Categorie archief: Lichaam & wetenschap

Een kleine geschiedenis van het dankwoord

Het dankwoord is een bijzonder genre. Hoe onpersoonlijk een academisch boek verder ook is, in het dankwoord geven auteurs een stukje van hun ziel bloot. Tussen waslijsten van namen ontwaren we persoonlijke relaties en diepe gevoelens, blijken van erkenning en tekenen van humor. Maar ondanks die persoonlijke stijl staat in de meeste dankwoorden toch min of meer hetzelfde. In het dankwoord geven onderzoekers immers aan dat ze zich de normen en het zelfbeeld van hun beroepsgroep eigen hebben gemaakt. Samen met die normen en dat zelfbeeld zijn dankwoorden de afgelopen eeuw dan ook sterk veranderd.

Een aangename plicht

Het dankwoord zoals we het vandaag kennen, vooraan of tegenwoordig ook vaak achteraan in een boek, is nog vrij jong. De gewoonte om in België de term ‘dankwoord’ te gebruiken in bijvoorbeeld doctoraten – een tekstgenre waarbij dankwoorden heel gebruikelijk zijn – kwam pas op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Sinds de jaren zeventig was het echter al gebruikelijk om een ‘voorwoord’ te schrijven dat in veel gevallen ook enkel een dankwoord was. En nog daarvoor was het (al zeker sinds de negentiende eeuw) gebruikelijk om aan het einde van de inleiding een of twee alinea’s voor te behouden voor het betuigen van erkentelijkheid aan zij die tot het proefschrift bijdroegen.

Prof. Dr. Emile Lousse (1905-1986) werd al eens bedankt voor zijn ‘vriendelijke vingerwijzingen’.

De vorm en benaming van het dankwoord is niet zonder belang. Niet alleen is het dankwoord vooral in de jaren tachtig sterk in lengte toegenomen, de functie ervan is ook veranderd. De woorden van dank die tot de jaren vijftig werden geschreven, legden heel sterk de nadruk op ‘erkentelijkheid’. ‘Het is ons een aangename plicht onze erkentelijkheid te betuigen’, schreef zuster Marie Hereswitha in 1941, ‘aan allen die ons in meerdere of mindere mate behulpzaam waren bij het tot stand komen van ons werk.’ De onderzoekers vonden het hun plicht om aan te geven dat hun proefschrift niet alleen hun eigen werk was, maar ook dat van anderen. ‘Als ons werk enige verdienste heeft,’ klonk het nog in 1959, ‘dan danken wij dit aan de heren Professoren’. De jonge academici toonden dat ze zich de deugd van de bescheidenheid hadden eigen gemaakt.

Die nadruk op plicht en erkenning is sinds de jaren zestig op het achterplan geraakt. De deugd van bescheidenheid maakte plaats voor die van persoonlijke dankbaarheid. ‘Wij geloven niet dat onze boot zonder zijn vaste hand de eindhaven zou bereikt hebben’, schreef Klaas Maddens over de promotor van zijn proefschrift in 1975. De prille onderzoeker presenteerde het proefschrift veel meer als een eigen werk en sprak persoonlijk dank uit aan al wie daarbij geholpen had. Dat werd niet zozeer als een plicht voorgesteld, hoe aangenaam die ook mocht geweest zijn, maar als een quasi-spontane, hoogst individuele uiting van een gevoel. ‘Het eindpunt van een dissertatie is een moment van onversneden vreugde. Niet alleen omdat de tekst afgeleverd wordt, maar ook omdat ik dankbaar kan terugdenken aan al wie zijn fervente steun verleende’, klonk het in 1993. Een ideaal van plichtsgetrouwheid ruimde plaats voor een ideaal van oprechtheid.

Vereerde leermeesters

De geschiedenis van het dankwoord is er een van winnaars en verliezers. De enige vaste waarde in dankwoorden bij proefschriften is dat de promotoren die het proefschrift begeleidden genoemd worden – zelfs bij grote onvrede over die begeleiding. De manier waarop is evenwel ook veranderd: werden promotoren in de eerste helft van de twintigste eeuw nog wel eens voor hun ‘vriendelijke vingerwijzingen’ bedankt, dan werd het in het nieuwe millennium gebruikelijker om de promotor voor het vertrouwen en de steun te bedanken, welaan, zelfs te stellen dat de promotor een vriend was geworden.

Fragment uit het dankwoord van Lode Wils.

De grote verliezers zijn de andere professoren van de faculteit. Sinds de negentiende eeuw was het gebruikelijk om hen met name te bedanken. In 1954 liet Lode Wils nog weten dat het zijn ‘aangename plicht’ was om ‘hier onze dank te mogen uitdrukken tegenover onze vereerde leermeesters aan de Katholieke Universiteit te Leuven, aan wie wij onze wetenschappelijke opleiding verschuldigd zijn, en wier verheven voorbeeld in ons het verlangen gewekt heeft om naar mogelijkheden tot de wetenschap bij te dragen.’ Maar vanaf de jaren zestig verdwenen de vereerde leermeesters uit het beeld. Enkel als ze actief aan het proefschrift bijdroegen, bijvoorbeeld door hoofdstukken na te lezen, verdienden ze een vermelding. En die was zelden nog zo barok als bij Wils.

Gelukkig zijn er naast verliezers ook winnaars. Tot rond 1975 bestond het volledige bedankte publiek in een proefschrift uit zeergeleerde professoren en figuren in de marge van het academisch bedrijf: bibliothecarissen, proeflezers, financierende instellingen. Sindsdien verschenen er heel wat figuren die eigenlijk niets met het proefschrift te maken hadden, maar de auteur ervan moreel en emotioneel ondersteund hadden. Eerst kwamen de ouders en de echtgenotes. Ze werden al snel vergezeld door broers en zussen, grootouders, kinderen, huisgenoten, oude studievrienden, bureaugenoten en ex-lieven. Zij werden bedankt voor steun en verstrooiing en hen werd verontschuldiging gevraagd voor de vele afwezigheden tijdens de afwerking van het proefschrift (een tijdlang was er zelfs sprake van de ‘doctoraatsweduwe’). Academici tonen zo dat ze weliswaar menselijk zijn, maar dat het met hun arbeidsethos toch goed zit.

(CC-BY 3.0 Waov12)

Academische deugden

De geleerde van de eerste helft van de twintigste eeuw presenteerde zich als iemand die toegewijd, bescheiden en leergierig was en respect had voor hiërarchie en gebruiken. De geleerde bij het dagen van de eenentwintigste eeuw presenteerde zich als een mens van de wereld. Iemand die niet alleen met zijn of haar neus in de boeken zat, iemand die werk en persoonlijk leven in elkaar liet overvloeien. Het hoeft niet te verbazen dat net vanaf de jaren negentig de kwinkslag haar opgang maakte: plots doken in dankwoorden niet-bestaande personen, huisdieren of bekende zangers op. Tussen de bedankingen sloop al eens een speelse belediging. De onderzoeker van de eenentwintigste eeuw hecht belang aan oprechtheid, originaliteit en persoonlijkheid en schuwt verdenkingen van slaafs formalisme.

Elwin Hofman is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Momenteel schrijft hij aan het dankwoord van zijn proefschrift The Internalization of Man. Stigma, Criminal Justice and Self in the Southern Netherlands, 1750-1830.

5 alternatieven voor de dodelijke keizersnede in de negentiende eeuw

De keizersnede stelde negentiende-eeuwse artsen voor een groot dilemma. Gebrekkige hygiënische omstandigheden en hechtingstechnieken beperkten de overlevingskansen van vrouwen. Vooral in drukbevolkte stedelijke kraamklinieken stierven zij meestal aan een buikvliesontsteking of inwendige bloedingen. Het kind overleefde de operatietafel in het geval van een spoedige ingreep doorgaans wel.

Verschillende mogelijke keizersneden.

Het uitblijven van verbetering in de mortaliteitsstatistieken verdeelde de medische gemeenschap in een groep van voor- en tegenstanders naargelang hun religieuze overtuiging en morele principes. De medisch-ethische discussies over het al dan niet toepassen van de keizersnede vloeiden vooral voort uit een gebrek aan goede alternatieven. Artsen die vrouwen met een te smal bekken wilden behoeden voor een dodelijke keizersnede, hadden weinig andere keuze dan het ongeboren kind te doden.

  1. Therapeutische abortus

Bij sommige zwangere vrouwen konden dokters in een vroeg stadium al voorspellen dat hun smalle bekken een bevalling zonder keizersnede onmogelijk zou maken. In zulke gevallen probeerden bepaalde dokters vrouwen te overtuigen van een zwangerschapsonderbreking om medische redenen. In 1852 keurde de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België deze medische praktijk na lang beraad goed. Eensgezindheid was er evenwel niet. Aan de Katholieke Universiteit Leuven werden medische studenten ontraden om therapeutische abortussen uit te voeren.

  1. Embryotomie
Deze vorm van embryotomie stond bekend als céphalotomie: het doorboren van het hoofd van de foetus. De weergegeven perforator is ontworpen door de Franse dokter Hippolyte Blot.

Ook voldragen foetussen stond geregeld hetzelfde dodelijke lot te wachten bij een gecompliceerde bevalling. Embryotomie is een overkoepelende term voor verminkende operaties die het volume van de voldragen foetus in de baarmoederholte verkleinden, om het afvloeien van de foetus te vergemakkelijken. Artsen ontwikkelden tijdens hun loopbaan eigen instrumenten om onder meer het hoofd van het kind te doorboren, te verbrijzelen of los te maken van de rest van het lichaam. Dergelijke operaties werden probleemloos toegepast als de foetus geen teken van leven gaf. Bij een levend kind meenden voorstanders van embryotomie, waaronder een aantal professoren aan de ULB, dat ze er goed aan deden om te kiezen voor “het minste kwaad”: de opoffering van het kind in ruil voor het leven van de moeder.

  1. Kunstmatige bevalling

De kunstmatige bevalling in de zesde, zevende of achtste maand van de zwangerschap vormde een derde alternatief. Deze kinderen werden levensvatbaar geacht en konden door hun kleiner volume via het geboortekanaal ter wereld komen. De overlevingskansen van deze premature baby’s na de geboorte waren echter miniem. De eerste couveuses deden pas op het einde van de negentiende eeuw hun intrede in de Belgische ziekenhuizen.

  1. Amputatie van de baarmoeder
Een therapeutische abortus bij een foetus van 5 maanden.

In 1876 voerde de Italiaanse arts Eduardo Porro een succesvolle keizersnede uit waarbij heel de baarmoeder werd verwijderd. Deze operatieve ingreep beperkte niet alleen de kans op bloedingen, vrouwen konden na de operatie ook geen kinderen meer krijgen. Sommige artsen zoals de Luikse professor Adolphe Wasseige juichten de operatie toe aangezien “misvormde” vrouwen niet opnieuw zouden worden blootgesteld aan een operatie. Andere artsen meenden echter dat de amputatie een vrouw ontdeed van haar vrouwelijkheid.

  1. Postmortale keizersnede

In het slechtste geval konden dokters een postmortale keizersnede uitvoeren om het kind te redden. Negentiende-eeuwse dokters geloofden dat het na de dood van de moeder nog enkele momenten tot uren in de buik bleef leven. De keizersnede was een snelle maar daarom ook gevaarlijke manier om de foetus te bevrijden. Artsen hadden namelijk moeite met het vaststellen van de dood van de moeder. Medische denkbeelden over schijndood – iemand die dood lijkt, maar eigenlijk nog leeft – confronteerden artsen met een gelijkaardig dilemma als de gewone keizersnede: moest men wachten tot de dood van de vrouw met zekerheid was vastgesteld, of moest men een postmortale keizersnede uitvoeren op een vrouw die mogelijk nog leefde?

Het einde van het verloskundige dilemma

Op het einde van de negentiende eeuw was de cirkel weer rond. Kort na de experimenten van Porro ontwikkelde men in 1882 betere hechtingstechnieken om de baarmoederholte na afloop van een klassieke keizersnede volledig te sluiten. In combinatie met het gebruik van bacteriedodende middelen verhoogden de chirurgische praktijken de levenskansen van vrouwen. Tegelijkertijd verloren de dodelijke operaties op de foetus hun vanzelfsprekendheid in medische kringen. Na decennia van verhitte discussie kwam er een einde aan het verloskundige dilemma.

Tekst: Jolien Gijbels. Titelafbeelding: Illustratie van een methode voor keizersnede, uit J.M. Bourgery, Traité complet de l’anatomie de l’homme, dl. 7, Parijs, 1840.

Van prostituee tot witte engel

‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’, stond er tijdens de Eerste Wereldoorlog op het speldje van de verpleegsters van het hospitaal L’Océan in De Panne. De zin vatte perfect de rol van Belgische verpleegsters in de oorlog samen. Ze waren met enkele duizenden, vaak nog maar net opgeleid, en aan het werk in moeilijke omstandigheden. Toch slaagden ze er geleidelijk in respect af te dwingen voor het verpleegkundig beroep, dat voor de oorlog geen gunstige reputatie had.

Een moeizame start

Verpleegkundige zorg door de Zusters van Liefde in een hospice in Gent (Archief Zusters van Liefde, Gent).

Tot het einde van de negentiende eeuw waren religieuzen verantwoordelijk voor het verschaffen van verpleegkundige zorgen. Professionele scholing was daarbij onbestaande. In 1882 kwam daar voor het eerst verandering in, toen de stad Luik een theoretische en praktische cursus voor lekenverpleegsters organiseerde. Bij gebrek aan leerlingen werd deze opleiding echter twee jaar later al stopgezet. Ook Brussel gaf in dezelfde periode een eerste aanzet: in 1883 stelde de liberale burgemeester Karel Buls tevergeefs voor om een verpleegstersschool op te richten, en vier jaar later startte de socialistische arts César De Paepe met de organisatie van een beperkte verpleegstersopleiding.

Deze eerste initiatieven hadden af te rekenen met heel wat tegenstand en vooroordelen: de kloosterorden vreesden voor de aantasting van hun monopoliepositie, terwijl het geneeskundig corps bang was voor een aantasting van zijn gezag. Ook de gegoede burgerij haalde de neus op voor het in haar ogen minderwaardige beroep van verpleegster. Verpleegsters hadden toen het statuut van dienstmeid en konden soms amper lezen en schrijven.

Vooroorlogse diploma’s

Kandidaat-verpleegsters in de school van dokter Depage (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Ondanks de weerstand ging in 1902 een eenjarige opleiding voor lekenverpleegsters van start in het Stuyvenberghospitaal in Antwerpen. De echte doorbraak kwam er in 1907: in dat jaar zagen in Brussel niet minder dan drie opleidingen het licht. Onder impuls van de Raad der Godshuizen – de voorloper van het huidige OCMW – startte in het Sint-Janshospitaal een tweejarige opleiding. De Brusselse chirurg Antoine Depage begon zelfs met een driejarige opleiding. Als reactie op deze beide opleidingen voor lekenverpleegsters, ging kort daarna ook de katholieke verpleegstersschool Sint-Camillus van start met een eenjarige opleiding.

De wetgever reageerde opvallend snel op de nieuwe opleidingen. Op 4 april 1908 werd een koninklijk besluit goedgekeurd, waardoor verpleegsters voortaan over een bekwaamheidsdiploma moesten beschikken om hun beroep te mogen uitoefenen. De bestaande provinciale medische commissies organiseerden vanaf dan tweemaal per jaar cursussen en examens voor dit diploma. Tussen 1909 en 1914 reikten de commissies niet minder dan 4250 diploma’s uit. Ook de verpleegstersscholen van Brussel en Antwerpen leidden in dezelfde periode 300 verpleegsters op.

Een stoomcursus in Londen

Belgische verpleegsters tijdens hun opleiding in Londen (Koninklijk Legermuseum, Brussel) .

Deze verschillende verpleegstersopleidingen liepen tijdens de Eerste Wereldoorlog gewoon door. Ze ondervonden verrassend genoeg weinig tot geen hinder vanwege de Duitse bezettende overheid. Heel wat jonge vrouwen voelden zich aangesproken door het perspectief om gewonden te verzorgen, maar ook het vooruitzicht op werkzekerheid speelde een rol. De provinciale medische commissies reikten in de oorlog 1500 diploma’s uit, terwijl de verpleegstersscholen in Brussel en Antwerpen 200 verpleegsters een meerjarige opleiding verschaften. Een aantal van hen kwam terecht in hospitalen in bezet België, anderen slaagden erin om hun druk gesolliciteerde diensten aan te bieden in de fronthospitalen.

In 1915 ging onder impuls van de Belgische dokter Charles Jacobs in het King Albert’s Hospital in Londen ook een stoomcursus van start voor Belgische vrouwen die naar Groot-Brittannië waren gevlucht. Er werden 150 verpleegsters opgeleid, die dan meteen naar hospitalen in niet-bezet België of Noord-Frankrijk werden gestuurd. Ze vervingen er Britse verpleegsters, die in het begin van de oorlog hun hulp hadden aangeboden aan poor little Belgium, maar nu terug in Groot-Brittannië gingen werken.

‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’

Portret van Maria Gruwez, die als verpleegster in een Belgisch hospitaal in het Noord-Franse Gravelines werkte  (In Flanders Fields Museum, Ieper).

Door de inzet van al die gediplomeerde Belgische verpleegsters veranderde het beeld van hun beroep in de loop van de oorlog. In de eerste oorlogsmaanden heerste er nog veel wantrouwen tegenover deze jonge vrouwen, die omgingen met naakte mannenlichamen en het aandurfden hen onder de gordel te verzorgen. Grote delen van de bevolking vonden hun gedrag aanstootgevend, ze werden soms zelfs als prostituees betiteld.

Door hun deskundige zorgen en de groeiende waardering voor hun werk maakte dit wantrouwen geleidelijk plaats voor het beeld van de witte engelen: goed opgeleide vrouwen die dag en nacht klaarstonden om de gewonden te genezen, verlichten en/of troosten. ‘Nooit zal of kan ik die goede Zuster vergeten’, schreef een gewonde soldaat op het einde van de oorlog in het poëziealbum van een Belgische verpleegster. Het was illustratief voor de sterk gewijzigde houding tegenover het verpleegstersberoep.

Luc De Munck is student Cultuurgeschiedenis. Hij werkt aan een masterproef over het werk van Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Titelafbeelding: Een Belgische verpleegster aan het werk in het hospitaal L’Océan (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel).

Hoe taal een instrument van bekering werd

Gastblog door Zanna Van Loon.

De Europese ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld in 1492 door Christoffel Columbus had verregaande gevolgen. Europese ontdekkingsreizigers kwamen vanaf het einde van de vijftiende eeuw voor het eerst in contact met een tot dan toe onbekende wereld, onbereisde landschappen en tot de verbeelding sprekende, nu grotendeels uitgeroeide culturen. 1492 was het startpunt van een eeuwenlange Europese kolonisatie van de Nieuwe Wereld. Die kolonisatie zette een economische en culturele uitwisseling tussen beide werelddelen in. Van mensen, ideeën en goederen, maar ook van informatie over inheemse talen.

De bekering van de Nieuwe Wereld

Zestiende-eeuwse muurschildering in het klooster van San Miguel Arcángel (Huejotzingo, Puebla, Mexico) die de aankomst van de eerste franciscanen in de Nieuwe Wereld in 1524 portretteert.

De kolonisatie van de Nieuwe Wereld verliep hand in hand met de evangelisatie van plaatselijke volkeren. Missionarissen van rooms-katholieke orden, zoals de franciscanen en de dominicanen, werden vanaf het begin aangespoord om de oversteek te maken en de ‘onwetende’ bevolking te bekeren tot het christendom. Al snel realiseerden deze Europese missieorden zich dat zij hen efficiënter ‘tot inkeer’ konden brengen door het woord van God te verkondigen in de inheemse talen. Om hun boodschap te kunnen uitdragen, verdiepten ze zich daarom in de studie van Amerindiaanse talen en stelden ze vervolgens grammatica’s, woordenlijsten en algemene beschrijvingen op om hun verworven kennis door te spelen aan opvolgers. Vanaf de zeventiende eeuw reisden ook protestantse missionarissen naar de Nieuwe Wereld met hetzelfde doel: de plaatselijke bevolking bekeren. Deze missionarisactiviteiten resulteerden eveneens in taalstudies, hetzij op een kleinere schaal.

Door zich in te laten met de studie van deze talen, verwierven Europese geestelijken inzichten in de geschiedenis, samenleving en levensstijl van inheemse gemeenschappen en kregen zij vat op de ontmoeting met ‘het onbekende’. De overgeleverde taalbeschrijvingen bieden bijgevolg een inkijk in Europese visies op de taal en op de cultuur van de Amerikaanse volkeren.

A Key into the Language of America

De titelpagina van A Key into the Language of America (Providence, John Carter Brown Library – Indigenous Collection).

A key into the Language of America: or, An help to the Language of the Natives in that part of America, called New-England, in 1643 in Londen gedrukt door George Dexter, is een mooie illustratie van hoe Europeanen naar niet-Europese culturen keken. De auteur, puriteins predikant Roger Williams (1604-1683), vestigde zich in New England in de jaren 1630 en ontwikkelde al snel een bijzondere belangstelling voor de lokale bevolking aan de oostkust: de Narragansett-indianen. Hij bestudeerde lange tijd hun levensstijl, tradities en taal. Het resultaat van zijn onderzoek was A Key into the Language of America, een overzicht van hun taal, het Narragansett, ingedeeld in dertig hoofdstukken. Williams was de eerste die structuur probeerde te brengen in de onbekende Narragansett-taal door de oorspronkelijke betekenis van inheemse woorden op schrift te brengen. Iedereen die in contact zou komen met deze indianen was volgens hem gebaat bij zijn studie.

Williams wilde de Narragansett-taal doorgronden om inzicht te verwerven in een onbekende wereld. Hij zag zijn woorden- en zinnenboek als de sleutel die may unlocke some Rarities concerning the Natives themselves. Meer nog, zijn taalstudie zou kunnen leiden tot meer kennis, omdat “A little Key may open a Box, where lies a bunch of Keyes.” De ontmoeting met niet-Europese religies en samenlevingen wekte immers fascinatie op. Williams had de taak op zich genomen om als eerste een gestructureerd overzicht te bieden van hun taal, omdat hij besefte dat kennis van een taal essentieel was om toegang te verkrijgen tot informatie over niet eerder bestudeerde culturen, tradities en levenswijzen. Wie in staat was in contact te treden met Narragansett-sprekers, kon immers informatie verwerven over hoe hun samenleving en cultuur ineenzaten.

Civilitie and Christianitie

Portret van Ninigret, hoofd van de Narragansettindianen, 1681 (Museum of Art, Rhode Island School of Design).

Williams’ taalbeschrijving was echter niet neutraal; hij wilde zijn Engelstalig lezerspubliek immers een bepaalde boodschap meegeven. Hij bood hen een hulpinstrument aan, waarmee zij het gesprek konden aangaan met de natives: als zijn lezers de Narragansett-taal machtig waren, zouden zij de indianen kunnen leiden naar de ‘echte’ beschaving en het ‘ware’ geloof. Dit motief komt sterk naar voor in Williams’ voorwoord. De lezer zou met behulp van het woorden- en zinnenboek met duizenden indianen in heel New England een gesprek kunnen voeren en hierdoor “civilitie” en “Christianitie” helpen verspreiden. Het was immers de moedige taak van de Europeaan om het christelijke licht te brengen in de duisternis: “for one Candle will light ten thousand”.

Dat de Narragansett-indianen hier naar Williams’ mening nood aan hadden, was duidelijk. Zij konden geen aanspraak maken op een beschaafde cultuur, omdat ze niet over kleren, boeken of een schrift beschikten en omdat hun voorvaderen deze elementen bovendien nooit hadden gekend. Om die redenen, schreef Williams, waren zij er gemakkelijk van te overtuigen dat de Engelse bevolking een machtigere god kende: de Heer had immers de Engelsen boven hen geplaatst op de ladder van de beschaving. Hij beschreef hen dan ook geregeld als “Rude and Clownish”, “these wild Americans” of “Barbarians” en voegde tussendoor gedichten toe, waarin hij telkens wees op het belang van de evangelisatie: “How kindly flames of nature burne in wild humanitie? Naturall affections who wants, is sure Far from Christianity.”

Het voorbeeld van Roger Williams documenteert een van de houdingen van vroegmoderne Europeanen tegenover ‘nieuwe’ talen en culturen. Ondanks Williams’ sympathie voor de Narragansettindianen bleef het Europees superioriteitsgevoel en paternalisme sterk aanwezig doorheen zijn tekst. Hoewel missionarissen zoals hij een belangrijke bijdrage leverden aan de aangroeiende kennis van niet-Europese talen, stond de overdracht van de goddelijke boodschap centraal bij het schrijven van deze taalstudies. Deze kennis was niet neutraal en de taalbeschrijvingen hadden een instrumenteel karakter. De vroegmoderne aandacht voor niet-Europese talen uit missionarishoek stond steeds ten dienste van de evangelisatie.

Zanna Van Loon is gastblogger. Ze is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Nieuwe Tijd van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar veranderende visies op taal tussen de zestiende en de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: Abraham Ortelius, Theatrum Orbis Terrarum, Gilles Coppens van Diest (Antwerpen), 1570. (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, A 3802).

De grootste bom ter wereld

‘Mag ik u erop wijzen, Monseigneur, dat wij momenteel beschikken over de grootste radiumbom ter wereld.’ De boodschap komt uit een brief uit 1943. De auteur was Joseph Maisin, directeur van het Leuvense Kankerinstituut. De ‘Monseigneur’ die hij aanschreef was Honoré Van Waeyenbergh, rector van de universiteit. En de vermelde ‘radiumbom’ was geen wapentuig, maar een geavanceerd toestel om tumoren mee te bestralen. In volle oorlogstijd was het nieuws van Maisin erg welkom. ‘Een deugddoende zonnestraal in tijden van diepe crisis’, zo feliciteerde Van Waeyenbergh zijn professor. De ingebruikname van de Leuvense radiumbom was inderdaad een onverwacht succes, zowel op humanitair als op wetenschappelijk vlak – een vergeten stukje medische geschiedenis uit de oorlogsjaren.

De strijd tegen kanker

Het Kankerinstituut te Leuven. (Universiteitsarchief Leuven)

In 1928 was in Leuven het Kankerinstituut feestelijk geopend. Het was het eerste gebouw van Sint-Rafaël, de medische campus die tussen de wereldoorlogen in het Leuvense stadcentrum verrees. Er was een intensieve fondsenwerving aan voorafgegaan. Adellijke dames en rijke industriëlen schonken grote bedragen. Maar ook vrome parochianen – want het nieuwe instituut werd gepromoot als een ‘katholiek werk’ – konden voor 1 frank een steen van het Kankerinstituut sponsoren. Het was de eerste keer dat de strijd tegen kanker zo sterk was gemediatiseerd. Dankzij lokale en nationale actiecomités haalden de plannen voor het nieuwe instituut regelmatig de pers. Daarbij speelden ook ideologische belangen. ‘De eer van de katholieke wetenschap en van de Katholieke Universiteit staat op het spel!’, zo riep Van Waeyenbergh bevriende journalisten ter hulp.

Het ingezamelde geld werd gebruikt voor de bouw van het instituut, maar ook voor de uitrusting ervan: zeventig hospitaalbedden, drie nieuwe operatiezalen, toestellen voor radiografieën en, niet onbelangrijk, de aankoop van radium. Bestraling met radium werd in die tijd als de meest vooruitstrevende behandeling beschouwd, in het bijzonder voor borstkanker. De radioactieve eigenschappen van de stof maakten het mogelijk dieper gelegen tumoren te bestralen. Maar radium was ook zeldzaam, gevaarlijk en buitengewoon duur. Maisin werkte nauw samen met fysici en ingenieurs om een veilige omgeving voor die radiumtherapie te bouwen: het radium werd in glazen tubes geplaatst in een speciaal daarvoor ontworpen apparaat (de ‘radiumbom’). De bestraling zelf ging door in een soort betonnen bunker.

Radium uit Congo

De ‘radiumbom’ waarin de 7 gram radium werd bewaard. (Universiteitsarchief Leuven)

België had in die tijd het wereldmonopolie op radium. Het werd gewonnen door de Union Minière du Haut-Katanga, een mijnbedrijf dat vooral in het ertsrijke zuiden van Congo actief was. Via de Nationale Stichting tegen Kanker stelde het bedrijf radium beschikbaar aan de Belgische universiteiten. Die verdeling verliep echter moeizaam. De Union Minière zag aanvankelijk meer in één prestigieus nationaal ‘radiuminstituut’ te Brussel. Dat de Leuvense universiteit zo sterk het katholieke karakter van haar instituten benadrukte, droeg bij tot de spanningen. Maisin geraakte er door gefrustreerd. ‘Waarom laat de overheid elk jaar zoveel burgers sterven?’, klonk het hard. Naast humanitaire motieven had hij ook wetenschappelijke ambities. Met de Stichting tegen Kanker, het radium uit Congo en de kankerinstituten had België, aldus Maisin, alle troeven in handen om een internationale pioniersrol te spelen in de cancerologie.

Onverwacht succes

In 1937 kwam er een doorbraak: de Union Minière gaf 7 gram radium (geschatte waarde circa negen miljoen Belgische frank) in bruikleen aan de Leuvense universiteit voor kankerbehandeling. De Duitse inval van 1940 legde die behandeling echter lam. In de chaos van de eerste oorlogsdagen namen de Duitse troepen het radium in beslag en transporteerden het naar Duitsland. Pas na lange onderhandelingen tussen de Union Minière, de universiteit, de Stichting tegen Kanker en de Duitse bezetter werd het radium in 1941 teruggeven. Maisin had daarvoor zijn Duitse collega’s gevraagd de teruggave van het Leuvense radium te bepleiten ‘in naam van de wetenschap’. Nog onverwachter was dat de Union Minière in 1943 bijkomend radium ter beschikking stelde. Zo kon een radiumbom van 11 gram worden samengesteld, op dat moment ‘de grootste ter wereld’.

De zaal voor patiënten die op bestraling wachtten. (Universiteitsarchief Leuven)

Terwijl de oorlog onverminderd voortging, bleven kankerbehandeling en wetenschappelijk onderzoek mogelijk in Leuven. Uiteraard verliep dat soms moeizaam. Bij bombardementen vluchtten de gehospitaliseerde patiënten bijvoorbeeld uit het instituut. Ondanks die moeilijke omstandigheden was radiumtherapie een prioriteit tijdens de oorlogsjaren. De behandeling van kanker was in korte tijd uitgegroeid tot een centrale bekommernis van de overheid en de universiteit. Ook na de Tweede Wereldoorlog zette die ontwikkeling zich door. De strijd tegen kanker werd een van de belangrijkste programmapunten van het internationaal medisch onderzoek en gezondheidsbeleid.

Joris Vandendriessche is postdoctoraal onderzoeker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 en werkt aan een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen.

Het criminele lichaam als attractie

De terdoodveroordeelde misdadiger François Rosseel en zijn trawant Guillaume Vandenplas prevelden hun laatste woorden op 18 februari 1848. Op die dag maakte de guillotine prompt een einde aan hun leven. De executie van de criminelen bracht een grote menigte kijklustigen naar de Brusselse Hallepoort. Executies waren immers publieke evenementen met een grote spektakelwaarde.

De publieke terechtstelling van Rosseel en Vandenplas gold als het sluitstuk van de saga van de Saint-Remymoorden, die het publiek wekenlang in de ban had gehouden. Via een uitgebreide krantenverslaggeving konden de Brusselaars de zoektocht volgen naar de daders van een brutale drievoudige roofmoord aan het Brusselse Sint-Goriksplein. De arrestatie van het duo en hun daaropvolgende proces waren smeuïg voer voor de pers. De dood van beide moordenaars was echter nog niet het einde van de saga. Ook na hun dood wekten de geguillotineerde lichamen veel interesse.

Afgehakte hoofden

Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto J. Geleyns.)
Het geguillotineerde hoofd van François Rosseel geschilderd door Antoine Wiertz.

Lichamen van terdoodveroordeelde criminelen intrigeerden en inspireerden bijvoorbeeld kunstenaars. De excentrieke schilder Antoine Wiertz probeerde via een hypnose-experiment het gevoel van onthoofding te beleven tijdens de executie van François Rosseel. Wiertz beweerde zich te kunnen verplaatsen in het lichaam van Rosseel door middel van hypnose. Op het moment van executie deelde Wiertz dus gevoelens en gedachten met de crimineel die zijn laatste seconden aftelde en het mes van de guillotine voelde klieven. De schilder beleefde het gevoel van de onthoofding als een vreselijke sensatie. Vanuit die ervaring legde hij de gruwel van de doodstraf vast op doek.

Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait. (Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Het hoofd van Remy Bomal, een half uur na de executie op doek vastgelegd door Louis Gallait.

Ook de anatomie van de geëxecuteerde lichamen van criminelen wekte de interesse van kunstschilders. De romantische schilder Louis Gallait bemachtigde als eerste het afgehakte hoofd van de terdoodveroordeelde moordenaar Remy Bomal na diens terechtstelling in 1851. Een half uur na de executie schilderde Gallait een gedetailleerde schets van de anatomische kenmerken, ligging en positie van het geguillotineerde hoofd. Nadien gebruikte de kunstenaar zijn verworven kennis van afgehakte hoofden ter vollediging van een historieschilderij over de zestiende-eeuwse onthoofding van Egmond en Hoorne.

Niet alleen schilders interesseerden zich in de hoofden van geëxecuteerden. Ook anatomen maakten er aanspraak op. Ze verdedigden die aanspraak vanuit hun interesse voor de frenologie, de negentiende-eeuwse hersenleer die bepaalde hersengebieden aan karaktereigenschappen trachtte te koppelen. De Brusselse artsen van het Sint-Jansziekenhuis kregen  in de jaren 1840 de toestemming van het gerecht om de hoofden van ter dood gebrachte criminelen verder te onderzoeken in het anatomisch amfitheater. Dankzij die regeling kon de anatoom Pierre-Joseph-Cécilien Simonart bijvoorbeeld publiceren over de fysionomie van de misdadiger. Simonart vergeleek de anatomische eigenschappen van een terechtgestelde met de gegevens van andere criminelen en concludeerde dat de meest ontwikkelde hersendelen van deze personen correspondeerden met bezitterigheid, een aanleg voor diefstal en geheimzinnigheid.

Een afschuwelijk spektakel

Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen. (Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.)
Antoine Wiertz verbeeldde de brutaliteit van de onthoofding in zijn schilderijen.

Na de voltooiing van de verschillende experimenten werden de schedels van de misdadigers in het anatomische kabinet bewaard. De opname van hoofden in de Brusselse anatomische collectie bracht ook ongewenste aandacht met zich mee. Zo gebeurde het meerdere malen dat de toeschouwers van het executiespektakel zich nadien naar het anatomisch amfitheater begaven om het afgehakte hoofd van dichtbij te bekijken. De anatomen namen maatregelen om de tentoonstelling van de hoofden te vermijden, maar toch kon een mensenmassa verschillende malen het amfitheater binnendringen.

Bij de overdracht van het hoofd van Pierre Janssens in 1855 kwam een massa kijklustigen opdagen. Het personeel van het amfitheater riep daarom de hulp in van de politie om de menigte te beheersen, maar rapporteerde nadien dat zelfs de agenten meer interesse toonden in het hoofd van de misdadiger dan in de uitoefening van hun ambt. De hospitaaladministratie vond de tentoonstelling van de hoofden hoogst ongepast en ook de algemene pers bestempelde het voorval als een ‘afschuwelijk spektakel’. De afkeuring van de tentoonstelling van de hoofden getuigt van een veranderende spektakelcultuur waarbij het niet langer wenselijk werd geacht om wetenschappelijke collecties open te stellen voor een breed publiek.

Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.
Een portrettekening van de veroordeelde Vandenbossche in een medisch tijdschrift.

Nochtans was het net de groeiende populariteit van de frenologie bij een niet-medisch publiek die de nieuwsgierigheid naar de echte hoofden stimuleerde. Zo rapporteerde een krant dat veel toeschouwers op het proces van Remy Bomal enkel aanwezig waren om de gelaatstrekken van een moordenaar te bezichtigen. Ook de populariserende anatomische musea (gericht op een lekenpubliek) namen kopieën van hoofden van criminelen op in hun collectie. Bezoekers maakten er verder kennis met de frenologische leer en leerden het typische uiterlijk van de misdadiger herkennen.

Vele misdadigers verwierven een zekere beroemdheid tijdens hun proces en hun faam bleef ook na hun dood verder leven. Verhalen van spectaculaire moorden werden opgenomen en rijkelijk geïllustreerd in sensatieboeken die ‘juridische drama’s’ bundelden. Wassenbeeldenmusea verbeeldden gruwelijke moordtaferelen aan de hand van poppen in hun tentoonstelling. Net omdat criminelen vaak niet werden begraven was een trip naar het universitaire anatomische museum aanlokkelijk voor het publiek om contact te maken met het lichaam van een ‘celebrity’. Voortaan werd een niet-medisch publiek het privilege ontzegd om in aanraking te komen met de relieken van het criminele lichaam. Als alternatief bezochten belangstellenden populariserende anatomische musea (met kopieën van schedels en marmeren bustes) om een glimp van de glamour van het criminele lichaam op te vangen.

Meer lezen?

Sarah Tarlow, ‘Curious afterlives: the enduring appeal of the criminal corpse’, Mortality 21 (2016), 210-228.

Veronique Deblon is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar anatomie in de Belgische geneeskunde en cultuur in de eerste helft van de negentiende eeuw.

Afbeeldingen:  Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, 1855. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, foto J. Geleyns; Antoine Wiertz, Een afgehakt hoofd, s.d. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel; Louis Gallait, Studie van een hoofd voor Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en van Hoorn, 1851. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.

Het massagraf van de Titanic

De geschiedenis van de Titanic is vandaag vooral bekend als een hartverscheurend liefdesverhaal. De romance tussen de rijke Rose (Kate Winslet) en de arme Jack (Leonardo Di Caprio) kwam tot een abrupt einde toen het schip tot zinken werd gebracht door een aanvaring met een ijsberg. Waar we doorgaans niet bij stilstaan, is dat naast de liefde ook het lijk van Leo in het water viel. Op 15 april 1912, de dag na de ramp, scheen de zee volgens ooggetuigenverslagen ‘als met zwarte puntjes gezaaid’. Lijken van mannen, vrouwen en kinderen dobberden samen met het puin tussen de golven. Het verhaal van hun identificatie en begrafenis is een interessante passage in de cultuurgeschiedenis van massarampen en de dood.

De ‘mortuariumboot’

Op 17 april 1912 voer het kabelschip Mackay-Bennett met een lugubere taak uit naar het wrak van de Titanic. De bemanning was verantwoordelijk voor de berging van de meer dan driehonderd lichamen die drie dagen na de ramp nog in de Noord-Atlantische Oceaan dreven. Volgens de dagboeken van de schippers werd de sfeer grimmiger naarmate ze hun bestemming naderden – een ronddrijvend allegaartje van ‘versplinterd hout, mahoniehouten schuiven, bestek, stoelen van het dek, en dan nog lijken’. Alleen John R. Snow Jr., de professionele begrafenisondernemer die was meegenomen om lichamen aan boord te balsemen, ‘werd steeds vrolijker naarmate ze het toneel van zijn toekomstige professionele activiteiten naderden’. ‘Morgen’, zo getuigde een bemanningslid op 20 april, ‘wordt vast een goede dag voor hem’.

Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.
Een balseming aan boord van de Mackay-Bennet, 1912.

Uiteindelijk bracht de bemanning van de Mackay-Bennett tussen 21 en 26 april 306 lichamen aan boord. Slechts 190 van hen werden meegenomen naar de haven van Halifax. De overige 116 werden toevertrouwd aan de golven. Bij de keuze voor het zeemansgraf primeerden sociaaleconomische overwegingen. De beschikbare hoeveelheid balsemvloeistof volstond slechts om de lichamen van eersteklaspassagiers te behandelen. De lijken van de armere passagiers liet de kapitein ontbinden, waardoor ze niet mee aan wal konden worden gebracht. Tijdens drie begrafenisdiensten werden ze in verzwaarde lijkzakken overboord gegooid. Zoals een bemanningslid het plastisch omschreef: ‘splash, splash, splash’.

De identificatie

In Halifax werden de 190 lijken in rijen gelegd voor identificatie. Dat was belangrijk voor de familieleden, zowel om emotionele als om financiële redenen. De herkenning van een naaste hielp bij de verwerking van het verlies en betekende dat ze recht hadden op een financiële vergoeding. Zonder bewijs van overlijden bleven families daarentegen onzeker én vielen ze buiten de verzekeringspolis van de Titanic. Maar bijna twee weken na de ramp waren de dode lichamen moeilijk herkenbaar: er werden fouten gemaakt en een kwart van de lijken bleef anoniem. Voor de 116 achtergelaten slachtoffers was de identificatie nog moeilijker. Zij moesten indirect worden herkend aan de hand van gevonden bezittingen. In de woelige zee waren objecten echter beschadigd en door elkaar geschud, waardoor ze niet noodzakelijk hoorden bij het lichaam waarrond ze dreven.

De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.
De bezittingen van slachtoffers die een zeemansgraf ontvingen, werden bewaard in genummerde zakken die gelinkt waren aan een beschrijving van het gevonden lichaam.

Nochtans hadden de bemanningsleden van de Mackay-Bennett een professionele aanpak nagestreefd. De behandeling van de lijken was overgelaten aan professionals. Aan boord had de gediplomeerde balsemaar Snow voor de bewaring en rangschikking van de lichamen ingestaan. In Halifax wachtten ‘een troep lijkwagens’ en ‘een grote groep begrafenisondernemers, balsemaars en verpleegkundigen in lange zwarte jassen’ om de lijken klaar te leggen voor identificatie. Het waren tekenen van een veranderende doodscultuur: de rol van de familie, die traditioneel instond voor de opbaring van de overledene, werd geleidelijk overgenomen door experts. Daarnaast getuigde de omgang met de slachtoffers van het toegenomen belang van medische expertise. Een arts, Dr. John Henry Barnstead, had het identificatiesysteem aan boord bedacht. Op zijn bevel had elk lijk een genummerd ‘body report’ gekregen, waarin zowel lichamelijke kenmerken (geslacht, leeftijd, ras, lengte en speciale eigenschappen) als bezittingen waren opgesomd. Kranten publiceerden bovendien medische rapporten over de doodsoorzaken van de slachtoffers. Ze stelden vast dat ‘de lichamen door de druk van het water onmiddellijk stierven’ of dat ‘het merendeel der slachtoffers zonder pijn heenging’ en verzachtten zo het leed van de overlevenden.

De professionalisering van de massadood

Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.
Een Body Report, toegeschreven aan Isidor Strauss. Het verslag bevat enerzijds een schets van fysieke en bijzondere kenmerken ( in dit geval een gouden voortand), en anderzijds een beschrijving van kledij en bezittingen.

Het verhaal van de Mackay-Bennett getuigt zo van een eerste professionalisering van de massadood. Vandaag worden slachtoffers van aanslagen en ongelukken geïdentificeerd aan de hand van hun DNA. Net zoals de vroegtwintigste-eeuwse body reports drukken deze tests zowel de expertise van de forensische geneesheer als een gevoel van controle uit. De nood om op objectieve wijze slachtoffers van rampen te identificeren lijkt sinds de Titanic nog gegroeid. Hoewel we bijvoorbeeld rationeel kunnen inzien dat alle ingescheepte passagiers van de MH17 door de crash het leven lieten, voelen we nood aan – liefst wetenschappelijk – bewijs voor die dood. Toch bepaalt geld en sociale status of we deze zekerheid verkrijgen. Terwijl de stoffelijke resten van de slachtoffers van de vliegtuigcrash na enkele dagen geïdentificeerd werden in Nederlandse laboratoria, maken andere rampen – zoals de vluchtelingencrisis – duidelijk dat minder bevoordeelden ook vandaag nog mogen sterven in anonimiteit. De professionalisering van de ramp gaat zo samen met een voortschrijdende ongelijkheid na de dood, net zoals aan boord van de Mackay-Bennett.

Tinne Claes is als doctoraatsbursaal verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Samen met Veronique Deblon werkt ze op een project over anatomie in België in de negentiende eeuw. Ze onderzoekt de zichtbaarheid, het prestige en de betekenis van anatomie in de academische en populaire cultuur tussen 1860 en 1930.

Hoe de arts een rechter werd

Op 1 januari 1931 werd de wet tot Bescherming van de Maatschappij van kracht. Krankzinnige delinquenten konden, zo bepaalde die wet, aan verzorgingsmaatregelen onderworpen worden. Ze werden geïnterneerd in gespecialiseerde penitentiar-psychiatrische instellingen, waar speciaal opgerichte commissies beslisten over hun plaatsing en eventueel (voorlopige) vrijlating. Ook al was het een rechter die besliste over het effectief in kracht stellen van de maatregel, het was duidelijk een arts die besliste of een delinquent ervoor in aanmerking kwam of niet. Vrijlatingen waren enkel mogelijk indien een psychiater oordeelde dat de geestestoestand van de geïnterneerde opnieuw ‘normaal’ was. Met die wet was de arts een rechter geworden.

Dat mocht Marie ondervinden toen ze in de winter van 1954 in de buurt van Brussel gearresteerd werd voor poging tot moord. Ze had thuis de gaskraan opengedraaid, haar dochter was ternauwernood aan de dood ontsnapt. Marie ontkende de moordpoging en beweerde dat ze enkel zichzelf van het leven wilde benemen. Ze bevond zich naar eigen zeggen in een zeer zware periode en had genoeg van het leven.

Enkele dagen na de feiten verscheen Marie in het justitiepaleis voor de onderzoeksrechter. Ze vertoonde er vreemd gedrag en at meermaals papier op. Onder meer door deze ‘crises’ besliste de onderzoeksrechter haar onmiddellijk te laten opnemen in de psychiatrische vleugel van de gevangenis van Vorst. Hij beval bovendien een volledig psychiatrisch onderzoek door een gerechtspsychiater. Die verklaarde dat Marie zich zowel tijdens het plegen van de feiten als in de periode erna in een staat van krankzinnigheid bevond. Ze had haar daden niet onder controle. In overeenstemming met de wet van 1931 werd Marie dan ook geïnterneerd voor een periode van vijf jaar.

Een vaag begrip  

Zaal voor geïnterneerden in het Etablissement voor Sociaal Verweer in Bergen, een van de penitentiair-psychiatrische instellingen waar de commissie geïnterneerden naar toe kon zenden.
Zaal voor geïnterneerden in het Etablissement voor Sociaal Verweer in Bergen, een van de penitentiair-psychiatrische instellingen waar de commissie geïnterneerden naar toe kon zenden.

Bij Marie had de onderzoeksrechter, onder meer omdat ze papier had opgegeten, een concrete aanleiding om haar te laten onderzoeken door een gerechtspsychiater. Toch was het in de jaren 1950 niet altijd duidelijk waarom bepaalde criminelen wel en anderen niet in aanmerking kwamen voor internering. Dat had voornamelijk te maken met het feit dat een duidelijke definitie voor het begrip ‘krankzinnigheid’ zowel in de juridische als in de medische wereld afwezig was. Het begrip had bijgevolg een zeer ruime betekenis.

Zeker in de jaren 1950 beging de meerderheid van de krankzinnige delinquenten kleine delicten. In de psychiatrische annexen verbleef een diverse groep van onder meer recidivisten, drugs- en alcoholverslaafden, depressieven, daklozen of seksuele delinquenten. Soms haalden gerechtspsychiaters in hun verslagen specifieke psychiatrische (persoonlijkheids)stoornissen aan, maar dit was zeker niet altijd het geval. Voor Marie was een verwijzing naar haar emotionele instabiliteit en haar depressieve toestand voldoende om haar ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. Allicht voelde de arts ook geen behoefte hier dieper op in te gaan, omdat ze in het verleden al meermaals was opgenomen voor psychische stoornissen. De vaagheid van het begrip krankzinnigheid zorgde er bovendien voor dat een uitgebreide en gefundeerde argumentatie niet altijd nodig was.

Korte evaluatie van de gevangenisarts na Marie’s aankomst in de gevangenis van Vorst.
Korte evaluatie van de gevangenisarts na Marie’s aankomst in de gevangenis van Vorst.

Eens abnormaal, altijd abnormaal

De interneringsmaatregel werd vaak voorgesteld in specifieke omstandigheden. Vreemd gedrag tijdens de arrestatie of een zwaar  strafblad waren voor de onderzoeksrechter duidelijke signalen. Ze gingen meestal gepaard met pogingen tot zelfmoord, met onvrijwillige doodslag op een kind of partner, vrijwillige brandstichting, diefstal, kleine zedendelicten, landloperij of desertie in vredestijd.

Cartoon gemaakt door een geïnterneerde die aantoont hoe hij het voorkomen bij de commissie ervoer.
Cartoon gemaakt door een geïnterneerde die aantoont hoe hij het voorkomen bij de commissie ervoer.

Slechts bij één categorie misdadigers was geen twijfel mogelijk: diegenen met een psychiatrisch of interneringsverleden. Wanneer een crimineel eenmaal de stempel van ‘abnormaal’ of geestelijk ziek kreeg opgedrukt, zat hij of zij ermee opgezadeld tot het einde van zijn of haar dagen. Zo was Marie volgens de gerechtspsychiater gedurende haar leven meermaals het slachtoffer geweest van ‘nerveuze crises’. Om deze ‘crises’ te behandelen had zij enkele maanden in een psychiatrische instelling verbleven. Dit verklaart mee waarom de onderzoeksrechter onmiddellijk beval Marie door een psychiater te laten onderzoeken. De psychiater gebruikte bovendien Maries verleden als onweerlegbare argumentatie in zijn verslag.

Hoewel het advies van de psychiater niet bindend was,  bestond er amper een weg terug. In beroep gaan was bovendien een ingewikkelde procedure en leverde zelden resultaat op.  De ‘krankzinnige’ crimineel kon moeilijk aan de stigmatisering ontsnappen.

Tijdens de periode van internering ageerden artsen bijna als rechters. Enkel wanneer zij groen licht gaven, kon de geïnterneerde in aanmerking komen voor een voorlopige vrijlating. Hun macht groeide nog meer na de wetsverandering van 1964, die de vaste interneringstermijnen van vijf, tien of vijftien jaar afschafte. Het werd een maatregel van onbepaalde duur, waarbij de adviserende arts grotendeels instond voor de beslissing tot definitieve vrijlating. Sommige daders, al hadden ze slechts zeer kleine misdaden gepleegd en was de argumentatie vaag, werden zo meer dan twintig jaar opgesloten in een penitentiar-psychiatrische instelling.

Diane Staelens is Master in de Geschiedenis. Ze studeerde af in de richting Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 met een masterproef over De vergeetput van justitie. Internering in België en de invloed van experten (1955-1975).

Poseren in de ziekenzaal van Sint-Raphaël, ca. 1930.
Poseren in de ziekenzaal van Sint-Raphaël, ca. 1930.

Vandaag lijkt het een vreemd beeld. Patiënten, bezoekers en verpleegsters, in een grote ruimte verzameld, allen keurig gekleed en ‒ op de zuster aan de linkerzijde na ‒ allen recht in de lens kijkend. Maar voor de Leuvenaars in de jaren tussen beide Wereldoorlogen ging er een zekere aantrekkingskracht uit van deze beelden, die vaak als postkaarten werden verspreid. De ziekenzalen van Sint-Raphaël aan de Kapucijnenvoer representeerden een ‘moderne’ gezondheidzorg, die op de burgerij en een opkomende  middenklasse was gericht.

Een halve eeuw eerder was zoiets onmogelijk geweest. In het midden van de negentiende eeuw werden ziekenhuizen door de burgerij erg negatief gepercipieerd. Het waren in de eerste plaats instellingen voor arbeiders en hulpbehoevenden. En ook bij hen genoot het ziekenhuis geen goede reputatie. Ze trokken er enkel heen bij langdurige ziekte, wanneer ze thuis niet door een arts konden worden verzorgd.

Die weerzin verdween in de late negentiende eeuw. De nieuwe chirurgie (met anesthesie en gesteriliseerde instrumenten) verbond het ziekenhuis met moderne wetenschap. En de toepassing van strengere principes van hygiëne in de verpleging maakte dat moderne zorg minder gemakkelijk in de eigen woning kon worden aangeboden. Patiënten trokken nu steeds vaker naar het ziekenhuis voor medische zorg.

De bestuurders van ziekenhuizen zagen die nieuwe, meer welgestelde patiënten graag komen. Ze vormden een nieuwe financieringsbron. Foto’s en postkaarten moesten zo de evolutie van zorg aan huis naar het hospitaal ondersteunen. Ze tonen het ziekenhuis als een moderne ruimte: schoon, met voortdurende zorg aan bed, en met veel licht en lucht dankzij de grote ramen en hoge plafonds. Ze scheppen tegelijk ook het beeld van een zekere huiselijkheid, met gedrapeerde tafeltjes met bloemen en planten: een nieuwe ‘thuis’ voor de patiënt.

Tekst: Joris Vandendriessche. Foto: Museum Histaruz.

Chronoscoop van Hipp uit de Collectie Michotte.
Chronoscoop van Hipp uit de Collectie Michotte.

De bibliotheek van Psychologie en Pedagogische wetenschappen aan de Dekenstraat in Leuven biedt onderdak aan een bijzondere collectie psychologische onderzoeksapparatuur: de Collectie Michotte. De man die de collectie zijn naam gaf, professor Albert Michotte (1881-1965), houdt er nog altijd een oogje in het zeil. Zijn portret hangt boven de vitrinekasten aan de wand. De ruim 200 instrumenten omspannen grofweg de periode 1890 tot 1950. Zo materialiseert de ‘Collectie Michotte’ het ontstaan en de ontwikkeling van een nieuw vakgebied: de (experimentele) psychologie. Anders dan hun filosofische voorgangers gingen onderzoekers vanaf de late negentiende eeuw de menselijke geest experimenteel benaderen. Instrumenten speelden hierbij een sleutelrol. Want zij maakten de geest meetbaar en konden wetenschappelijke idealen als herhaalbaarheid, kwantificatie en standaardisatie waarborgen.

De foto toont een ‘Chronoscoop van Hipp’ uit de jaren 1890. Vanuit de wens om psychische processen in harde cijfers te vatten, richtten de eerste experimenteel psychologen zich op reactietijdmeting. De Hippchronoscoop – feitelijk een grote elektronische stopwatch – was daarvoor onmisbaar en behoorde tot de standaarduitrusting van elk negentiende-eeuws psychologisch laboratorium. Ook het Leuvense laboratorium, opgericht in 1894 op de zolderverdieping van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, bezat twee exemplaren.

Aangedreven door een gewichtje en twee elektromagneten kon het toestel zeer korte tijdsintervallen meten. Het apparaat maakte wel veel lawaai, zodat het tijdens experimenten vaak in een andere ruimte werd geplaatst om de proefpersoon niet onnodig af te leiden. Veel reactietijdenonderzoek richtte zich op de verwerking van zintuiglijke prikkels tot eenvoudige motorische reacties, maar ook taalverwerking en geheugenprocessen werden met behulp van de chronoscoop onderzocht. Na de Eerste Wereldoorlog zou het vakgebied van de psychologie zich verder uitbreiden.

Tekst: Marleen Brock. Foto: Bruno Vandermeulen / KU Leuven. Meer lezen: Marleen Brock, Verlengstukken van het bewustzijn. Psychologische onderzoeksapparatuur uit de Collectie Michotte, Leuven, 2010.