Categorie archief: Historische cultuur & herinnering

Zes absolute must haves voor verveelde ‘landverraders’

Gastblog door Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts.

Verveling is een even banaal als herkenbaar spook. Of het je nu overkomt tijdens een dag met te veel regen en te weinig wifi, dan wel een door generatiekloven geteisterd communiefeest, iedereen is wel eens bang om in een plant te veranderen. Dat nagenoeg universele karakter van het lamlendige nietsdoen maakt het ook tot een boeiende, vaak onderschatte kracht in de geschiedenis. Neem nu bijvoorbeeld eind 1944, toen in België tussen de 55.000 en 70.000 verdachten van collaboratie werden opgesloten in gevangenissen en tijdelijke interneringscentra, zoals de gevangenis van Sint Gillis, het Klein Kasteeltje te Brussel en de interneringscentra van Lokeren en Sint-Kruis. In latere publicaties van collaborerende auteurs zoals Filip De Pillecyn werd de algemene stemming onder de geïnterneerden steevast voorgesteld als politieke rancune en verbittering aan het adres van een vijandelijke Belgische staat. Maar wat met dat veel alledaagser kwaad, genaamd verveling? “Gevangen zitten is de vervelendste stiel die er bestaat”, schreef een geïnterneerde aan zijn moeder.

Tekenen en portretschilderen was een populaire bezigheid in de interneringscentra, zoals mag blijken uit dit portret van een Nicolas Cage-lookalike. [ADVN, AC 422].

We mogen natuurlijk niet vergeten dat de meeste geïnterneerden zich niet zonder reden in hechtenis bevonden. Het gaat hier immers over zogeheten ‘landverraders’, verdachten van economische, politieke of culturele medewerking met de bezetter, die eerst moesten worden heropgevoed voor ze weer toegang kregen tot het maatschappelijke leven. Maar dat oeverloze verveling en monotonie niet bepaald de ideale voedingsbodem vormen voor een dergelijke herintegratie, besefte ook de overheid. Na verloop van tijd groeide de mogelijkheid om de uren binnen de kampuren te wijden aan iets nuttigs of iets leuks.

Hier volgt daarom een kleine handleiding voor de geïnterneerde, bestaande uit zes absolute must haves om de dagelijkse sleur van het kampleven door te komen: van sigaretten tot een patente advocaat.

  1. Sigaretten

In de eerste maanden zochten de geïnterneerden verstrooiing in de weinige activiteiten die op dat moment tot de mogelijkheden behoorden: kaarten, schaken, lezen en – last but not least – roken. Alles hielp in de strijd tegen de verveling, ook wanneer de longen erdoor werden aangetast en de kampleiding het ten strengste had verboden. Of zoals iemand later over zijn dagen in een interneringscentrum noteerde: “Gepakt worden bij het roken was een zware overtreding. Hiertegen zondigde iedereen de gehele dag. In ‘t begin was het een kat- en muisspel”.

  1. Werkgerief

Geleidelijk aan werden de geïnterneerden beter uitgerust in hun pogingen om het spook van de verveling te lijf te gaan. Uiteenlopende attributen kwamen tot hun beschikking te staan: penselen en tekenpotloden, maar ook timmergerief, gietvormen en zelfs soldeerbouten. Dankzij de oprichting van de Dienst voor Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij in november 1946 kon het culturele leven binnen de interneringscentra zich ten volle ontvouwen. Artistieke expressie en technische bedrijvigheid stimuleerden volgens het nieuwe interneringsbeleid immers de wederopvoeding van de geïnterneerden. Resultaat? Een outburst van soms verrassend vernuftige objecten, zoals een intrigerende lamp in de vorm van een waterpomp.

Een lamp vervaardigd in Merksplas rond 1950. Het opvallende aan de lamp is het waterpompmotief, waarbij de pomp fungeerde als de aan- en uitschakelaar. [ADVN, VVO 1109].
  1. Balvaardigheid

Clichés in de beeldvorming van collaboratie en repressie werden door het dagelijkse kampleven meestal tegengesproken. Maar andere stereotypen zagen zich er dan weer bevestigd: sluit honderden mannen op in een interneringscentrum en stel na verloop van tijd vast dat de zin van hun leven een vurig beleden sportcompetitie is geworden. Met de oprichting van de Welfare, de organisatie voor culturele bedrijvigheid in de interneringscentra, riepen de geïnterneerden zelf allerlei activiteiten in het leven om het vegeteren tegen te gaan: toneel, cabaret, zang en – niet het minst – sport. Dat de handbal- en volleybalcompetities op heel wat belangstelling konden rekenen, blijkt onder meer uit enkele bijzonder geestdriftige wedstrijdverslagen, zoals van deze handbalwedstrijd in het IC Merksplas: “Stan was flegmatisch zoals altijd, Nand stoer als een pantserwagen, den Djé bijtend als ‘n “peperbolleke”, […] zo zien we onze Pandoeren graag en we zijn zeker dat we met dit machtige zevental een kans hebben om de competitie te winnen.”

  1. Radiostem

Ook in de gevangenis van Sint-Gillis vond het nieuwe interneringsbeleid, gericht op herintegratie na de vrijlating, weerklank. Vanaf de lente van 1947 resoneerde tussen 11.00 en 21.00 uur zelfs een hoogst onverwacht geluid binnen de gevangenismuren: Radio Sint-Gillis, een initiatief van de gedetineerden zelf, wilde het monotone gevangenisleven opluisteren met muziek, sportkronieken, taal en literatuur, luisterspelen, educatieve en medische praatjes. De directie steunde het initiatief, al diende een van de gevangenen er wel over te waken dat de presentatoren zich niet voorbij de grenzen van het politiek wenselijke praatten.

B. Peleman vormde samen met O. Daem en F. De Pillecyn de kernredactie van Radio Sint-Gillis. Tekening van J. Vermeire, 1948. [ADVN, VB2696].
  1. Advocaat

405 493. Dat is het aantal gerechtelijke dossiers dat in de periode tussen 1944 en 1950 door de Belgische staat werd geopend tegen vormen van collaboratie met de Duitse bezetter. Het leven van de verdachten draaide volledig rond deze dossiers en een afspraak met de advocaat prijkte steeds bovenaan de agenda. Gedurende de interneringstijd wandelden dan ook geregeld dienaars van Vrouwe Justitia door de poorten van de gevangenis. Het valt allicht niet meer te achterhalen, maar het recordaantal van deze bewogen bezoekjes zou wel eens op naam kunnen staan van advocaat Frans Van der Elst. Zijn cliënten waren dan ook niet van de minste. Hendrik Elias bijvoorbeeld: voormalig leider van het VNV, een Vlaams-nationalistische politieke partij die een van de hoofdrolspelers was in de collaboratie.

  1. Good will

‘Al doende leert men’. Uiteindelijk vormen vooral arbeid en onderwijs de sleutel tot een succesvolle herintegratie in de maatschappij. Het was toch vanuit die optiek dat de Dienst Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij de geïnterneerden vanaf 1947 een goed gestoffeerd pakket cursussen en opleidingen aanbood, waaronder talen, handelswetenschappen, elektriciteit en automechanica. Menige gevangene zag zo’n nieuwe stiel wel zitten: niet alleen was er het vooruitzicht van werkzekerheid, het was ook de geknipte gelegenheid voor wie aan de staat wilde tonen dat hij bereid was om bij te dragen aan de maatschappij. Bij heel wat geïnterneerden ontstond de hoop om – met een vervroegde vrijlating – weer als een goede burger deel uit te maken van de samenleving. Ze ondergingen de intrigerende transformatie van ‘landverraders’ tot ‘vaderlanders’.

De interneringscentra en het overgeleverde erfgoed roepen dan ook vragen op die vandaag, gezien de recente debatten over de teruggekeerde IS-strijders, nog niet aan relevantie hebben ingeboet: wat is een effectief interneringsbeleid? Welke activiteiten bevorderen de wederopvoeding van de gevangenen? En zijn er manieren om de ongewenste idealen te verdrijven die door een mensenhoofd spoken?

Benieuwd naar sportverslagen, schilderijtjes, knutselwerken en ander erfgoed uit de interneringscentra?

De expo ‘Gemaakt achter prikkeldraad’ is te bezoeken van mei tot eind september in het ADVN | archief voor nationale bewegingen.

De lezing ‘Een lamp in een kamp? Nieuw licht op de interneringsperiode na WOII’ vindt plaats op 16 mei, om 19.30 uur in het ADVN. Inschrijven kan via publiekswerking@advn.be

Meer lezen.

Grevers, H., Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België: 1944-1950, Amsterdam, 2013.

ADVN-Mededelingen, 63, maart, 2019. [themanummer rond erfgoed uit interneringscentra][http://www.advn.eu/web/mededelingen/ADVN-Mededelingen-63.pdf]

Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts zijn gastbloggers. Aragorn behaalde een master in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen en werkt als onderzoeker aan het ADVN | archief voor nationale bewegingen. Hij publiceerde eerder al over de kritische verwerking van oorlog, collaboratie en repressie in de fictie van Hugo Claus. Kasper behaalde een doctoraat aan de University of Edinburgh, is verbonden aan het ADVN als onderzoeker, en verricht comparatief onderzoek naar nationalisme, nationale bewegingen, en historiografie.

Zes middeleeuwse topwijven

Gastblog door Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Nena Vandeweerdt.

De woorden ‘middeleeuwen’ en ‘vrouwenrechten’ zal u niet snel terugvinden in dezelfde zin. Films en boeken over het verleden portretteren middeleeuwse vrouwen meestal als gehoorzame huisvrouwen of smachtende prinsessen in kastelen. Maar hoewel de middeleeuwse maatschappij door en door patriarchaal was, beschikten vrouwen over meer rechten dan die clichéverhalen doen vermoeden en namen ze voluit deel aan het publieke leven. Daarom stellen we u graag voor aan zes middeleeuwse ‘topwijven’ uit Vlaamse steden. In de middeleeuwen was wijf overigens de neutrale benaming voor een vrouw. Het woord had dus helemaal niet de negatieve bijklank van vandaag.

Een vrouw helpt in een slagerij. Ze vangt het bloed op dat ze later zal gebruiken om bloedworsten te maken (Ibn Butlân, Tacuinum sanitatis, BNF, Département des manuscrits, Latin 9333).
  1. Machtilde Perloecx bekritiseert de keurmeesters

Op de Leuvense vismarkt ging het er niet altijd even vredig aan toe. Ambachtslieden leurden er met zeevissen die de stad werden ingevoerd en bewoners van de stad en haar omgeving verkochten er vis om een extra centje te verdienen. Ook vrouwen waren talrijk aanwezig, als kopers én verkopers. Die visverkoopsters, toen viswijven genoemd, genoten niet de beste reputatie, maar dit werkten ze zelf soms wel eens in de hand. Zo moest de Leuvense Machtilde Poerloecx zich in 1423 voor de stadsraad verantwoorden. Zij baatte een kraam uit op de vismarkt. Machtilde was verontwaardigd nadat de keurmeesters (dit waren mannen die de kwaliteit van de vissen keurden) haar vis hadden afgekeurd en riep hen daarop toe dat ze niet grondig keurden en dat “sij stoncken”. Hiermee stelde ze de rechtvaardigheid van het economische beleid van de stad in vraag – en hun welriekendheid. Dit werd haar niet in dank afgenomen en Machtilde werd op een bedevaart naar Milaan gestuurd.

  1. Katlijne van Brussel leert haar echtgenoot een lesje

Anno 1430 leefde de Leuvense Katlijne van Brussel in Kortrijk, waar ze een eigen handelszaak had uitgebouwd. Dat was ook nodig, want ze leefde gescheiden van haar man Hendrik, die nog in Leuven woonde met hun zoontje. Katlijnes succes kwam Hendrik echter al snel ter ore. “Met behendicheiden ende scoenen woerden” smeekte hij haar om terug te keren naar haar thuisstad. Minder gewiekst in de liefde dan in het ondernemerschap verkocht Katlijne haar zaak. Ze stuurde de opbrengst alvast naar Hendrik alvorens zelf de reis te maken. Eenmaal aangekomen in Leuven stond ze – letterlijk – voor een gesloten deur. Hendrik weigerde niet alleen zijn echtgenote te verwelkomen, hij woonde ook samen met een vriendin en hield Katlijnes geld voor zichzelf. Katlijne wist wat haar te doen stond: gesteund door vrienden trok ze naar de rechtbank, en vroeg hen “omme Godswille” om gerechtigheid te laten geschieden. Dat lukte ook: de Leuvense stadsraad strafte Hendrik en dwong hem om het geld dat hij met “listigher subtijlheyt” had ontvreemd terug te geven aan Katlijne. Eind goed, al goed voor Katlijne.

  1. Woyeken Hagen zegt neen tegen een gearrangeerd huwelijk

In 1500 ontving het Antwerpse stadsbestuur een klacht van de familieleden van Woyeken Hagen. Ze claimden dat een zekere Symoen het meisje tegen haar wil had geschaakt. De gerechtsofficier confronteerde Woyeken met de klacht, waarop ze ontkende dat Symoen haar ontvoerd had. Integendeel, Woyeken verklaarde prompt dat ze uit vrije wil was meegegaan en geen andere man wilde. Ze had namelijk vernomen dat haar familie haar aan een “leeliken man mit eenen baerde” wilde koppelen. Om dat te vermijden trouwde ze snel met Symoen, hoewel Woyeken eigenlijk minderjarig was (jonger dan 25 volgens het middeleeuws recht) en de goedkeuring van haar familie nodig had. De schepenen bestraften Symoen daarom met een boete. Toch was het huwelijk tussen Woyeken en Symoen geldig en onbreekbaar. Beide partners hadden namelijk ingestemd en dat was de enige voorwaarde om te trouwen in de middeleeuwen. Voor meisjes als Woyeken boden schakingen dus een mooie kans om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen.

De priester brengt de rechterhanden van de verloofden samen wat hun instemming en keuze voor elkaar symboliseert (British Library, catalogue of illuminated manuscripts, Royal 17 F IV, fol. 65v.).
  1. Liesbet van Keerbeke verzet zich tegen haar uitsluiting uit het slagersambacht

In 1564 besliste de Leuvense stadsraad, na aandringen van het slagersambacht, dat slagersweduwen de zaak van hun overleden echtgenoot in het Vleeshuys niet langer mochten uitbaten. Volgens de ambachtslieden tastte de aanwezigheid van gevestigde weduwen het inkomen van jongere gezellen van het ambacht aan. Die nieuwe regeling was echter buiten Liesbet van Keerbeke gerekend. Twee jaar na de verordening stapte deze slagersweduwe naar de stadsraad. Ze stelde dat ze als arme weduwe zonder de zaak van haar voormalige echtgenoot haar kinderen niet meer kon onderhouden. Daarnaast argumenteerde Liesbet dat weduwen in alle Leuvense ambachten steeds het beroep van de overleden echtgenoot hadden verdergezet. De stadsraad gaf gehoor aan haar argumenten en Liesbet kreeg toelating om de vleeskraam te blijven uitbaten totdat haar zoon meerderjarig was. Het bleef niet bij die uitzondering: vier jaar later schrapte de stadsraad de verordening in zijn geheel. Liesbet kende als ambachtsweduwe haar rechten en aarzelde niet om die af te dwingen voor de schepenbank.

  1. Cornelijken Barinagen laat zich niet doen door haar belager

Op 14 augustus 1480 viel het verdict in de rechtszaak die de Gentse Cornelijken Baringen samen met haar ouders had aangespannen. De schepenbank veroordeelde Colaert Roose tot een verbanning van vijftig jaar uit Gent. Colaert had Cornelijken het leven immers erg zuur gemaakt. Als jonge vrouw – vermoedelijk was ze een tiener – zocht ze al een tijdje naar een geschikte partner. Maar tot Cornelijkens grote frustratie hapte geen enkele man toe, en dat was de schuld van Colaert Roose. Deze man verspreidde immers kwalijke roddels over haar en zei dat hij met haar had geslapen. In de eergevoelige middeleeuwse maatschappij waren zo’n woorden niet onschuldig. Het seksueel gedrag van vrouwen bepaalde hun reputatie én die van hun familie. Voor jonge meisjes waren maagdelijkheid en eerbaarheid daarom erg belangrijk. Door Colaerts “blameerlijke ende afdraghelijke woorden” had Cornelijken dan ook “diverssche goede huwelijken” misgelopen die ze nochtans “gherne ghe(h)adt hadde”. Nu Colaert zwaar bestraft werd en het duidelijk was dat Cornelijken een “eerbaer maeghdekin” was, kon ze haar zoektocht naar een partner met goede moed hervatten.

Een visverkoopster in haar verkoopkraam (Ibn Butlân, Tacuinum sanitatis,BNF, Département des manuscrits, Latin 9333).
  1. Janne Schuts groeit uit tot een gerespecteerde zakenvrouw

Janne Schuts, een alleenstaande vrouw in vijftiende-eeuws Antwerpen, verstrekte op grote schaal leningen aan haar stadgenoten. Dat was een typische activiteit voor alleenstaande vrouwen in middeleeuwse steden, maar weinigen waren zo actief als Janne. Zij liet zo’n 158 transacties registeren voor de Antwerpse schepenbank – een enorm aantal. Dat waren voornamelijk leningen maar ook investeringen in vastgoed. Janne was daarmee een erg succesvolle geldschieter die de groeiende Antwerpse economie van krediet voorzag. Ze deed dat bovendien vanuit een allesbehalve evidente positie: ze was van bescheiden komaf en de alleenstaande moeder van een onwettig kind uit een affaire. Toch klom ze op van dienstmeisje naar een vishandelaarster met een eigen zaak, om vervolgens begijn te worden. In het begijnhof gaf ze les en breidde ze haar investeringsactiviteiten uit. Dankzij wat financiële meevallers en zakelijk talent kon ze een klein fortuin opbouwen, dat ze onder andere gebruikte om aan haar zus en dochter een mooie huwelijksgift mee te geven.

Meer lezen.

Haemers J., Bardyn A., Delameillieure C. (red.), Wijvenwereld. Vrouwen in de middeleeuwse stad. Antwerpen, 2019.

Andrea Bardyn, Chanelle Delameillieure en Nena Vandeweerdt zijn gastbloggers. Andrea verricht postdoctoraal onderzoek naar de economische genderrollen, machtsverhoudingen, en taakverdeling binnen het middeleeuws huwelijk in de laatmiddeleeuwse Nederlanden. Het doctoraatsonderzoek van Chanelle richt zich op de controle van ouders en overheden op de partnerkeuze van jongeren in laatmiddeleeuws Gent, Leuven en Antwerpen. Nena vergelijkt in haar doctoraat de posities van vrouwen in de beroepenwereld van Noord- en Zuid-Europa in de vijftiende en zestiende eeuw. De drie onderzoeksters zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven.

Titelafbeelding: Fresco in het Castello di Issogne, Aosta, Italië.

Waarom Toots Thielemans niet graag aan het Vlaams Nationaal Zangfeest werd herinnerd

Een goede omkadering en, vooral, de expertise en toewijding van de medewerkers verzekeren dat het culturele erfgoed in de (erkende) archiefinstellingen in goede handen is. Net daarom verbaast het dat de rijke collecties over het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ), bewaard in het ADVN |archief voor nationale bewegingen, een wel erg beschadigd stuk bevatten: een handgeschreven muziekpartij met een grote scheur doorheen de zeven bladen. Wilde iemand deze Medley zangfeest misschien weggooien en bedacht hij/zij zich alsnog? Of was er verstrooidheid in het spel? De ware toedracht schuilt echter in een intrigerend incident.

Een fragment van de muziekpartij die Piet Van den Bergh voor Toots Thielemans’ ogen verscheurde (ADVN, D13120 (11/3)).

De uitvoerder van deze Medley van vijf Vlaamse volksliedjes, bedoeld voor het Vlaams Nationaal Zangfeest, was de wereldvermaarde Brusselse jazzmuzikant Toots Thielemans (1922-2016). Op 23 april 1978 was hij uitgenodigd om de eenenveertigste editie van het jaarlijkse evenement van een eigen muzikaal accent te voorzien. De gescheurde papieren blijken zo het restant van een beruchte episode uit het Vlaams nationalisme: volgens de overlevering stormde tijdens het optreden een man uit de tribunes het podium op en greep hij de papieren van Thielemans’ pupiter om ze aan stukken te trekken. Wellicht nam de geluidstechnicus de snippers later mee naar huis: het is alleszins via hem dat ze jaren later aan het ADVN werden overgedragen.

Onenigheid

De grote lijnen van het verhaal zijn dan wel gekend, over de details is er minder eensgezindheid. Zowel over de identiteit van de dader als over de aanleiding en het verloop van het tumult lopen de versies uiteen. Het begon meteen in de kolommen van de nationale pers, die met belangstelling – en doorgaans onbegrip – over het incident berichtte. Hugo Camps schreef in Het Belang van Limburg over ‘de ontmaskering van sommige Vlaamse zielepoten’, in andere kranten klonk het dat Thielemans van het podium was verjaagd of zelfs helemaal niet aan spelen toegekomen.

Het incident inspireerde de cartoonist van ’t Pallieterke (editie 27 april 1978).

Elders was het oordeel milder, en in flamingante hoek was er zelfs regelrecht begrip. Men nam het de jazzmuzikant kwalijk dat hij zich kort voordien op de radio als een Franstalige Brusselaar had geprofileerd. De Taktivist, het mededelingenblad van het Taal Aktie Komitee uit de Brusselse Rand, achtte Thielemans daarom zélf schuldig aan het incident. En het rechtse, satirische ’t Pallieterke, dat wekenlang over het zangfeest schreef, had het ronduit over ‘een moedige daad, door het hele Sportpaleis geapprecieerd’.

Uitzonderlijk was tumult op (of rond) het Vlaams Nationaal Zangfeest allerminst. Zeker in de jaren 1970 stelde het publiek zich vaak ongedisciplineerd op, en kregen onder meer Louis Neefs en Ann Christy een matig tot slecht onthaal. Nog in de jaren 90 zou Clouseau met boegeroep worden verwelkomd en werden de optredens van Ramses Shaffy en Hans de Booy zelfs in laatste instantie afgeblazen. Het ANZ wist na het radio-optreden van Toots Thielemans in 1978 dus waaraan zich te verwachten. De hoop dat diens jazzy arrangement van Sneeuwwit vogeltje en vier andere bekende volksliederen de sceptici zou overtuigen, bleek echter een misrekening.

Verrassende sporen

Wie was nu degene die de rechtstreekse confrontatie met Toots aanging? In online nieuwsgroepen en discussieforums viel meermaals de naam van advocaat Edwin Truyens, toenmalig leider en medeoprichter van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Hij zat tijdens het bewuste zangfeest inderdaad in het Sportpaleis en bracht zelfs sympathie op voor de protestactie. Toch was hij niet de dader: hij had in 1978 een plaats hoog in de zijtribune, van waar hij de echte verantwoordelijke goed kon zien: Piet van den Bergh (1920-ca. 2012), destijds uitbater van een radicaal flamingant café en later Antwerps provincieraadslid voor het Vlaams Blok. Hoewel onder meer ’t Pallieterke Van den Bergh, ook bekend onder de veelzeggende naam ‘Piet Kopstoot’, identificeerde, wordt de laatste jaren toch steevast Truyens met de vinger gewezen – en dit, niet geheel onbegrijpelijk, tot diens ergernis.

De Zangfeesten kenden in de jaren 70 een moeilijke periode. Onder meer door een onevenwichtige vernieuwing en ideologische geschillen taande de belangstelling (ADVN, VQT 9/78).

Getuigenissen spreken elkaar nog op andere punten tegen. Kwam Van den Bergh meteen in actie of pas tegen het einde van de medley? Speelde Thielemans voort of verliet hij het podium? Hoe reageerden de andere aanwezigen? En ook: in hoeverre was het incident racistisch geïnspireerd? Volgens sommigen klonk in het rumoer immers de kreet ‘Geen negermuziek op het zangfeest!’ Vast staat dat jazzmuziek, met haar Afro-Amerikaanse wortels, vaak op raciale gronden werd bekritiseerd. Bovendien huldigde menig flamingant in die jaren een radicaal antivreemdelingenstandpunt, dat in 1979 met de oprichting van het Vlaams Blok een politieke vertaling kreeg.

Vele vragen, kortom. Voor het zangfeest van 1978 is er echter een deur naar het verleden die voor historici meestal gesloten blijft: een integrale geluidsopname. Daarop valt te horen hoe de bekende volksliederen een grondige herwerking hadden gekregen, wat puristen ongetwijfeld stoorde. Aanvankelijk is er nog lauw applaus, maar vanaf het derde lied weerklinken kabaal en sporadisch tromgeroffel uit de tribunes. Diep in slotnummer De mosselman volgt dan de ontsporing: in een solopassage zwijgt de harmonica opeens vier maten, terwijl een hels gejoel losbarst. Thielemans valt echter snel opnieuw in – zij het aanvankelijk met enige aarzeling en onder aanhoudend rumoer. Wat de toeschouwers precies riepen, valt echter niet te onderscheiden, evenmin als tegen wie de verontwaardiging was gericht: de jazzmuzikant of de onverlaat?

Het eenenveertigste zangfeest was ontluisterend voor de Vlaamse beweging, maar confronteert ook historici met een ongemakkelijke waarheid. Zelfs al gaat het om een relatief recente gebeurtenis en zijn er tal van bronnen, van getuigen over archiefmateriaal tot geluidsopnames, dan nog ligt een eenduidige interpretatie buiten bereik.

Meer lezen.

A. Stynen, ‘Scheuren in het verleden. Getuigenissen van een bewogen Vlaams Nationaal Zangfeest’, in: ADVN-Mededelingen, nr. 48, 2015, 4-9.

P. Cordy, Wij zingen Vlaanderen vrij. Het verhaal achter 75 jaar Vlaams Nationaal Zangfeest, Leuven, 2012.

Andreas Stynen is als doctor-assistent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet momenteel onderzoek naar de rol van herinneringen, emoties en cultuur in nationale bewegingen.

Wat je altijd al hebt willen weten over James Cook

In oktober 1770 naderde luitenant James Cook Batavia, het huidige Jakarta. Het belangrijkste deel van zijn reis met de Endeavour, die op 26 augustus 1768 begonnen was, was daarmee afgelopen. Anderhalf jaar lang was Cook in de Stille Oceaan van eiland naar eiland gevaren. Haast overal had hij de gastvrijheid genoten die hij verlangde, in weerwil van plaatselijke regels en gebruiken. De werkelijke machtsstructuren kon Cook niet doorgronden, aangezien hij steeds naar een koninklijk machthebber zocht. Op zijn derde reis kende die imperialistische houding uiteindelijk een fatale afloop: in februari 1779 kwam Cook op Hawaï om het leven. Het onbegrip tussen de Britten en de Hawaïanen was daar ontspoord.

James Cook, naar een schilderij uit 1776.

In het gebied rond Batavia kon Cook daarentegen zijn eigen regels niet opleggen. Daar oefende de Verenigde Oost-Indische Compagnie immers haar macht uit. De Nederlanders controleerden graag wie door de Straat Soenda – tussen Java en Sumatra – voer. Op 5 oktober 1770 overhandigde een Nederlandse officier Cook daarom een gedrukt, Engelstalig formulier met negen vragen over het schip en zijn reis. Cook koos ervoor alleen te antwoorden dat de Endeavour op weg was naar Groot-Brittannië, omdat hij zijn ontdekkingen niet wilde prijsgeven. Volgens hem was deze terughoudendheid gerechtvaardigd, aangezien het papier onmiddellijk naar Batavia zou worden gestuurd.

Deze anekdote herinnert aan het belang van de bureaucratie in de wereldgeschiedenis. Almaar groeiende administraties waren van groot belang bij het uitbouwen van de moderne Europese staten. Zelfs in de Straat Soenda doken bijgevolg formulieren op. Ook daar moest controle worden uitgeoefend door papierwerk. Maar wat gebeurde er met Cooks formulier? De meest omvangrijke editie van zijn journaal – geredigeerd door John Beaglehole – geeft er geen uitsluitsel over. Werd het inderdaad naar Batavia gestuurd? Zit het nog verscholen in de gigantische VOC-archieven? Dat wilde ik altijd al weten over James Cook.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

De Marokkaanse fata morgana van Leopold II

Gastblog door Gert Huskens.

U heeft het misschien gemist, maar terwijl afgelopen week het gele hesjes-protest het nieuws domineerde, bezocht “de grootste Belgische economische missie ooit” Marokko. Zoals het hoort bij zulke handelsmissies stapte met prinses Astrid een lid van het Belgisch koningshuis op het vliegtuig. Wellicht zonder het te weten, trad de prinses hiermee in de voetsporen van haar illustere familielid koning Leopold II. Ook hij bracht ruim honderd jaar geleden ten bate van de Belgische economie een uitgebreid bezoek aan het land. De interesse van Leopold II in Marokko is ondertussen echter door de Spaanse en Franse kolonisatie van het land zo goed als volledig in de plooien van de geschiedenis verdwenen.

Nochtans stond het gebied in de nasleep van de Koloniale Conferentie in Berlijn in 1884-1885 expliciet op Leopolds imperialistische radar. Hij zou vooral geïnteresseerd zijn geweest in Marokko als tussenstop voor de schepen die heen en weer pendelden tussen de Congolese havenstad Matadi en Antwerpen. Bovendien wilde hij er Belgische posten neerpoten die moesten dienen als winterverblijf, sanatorium en zelfs quarantaine voor de kolonialen die pendelden tussen metropool en kolonie. Het is in deze sfeer dat het vertrek van koning Leopold II op 11 september 1897 met zijn luxejacht Clémentine richting Marokkaanse kusten moet gezien worden.

De reis naar Marokko als toeristische uitstap

Het Laatste Nieuws, 30 oktober 1897.

Vooraleer het jacht aanmeerde in een van de Marokkaanse havens, bezocht de vorst eerst nog de Canarische Eilanden en Madeira. Vooral Madeira kon hierbij op zijn interesse rekenen. De lokale inwoners bleken zeer behendige jagers te zijn en daardoor zag Leopold II in hen ‘excellente rekruten voor Congo Vrijstaat’. Vervolgens meerde de Clémentine aan in de havenstad Mogador, tegenwoordig Essouaira. Terwijl de koning de stad en nabije regio te paard verkende, draaide zijn imperialistische verbeelding op volle toeren. Eens hij er een luxe-hotel had neergepoot, kon Mogador volgens hem een soort Atlantische evenknie van het mondaine Oostende worden.

Na enkele korte tussenstops in noordelijker gelegen havens keerde hij terug naar Larache en trok met een heuse karavaan het Atlasgebergte in. Hoewel hij in eerste instantie voornamelijk prospectie deed voor mogelijke spoorweginvesteringen, kon hij op de lokale markten tot zijn grote verbazing ook vaststellen dat men er Belgische suiker en textiel uit Verviers verhandelde. Een kort bezoek aan Tanger betekende het einde van de reis. Verschillende passagiers hadden immers dysenterie opgelopen en begrijpelijkerwijs was de vorst in zo’n situatie liever vroeg dan laat terug thuis.

De reis naar Marokko als diplomatiek-economische missie

‘Le voyage du Roi au Maroc’, Le Petit Bleu du Matin, 25 september 1897.

Hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken en de koninklijke entourage er destijds alles aan gedaan hebben om de reis in de markt te zetten als een onverdachte, strikte persoonlijke en louter toeristisch onderneming, konden ze de ware toedracht van het bezoek van Leopold II niet geheim houden. Zo kon men in Het Laatste Nieuws lezen hoe de vorst van de Marokkaanse havens ‘koloniale tussenstops’ wilde maken. In Le Vingtième Siècle stonden dan weer geruchten dat er flessen water waren verzameld die in België zouden getest worden op hun drinkbaarheid. Stilaan werd zo duidelijk dat de reis niet enkel een toeristische uitstap was, maar wel degelijk ook economische motieven had.

Ook de buitenlandse pers berichtte destijds al dat de vorst met een stapel eigendomsakten onder zijn arm terug naar België was gekeerd. Concreet had hij in deze periode zijn geldbuidel opengetrokken voor de aankoop van percelen op de Canarische Eilanden, net buiten Tanger en in de regio nabij Kaap Juby en Tarfaya. Ook verwierf hij eigendommen bij de stad Ceuta aan de Middellandse Zee. Deze percelen moesten de vorst toelaten om handelsvestigingen te bouwen en zo een graantje mee te pikken van de handelsroutes in de Sahara en de lokale wolproductie. De Spaanse koloniale neergang had de koning immers duidelijk gemaakt dat er ook territoriaal iets te rapen viel in Spaans-Marokko.

Van Marokkaanse droom naar ontgoochelende fata morgana

Een overzicht van de koloniale claims in Marokko ten tijde van het bezoek van Leopold II.

De vele ambitieuze pogingen ten spijt, moest Leopold na zijn reis vaststellen dat zijn Marokkaanse project door de tegenkantingen van de andere kolonialen machten nooit echt van de grond kon komen. Toen in 1905 de Duitse keizer Wilhelm II tijdens een bezoek aan Tanger de onafhankelijkheid van Marokko vooropstelde, hield Leopold II zich dan ook opvallend afzijdig. In zijn officiële communicatie stond er hierbij één gedachte centraal: België uit de Eerste Marokkaanse Crisis houden en geen standpunt innemen in deze Duitse confrontatie met Frankrijk en Groot-Brittannië.

Achter de schermen gaf Leopold II zich echter nog niet helemaal gewonnen. De koloniale kaart van de vorst beperkte zich immers niet tot Congo. De ambitie was om de Belgische vlag wereldwijd te laten wapperen. Terwijl de diplomaten de Europese claims op Marokko bespraken, was Leopold II immers verwikkeld geraakt in een dynastieke soap in het opstandige Marokkaanse Rifgebergte, maar dat verhaal verdient een eigen blogpost.

Meer lezen.

A. Duchesne, Leopold II et le Maroc, Brussel, 1965.

Gert Huskens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de ULB en UGent binnen het EOS-project ‘Pyramids and Progress. Belgian Expansionism and the making of Egyptology. 1830-1952’. Hij onderzoekt hierbij de rol van de Belgische diplomatie in de handel in Egyptische antiquiteiten in de periode 1830-1914.

Hoe de eerste dinomanie begon dankzij een diner in een dinosaurus

In 1993 liet Steven Spielberg Jurassic Park met behulp van CGI de eerste levensechte dinosauriërs op het grote publiek los. Net als eerdere filmversies waren het verre van realistische, wetenschappelijk onderbouwde representaties, maar Spielbergs dino’s leken wel wezens van vlees en bloed te zijn: ze bewogen lichtvoetig en vertoonden relatief intelligent gedrag. Hoewel de prehistorische reptielen alles bij elkaar maar 15 minuten in beeld kwamen, zou de film het startschot betekenen voor een ware dinomanie. De plotse en enorme belangstelling voor dinosauriërs werd verder aangewakkerd door een gigantische marketingcampagne. Fastfoodketen McDonalds riep de intussen fel gecontesteerde “supersize”-optie in het leven, die toen toepasselijk genoeg “dinosize” werd genoemd.

Toch was dit niet de eerste keer dat het grote publiek in de ban raakte van deze al lang verdwenen schepsels. De eerste “dinomanie” brak uit in de negentiende eeuw en ook toen speelde eten een belangrijke rol in de marketingcampagne.

Het eerste “Jurassic Park”

Hawkins’ atelier in het Crystal Palace in Sydenham.

Na de sluiting van de eerste wereldtentoonstelling, die plaatsvond in Londen tussen mei en oktober 1851, werd een nieuwe bestemming gezocht voor het tentoonstellingsgebouw, een revolutionair bouwwerk uit glas en staal. Dit zogenaamde Crystal Palace werd gekocht door de Crystal Palace Company en verhuisd naar Sydenham Hill, ten zuiden van Londen. Het omliggende domein moest worden omgetoverd tot een park met siertuinen, replica’s van klassieke standbeelden en artificiële vijvers. Als onderdeel van deze renovatie werd kunstenaar en natuurhistoricus Benjamin Waterhouse Hawkins gevraagd om de eerste levensgrote modellen van uitgestorven diersoorten te creëren. Het Britse publiek had al schetsen van dinosauriërs gezien, maar nog nooit replica’s op ware grootte. De Crystal Palace Company zette erop in dat deze het grote publiek naar het nieuwe park zouden lokken.

Dat was op dat moment zeker nog geen veilige gok. In de jaren 1840 was weliswaar de wetenschappelijke interesse in deze prehistorische wezens stilaan gegroeid. Ook verschenen de eerste professionele geologen en paleontologen. Een van hen was de paleontoloog en bioloog Richard Owen, die de uitgestorven gigantische reptielen in 1842 bedacht met de naam “Dinosauria”. Maar het bredere publiek was op dat moment in de ban van de revelaties van Charles Darwin. Owens stoffige skeletten konden nog niet concurreren met de exotische schepsels die Darwin ontmoette op zijn reizen en waarover hij verhalen meebracht naar een druilerig Groot-Brittannië. Maar dat stond op het punt om te veranderen.

Om de dieren zo anatomisch correct mogelijk na te bootsen, riep Hawkins de hulp in van Owen. Hawkins richtte zijn atelier in op het domein zelf en bedacht een grondplan voor het Dinosaur Park, bestaande uit drie eilanden. Die eilanden vormden min of meer een tijdslijn waarop de vijftien soorten die Hawkins modelleerde, werden neergeplant: een eerste eiland voor het Paleozoïcum, het tweede voor het Mesozoïcum en het laatste voor het Cenozoïcum.

“The jolly old beast/Is not deceased/There’s life in him again! ROAR!”

Originele tekening door  Hawkins voor de uitnodiging voor het diner in de iguanodon (Academy of Natural Sciences of Drexel University).

De concrete uitwerking van zijn plan en de samenwerking met Owen liepen echter niet van een leien dakje. In december 1853, 6 maanden voor de opening van het park, zat Hawkins hopeloos achter op schema en erg krap bij kas. Hij moest een manier bedenken om zijn investeerders gerust te stellen en het publiek alvast warm te maken voor zijn Dinosaur Park. Het meest voor de hand liggende idee was om een aantal journalisten en investeerders uit te nodigen voor een diner. Idealiter zou hij dan natuurlijk zijn dinosauriërs zelf in de schijnwerpers zetten. De pers en geldschieters moesten zijn beelden in het echt zien om te begrijpen hoe fantastisch ze wel waren.

En dus ontvingen 21 wetenschappers, journalisten en zakenlui eind december een uitnodiging waarop stond te lezen:

Mr Waterhouse Hawkins verzoekt […] hem de eer te verschaffen hem te vergezellen voor een diner in de gietvorm van de Iguanodon in het Crystal Palace op zaterdagavond 31 december 1853 om vijf uur.”

Geïntrigeerd door deze ongewone invitatie tekenden alle genodigden present die oudejaarsavond. Hawkins had zijn atelier voor de gelegenheid wat aangekleed met een tent die hij eerder gebruikt had voor het verjaardagsfeestje van zijn dochter. Het diner zou plaatsvinden in de gietvorm van de Iguanodon, het grootste van alle dinosaurusbeelden die een plaats zouden krijgen in het Crystal Palace Park. De tien meter lange gietvorm was opgesmukt met verf om hem levensecht te doen lijken en omgeven door een platform om het de gasten en obers gemakkelijker te maken om in de dinosaurus te stappen. Na een selectie van soepen, vis, wild en de hoofdgerechten sloot de rijkelijke maaltijd af verschillende soorten gebak, meringue, pudding, vers fruit en noten.

Diner in de gietvorm van de iguanodon, een schets door Hawkins zelf.

De drank vloeide rijkelijk en de sfeer was opperbest. Toen het hele gezelschap ver na middernacht opnieuw koers zette richting London, deden ze dat onder luidkeels gezang van een voor de gelegenheid gecomponeerd lied met het volgende refrein:

“The jolly old beast/Is not deceased/There’s life in him again! ROAR!”

De aanwezige journalisten berichtten achteraf uitgebreid over het diner en Hawkins project voor Sydenham Park. De Illustrated London News wijdde zelfs een hele reeks artikels aan zijn dino’s, inclusief de bovenstaande schets van het diner, door Hawkins zelf getekend. Het publiek daagde massaal op voor de opening van het park in juni 1854. In de tweede helft van de 19de eeuw gingen naar schatting meer dan een miljoen mensen per jaar zich vergapen aan de prehistorische monsters. Net zoals ten tijde van Jurassic Park het geval zou zijn, gingen ook toen al dinosaurusposters en -figuurtjes als zoete broodjes over de toonbank. De eerste dinosaurusgekte was losgebarsten.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: gekleurde fotomechanische afdruk van het Crystal Palace in Sydenham door George Baxter, na 1854, met op de voorgrond Hawkins’ prehistorische dieren (CC BY 4.0 Wellcome Images, afb. ‘V0013783′).

Twee schilders en een betweter

Op 11 januari 1872 bezocht de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel het atelier van Alfred Stevens. Dat was een Belgische schilder die al jaren in Parijs woonde en werkte, en er succes boekte (en goed geld verdiende) met zijn kleurige genretaferelen van mooie vrouwen in prachtige jurken in luxueuze interieurs. In dat atelier zag Durand-Ruel twee schilderijen van Edouard Manet. Die was al jaren met Stevens bevriend.

Schildersvrienden in Parijs

Edouard Manet.

In de late jaren 1860 behoorden ze beiden tot een vast groepje, met ook de familie van Berthe Morisot, Edgar Degas en wat later Pierre Puvis de Chavannes. Ze zagen elkaar bijna dagelijks, op maandag op de muzikale soirées van de vader van Degas, op dinsdag bij de Morisots, op woensdag bij de Stevensen, op donderdag bij moeder Manet en op vrijdag in Café Guerbois, waar kunstenaars en schrijvers zich rond Manet verzamelen. Stevens, een kleine tien jaar ouder, hielp Manet waar nodig. In 1862 wilde die een Spaanse dansgroep op toernee in Parijs schilderen. Zijn eigen werkplaats was te klein om hen te laten poseren en dus gebeurde dat in het atelier van Stevens.

Tien jaar later had Manet nog geen representatief atelier waar critici en handelaars langskwamen en dus vroeg hij Stevens, op dat moment op het toppunt van zijn carrière, of hij in zijn atelier een paar werken mocht tonen, in de hoop dat ze daar zouden worden opgemerkt. Dat gebeurde dus ook. Durand-Ruel was onder de indruk en kocht de twee schilderijen. Bovendien zocht hij de volgende dag Manet meteen op, en kocht hij alles wat hij bij hem aantrof, 23 schilderijen, voor een totaal van 35.000 francs, en een paar dagen later nog een reeks werken, die Manet intussen haastig nog bij elkaar had gezocht.

Het was een belangrijk moment, een keerpunt, niet alleen voor Manet, maar ook voor de andere jonge en vernieuwende kunstenaars. Voor het eerst werd voor het werk van één van hen betaald, en nog royaal ook. Het bewees dat het kon en gaf allen hoop. Als Manet een handelaar en kopers vond, dan moest het anderen ook kunnen lukken. En dat allemaal dankzij Alfred Stevens.

Het “symbolisch kapitaal” van Alfred Stevens

Alfred Stevens.

Dit verhaal werd door Durand-Ruel zelf verteld in zijn Mémoires en het heeft ervoor gezorgd dat Stevens in zowat alle biografieën en studies over Manet voorkomt. En zo gebeurde het dat zelfs Pierre Bourdieu zich over de Belgische schilder heeft uitgesproken. In 1998-2000 heeft de beroemde socioloog zijn laatste lessenreeksen in het Collège de France aan Manet gewijd, en de tekst daarvan is samen met zijn voorbereidende notities postuum uitgegeven. Over Stevens zegt Bourdieu twee dingen. Eerst en vooral zet hij hem neer als een mondain en academisch kunstenaar (“couvert de médailles”), met andere woorden, als een perfecte vertegenwoordiger van het oude artistieke bestel dat door de moderne kunst – waarvan Manet de belichaming was – werd afgewezen en omvergeworpen.

Daarnaast was Stevens (ook dit past in de schema’s die de socioloog al vroeger ontwikkelde) een succesvol en gevestigd kunstenaar, die de mogelijkheden die zijn succes en status hem verleenden, gebruikte om ook Manet vooruit te helpen. Door hem zijn atelier ter beschikking te stellen, hem uit te nodigen in salons en hem op te nemen in zijn ruim vertakte netwerk, liet Stevens zijn jongere collega in zijn “symbolisch kapitaal” delen.

Edouard Manet, een conventioneel modernist

Pierre Bourdieu.

Dat Manet niet alleen door zijn vriendschap met Stevens, maar ook op andere manieren, tegen het academische establishment bleef aanschurken, vindt Bourdieu niet alleen onbegrijpelijk, maar ook jammer. Het lijkt immers afbreuk te doen aan zijn status als beeldenstormer en revolutionair modernist. Nadat op de salons een aantal schilderijen van Manet (waaronder het schandaleuze Le déjeuner sur l’herbe) werden geweigerd, groeide hij, in de ogen van velen, uit tot het prototype en chef de file van de overtuigde en zelfbewuste Refusés. Maar feit is dat Manet zich altijd op de officiële salons is blijven aanbieden. Meer nog, in 1876 wilde hij, ondanks heftig aandringen van Degas, niet exposeren op het onafhankelijke tweede salon van de impressionnisten. Hij verkoos het échte (officiële) Salon om zijn werk te tonen.

In zijn laatste jaren was zijn status zelfs zo groot dat hij “hors concours” deelnam (en dus niet meer geweigerd kón worden) en werd bekroond. Op 1 januari 1882 werd Manet zelfs ridder in het Légion d’Honneur, door toedoen van één van zijn beste vrienden (al sinds de middelbare school), Antonin Proust, op dat moment Ministre des Arts. In zijn herinneringen schrijft Théodore Duret, een andere goede vriend van Manet, dat die met deze onderscheiding zeer verguld was. Wat jammer toch, hoor je Bourdieu denken. Onbegrijpelijk! Hij laat het Légion d’Honneur onvermeld. Het past slecht bij de “révolution symbolique” uit de ondertitel van zijn boek.

Op de begrafenis van Manet, op 3 mei 1883, werd de kist gedragen door Emile Zola, Claude Monet, Philippe Burty, Théodore Duret, Antonin Proust en Alfred Stevens.

Meer weten.

Pierre Bourdieu, Manet. Une révolution symbolique (Parijs 2013).

Paul Durand-Ruel, Mémoires (ed. Parijs 2014).

Christiane Lefebvre,  Alfred Stevens, 1823-1906 (Parijs 2006).

Alfred Stevens, Brussel-Parijs, 1823-1906 (Brussel-Amsterdam 2009).

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Hoe film tijdens de Eerste Wereldoorlog de Antwerpse dierentuin heeft gered

Gastblog door Leen Engelen.

In 1910 prees de populaire Baedeker reisgids de Antwerpse dierentuin aan als een van de besten in Europa. De tuin werd omschreven als ‘de favoriete pleisterplek van de burgerij, in het bijzonder op dagen dat er concerten plaatsvinden’. Door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog kwam de zoo – die in 1913 nog zijn 70ste verjaardag had gevierd – echter in zwaar weer terecht. In de eerste oorlogsmaanden deed de prestigieuze feest- en concertzaal van de dierentuin dienst als veldhospitaal. Naarmate de val van de stad dreigde, werden de omstandigheden steeds moeilijker. Omwille van de strategische ligging naast het station vreesde men – niet ten onrechte – voor bombardementen. Een dertigtal gevaarlijke roofdieren werd preventief omgebracht. Al in de loop van het eerste oorlogsjaar dunde het dierenbestand drastisch uit door voedselschaarste. Door het afnemende dierenbestand en de opschorting van het voorheen druk bijgewoonde symfonische concertprogramma verloor de tuin een flink stuk van zijn aantrekkingskracht. Het aantal leden en bezoekers – traditioneel de financiële ruggengraat van de tuin – slonk dramatisch. In de zomer van 1915 stond het water de dierentuin aan de lippen. De financiële tekorten liepen maand na maand op. Het was tijd voor actie.

Een lumineus maar weinig vanzelfsprekend idee

Beeldreportage over de opmars van het Duitse leger richting Antwerpen (weekblad 1914 Illustré, november 1914).

Het was directeur Michel L’Hoëst  die met een visionair idee kwam. Hij stelde voor om de meer dan 2500 plaatsen tellende Feestzaal als bioscoop in te richten. Films vertonen was immers veel goedkoper dan symfonische concerten organiseren. Ondanks de overduidelijke populariteit van bioscopen in bezet Antwerpen, was dit geen vanzelfsprekende stap voor een cultureel hoogstaand instituut als de dierentuin dat zich vooral op de burgerij richtte. Mocht men zich wel inlaten met zulk frivool vermaak terwijl onze jongens kniehoog in de modder zaten aan de IJzer? Nood brak wet. In oktober 1915 gingen de eerste filmvoorstellingen van start. Cine Zoologie werd onmiddellijk een succes. Avond na avond stond het publiek in lange rijen aan te schuiven. Soms tot twee uur lang.

Voor het bestuur van de zoo was het uitbaten van een bioscoop echter geen evidentie. Zonder veel kennis van filmzaken had het zich in dit avontuur gestort. Het samenstellen van een boeiend ciné-concert programma – waarin korte films en muziekstukken elkaar afwisselden – was geen sinecure. De muziek had men grotendeels zelf in de hand. Het repertoire van het achtkoppige bioscooporkestje kwam hoofdzakelijk uit de muziekbibliotheek van het vooroorlogse dierentuinorkest. Stukken van lokale componisten zoals Peter Benoit (de lieveling van de directeur) en Jan Blockx stonden naast internationale grootheden als Grieg en Rossini. De Duitse bezetter had al in het najaar van 1914 de censuur ingevoerd voor alle publieke opvoeringen. Elk stuk moest dus vooraf gekeurd worden. Vermits het om instrumentale uitvoeringen ging, was dit doorgaans geen probleem.

Programma Cine Zoologie, 3 september 1916 (FelixArchief).

Voor het filmprogramma was dit een ander paar mouwen. Het aanbod was zonder meer schraal. Nieuwe Franse, Britse, Amerikaanse en later Italiaanse films werden immers geweerd door de censuur en een steeds strenger wordend importverbod. Aanvankelijk was men dus vooral aangewezen op films die al voor de oorlog op Belgisch grondgebied circuleerden. Oude koek zeg maar. Er waren weinig nieuwe films in de aanbieding, laat staan de gegeerde langere speelfilms die net voor de oorlog hun opmars maakten. Na een aantal maanden kreeg het bestuur het dan ook steeds moeilijker om een boeiend programma samen te stellen.

Gaandeweg kwamen de recente speelfilms enkel nog uit Duitsland. Schoorvoetend werden deze films op het programma van Cine Zoologie gezet. Dit weerhield het veelal patriottische publiek er niet van om in grote getale op te dagen. De professioneel gemaakte speelfilms met knappe filmsterren werden gesmaakt. Achter deze situatie zat natuurlijk een duidelijke strategie. De bezetter wilde maar al te graag een bijkomende afzetmarkt creëren voor de nu sterk door de overheid gesteunde Duitse filmindustrie. Cine Zoologie probeerde wel de Duitse herkomst van de films te verdoezelen door in het programmablad de aandacht te vestigen op de lengte van de film en de (vaak buitenlandse) sterren die er in meespeelden.

Film redt de dierentuin

Programma Cine Zoologie, 7 oktober 1917 (FelixArchief).

Wanneer de Feestzaal in september 1918 dreigt opgeëist te worden als veldhospitaal voor Belgische soldaten, probeert de directeur met man en macht de bioscoop veilig te stellen. In een schrijven aan de ‘plaatscommandant der stad’ zet hij de geleden moeilijkheden van dierentuin nog eens op een rijtje en onderstreept hij het belang van de bioscoop voor het voortbestaan: ‘tengevolge der huidige gebeurtenissen zijn de gewone en bijzonderste inkomsten van den Antwerschen Dierentuin te niet gedaan, of ten minste in buitengewone mate verminderd: langs den eenen kant is het getal der leden onzer Maatschappij tot bijna een derde geslonken en langs den anderen kant hebben wij ons genoodzaakt gezien, om dit beperkte ledental nog te behouden, onze volstrekt noodige hulpmiddelen te vinden in de uitbating onzer Feestzaal. En dit is zoo waar dat gemelde uitbating, om zoo te zeggen, de eenigste bron van inkomsten is die ons nog toelaat den Dierentuin open te houden.’

Gezien het financiële succes van Cine Zoologie werd de bioscoopuitbating ook na de oorlog verdergezet. Meer dan 20 jaar zou Cine Zoologie een vaste waarde blijven in de Antwerpse bioscoopwereld.

Meer weten.

Engelen, L. & Vande Winkel, R. (2018). Cine Zoologie. Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered, Borgerhout: Letterwerk.

Engelen, L., & Vande Winkel, R. (2016). ‘A Captivated Audience. Cinema-going at the zoological garden in occupied Antwerp, 1915–1918’. First World War Studies, 7(3), 243-264.

Engelen, L. & Vande Winkel, R. (2018). ‘Het filmaanbod van Cine Zoologie (1930-1936): een gevalstudie naar filmverdeling en -programmatie in de jaren dertig’. HistoriANT,  83-103.

Het gehele archief van Cine Zoologie is online raadpleegbaar via www.cinezoologie.be.

De Expo Cine Zoologie is nog tot midden november elk weekend en tijdens de herfstvakantie te bezoeken in de Zoo Van Antwerpen.

Leen Engelen is gastblogger. Ze is als mediahistorica verbonden aan LUCA School of Arts. Ze is auteur – samen met Roel Vande Winkel – van het publieksboek Cine Zoologie. Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered (Letterwerk, 2018. 104p.).

Imagebuilding tijdens het Ancien Régime

Gastblog door Valerie Vrancken.

Publieke gebouwen, scholen, zwembaden, jeugdhuizen en winkelcentra: vaak gaat hun bouw gepaard met een feestelijke ceremonie waarbij belangrijke figuren de eerste steen leggen en de maatschappelijke waarde van het bouwproject toelichten. Die traditie gaat ver terug in de tijd. De eerste sporen van officiële eerstesteenleggingen van kerk- en kloostergebouwen dateren van de elfde eeuw. Vanaf de late middeleeuwen vormden dergelijke ceremonies een dankbaar middel voor stadsbestuurders in de Nederlanden om hun eigen verwezenlijkingen in de kijker te stellen en hun imago op te poetsen.

Eerste stenen

Inscripties op de vroegere lakenhal op de hoek van de Naamse- en Zeelstraat in Leuven. Links bovenaan herinnert een inscriptie aan de eerstesteenlegging in 1317, met vermelding van de drie bouwmeesters.

Leuven, 22 maart 1527. In de vroege namiddag verzamelden zich stadsbestuurders, werklieden en tal van Leuvenaars op de site van de Dorpstraet-poort die negen jaar eerder door een brand tot een ruïne was herschapen. Het stadsbestuur liet een nieuwe poort optrekken: de Diestsepoort. Het officiële startsein daartoe werd gegeven door Hendrik Bericx – burgemeester van de ambachten – en raadslid Jan Hermeys die optrad als vervanger van Lodewijk van den Tympele, de burgemeester van de geslachten. Rond halfdrie die namiddag, zo getuigt de stadsrekening van dat jaar, bracht Bericx een laag mortel aan, waar Jan Hermeys een goudenen leeu (een gouden munt) op wierp. Geholpen door metselaars legde het raadslid daar vervolgens de eerste steen van het nieuwe bouwwerk op.

Na de voltooiing van de Diestsepoort vijf jaar later werden gedenkstenen aan de voor- en achterzijde aangebracht. Die dienden de Leuvenaars niet alleen te herinneren aan de eerstesteenlegging van het bouwwerk, maar vooral aan de stadsbestuurders die er het initiatief toe hadden genomen. De inscriptie aan de buitenzijde vermeldde bijvoorbeeld expliciet de namen van Bericx en Van den Tympele, die beide burgemeester waren in 1527: “doen men screef vijfthien hondert sessentwintich jaer, de stadt van Loven dit werck fondeerde, sijnde Tyijmpel, Berix, borgemeesters aldaer”.

Netwerken

Zilveren truweel waarmee de zevenjarige Jacob de Graeff, zoon van burgemeester Cornelis de Graeff, de eerste steen hielp leggen van het nieuwe Amsterdamse stadhuis in 1648 (eigendom van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap).

Stadsbestuurders tekenden doorgaans massaal present voor deze vaak groots opgezette en muzikaal opgeluisterde ceremonies. Zoals ook vandaag nog het geval is, gaven stadsbestuurders soms de eer van het leggen van de eerste steen door aan hooggeplaatste personen, waaronder leden van het hof of kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Dat gaf hen meteen ook de kans om hun goede relaties met dergelijke personen in de verf te zetten. In mei 1444 was het niemand minder dan de elfjarige Karel de Stoute, zoon van hertog Filips de Goede, die de eerste steen inmetselde van de nieuwe vleugel van het Brusselse stadhuis.

Vier jaar later kon Leuven echter niet op dezelfde gunst rekenen. Bij de start van de bouw van het prestigieuze voirste huys van het stadhuis, zakte niemand van het hertogelijk hof af naar de Dijlestad. Mogelijk speelde de bekoelde relatie met de hertog daar een rol in: een maand voordien had Leuven immers geweigerd in te gaan op diens verzoek om bijkomende financiële middelen. Dat de stad zijn vrouw en zoon enkele maanden voordien had overladen met gastvrijheid en geschenken mocht blijkbaar niet baten.

Bouwwerken in opdracht van het stadsbestuur boden magistraatsleden ook de kans om zich op te werpen als goede werkgevers door de werklieden te trakteren op een drankje, drinkgeld of een nieuw paar werkhandschoenen. Naast ‘goede werkgevers’, profileerden stadsbestuurders zich tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in toenemende mate als ‘goede huisvaders’: het was niet langer per definitie de burgemeester of schepen die het truweel hanteerde, die eer kon ook worden doorgegeven aan diens kinderen. Dat was onder meer het geval bij de eerste steenlegging van het nieuwe stadhuis van Amsterdam in 1648. Toen traden zonen en neefjes van de heersende burgemeesters op als hun vertegenwoordigers bij de eerste steenlegging.

Christelijke en heidense invloeden

Aangezien het bouwseizoen in maart begon, gebeurden eerstesteenleggingen doorgaans kort voor of na Pasen – vaak tijdens het eerste metselwerk, of toch zeker voor het gebouw ongeveer een meter hoog was. De officiële ‘eerste steen’ was in werkelijkheid dus zelden de echte eerste steen van een bouwwerk. Vanaf de contrareformatie werd ernaar gestreefd om steenleggingen samen te laten vallen met liturgische feestdagen. Maar ook bij laatmiddeleeuwse ‘eerste stenen’ was het religieuze element nooit ver weg: doorgaans was een geestelijke aanwezig die Gods zegen over de werklieden en toekomstige gebruikers diende af te smeken. Daarbij kon dankbaar gebruik worden gemaakt van bepaalde bijbelpassages die Christus voorstelden als de ‘hoeksteen van het geloof’. Niet toevallig waren ‘eerste stenen’ vaak hoekstenen.

Een bisschop wijdt de eerste steen van een kerk, ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.).

De christelijke elementen konden hand in hand gaan met meer heidense gebruiken. Zo was er vaak sprake van gouden munten die samen met de eerste steen werden ingemetseld. Bij de start van de bouw van het achterste huys van het Leuvense stadhuis in 1439 werd bijvoorbeeld een in Leuven geslagen gouden ‘Peter’ onder de eerste steen gelegd. Het inmetselen van dergelijke waardevolle munten bij de start van de bouwactiviteiten zou teruggaan tot heidense ‘bouwoffers’ waarmee werklieden de bescherming van de goden trachtten af te dwingen.

Op deze christelijke en heidense basis bouwden stadsbestuurders vanaf de dertiende eeuw voort om zich publiekelijk te profileren als goede en ijverige bestuurders, gelovigen, netwerkers, werkgevers en huisvaders. De eerstesteenlegging van een belangrijk of publiek gebouw was met andere woorden een massa-evenement waarop stadsbestuurders expliciet konden tonen welk ‘steentje’ zij precies hadden bijgedragen tot de stedelijke samenleving.

Meer lezen.

Van Uytven, R., ‘Eerste stenen, vooral in de Nederlanden, in de middeleeuwen en daarna’, in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 89 (2011), p. 919-932.

Germonprez, D., ‘Foundation rites in the Southern Netherlands: constructing a Counter-Reformational architecture’ in M. Delbeke red., Foundation, dedication and consecration in early modern Europe, Leiden, 2012, p. 275-295.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde in 2017 haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen aan de KU Leuven. Sindsdien werkt ze als wetenschappelijk medewerker in het Leuvense Rijksarchief en is ze als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Steenhouwers aan het werk, miniatuur uit het Pontificale ecclesiae beatae Mariae Trajectensis, vervaardigd ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.) ​

Het archief, voor M/V met talent

Ze kwam er niet in! Toen Geertruida Bosboom-Toussaint in 1845 aan haar Leycester in Nederland werkte, wilde ze graag het Rijksarchief in Den Haag bezoeken. Uit oude archiefstukken zou ze inspiratie kunnen putten om haar nieuwe historische roman meer kracht en levendigheid te verlenen. Maar helaas, de deur van het archief bleef voor Toussaint gesloten. Algemeen Rijksarchivaris J.C. de Jonge hield namelijk niet van romanschrijvers.

De beperkte toegang tot het Rijksarchief stoorde R.C. Bakhuizen van den Brink, die ooit Toussaints verloofde was en later de opvolger van De Jonge werd. Dan was het in België beter, kon hij zelf vaststellen. Zelfs een buitenlander als Bakhuizen werd daar goed onthaald. Maar gold die gastvrijheid ook voor vrouwen?

Kijken mag

Geertruida Bosboom-Toussaint, naar een portret door Nicolaas Pieneman (Amsterdam, Rijksmuseum).

De Jonges afkeer van romanschrijvers hield ook een afwijzing van vrouwen in. Historische romans stonden immers bekend als een voornamelijk vrouwelijk genre, zowel wat auteurs als lezers betrof. Ook publieke lezingen werden druk bijgewoond door vrouwen. Daar voerden wel mannen het woord, waaronder ook archivarissen. In hun leeszalen verwelkomden deze heren daarentegen maar weinig vrouwen. Enkel als toerist kuierden zij af en toe het archief in.

Belgische archivarissen waren niet afkerig van dergelijke uitstapjes. Een reisgids uit 1859 raadde bijvoorbeeld een bezoek aan het stadsarchief van Gent aan. Het is echter onduidelijk wat daar de voornaamste bezienswaardigheid was: het archief of zijn archivaris, de bekende dichter Prudens Van Duyse. Deze archivaris liet zijn voornaamste gasten een guldenboek tekenen. Daaruit blijkt onder meer dat in 1844 Maria Vanackere, geb. Doolaeghe – de eerste vrouwelijke dichteres in België – haar ‘kunstvriend’ in het archief opzocht.

De handtekening van Maria Vanackere, geb. Doolaeghe in het ‘Album van ‘t Gents Archief’.

Louis-Prosper Gachard, de Belgische tegenhanger van De Jonge, ontving eveneens vrouwelijke literatoren. De Ierse schrijfster Sydney Owenson, Lady Morgan, werd door hem hartelijk onthaald in het Algemeen Rijksarchief, toen zij in 1833 in Brussel verbleef. Voor haar rakelde Gachard een achttiende-eeuws schandaal op uit het archief. Dat vond Lady Morgan erg interessant, schreef de archivaris later trots.

Voor vrouwen was het archief geen plaats voor onderzoek. Van hen werd niet verwacht dat zij de historische waarde van de documenten konden doorgronden: in hun aanwezigheid werd enkel met archief gepronkt. Dat blijkt ook uit de publicatie die Lady Morgan aan haar archiefbezoek wijdde. Met haar roman The Princess; or the Béguine wilde zij de vitaliteit van het jonge België aantonen. Zelfs Gachard werd daarom opgevoerd als personage, aangezien hij als gastvrije archivaris het liberale, open karakter van dit land kon belichamen.

Op onderzoek

Sydney Owenson, Lady Morgan, naar een schilderij van Cornelia Marjolin-Scheffer (Amsterdam, Rijksmuseum).

Het Algemeen Rijksarchief in Brussel was volgens Bakhuizen van den Brink het ‘bureau de consultation’ van Europa. Geen enkel ander nationaal archiefdepot gunde onderzoekers zoveel vrijheid. Welke vrouwen als eerste daarvan konden gebruikmaken, is onbekend. De jaarverslagen van het Algemeen Rijksarchief tonen in ieder geval dat vrouwelijke onderzoekers aan het begin van de twintigste eeuw nog erg schaars waren.

In deze rapporten werden de belangrijkste bezoekers aangehaald, onderverdeeld in categorieën. Tussen ‘ecclésiastiques’, ‘magistrats et avocats’ en ‘étrangers’ duikt soms het kopje ‘dames’ op. In 1900 ging het om vijf bezoeksters, maar dat was een uitzonderlijk hoog aantal. De verslagen over 1904, 1905 en 1910 vermelden geen enkele vrouw. Ook in 1912 ontbreekt deze groep, maar bij ‘professeurs et étudiants’ werd ook een studente opgenomen, Mariette Nicodème. Zij werd een jaar later doctor in de Letteren en Wijsbegeerte.

Vanaf de jaren 1880 waren vrouwelijke studenten namelijk welkom aan enkele Belgische universiteiten. De paar vrouwen die ervoor kozen historicus te worden, hoorden archiefonderzoek te verrichten: in de geschiedopleiding was origineel bronnenonderzoek meer dan ooit cruciaal geworden. Bijgevolg kwamen steeds meer vrouwen in de archieven terecht. Dit leidde ook tot een vervrouwelijking van het archivarissenkorps.

Vanaf 1895 moest iedereen die een plaats in een Rijksarchief ambieerde een examen afleggen, zodat vooral gediplomeerde historici werden gerekruteerd. In november 1913 gebeurde het dan eindelijk: een eerste historica waagde haar kans. Nicodème slaagde en werd de eerste vrouwelijke kandidaat-archivaris. Het bevoegde ministerie meende weliswaar dat zij niet als archivaris moest worden aangenomen.

En de archivaressen?

Op 5 mei 1919 werd Mariette Nicodème ingezworen als archivaris.

In Nederland waren vanaf de eeuwwisseling al verschillende vrouwelijke gemeentearchivarissen aan de slag, maar dat ging met publieke tegenkanting gepaard. De Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat in België niet werd gediscussieerd over de bekwaamheid van vrouwen voor archiefwerk.

Toen Mariette Nicodème in 1919 solliciteerde voor een plaats in het Algemeen Rijksarchief, gaf de Algemeen Rijksarchivaris een gunstig advies. Het ministerie oordeelde nu ook dat haar diploma haar recht gaf op een aanstelling. Op die manier werd Nicodème tenslotte de eerste gediplomeerde vrouw in dienst bij een Belgische wetenschappelijke instelling.

De carrière van Nicodème eindigde al in 1929. Gezondheidsredenen dwongen haar tot dit snelle ontslag. Pas in 1930 werd met Ernestine Lejour weer een vrouw aangesteld in het Rijksarchief. Hoewel vrouwen al tijdens de negentiende eeuw enigszins van de gastvrijheid van Belgische archivarissen konden genieten, toch vervrouwelijkte het archiefwezen uiteindelijk hier trager dan in de buurlanden.

Cijfers over het geslacht van archiefbezoekers zijn niet voorhanden, maar anno 2018 lijkt het archief nog altijd een eerder mannelijke plaats. Een belangrijk evenwicht is intussen wel bereikt: tijdens de laatste jaren behaalden ongeveer evenveel mannen als vrouwen een archivarissendiploma in Vlaanderen.

Meer lezen.

Y. Bos-Rops, ‘”Het begrip archivaresse bestaat niet”. De eerste vrouwelijke archivarissen in Nederland (1899 – 1918)’, Archievenblad, 110 (2016), nr. 7, 16-19.

G. Maréchal, ‘En de Rijksarchivaressen?’, Actief in archief. Huldeboek Hilda Coppejans-Desmedt, Antwerpen, 1989, 115-127.

E. Shepherd, ‘Hidden Voices in the Archives: Pioneering Women Archivists in Early 20th-Century England’, F. Foscarini e.a. (red.), Engaging with Records and Archives. Histories and Theories, Londen, 2017, 83-103.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.