Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Blogreeks: Een geschiedenis van het orgasme (ook voor vrouwen)

Aflevering 1: Over vrouwelijk zaad, verleidsters met een onstilbaar libido en geboren moeders.

In 1929 schreef de Britse schrijfster en feministe Virginia Woolf met verwondering enkele lijnen over een bezoek aan het British Museum. Ze deed onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit en was verrast over het aantal boeken dat ze vond, vooral geschreven door mannelijke auteurs:

Heb je er enig idee van hoeveel boeken er elk jaar over vrouwen worden geschreven? En hoeveel er daarvan door mannen worden geschreven? […] Seks en de natuur trekt niet alleen dokters en biologen aan, maar ook, verrassender en moeilijker te begrijpen: gerespecteerde essayisten, vingervlugge romanschrijvers, jonge mannen met een diploma of zonder diploma. Kortom, mannen met schijnbaar geen enkele kwaliteit behalve dan dat ze geen vrouw zijn.

De volgende weken draaien om de verwondering van Woolf. Aan de hand van het voorbeeld van het orgasme zoekt historica Tinne Claes voor u uit wat mannen zoal hebben geschreven over de vrouwelijke seksualiteit. Deze blogreeks van drie afleveringen vertelt een kleine geschiedenis van het (al dan niet) komen en legt tegelijkertijd hardnekkige clichés over mannen en vrouwen bloot. Vandaag: waarom dokters het vrouwelijk orgasme belangrijk vonden tot en met de Renaissance.

Ook vrouwen hebben testikels

De zestiende-eeuwse anatoom Andreas Vesalius tekende de baarmoeder nog erg gelijkend op een penis (Vesalius, “De humani (…)”, 1543, Wellcome Collection).

In de populaire verbeelding is de oudheid een periode van seksuele losbandigheid. We denken aan knapenliefde in het oude Griekenland. Of aan de populaire televisieserie Rome, waarin de ene seksscène de andere opvolgt, compleet met prostitutie, overspel en orgieën. De middeleeuwen stellen we ons daarentegen voor als een duistere periode, waarin het christendom seksualiteit naar het verdomhoekje verbande. Toch werd de geschiedenis van het orgasme tot en met de Renaissance vooral gekenmerkt door continuïteit. Eén vraag stond centraal. Moest de vrouw klaarkomen om zwanger te worden?

De meeste dokters geloofden dat een orgasme nodig was om een kind te verwekken. Daarvoor had je immers niet alleen mannelijk, maar ook vrouwelijk zaad nodig. Dat meende de Griekse arts Hippocrates al in de vijfde eeuw voor Christus. Galenus dacht meer dan 500 jaar later nog steeds dat een kind ontstond uit de versmelting van mannelijk en vrouwelijk zaad. Zijn werk bleef populair doorheen de hele middeleeuwen.

Waar kwam dit idee vandaan? Een veelgehoorde theorie verwijst naar de manier waarop artsen het mannelijk en vrouwelijk lichaam bekeken. Hippocrates en Galenus zagen de vrouw wellicht als een naar binnen gekeerde man. De geslachtsorganen van mannen en vrouwen waren volgens hen dezelfde: alleen waren die van de vrouwen minder goed ontwikkeld, waardoor ze langs de binnenkant waren blijven zitten. Simpel gesteld: de vrouw was een minderwaardige man, de man een deluxe uitvoering van de vrouw. Eierstokken waren testikels, de vagina en de baarmoeder vormden samen een soort van naar binnen gegroeide penis. Het idee dat mannen en vrouwen hetzelfde basisontwerp hadden, bleef in zwang tot de achttiende eeuw. Er bestonden doorheen de tijd verschillende varianten van: zo noemden artsen in de zestiende en zeventiende eeuw de clitoris de mentula muliebris, ofwel de vrouwelijke penis. In deze periode zagen artsen de clitoris als het centrum van vrouwelijk genot, net zoals de penis dat bij de man was.

Geheime delen en putjes

De verraderlijke Eva verleidt Adam tot de zondeval (Gravure van J. Massard, 1787, naar C. Cignani, Wellcome Collection).

Het vrouwelijk orgasme was belangrijk omdat zonder voortplanting onmogelijk was. Zonder orgasme, geen vrouwelijk zaad. Zonder vrouwelijk zaad, geen kinderen. Maar hoe je net tot een vrouwelijk orgasme moest komen, was een andere vraag. Volgens Galenus was de huid van de genitaliën gevoeliger, waardoor het ‘krabben’ ervan zeer deugddoend zou zijn voor de vrouw. Zin in seks beschreef hij als een soort van ‘jeuk’. Middeleeuwse schrijvers zoals Aegidius Romanus verkeerden dan weer in de illusie dat de ontvangst van het mannelijk zaad op zich al genoeg was om de vrouw in vervoering te brengen. Het mannelijk orgasme leidde volgens hem automatisch tot een hoogtepunt bij de vrouw.

Zeventiende-eeuwse artsen waren er van overtuigd dat vooral de clitoris leidde tot ‘een zeer groot plezier’. Populaire handboeken uit deze periode raadden mannen met een kinderwens niet alleen aan om hun vrouw op te hitsen met dirty talk, maar ook om ‘met haar geheime delen en putjes te spelen’. Toen de jonge prinses Maria Theresa van Oostenrijk in 1740 niet meteen na haar huwelijk zwanger werd, raadde haar arts aan om ‘de vulva van hare Heilige Majesteit te kietelen voor de coïtus’. Maria Theresia schonk na dit schijnbaar nuttige advies het leven aan meer dan zestien kinderen.

Verleidsters en moeders

Het vrouwelijk orgasme stond ten dienste van de vruchtbaarheid. Genot was niet alleen nodig om vrouwen hun ‘zaad’ te laten lossen, maar ook om hen de mogelijke gevolgen van seks te doen vergeten. Als vrouwen niet genoten van seks, zouden ze toch nooit het risico lopen om zwanger te worden? Volgens de Griekse mythologie was seks daarom tien keer lekkerder voor vrouwen dan voor mannen. Ook Renaissance-schrijvers zagen de vurige appetijt van de vrouw als een godsgeschenk. In een tijd waarin veel vrouwen stierven tijdens de bevalling, was het orgasme een bewijs van de perfectie van de schepping. Zonder genot zou de vrouw ‘de grote pijn en ondraaglijke angst’ nooit kunnen vergeten. Als God het vrouwelijk orgasme niet had geschapen, zou de mensheid binnen één generatie vergaan.

Meer nog, vrouwen werden gezien als het geslacht dat het meest op seks uit was. Hun jeukende baarmoeders en genitaliën maakten van hen gevaarlijke mannenverslindsters.  Griekse mythes zitten vol van vrouwelijke personages met een onstilbaar libido. Zo is er de tragedie Bacchae van Euripides, waarin twee vrouwen op het hoogtepunt van hun seksuele extase het hoofdpersonage Pentheus letterlijk verscheuren. In de Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius kunnen de jonge vrouwen Byblis en Myrrha hun handen zelfs niet van hun familieleden afhouden. Of nog een klassieker: het oerverhaal van het christendom. Het is Eva’s verlangen dat leidt tot de zondeval. De brave Adam wordt er slechts in meegesleept. De mannelijke casanova en sekswolf is een modern idee. Voor de achttiende eeuw overheersten vrouwelijke verleidsters en femmes fatales de literaire verbeelding.

Vroeger was het beter?

Omdat zowel de seksuele lust als het orgasme ook voor vrouwen als belangrijk werden aanzien, hebben vele historici en feministen beweerd dat het vroeger beter was: dat seksualiteit vroeger in meer vrijheid kon worden beleefd. Toch was het verre verleden geen grote orgie, noch een feministisch feest. Artsen en schrijvers waren meestal mannen die neerkeken op vrouwen. Dat vrouwen streefden naar genot stelden ze voor als een gevaar (dat onschuldige mannen zelfs hun leven kon kosten) en als een teken van hun irrationaliteit. Bovendien stond het orgasme haast uitsluitend in teken van het moederschap. In de volgende aflevering van deze reeks leert u alles over de achttiende en negentiende eeuw, een periode waarin vrouwen hun lustgevoel verloren en ook het vrouwelijke orgasme verdween … (of dat schreven de mannen toch).

Meer lezen.

Dabhoiwala, F. (2012). The Origins of Sex: A History of the First Sexual Revolution. Oxford, Oxford University Press.

Laqueur, T. (1990). Making Sex: Body and Gender from the Greeks to Freud. Cambridge MA, Harvard University Press.

Laqueur, T. (1986) “Orgasm, Generation, and the Politics of Reproductive Biology”, Representations 14: 1-41.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze onderzoekt hoe onvruchtbaarheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Titelafbeelding: Invocation à l’amour, ca. 1825, Wellcome Collection. CC BY.

Zonnig en gek

Gastblog door Eva Andersen.

Met de hittegolven van de voorbije zomer was de kans op een zonneslag of hittesteek reëel. Weinigen zullen de getroffenen tegenwoordig krankzinnig verklaren. In de negentiende eeuw kon men volgens artsen maar beter opletten met te lang in de zon te lopen of in oververhitte ruimtes te vertoeven. Krankzinnigheid loerde volgens hen altijd om de hoek. Wie kreeg in de negentiende eeuw deze diagnose? En wat waren volgens artsen veel voorkomende symptomen van, en maatregelen tegen een zonneslag?

Risicovolle groepen

Reclame voor hoeden om de brandende stralen van de zon te trotseren.

De kans op een zonnesteek lag volgens artsen hoger bij volwassen mannen gezien zij “van nature” gedwongen waren zichzelf meer bloot te stellen aan “calorische schade”. Ook beroepen die vaak te maken kregen met extreme temperaturen werden als risicogroepen beschouwd: bakkers, smids, arbeiders in suiker- en zetmeelfabrieken en brouwerijen, stokers op stoomschepen, zeelieden en soldaten. In mindere mate maakten de psychiaters en artsen melding van zonnesteken bij vrouwen en kinderen. Wanneer kinderen met een zonnesteek te maken kregen was de Britse arts Theodore B. Hyslop ervan overtuigd dat dit “accidentieele idiotie”, “imbeciliteit” of zwakzinnigheid teweegbracht.

Werken van vooral Britse psychiaters diagnosticeerden zonnesteken ook in grote(re) hoeveelheden bij Europeanen die in de Britse kolonie India vertoefden. Hyslop liet zich in een artikel ontvallen: “Men heeft mij doen geloven dat India misschien wel het meest productieve land is van deze aandoening onder de Europeanen, want niet minder dan 23 van de [55] gevallen zouden zich daar hebben voorgedaan”.

Symptomen

Karikatuur: For the Hot-Headed (Wellcome Collection. CC BY).

Hyslop stelde dat “zonnesteken niet zelden de oorzaak zijn van lijden, maar ook een gevaar vormen, en een verkorting van het leven veroorzaken; waarbij de cerebro-spinale centra permanent, zo niet structureel veranderd worden”. Een aantal negentiende-eeuwse psychiaters meende dat een persoon weken, maanden of zelfs pas jaren na de zonneslag de eerste tekenen van krankzinnigheid kon vertonen. In dergelijke situaties waren de vooruitzichten weinig rooskleurig. Het aantal gevallen dat na een zonneslag herstelde was niet zo groot, als we de toenmalige statistieken mogen geloven. De cijfers over de gevolgen van krankzinnigheid-door-zonneslag liepen wel erg uiteen. Eén psychiater meldde dat van de 13 gevallen die hij had waargenomen er 7 hersteld waren. Een andere arts had 16 gevallen onderzocht waarvan er slechts 1 volledig genezen was verklaard.

De symptomen van krankzinnigheid-door-zonneslag konden, aldus de psychiaters, erg divers zijn: het optreden van manie, waanideeën zoals grootheidswaanzin, hallucinaties, extreme argwaan, kleptomanie, het plots optreden van alcoholisme, het vertonen van extreme vormen van geweld, blindheid, dementie en volledige verlamming.

In de voorvallen die psychiaters beschreven, begonnen veel patiënten na een zonnesteek plots vreemd en verwarrend gedrag te vertonen: het verscheuren van kleding, moordzuchtige neigingen, waandenkbeelden over zichzelf als afstammeling van de koninklijke familie en bezetenheid. Patiënten bleken soms ook moeite te hebben met schrijven of spreken, of hadden plots een onstabiele tred.

Lange termijngevolgen

De psychiaters namen aan dat sterke zonnestralen op het hoofd en de nek, alsook extreme hitte, de lichaamstemperatuur overmatig deden stijgen en zo ook een ontsteking in de hersenen veroorzaakte, al was er rond 1890 nog geen consensus over de exacte pathologie. Volgens psychiaters was er een verband met andere stoornissen. De hierboven vermelde symptomen werden volgens hen vaak snel opgevolgd door andere (psychiatrische) ziektebeelden zoals meningitis, algemene verlamming (General Paralysis) en epilepsie.

Maatregelen

Hittegolf in Parijs, 22 september 1895.

Hoewel de vooruitzichten na een extreme zonnesteek er volgens artsen niet altijd rooskleurig uitzagen, bevalen zij enkele remedies aan die een gewone zonnesteek konden verlichten. De negentiende-eeuwse arts schreef voor om de persoon in kwestie naar een koelere plaats te brengen en koud water op het hoofd en lichaam aan te brengen. Strakke kleding werd best verwijderd. In meer acute gevallen werd de lichaamstemperatuur naar beneden gehaald door middel van een injectie met quinine of morfine. Bovendien dachten negentiende-eeuwse psychiaters dat hiermee onomkeerbare veranderingen in het brein konden worden beperkt of tegenhouden.

Een andere optie was het geven van een stimulerend middel. Dit kon bijvoorbeeld door ammoniak onder de neus te houden of door mosterdpleisters op het lichaam, de benen en buik aan te brengen. Minder aangenaam was het toedienen van een darmspoeling. Ging een zonnesteek ook gepaard met vormen van epilepsie, dan werd aangeraden om de patiënt het anesthetische middel chloroform te laten inademen, al moest hier wel erg voorzichtig mee worden omgesprongen. Patiënten konden ook best voor geruime tijd wegblijven uit tropische temperaturen en moesten zich vooral niet overwerken of aan angsten worden blootgesteld.

Wie voor werk of ontspanning naar het zuiden zou trekken: een gewaarschuwd vrouw of man is er twee waard.

Eva Andersen is als doctorandus van de Universiteit van Luxemburg verbonden aan het Center for Contemporary and Digital History. Haar onderzoek focust op de circulatie van psychiatrische kennis in Europa in de periode 1840-1940.

4 katholiek verantwoorde manieren om syfilis te bestrijden

De zomer is helaas voorbij. Toch trakteren we u nog op een laatste zomerblog met katholiek gezondheidsadvies om syfilis te lijf te gaan.

Syfilis was al sinds de zestiende eeuw bekend en gevreesd. Tot de negentiende eeuw werd een besmetting met syfilis echter vooral als een persoonlijk drama beschouwd, dat enkel de patiënt zelf en zijn gezin raakte. In de negentiende eeuw kwam hier verandering in. Onder invloed van het idee dat een “ras” niet alleen positief kon evolueren maar ook ten onder kon gaan aan bijvoorbeeld ziektes en immoreel gedrag – het zogenaamde degeneratiedenken – werd syfilis bij uitstek dé ziekte die heel de maatschappij schade kon berokkenen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de bezorgdheid om de gevreesde geslachtsziekte bijna een medische obsessie. Deze aandacht stond in schril contrast met de genezingskansen. Veel verder dan wat halfslachtige behandelingen met kwik en arseen kwamen artsen immers niet.

“Prevent Syphilis in Marriage”, poster van the New York State Department of Health.

Niet alle dokters hadden dezelfde visie op hoe de verspreiding van de ziekte kon worden tegengegaan. In 1922, toen de Eerste Wereldoorlog – zo werd beweerd – een nieuwe stimulans had gegeven aan het aantal besmettingen, formuleerde de Brusselse katholieke arts Fernand Daubresse een aantal richtlijnen over hoe zijn collega’s op een moreel verantwoorde manier met de ziekte konden omgaan. Katholieke artsen hadden zich net verenigd in de Société belge de Saint-Luc, waarbinnen ze morele en medische thema’s bediscussieerden. Hun discussies vonden ook een weg naar het tijdschrift van de vereniging, het Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc. De adviezen van Daubresse in het in dit tijdschrift verschenen artikel “La lutte contre les maladies vénériennes” moesten katholieke artsen helpen om “individuen, de familie en de toekomst van het ras” te beschermen tegen de ravage die syfilis kon aanrichten.

  1. Deugdelijkheid

Oude vuistregels werden over heel het medisch spectrum gedeeld. Ook katholieke dokters vonden het “beter te voorkomen dan te genezen”, maar zij vulden dit adagium anders in dan hun liberale collega’s. Die laatsten durfden al wel eens het gebruik van anticonceptie aan te raden, wat in de ogen van de katholieke artsen verderfelijk was. Naast religieuze bezwaren speelde de overtuiging dat de man zijn passies moest kunnen bedwingen hier een grote rol bij. Katholieke artsen wensten zich niet neer te leggen bij het idee dat “de menselijke passie te groot is” om seksuele matigheid te bepleiten. Zelfcontrole was cruciaal voor elke welopgevoede burger. Voor vrijgezellen was geheelonthouding dus het beste en enige sluitende preventiemiddel om niet besmet te raken met een venerische ziekte. Voor echtgenoten betekende dit vasthouden aan de huwelijkse trouw en geen genot buiten het echtelijk bed zoeken.

Prent uit 1895 die op afschrikwekkende wijze de gevolgen van syfilis moest tonen.
  1. Angst

“Maar zelfs als de geest sterk is, is het vlees soms zwak,” moesten ook deze katholieke artsen toegeven. Omdat zij beseften dat niet elke jongeman zijn driften kon bedwingen louter op basis van zijn loyaliteit aan de katholiek moraal, dienden dokters ook de negatieve gevolgen van een losse seksuele omgang te benadrukken. Deze voorlichting moest bovendien de medische gevolgen van syfilis overstijgen. Dokters moesten de jeugd inpeperen dat het te vroeg (lees: voor het huwelijk) en te gulzig verkennen van de menselijke seksuele capaciteiten niet alleen “de normale evolutie van het menselijk organisme belemmert”, maar hen ook teleurgesteld, egoïstisch, afgemat, ongevoelig, ongeïnteresseerd – kortom, gedegenereerd – zou maken. Besmetting zou bovendien niet enkel hen, maar heel hun familie schade berokkenen.

  1. Sport en spel

Niet enkel tijdens consultaties, maar ook in de openbare ruimte moest het ideaal van onthouding aangemoedigd worden. Posters op publieke plaatsen dienden de voordelen van seksuele onthouding te benadrukken. Tegelijk moesten jongeren een andere manier aangereikt krijgen om hun jeugdige energie kwijt te kunnen. Hier hadden de dokters een gezond alternatief voor ogen: “we moeten hun exuberante fysieke activiteit richting sport en spel leiden, en zo hun lichaam en geest zoveel mogelijk op peil houden.” Zo sloegen de dokters twee vliegen in één klap. Jongelingen werden namelijk weggehouden van seksuele escapades en tegelijk fysiek en mentaal fit gehouden. Immers, de jeugd vormde de toekomst van de samenleving.

Poster van het Franse Departement voor Hygiëne.
  1. Hygiëne

Katholieke artsen benadrukten wel dat zij uiteraard nog steeds dokters bleven en niet enkel moraalridders waren. Zolang het binnen de grenzen van het moreel aanvaardbare bleef, kon medisch bijgesprongen worden om de mogelijk negatieve gevolgen van seksueel contact te bestrijden. Waar condooms uit den boze waren, was het ontsmetten van de geslachtsdelen voor en na de daad wél toegestaan. Tenminste, voor mannen vormden desinfecterende middelen geen probleem. Maar “voor vrouwen is het gebruik van antiseptica, voor en na geslachtsgemeenschap, tegelijkertijd een anticonceptiepraktijk die spermatozoa vernietigt op dezelfde manier als de ziektekiemen”. Enkel in zéér uitzonderlijke situaties, zoals wanneer er sprake was van verkrachting, was het vrouwen toegestaan ontsmettingsmiddel te gebruiken.

Katholieke dokters bewandelden in hun opvattingen over syfilis soms een dunne koord tussen medisch en moreel verantwoord, maar uiteindelijk stond het matigheidsideaal voorop in hun kruistocht tegen syfilis. De morele deugdelijkheid van seksuele terughoudendheid benadrukken was de eerste taak van elke katholieke arts, onder het motto dat abstinentie de beste anticonceptie was. En als jongelingen aan dit ideaal van deugdelijk gedrag niet genoeg hadden om zich in te houden, dan moest het maar op een harde manier, met dreigende woorden en afschrikwekkende prenten van patiënten en hun symptomen om te tonen wat de ziekte kon aanrichten. Het medische kwam er slechts in laatste instantie bij kijken, in heel uitzonderlijke omstandigheden van besmetting. Pas in de jaren 1940, met de ontwikkeling en verspreiding van penicilline, werd syfilis een pak makkelijker te genezen. Ondertussen was de medische hysterie rond een mogelijke degeneratie van de samenleving ook al eventjes gaan liggen. Zowel bezorgde artsen als krolse jongelingen konden iets meer op hun beide oren slapen.

Meer lezen.

Fernand Daubresse, “La lutte contre les maladies vénériennes dans ses rapports avec la morale catholique,” Bulletin de la Société Médicale Belge de Saint-Luc, 1.2 (1922), 19-31.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.

Cornflakes eten en nog 4 andere remedies tegen zelfbevrediging

Als je Instagram mag geloven, bestaat het ontbijt tegenwoordig eerder uit hippe homemade granola of de alomtegenwoordige avocado. Toch zal de naam ‘Kellogg’ bij velen nog een belletje doen rinkelen. De cornflakes die u daarmee voor ogen krijgt, zijn een uitvinding van de arts, nutritionist en zevendedagsadventist John Harvey Kellogg (1852-1943). Wat u misschien niet weet, is dat Kellogg een bevlogen bestrijder van alle vormen van seksualiteit was. Hij was ervan overtuigd dat je door het eten van het juiste voedsel de menselijke lusten onder controle kon houden. Net als velen van zijn collega-artsen richtte hij zijn pijlen specifiek op het bestrijden van masturbatie, dat in de late negentiende eeuw als zondig en als een gevaar voor de gezondheid werd beschouwd.   

Hij voerde zijn kruistocht vanuit het Battle Creek Sanitarium, een medisch centrum en kuuroord waarvan hij aan het hoofd stond. Het sanitarium was gesticht door zevendedagsadventisten en gasten werden onderworpen aan de strenge leef- en dieetregels eigen aan deze geloofsstrekking. Kellogg promootte er vegetarisme en een eetpatroon dat verder zo flets mogelijk was om genot, seksuele opwinding en de drang tot masturbatie tegen te gaan. Het was vanuit die principes dat hij cornflakes zou ontwikkelen, samen met zijn broer Will Keith Kellogg. Toen ze ruzie kregen over het toevoegen van suiker aan het recept, besloot Will in 1906 zijn eigen weg te gaan en richtte hij de latere Kellogg Company op.

Maar Hoewel John Harvey Kelloggs naam nu vooral verbonden is met de cornflakes die hij bedacht, kende hij in zijn eigen tijd vooral succes met zijn werken over seksuele opvoeding. Daarbij bepleitte hij zeer verregaande methoden om masturbatie tegen te gaan. In ‘Treatment for Self-Abuse and its Effects’, een hoofdstuk uit zijn bestseller uit 1888, Plain Facts for Old and Young (nota bene gedeeltelijk geschreven tijdens zijn eigen, seksloze huwelijksreis) geeft hij volgende tips aan ouders:

  1. Besnijdenis

“Een methode die zelden faalt bij kleine jongens,” zo schreef hij, “is de besnijdenis. De operatie moet uitgevoerd worden door een arts zonder het toedienen van verdoving, aangezien de pijn van de operatie een heilzaam effect zal hebben op de geest, zeker als de besnijdenis verbonden wordt met het idee van bestraffing.”

John Harvey Kellogg, c. 1910.
  1. Hechtingen

Voor de bezorgde ouders die niet het mes in de voorhuid van hun zoon wilden zetten, had Kellogg ook een alternatieve methode bedacht, namelijk “het aanbrengen van een of meer zilveren hechtingen op een zodanige wijze dat een erectie wordt voorkomen. De voorhuid wordt over de eikel naar voren getrokken en de naald waaraan de draad is bevestigd, wordt van de ene kant naar de andere kant doorgehaald. Na het doortrekken van de draad worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo dicht mogelijk afgeknipt.” Hij verzekerde ouders dat dit “een zeer krachtig middel is om de drang tot [masturbatie ] te overwinnen.”

  1. Fenol of amputatie

Als arts en man van de wereld wist dokter Kellogg dat ook vrouwen zich wel eens durfden bezondigen aan zelfbevrediging. Vandaar dat hij in zijn boek ook advies opnam voor ouders van meisjes: “Bij meisjes heeft de schrijver ondervonden dat het toepassen van pure fenol [carbolzuur] op de clitoris een uitstekende manier is om de abnormale lusten te onderdrukken.” Hardleerse gevallen konden succesvol behandeld worden door hun clitoris en/ of schaamlippen te verwijderen.

  1. Elektroshocks

Ten slotte prees Kellogg ook een behandeling aan die zich meer op de geest dan op de schaamstreek richtte en bovendien zowel voor jongens als voor meisjes effectief zou zijn: met enkele welgemikte elektroshocks konden ouders erop vertrouwen dat hun kroost niet meer de hand aan zichzelf zou slaan.

Meer lezen.

Kellogg, J.H., 1888. Plain Facts for Old and Young: Embracing the Natural History and Hygiene of Organic Life. Burlington (Iowa): I.F. Segner. Te raadplegen via: https://archive.org/details/plainfaorold00kell/page/n5

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: Milk and cornflakes bread door Justin Pinkney (CC BY-NC-SA 2.0).

5 medicijnen tegen de kwalen van de grootstad

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: tips voor stadsbewoners met lichamelijke en geestelijke problemen.

Leven in de negentiende-eeuwse stad leek soms eerder een kwestie van overleven. Beluiken met kleine, donkere woningen waren broeihaarden van ziekte en onrust. De bewoners waren niet alleen arm maar vooral ook immoreel – toch in de ogen van de dominante bourgeoisie. Vooral na 1880 werd de grootstad almaar vaker omschreven in termen als onnatuurlijk, beklemmend, beangstigend, vermoeiend en smerig. Zeker in contrast met het platteland, waar water en lucht, aarde en ruimte in overvloed aanwezig waren, kwam de stad er bekaaid vanaf. Ook in België dachten velen na over hoe de lichamelijke en geestelijke gezondheidsrisico’s konden worden ingedijkt. De oplossingen gingen heel uiteenlopende richtingen uit, waaronder de volgende vijf.

Vanaf 1895 konden kinderen uit het Antwerps stedelijk onderwijs ’s zomers twee weken terecht in het Naamse dorpje Hamois om er nieuwe krachten op te doen [Ons Woord, 9 (1902)].
  1. Vluchten

In een stad die zelf fundamenteel ongezond was, konden zieken geen genezing vinden. Nieuwe opvattingen over geestesziekte leidden tot de oprichting van psychiatrische instellingen buiten de hectische, gekmakende stad. Maar ook voor lichamelijke klachten adviseerden dokters een verblijf buiten de agglomeratie. Zuivere lucht en helder water golden als remedie voor een waaier aan klachten. Oude kuuroorden als Spa en Chaudfontaine kenden een nieuwe populariteit, kustdorpjes groeiden uit tot drukbezochte badsteden. Wie aan tuberculose leed, hoefde vanaf 1896 niet meer richting buitenland te trekken maar kon in een sanatorium in de bossen van Bokrijk terecht.

  1. Excursies

Ook stedelingen met een goede gezondheid deden er verstandig aan om hun habitat van tijd tot tijd te ontvluchten. Deze regelmatige verandering van milieu zou de zintuigen terug op scherp stellen, het lichaam sterken en de mentale weerbaarheid verhogen. Een langere vakantie, bijvoorbeeld in de Ardennen, genoot de voorkeur, maar ook een korte uitstap zou renderen. Die kon verschillende gedaanten aannemen. Rustige uitstapjes op de fiets waren ideaal om alle stress achter zich te laten én om het eigen land echt te leren kennen – steden waren toch maar anoniem en oppervlakkig. Meer pedagogisch van opzet waren zogenaamde herborisaties, verkenningen van de flora van een bepaalde regio.

De Mechelse stadstuin van François de Cannart d’Hamale, voorzitter van de Belgische federatie van tuinbouwkringen [La Belgique Horticole, 23 (1873)].
  1. Tuinieren

Omdat een tochtje buiten de stad hooguit sporadisch kon gebeuren, dachten sommigen na over een oplossing dichter bij huis. Tuinieren was daarbij the next best thing, een brug naar het platteland. Rijke stedelingen lieten zich in de loop van de negentiende eeuw almaar makkelijker overtuigen om geen tuinman aan te nemen maar zelf aan de slag te gaan: zelfverheffing, tevredenheid, rust, wijsheid maar ook gezondheid waren slechts enkele van de troeven waarmee gespecialiseerde genootschappen deze van oorsprong landelijke, natuurlijke praktijk aanraadden. Wie minder geld en ruimte had, hoefde niet te wanhopen: kamerplanten boden gelijkaardige voordelen maar dan binnenskamers. Vanaf de jaren 1890 raakten dan ook nog eens volkstuinen snel ingeburgerd. De teelt van groenten, fruit en bloemen op kleine percelen gold als een wondermiddel voor de gezondheid en moraal van arbeiders.

  1. Aanplantingen

Sommige plantenliefhebbers, maar ook politici en architecten, pleitten voor een grootschaliger aanpak: private tuinen waren goed, maar aanplantingen in de openbare ruimte waren beter. In parken, op plantsoentjes en in de schaduw van straatbomen zou elke stedeling van groene, landelijke accenten kunnen genieten. Dat genot was echter vooral esthetisch: anders dan vandaag speelde het gezondheidsargument in negentiende-eeuws België hoogst zelden mee in de keuze voor openbaar groen – opvallend, want in Engeland werd al sinds de jaren 1830 in dergelijke termen over aanplantingen gesproken. Bovendien kregen Belgische stadsbomen zelfs vaak met tegenkanting af te rekenen: velen vonden dat ze woningen duister, vochtig en dus net ongezond maakten!

Er waren vele mogelijkheden voor de aanplanting van bomenrijen, maar een vorm van regelmaat was altijd een vereiste [Nouvelles Annales de la Construction, 2 (1856)].
  1. Stadsplanning

Typisch voor het burgerlijke zelfvertrouwen van de negentiende eeuw was het geloof dat men de gezondheidsrisico’s van de grootstad ter plaatse kon verhelpen, via een ambitieuze stadsplanning. Een verwoestende opeenvolging van epidemieën, vooral cholera – alleen al in Gent eiste de ziekte doorheen de negentiende eeuw maar liefst negenduizend doden – vormde een doorslaggevende motivatie om de stad van binnenuit te vernieuwen. Saneringen zoals de overwelving van de vervuilde, stinkende Zenne in Brussel in de late jaren 1860 betekenden een radicale transformatie van het stadsbeeld. Vaak geïnspireerd door Parijs moesten ook in Belgische steden vele wijken met smalle steegjes plaats maken voor nieuwbouw met kaarsrechte, brede lanen.

De aanvoer en circulatie van zuivere lucht, afkomstig van – uiteraard – het platteland was misschien wel het voornaamste principe om de gezondheid van de stadsbewoner te verbeteren. Dat die verkeersaders een eeuw later met hun gemotoriseerd verkeer en het bijhorende lawaai en fijn stof vooral een oorzaak van gezondheidsklachten zouden vormen, was op dat ogenblik nog geheel ondenkbaar.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

4 to-do’s bij de eerste zorg voor prille moeders

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele voorschriften voor toekomstige verloskundigen.

Eugène Hubert in 1884 (Archief UCL).

De taak van een verloskundige stopt niet bij de geboorte, zo sprak de Leuvense hoogleraar in de geneeskunde Eugène Hubert zijn medische studenten aan het einde van de negentiende eeuw toe. De voorschriften die de diepgelovige katholieke arts tijdens zijn colleges meegaf aan toekomstige verloskundigen, zijn veelzeggend over de harde realiteit van het kraambed. Studenten die ze anderhalve eeuw geleden moesten instuderen, werden in hun latere loopbaan gegarandeerd geconfronteerd met zwangerschapscomplicaties, moeilijke bevallingen en de dood. Maar meer dan alleen in de geschiedenis van het bevallen, bieden de voorschriften ook een unieke inkijk in de toenmalige dominante denkkaders en praktijken in België. Aan u om ze te ontdekken.

Onderstaande voorschriften van Eugène Hubert zijn afkomstig uit zijn laatste verloskundige handboek voor medische studenten, Accouchements: gynécologie et déontologie (1892). Ze zijn vrij letterlijk vertaald.

De moeder van deze eenogige baby met voorhoofdkwab kon wel wat troost gebruiken.
  1. Geef peptalk

Een geboorte kan veel verdriet veroorzaken bij de moeder. Het gebeurt dat ze teleurgesteld is over het geslacht van haar pasgeboren baby. Soms is hij lelijk of misvormd. In nog andere gevallen heeft het kind de bevalling niet overleefd. Op zo’n momenten moet je de vrouw troosten en haar pijn verzachten. Wanneer het doodgeboren kind gedoopt is, is dat gemakkelijk: vrome vrouwen kunnen zich hun arme kleine moeiteloos voorstellen met vleugeltjes!

  1. Houd de prille moeders niet wakker

Sta toe dat de pas bevallen vrouw zich overgeeft aan een heilzame slaap. Je moet haar niet wakker houden, zoals dat gebeurde in de tijd van Lodewijk XIV, zogenaamd omdat vrouwen die inslapen ongemerkt zouden kunnen sterven aan bloedingen. Als er reden is tot ongerustheid, volstaat het om aan de vroedvrouw te vragen om de moeder in het oog te houden.

  1. Verplicht (ongehoorzame) vrouwen tot bedrust

In de eerste negen dagen na de bevalling is bedrust absoluut noodzakelijk. Volkse vrouwen hebben de neiging om vroeger op te staan, en het is dan ook bij hen dat er vooral complicaties en, later, verzakkingen van de baarmoeder optreden. Velen geloven namelijk dat een negende dag rust ongeluk zou brengen, wat volgens ons een ongegronde overtuiging is. Om ongehoorzame vrouwen tot rust te brengen, kan je gerust een of ander vooroordeel uitbuiten.

Een vrouw die op het punt staat te bevallen (Wellcome Collection. CC BY).
  1. Stel de kerkgang uit

In de meeste katholieke landen is het gebruikelijk dat bevallen vrouwen zich voor het eerst aan de buitenwereld tonen in de kerk. Deze kerkgang in een vaak koude en vochtige kerk vindt best 3 tot 4 weken na de bevalling plaats als de kraamvloed – het verlies van bloed, slijm en resten van de moederkoek – is gestopt. Het is ontoelaatbaar voor de 10e of de 15e dag, vooral als de kerkgang de gelegenheid vormt voor het houden van een familiemaal. Daar wordt de moeder aan allerlei verleidingen blootgesteld, gaande van “Neem een beetje van dit, en een beetje van dat, zo goed dat het is!” Maar een beetje van dit, een beetje van dat, een beetje van alles betekent een indigestie! Er is ook nog een andere reden om de terugkeer naar de geloofsgemeenschap uit te stellen. Dit moment gaat gepaard met de terugkeer naar het gemeenschappelijk bed. Maar met een onstabiele en vochtafdrijvende baarmoeder doet de prille moeder er goed aan om in een afzonderlijk bed te slapen.

Aandachtige lezers hebben gezien dat Hubert een tipje van de sluier oplicht over de schrijnende gevolgen van sociale ongelijkheid voor de gezondheid van bevallen vrouwen. In tegenstelling tot vrouwen uit de middenklasse, die zich in alle rust aan hun herstel konden wijden, moesten arbeidersvrouwen hun werk na de bevalling – met alle gevolgen van dien – snel hervatten. Negentiende-eeuwse medische teksten geven echter amper blijk van interesse in de dieperliggende oorzaken van de hoge moeder- en zuigelingensterfte. In bovenstaande voorschriften besteedt Hubert bijvoorbeeld geen aandacht aan de relatie tussen complicaties na de bevalling en de erbarmelijke leefomstandigheden van vrouwen uit lagere klassen. Structurele oplossingen voor de hoge mortaliteit van arme vrouwen en hun kinderen in het kraambed kwamen er pas na de Eerste Wereldoorlog.

Meer lezen.

Hubert, E., Accouchements: gynécologie et déontologie. Cours professés à l’Université Catholique de Louvain (volume 1). Leuven, 1892, 473-482.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen van katholieke en liberale artsen die in de negentiende eeuw actief waren als verloskundigen en gynaecologen.

Titelafbeelding: Vaginaal onderzoek. Uit Maygrier, Nouvelles, 1825. Wellcome Collection. CC BY.

7 keer komaf met slaapwandelen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Wie soms al eens last heeft van slaapwandelen, vindt hieronder een aantal tips van een negentiende-eeuwse huisarts.

“Och, dat is toch een eeuwigdurende onrust, dokter! Een mijner zooner verlaat bijna elken nacht zijn bed, loopt het huis rond en somtijds ook wel de straat op. Gisteren nacht zat hij omgekleed in de dakgoot, van waar hem de knecht, met gevaar beider leven, heeft weggehaald. Eenige dagen geleden, heeft hij zonder het te weten, heel den nacht zitten schrijven. Hij heeft in zijn slaap latijnsche verzen gemaakt, die een Vergilius zouden beschamen.”

Dr. Renier Snieders, 1812-1888 (KU Leuven collectie).

Klinkt bovenstaande verzuchting jou bekend in de oren? Dan deel je waarschijnlijk het huis met een slaapwandelaar. In tegenstelling tot de slaapwandelaar die zich de volgende dag van geen kwaad bewust is, kan dit gedrag bij huisgenoten wel eens resulteren in slapeloze nachten. Zo dus ook bij deze negentiende-eeuwse dame. Uit schrik dat haar zoon zich op een volgende nachtelijke omzwerving ernstig zou verwonden, ging ze te rade bij een plaatselijke arts. Dokter Snieders gaf haar enkele aanbevelingen en die deel ik graag met jou.

  1. Vermijd lichamelijke prikkels

Om te beginnen adviseerde dokter Snieders om niet met een al te verzadigde maag in bed te kruipen: “Ik zoude hem aanraden ‘s avonds zeer weinig of liever in het geheel niets te gebruiken, over het algemeen zeer matig te leven, weinig verhittend voedsel en vooral nooit geestrijke dranken te drinken. Vermijd een al te overvloedig en prikkelend avondmaal. Probeer misbruik van sterke dranken zeker op jonge leeftijd te vermijden: het zijn voornamelijk aankomende jongelingen bij wie men het nachtwandelen het meeste aantreft. Groote menschen zijn zelden en grijsaards bijna nooit daarmede behept.”

  1. Slaap op een harde matras

Volgens de dokter kan ook je bed invloed hebben op je slaapgedrag: “Overigens geve men den slaapwandelaar eerder een hard dan een zacht bed, hem tevens aanbevelende, zijn hoofd altijd tamelijk hoog op het hoofdkussen te leggen.”

Slaapwandelende Lady Macbeth door Artus Scheinder, omstreeks 1900.
  1. Maak het hoofd vrij (figuurlijk)

Een te grote hersenactiviteit vlak voor het slapengaan zou eveneens nefast zijn. “Nachtwandelen wordt ook wel eens bevorderd door de aanhoudende en tot laat in den avond gerekte studie, alsook door de werking der driften, zooals droefheid, gramschap, woede, wraak, nijd en anderen. Tracht uw moreel gestel zoveel mogelijk bedaard te houden, verwijder uit uwen geest elke oorzaak van verdriet en hevige aandoening, welke aanleiding zou kunnen geven tot de ontroering der zenuwen.”

  1. Maak het hoofd vrij (letterlijk)

Als we dokter Snieders mogen geloven, ligt de oorzaak van slaapwandelen mogelijks bij een overschot van bloed in de hersenen. Hij gaf daarbij volgend advies: “Bij een oplettende waarnemer blijkt het somtijds dat de nachtwandelaar het hoofd niet juist vrij heeft; in andere woorden, dat er zekere aandrang naar dat orgaan plaats heeft; in dit geval kunnen eene aderlating of een applicaat van bloedzuigers aan het hoofd, of liever somtijds aan den aarsdarm zeer dienstig wezen.”

  1. Neem een fris bad en een paar pilletjes

“Hebben wij te doen met eene bovenmatige prikkelbaarheid der zenuwen, welke hier als een aanleidende oorzaak moet beschouwd worden, zoo zullen frissche baden, en eenige zenuwstillende geneesmiddelen, uiteraard enkel door een geneesheer voorgeschreven, zeer ten pas komen”, aldus de dokter.

Een dokter brengt bloedzuigers aan bij een patiënt. Wellcome Collection. CC BY.
  1. Zoek een aangenaam verzetje

Ook gezonde verstrooiing overdag was volgens hem belangrijk voor het tot rust komen van lichaam en geest bij het slapengaan. “Reizen, jagen, visschen, groote wandelingen in de vrije lucht, in een woord al wat den zieke een aangenaam verzet, gepaard met lichaamsbeweging kan verschaffen, mag niet verwaarloosd worden.”

  1. In hoogste nood: laat je slaan op doktersadvies

Als al het voorgaande geen beterschap bracht, had dokter Snieders nog een laatste hulpmiddel achter de hand. Zo schreef hij een slaapwandelaar gekend te hebben die voor altijd genezen werd door “hem telkens een geducht pak slaag te geven”. Hij voegde er wel aan toe dit middel enkel aan te wenden “in het geval dat men met minder hevige middelen den gewenschten uitslag niet heeft verkregen.”

De opvattingen over de oorzaak en behandeling van slaapwandelen ondergingen doorheen de geschiedenis een aanzienlijke verandering. Slaapwandelaars werden lange tijd beschreven als personen die bezeten waren door de duivel, of die net gezegend waren met een goddelijke aanwezigheid. In het volksgeloof werd slaapwandelen ook lang beschouwd als een vloek of het openlijk gevolg van een of andere zonde. Die perceptie veranderde zeer geleidelijk naar een focus op de mentale toestand van de slaapwandelaar, al bleven metafysische speculaties nog lang doorleven.

Slaapwandelen werd vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gezien als een geestelijke ziekte, een psychosomatische klacht. De idee dat slaapwandelen een psychiatrische aandoening is, blijkt ook uit de beschrijvingen en raadgevingen van dokter Snieders. Zo spreekt hij over “den zieke” en legt hij meerdere malen een verband tussen slaapwandelen en iemands geestelijke gesteldheid. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw werd slaapwandelen helemaal losgemaakt van paranormale of psychiatrische connotaties en werd het geclassificeerd als een slaapstoornis.

Bovenstaande adviezen tegen slaapwandelen komen uit het boek Mentor van Jan Renier Snieders. Snieders, een gediplomeerde geneesheer wonende en werkende te Turnout (1812-1888), gaf in dit boek in de vorm van (fictieve) dialogen tussen dokter en patiënt gezondheidsadvies aan ‘gewone’ mensen. Zijn interesse in en bekommernis om volksgezondheid kwam tot uiting in dit werk waarin hij heel uiteenlopende onderwerpen besprak, van bloedneuzen tot indigesties en dus ook slaapwandelen.

Meer lezen.

Snieders, J. R., Mentor: verspreide aanteekeningen over volksgeneeskunde en gezondheidsleer, ’s-Hertogenbosch, 1870.

Umanath, S., Sarezky D. en Finger, S., ‘Sleepwalking through History: Medicine, Arts, and Courts of Law’, Journal of the History of the Neurosciences, 20 (2011), 253-276.

Linde Tuybens is als praktijkassistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.

5 koloniale gezondheidstips voor trips naar de tropen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. Deze week: enkele praktische tips voor reizen in ‘De Kongo’.

Verre reizen gaan vaak gepaard met een grondige medische voorbereiding. Vandaag komt men al erg ver met een handvol vaccins en een stevige voorraad malariatabletten. Op dergelijke preventieve maatregelen kon men zich echter nog niet beroepen ten tijde van het kolonialisme, toen Belgen naar Congo werden gestuurd om grondstoffen te ontginnen, ‘de beschaving’ te brengen of de staatsadministratie uit te bouwen. Gelukkig publiceerde het Ministerie van Koloniën geregeld medische handleidingen waarin allerlei tropische ziektes, symptomen en behandelingswijzen werden opgesomd. Op die manier kon de Belgische koloniaal toch met een rits praktische tips op zak naar ‘De Kongo’ afreizen. Niet al die adviezen waren echter altijd even nuttig en duidelijk. Hieronder vindt u 5 van de merkwaardigste gezondheidstips voor trips naar de tropen uit de Beknopte geneeskundige leidraad ten dienste van den reiziger in Congo uit 1929.

Voorpagina van “Reiziger in Congo”.
  1. Seksualiteit

“De venerische ziekten [seksueel overdraagbare aandoeningen] verminderen en vernietigen soms het productievermogen van den mensch. Zij verkorten het leven en dooden het geslacht. Vermijd ze, en verzorg ze indien zulk ongeluk U trof. […] De gemeenschap met personen van gewillige zeden eindigt gewoonlijk met bevlekking van venerische ziekten.”

  1. Voeding

“Ingemaakt goed is krachteloos voedsel. Gebruik dit zoo weinig mogelijk. In Congo is het gebruik van ingemaakte groenten een onzin.”

  1. Drank

“Vermijd het gebruik van eetlustwerkende dranken. Maak u gewoon weinig te drinken, uitgenomen als gij koorts hebt. Gebruik over dag nooit alcoholische dranken, als gij in het geval zoudt zijn u aan de zon te moeten blootstellen.”

Dit gezin kleedde zich zoals het hoorde.
  1. Kledij

“Over dag als ondergoed: een flanellen, zijden of katoenen hemd, nooit een lijnwaden. Tricots en singels, enz. dienen verworpen daar zij te veel prangen, tenzij ze geweven waren met breede mazen. Draag altijd den flanellen lendeband (breede band dien men driemaal rondt het lichaam windt). De bovenkleedij moet licht zijn en van heldere kleur (wit of khaki); zij moet daarenboven wijd zijn. […] Men moet het dragen van kleederen bij de negers bevorderen.”

  1. Arbeid

“Elke overdaad is schadelijk, zoals elke oorzaak overigens die het evenwicht der levensverrichtingen dreigt te verbreken. Overmatig werken kan zoo schadelijk zijn als overdaad in drank of geslachtsverkeer. […] Het visschen over dag is voor de inlanders.”

Het medische nut van deze richtlijnen kan op z’n minst ernstig in twijfel worden getrokken. Het beschermen van de fysieke gezondheid van de Belgische koloniaal vormde niet de essentie van deze tips. Ze moesten de industrieel, missionaris of koloniaal ambtenaar in eerste instantie een gedragsideaal ter ondersteuning van het koloniale project voorspiegelen. De adviezen met betrekking tot seksualiteit en alcoholische consumpties hadden dan ook een duidelijk moraliserend objectief. Net als in het moederland werden alcoholisme en geslachtziektes in de kolonie gezien als ernstige sociale kwalen. Door te verwijzen naar de “personen van gewillige zeden” werd de Congolese vrouw indirect op een heel geseksualiseerde manier voorgesteld.

Het racisme in de geselecteerde ‘gezondheidstips’ komt echter nog op andere manieren tot uiting. Zo werd het dragen van kledij voorgesteld als een teken van beschaving en was het een onderdeel van de beschavingsmissie om deze westerse norm aan Congolese volkeren op te leggen. Ook het afserveren van de Congolese keuken met de woorden “krachteloos voedsel” en “onzin”, kan als een vorm van cultureel geweld gelden. Ten slotte blijkt het raciale machtsonevenwicht uit de passage over arbeid. Van de koloniaal werd niet verwacht dat hij grote fysieke inspanningen zou leveren. Daarvoor mocht en moest hij gebruik maken van de “diensten” van de lokale bevolking. De beschreven richtlijnen lieten de “reiziger in Congo” dus al met de verschillende facetten van de koloniale ideologie kennismaken voordat hij er voet aan de grond zette.

Meer lezen.

Ministerie van Koloniën. Beknopte geneeskundige leiddraad ten dienste van den reiziger in Congo. Brussel: Drukerij Travaux publics, 1929.

Monaville, Pedro. “‘Conseils aux partants’: Une lecture politique des manuels d’hygiène coloniale publiés en Belgique (1895-1950)”, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 1–2, nr. 36 (2006): 97-125.

Reinout Vander Hulst is als doctorandus verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij bereidt een proefschrift voor over katholieke geneeskunde in België en Congo van 1900-1965.

4 manieren om van je blaasstenen af te komen

Tijdens de zomervakantie trakteren de Leuvense cultuurhistorici u op gezondheidsadvies uit het verleden. We starten met enkele medische behandelingen voor mannen met pijnlijke blaasstenen.

Misschien denk je dat historici een vrij gemakkelijk beroep hebben. Dat wat ze onderzoeken is immers lang geleden gebeurd en zal ze dus niet persoonlijk raken. Niets is minder waar: tijdens hun onderzoek komen ze onder meer beschrijvingen van ziektegevallen tegen waarbij ze tijdens het lezen met almaar groeiend medelijden de lijdensweg van de patiënt volgen, in de hoop dat deze de helse beproevingen uiteindelijk toch heeft overleefd. Ze zien in negentiende-eeuwse periodieken allerlei ziektebeelden en de bijbehorende behandelingen voorbijkomen: van buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en amputaties zonder verdoving tot uit de hand gelopen worminfecties. Deze zomerblog biedt een overzicht van een viertal voorbeelden van de mogelijke behandeling van blaasstenen die worden vermeld in het Nederlandse Practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang (1822-1856). Deze blaasstenen kwamen het meeste voor bij mannen, en maakten het hen soms onmogelijk om te urineren – wat zonder behandeling de dood tot gevolg kon hebben.

Dertigdelige Lithotomieset, Parijs, Frankrijk, 1820-1860. Collectie: Science Museum, London. CC BY.
  1. Het gebruik van tangen

Als de patiënt geluk had, was de blaassteen door de krampen van het urinewegstelsel al zo ver op weg naar de uitgang gebracht, dat een arts deze makkelijk kon bereiken. In 1837 berichtte een arts bijvoorbeeld over de lotgevallen van een 38-jarige man, die plotseling erge moeite had gekregen met urineren. Na drie maanden zonder medische hulp had hij ‘gedurig koude rillingen, en hij bragt de nachten voor het grootste gedeelte slapeloos door.’ Het lukte de arts niet om de steen te pakken te krijgen, en er werden daarom warme baden, ‘verzachtende pappen’, amandelmelk, ‘slijmige dranken’ en ‘eene gepaste diëet’ voorgeschreven. Veertien dagen later lukte het alsnog om de blaassteen ‘onder geringe pijnen’ met een tang naar buiten te halen.

Chirurgische verwijdering van een blaassteen door middel van een snede boven de schaamstreek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De laterale lithotomie

Volgens een andere arts was de sectio lateralis de beste en meest gangbare methode voor het verwijderen van blaasstenen. Deze bestond eruit eerst via de urinebuis een sonde tot in de blaas in te brengen en vervolgens een lange incisie in het perineum te maken richting de punt van de sonde, om zo de blaashals te openen en vervolgens de steen weg te kunnen nemen. De arts beschreef twee operaties die hij op deze manier had uitgevoerd, en die beide goed waren afgelopen. Hij was zich erg van de risico’s van de operatie bewust: deze kon leiden tot cystevorming, ‘verettering van het celweefsel’ en stuipen die het succes van de operatie en zelfs het leven van de patiënt in gevaar konden brengen.

  1. De snede boven de schaamstreek

Een andere manier om de steen te bereiken als deze nog niet in de urineleider was afgedaald, was om de blaas als het ware van de voorkant te bereiken. Deze operatie werd bijvoorbeeld uitgevoerd op een oudere patiënt die vanwege een vergrote prostaat niet op een andere manier kon worden geopereerd. Hij werd in de juiste positie gebracht – en waarschijnlijk door een aantal potige helpers in bedwang gehouden – waarna er een incisie in het huid-, vet- en spierweefsel boven het schaambeen werd gemaakt om daarna de blaas open te snijden. ‘Oogenblikkelijk stroomde nu de urien uit de wonde , en de steen konde zonder groote moeite met eene tang weggenomen worden’. Tot de achttiende dag na de operatie lekte er nog urine uit de wond, maar uiteindelijk herstelde de patiënt volledig. ‘Het doorklieven der regte buikspieren heeft den lijder niets gehinderd; hij gaat regtop als bevorens en bevindt zich volkomen wèl.’

Drie manieren om de blaas te bereiken, afgebeeld in een negentiende-eeuws medisch handboek. Collectie: Wellcome Collection. CC BY.
  1. De proctolithotomie

Voor het opereren bij grotere stenen werd aangeraden om de blaas via de achterkant te benaderen en dus via de anus te opereren, omdat deze aan grote stenen immers ‘eenen ruimen weg opent’. Een patiënt die ‘in geene positie voor zijne pijnen eenige verligting meer konde vinden’ ondernam zelfs een zesdaagse voetreis ‘die hij als ’t ware voortkruipend had moeten afleggen’ om de arts van zijn keuze te bereiken. Hij was dus erg verzwakt, maar omdat hij niet leek aan te sterken, ging de arts toch tot een operatie over. Het mocht niet baten. ‘Aanhoudend zonken de krachten, tot aan het gevoel van vernietiging toe klom de spierzwakte, en onder onwillekeurige ontlastingen, beven [en] deliria, gaf de lijder op den 11den dag na de operatie, den geest.’

De gevolgen van de hierboven beschreven operaties waren ingrijpend. Pas omstreeks het midden van de negentiende eeuw werd mondjesmaat met narcose gewerkt. De hier beschreven patiënten moesten de beschreven operaties hoogstwaarschijnlijk nog zonder anesthesie ondergaan. De ingreep kon tot bloedingen en ontstekingen leiden die de dood tot gevolg hadden. De wonden heelden bovendien meestal langzaam, en vaak bleven patiënten nog lange tijd incontinent. Tegenwoordig komen blaasstenen in de Westerse wereld nauwelijks nog voor dankzij verbeterde leefomstandigheden. Bovendien zijn ze, wanneer ze toch opduiken, beter op te sporen vanwege nieuwe technieken. Daarna worden ze met behulp van elektriciteit, schokgolven of ultrasoon geluid vergruisd. Van een helse marteling is hun behandeling daardoor veranderd in een pijnloze aangelegenheid.

Meer lezen.

Aschendorf, H., ‘Eenige opmerkingen over den steen in de blaas en de steensnede, d.i.  blaassnede’, Nieuw practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang 29 (1850), 290-296.

Tarler, H., ‘Drie gevallen van Steenen in de Pishuis’, Nieuw practisch tijdschrift 16 (1837), 223-229.

Keeman, J.N., ‘Blaasstenen en lithotomie, een verdwenen kwaal als fundament van de urologie’, Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 150 (2006), 2805-2812. Geraadpleegd via https://www.ntvg.nl/artikelen/blaasstenen-en-lithotomie-een-verdwenen-kwaal-als-fundament-van-de-urologie/volledig op 22 mei 2019.

Wouter Egelmeers is als doctoraatstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij onderzoekt de impact van het eerste visuele massamedium, de toverlantaarn, op het negentiende-eeuwse Belgische onderwijs. Vorig jaar was hij verbonden aan een project over redactiepraktijken in negentiende-eeuwse wetenschappelijke tijdschriften.

Wat je altijd al hebt willen weten over de Wardian case

Halverwege de negentiende eeuw opende de stedelijke burgerij haar deuren voor nieuwe huisgenoten: kamerplanten. Groen in huis herinnerde aan de landelijke, natuurlijke buitenwereld. In de slecht geïsoleerde woningen van destijds, met hun veelal sombere interieurs, was het houden van planten nochtans niet vanzelfsprekend. Enkel met erg precieze zorgen en controle konden ze overleven. Het betekende dat de natuur in een keurslijf werd gedwongen: dat gebeurde op grote schaal in tuinen en stadsparken, maar dus ook in de private sfeer. Kortom, de introductie van kamerplanten behelsde een paradox: ze dienden als tegengif voor een artificieel bestaan maar werden zelf van de natuur losgemaakt.

Bron: La Belgique Horticole (1855).

Een opvallend hulpmiddel bij in het ‘temmen’ van planten was de Wardian case. De Londense arts en tuinbouwer Nathaniel Bagshaw Ward had in 1829 toevallig ontdekt dat een klein, afgesloten glazen kistje voor vele soorten volstond om hen zonder verdere tussenkomsten in leven te houden: het vocht dat via de bladeren verloren ging, sloeg terug neer en werd door de wortels weer opgenomen. Als mobiel microklimaat bewezen de cases hun nut tijdens het vaak wekenlange transport van planten op zeeschepen. Ward besefte meteen ook die ándere toepassing, als decoratie in woningen. Hoewel hij in eerste instantie aan krappe arbeiderswoningen dacht, toonde vooral de middenklasse zich enthousiast: de miniatuurserres namen er de gedaante van soms opzichtige meubelstukken aan.

De cases boden een vrijbrief voor fantasie. Paradijselijke tableaux vivants de la nature waren gespeend van realisme, met combinaties van varens en andere planten uit binnen- en buitenland, van het Amazonebekken tot het Chinese hooggebergte. Een geslaagde mise-en-scène primeerde op authenticiteit: kamerplanten moesten vooral mooi om te zien zijn. Daarbij liet zich een toenemende visuele extravagantie optekenen. Wardian cases kwamen er in alle vormen: bekend is een exemplaar dat een stuk van de ruïne van Tintern Abbey nabootste, terwijl andere meubels voor planten aquariums en zelfs vogelkooien integreerden. Tegen het einde van de negentiende eeuw viel alle terughoudendheid weg en waren eclecticisme en overdaad de ordewoorden. Met een antigif tegen een stedelijk bestaan hadden de gekunstelde landschapjes nog maar weinig te maken.

Meer lezen.

M.F. Darby, ‘Unnatural histories: Ward’s glass cases’, in: Victorian Literature and Culture, 35 (2007), 635-647.

A. Stynen, ‘“Une mode charmante”: nineteenth-century indoor gardening between nature and artifice’, in: Studies in the History of Gardens and Designed Landscapes, 29 (2009), 217-234.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.