en zinnenboek als de sleutel die may unlocke some Rarities concerning the Natives themselves. Meer nog, zijn taalstudie zou kunnen leiden tot meer kennis, omdat “A little Key may open a Box, where lies a bunch of Keyes.” De ontmoeting met niet-Europese religies en samenlevingen wekte immers fascinatie op. Williams had de taak op zich genomen om als eerste een gestructureerd overzicht te bieden van hun taal, omdat hij besefte dat kennis van een taal essentieel was om toegang te verkrijgen tot informatie over niet eerder bestudeerde culturen, tradities en levenswijzen. Wie in staat was in contact te treden met Narragansett-sprekers, kon immers informatie verwerven over hoe hun samenleving en cultuur ineenzaten.

Civilitie and Christianitie

Portret van Ninigret, hoofd van de Narragansettindianen, 1681 (Museum of Art, Rhode Island School of Design).

Williams’ taalbeschrijving was echter niet neutraal; hij wilde zijn Engelstalig lezerspubliek immers een bepaalde boodschap meegeven. Hij bood hen een hulpinstrument aan, waarmee zij het gesprek konden aangaan met de natives: als zijn lezers de Narragansett-taal machtig waren, zouden zij de indianen kunnen leiden naar de ‘echte’ beschaving en het ‘ware’ geloof. Dit motief komt sterk naar voor in Williams’ voorwoord. De lezer zou met behulp van het woorden- en zinnenboek met duizenden indianen in heel New England een gesprek kunnen voeren en hierdoor “civilitie” en “Christianitie” helpen verspreiden. Het was immers de moedige taak van de Europeaan om het christelijke licht te brengen in de duisternis: “for one Candle will light ten thousand”.

Dat de Narragansett-indianen hier naar Williams’ mening nood aan hadden, was duidelijk. Zij konden geen aanspraak maken op een beschaafde cultuur, omdat ze niet over kleren, boeken of een schrift beschikten en omdat hun voorvaderen deze elementen bovendien nooit hadden gekend. Om die redenen, schreef Williams, waren zij er gemakkelijk van te overtuigen dat de Engelse bevolking een machtigere god kende: de Heer had immers de Engelsen boven hen geplaatst op de ladder van de beschaving. Hij beschreef hen dan ook geregeld als “Rude and Clownish”, “these wild Americans” of “Barbarians” en voegde tussendoor gedichten toe, waarin hij telkens wees op het belang van de evangelisatie: “How kindly flames of nature burne in wild humanitie? Naturall affections who wants, is sure Far from Christianity.”

Het voorbeeld van Roger Williams documenteert een van de houdingen van vroegmoderne Europeanen tegenover ‘nieuwe’ talen en culturen. Ondanks Williams’ sympathie voor de Narragansettindianen bleef het Europees superioriteitsgevoel en paternalisme sterk aanwezig doorheen zijn tekst. Hoewel missionarissen zoals hij een belangrijke bijdrage leverden aan de aangroeiende kennis van niet-Europese talen, stond de overdracht van de goddelijke boodschap centraal bij het schrijven van deze taalstudies. Deze kennis was niet neutraal en de taalbeschrijvingen hadden een instrumenteel karakter. De vroegmoderne aandacht voor niet-Europese talen uit missionarishoek stond steeds ten dienste van de evangelisatie.

Zanna Van Loon is gastblogger. Ze is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar veranderende visies op taal tussen de zestiende en de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Abraham Ortelius, Theatrum Orbis Terrarum, Gilles Coppens van Diest (Antwerpen), 1570. (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, A 3802).