Categorie archief: Historische cultuur & herinnering

De Marokkaanse fata morgana van Leopold II

Gastblog door Gert Huskens.

U heeft het misschien gemist, maar terwijl afgelopen week het gele hesjes-protest het nieuws domineerde, bezocht “de grootste Belgische economische missie ooit” Marokko. Zoals het hoort bij zulke handelsmissies stapte met prinses Astrid een lid van het Belgisch koningshuis op het vliegtuig. Wellicht zonder het te weten, trad de prinses hiermee in de voetsporen van haar illustere familielid koning Leopold II. Ook hij bracht ruim honderd jaar geleden ten bate van de Belgische economie een uitgebreid bezoek aan het land. De interesse van Leopold II in Marokko is ondertussen echter door de Spaanse en Franse kolonisatie van het land zo goed als volledig in de plooien van de geschiedenis verdwenen.

Nochtans stond het gebied in de nasleep van de Koloniale Conferentie in Berlijn in 1884-1885 expliciet op Leopolds imperialistische radar. Hij zou vooral geïnteresseerd zijn geweest in Marokko als tussenstop voor de schepen die heen en weer pendelden tussen de Congolese havenstad Matadi en Antwerpen. Bovendien wilde hij er Belgische posten neerpoten die moesten dienen als winterverblijf, sanatorium en zelfs quarantaine voor de kolonialen die pendelden tussen metropool en kolonie. Het is in deze sfeer dat het vertrek van koning Leopold II op 11 september 1897 met zijn luxejacht Clémentine richting Marokkaanse kusten moet gezien worden.

De reis naar Marokko als toeristische uitstap

Het Laatste Nieuws, 30 oktober 1897.

Vooraleer het jacht aanmeerde in een van de Marokkaanse havens, bezocht de vorst eerst nog de Canarische Eilanden en Madeira. Vooral Madeira kon hierbij op zijn interesse rekenen. De lokale inwoners bleken zeer behendige jagers te zijn en daardoor zag Leopold II in hen ‘excellente rekruten voor Congo Vrijstaat’. Vervolgens meerde de Clémentine aan in de havenstad Mogador, tegenwoordig Essouaira. Terwijl de koning de stad en nabije regio te paard verkende, draaide zijn imperialistische verbeelding op volle toeren. Eens hij er een luxe-hotel had neergepoot, kon Mogador volgens hem een soort Atlantische evenknie van het mondaine Oostende worden.

Na enkele korte tussenstops in noordelijker gelegen havens keerde hij terug naar Larache en trok met een heuse karavaan het Atlasgebergte in. Hoewel hij in eerste instantie voornamelijk prospectie deed voor mogelijke spoorweginvesteringen, kon hij op de lokale markten tot zijn grote verbazing ook vaststellen dat men er Belgische suiker en textiel uit Verviers verhandelde. Een kort bezoek aan Tanger betekende het einde van de reis. Verschillende passagiers hadden immers dysenterie opgelopen en begrijpelijkerwijs was de vorst in zo’n situatie liever vroeg dan laat terug thuis.

De reis naar Marokko als diplomatiek-economische missie

‘Le voyage du Roi au Maroc’, Le Petit Bleu du Matin, 25 september 1897.

Hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken en de koninklijke entourage er destijds alles aan gedaan hebben om de reis in de markt te zetten als een onverdachte, strikte persoonlijke en louter toeristisch onderneming, konden ze de ware toedracht van het bezoek van Leopold II niet geheim houden. Zo kon men in Het Laatste Nieuws lezen hoe de vorst van de Marokkaanse havens ‘koloniale tussenstops’ wilde maken. In Le Vingtième Siècle stonden dan weer geruchten dat er flessen water waren verzameld die in België zouden getest worden op hun drinkbaarheid. Stilaan werd zo duidelijk dat de reis niet enkel een toeristische uitstap was, maar wel degelijk ook economische motieven had.

Ook de buitenlandse pers berichtte destijds al dat de vorst met een stapel eigendomsakten onder zijn arm terug naar België was gekeerd. Concreet had hij in deze periode zijn geldbuidel opengetrokken voor de aankoop van percelen op de Canarische Eilanden, net buiten Tanger en in de regio nabij Kaap Juby en Tarfaya. Ook verwierf hij eigendommen bij de stad Ceuta aan de Middellandse Zee. Deze percelen moesten de vorst toelaten om handelsvestigingen te bouwen en zo een graantje mee te pikken van de handelsroutes in de Sahara en de lokale wolproductie. De Spaanse koloniale neergang had de koning immers duidelijk gemaakt dat er ook territoriaal iets te rapen viel in Spaans-Marokko.

Van Marokkaanse droom naar ontgoochelende fata morgana

Een overzicht van de koloniale claims in Marokko ten tijde van het bezoek van Leopold II.

De vele ambitieuze pogingen ten spijt, moest Leopold na zijn reis vaststellen dat zijn Marokkaanse project door de tegenkantingen van de andere kolonialen machten nooit echt van de grond kon komen. Toen in 1905 de Duitse keizer Wilhelm II tijdens een bezoek aan Tanger de onafhankelijkheid van Marokko vooropstelde, hield Leopold II zich dan ook opvallend afzijdig. In zijn officiële communicatie stond er hierbij één gedachte centraal: België uit de Eerste Marokkaanse Crisis houden en geen standpunt innemen in deze Duitse confrontatie met Frankrijk en Groot-Brittannië.

Achter de schermen gaf Leopold II zich echter nog niet helemaal gewonnen. De koloniale kaart van de vorst beperkte zich immers niet tot Congo. De ambitie was om de Belgische vlag wereldwijd te laten wapperen. Terwijl de diplomaten de Europese claims op Marokko bespraken, was Leopold II immers verwikkeld geraakt in een dynastieke soap in het opstandige Marokkaanse Rifgebergte, maar dat verhaal verdient een eigen blogpost.

Meer lezen.

A. Duchesne, Leopold II et le Maroc, Brussel, 1965.

Gert Huskens is gastblogger. Hij is als doctoraatsstudent verbonden aan de ULB en UGent binnen het EOS-project ‘Pyramids and Progress. Belgian Expansionism and the making of Egyptology. 1830-1952’. Hij onderzoekt hierbij de rol van de Belgische diplomatie in de handel in Egyptische antiquiteiten in de periode 1830-1914.

Hoe de eerste dinomanie begon dankzij een diner in een dinosaurus

In 1993 liet Steven Spielberg Jurassic Park met behulp van CGI de eerste levensechte dinosauriërs op het grote publiek los. Net als eerdere filmversies waren het verre van realistische, wetenschappelijk onderbouwde representaties, maar Spielbergs dino’s leken wel wezens van vlees en bloed te zijn: ze bewogen lichtvoetig en vertoonden relatief intelligent gedrag. Hoewel de prehistorische reptielen alles bij elkaar maar 15 minuten in beeld kwamen, zou de film het startschot betekenen voor een ware dinomanie. De plotse en enorme belangstelling voor dinosauriërs werd verder aangewakkerd door een gigantische marketingcampagne. Fastfoodketen McDonalds riep de intussen fel gecontesteerde “supersize”-optie in het leven, die toen toepasselijk genoeg “dinosize” werd genoemd.

Toch was dit niet de eerste keer dat het grote publiek in de ban raakte van deze al lang verdwenen schepsels. De eerste “dinomanie” brak uit in de negentiende eeuw en ook toen speelde eten een belangrijke rol in de marketingcampagne.

Het eerste “Jurassic Park”

Hawkins’ atelier in het Crystal Palace in Sydenham.

Na de sluiting van de eerste wereldtentoonstelling, die plaatsvond in Londen tussen mei en oktober 1851, werd een nieuwe bestemming gezocht voor het tentoonstellingsgebouw, een revolutionair bouwwerk uit glas en staal. Dit zogenaamde Crystal Palace werd gekocht door de Crystal Palace Company en verhuisd naar Sydenham Hill, ten zuiden van Londen. Het omliggende domein moest worden omgetoverd tot een park met siertuinen, replica’s van klassieke standbeelden en artificiële vijvers. Als onderdeel van deze renovatie werd kunstenaar en natuurhistoricus Benjamin Waterhouse Hawkins gevraagd om de eerste levensgrote modellen van uitgestorven diersoorten te creëren. Het Britse publiek had al schetsen van dinosauriërs gezien, maar nog nooit replica’s op ware grootte. De Crystal Palace Company zette erop in dat deze het grote publiek naar het nieuwe park zouden lokken.

Dat was op dat moment zeker nog geen veilige gok. In de jaren 1840 was weliswaar de wetenschappelijke interesse in deze prehistorische wezens stilaan gegroeid. Ook verschenen de eerste professionele geologen en paleontologen. Een van hen was de paleontoloog en bioloog Richard Owen, die de uitgestorven gigantische reptielen in 1842 bedacht met de naam “Dinosauria”. Maar het bredere publiek was op dat moment in de ban van de revelaties van Charles Darwin. Owens stoffige skeletten konden nog niet concurreren met de exotische schepsels die Darwin ontmoette op zijn reizen en waarover hij verhalen meebracht naar een druilerig Groot-Brittannië. Maar dat stond op het punt om te veranderen.

Om de dieren zo anatomisch correct mogelijk na te bootsen, riep Hawkins de hulp in van Owen. Hawkins richtte zijn atelier in op het domein zelf en bedacht een grondplan voor het Dinosaur Park, bestaande uit drie eilanden. Die eilanden vormden min of meer een tijdslijn waarop de vijftien soorten die Hawkins modelleerde, werden neergeplant: een eerste eiland voor het Paleozoïcum, het tweede voor het Mesozoïcum en het laatste voor het Cenozoïcum.

“The jolly old beast/Is not deceased/There’s life in him again! ROAR!”

Originele tekening door  Hawkins voor de uitnodiging voor het diner in de iguanodon (Academy of Natural Sciences of Drexel University).

De concrete uitwerking van zijn plan en de samenwerking met Owen liepen echter niet van een leien dakje. In december 1853, 6 maanden voor de opening van het park, zat Hawkins hopeloos achter op schema en erg krap bij kas. Hij moest een manier bedenken om zijn investeerders gerust te stellen en het publiek alvast warm te maken voor zijn Dinosaur Park. Het meest voor de hand liggende idee was om een aantal journalisten en investeerders uit te nodigen voor een diner. Idealiter zou hij dan natuurlijk zijn dinosauriërs zelf in de schijnwerpers zetten. De pers en geldschieters moesten zijn beelden in het echt zien om te begrijpen hoe fantastisch ze wel waren.

En dus ontvingen 21 wetenschappers, journalisten en zakenlui eind december een uitnodiging waarop stond te lezen:

Mr Waterhouse Hawkins verzoekt […] hem de eer te verschaffen hem te vergezellen voor een diner in de gietvorm van de Iguanodon in het Crystal Palace op zaterdagavond 31 december 1853 om vijf uur.”

Geïntrigeerd door deze ongewone invitatie tekenden alle genodigden present die oudejaarsavond. Hawkins had zijn atelier voor de gelegenheid wat aangekleed met een tent die hij eerder gebruikt had voor het verjaardagsfeestje van zijn dochter. Het diner zou plaatsvinden in de gietvorm van de Iguanodon, het grootste van alle dinosaurusbeelden die een plaats zouden krijgen in het Crystal Palace Park. De tien meter lange gietvorm was opgesmukt met verf om hem levensecht te doen lijken en omgeven door een platform om het de gasten en obers gemakkelijker te maken om in de dinosaurus te stappen. Na een selectie van soepen, vis, wild en de hoofdgerechten sloot de rijkelijke maaltijd af verschillende soorten gebak, meringue, pudding, vers fruit en noten.

Diner in de gietvorm van de iguanodon, een schets door Hawkins zelf.

De drank vloeide rijkelijk en de sfeer was opperbest. Toen het hele gezelschap ver na middernacht opnieuw koers zette richting London, deden ze dat onder luidkeels gezang van een voor de gelegenheid gecomponeerd lied met het volgende refrein:

“The jolly old beast/Is not deceased/There’s life in him again! ROAR!”

De aanwezige journalisten berichtten achteraf uitgebreid over het diner en Hawkins project voor Sydenham Park. De Illustrated London News wijdde zelfs een hele reeks artikels aan zijn dino’s, inclusief de bovenstaande schets van het diner, door Hawkins zelf getekend. Het publiek daagde massaal op voor de opening van het park in juni 1854. In de tweede helft van de 19de eeuw gingen naar schatting meer dan een miljoen mensen per jaar zich vergapen aan de prehistorische monsters. Net zoals ten tijde van Jurassic Park het geval zou zijn, gingen ook toen al dinosaurusposters en -figuurtjes als zoete broodjes over de toonbank. De eerste dinosaurusgekte was losgebarsten.

Nelleke Teughels is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In haar huidig postdocproject onderzoekt Nelleke de wijzigende rol van de toverlantaarn in het snel veranderende Belgische visuele medialandschap van de late 19de en vroege 20ste eeuw. Daarnaast is ze geïnteresseerd in hoe voedsel tijdens de wereldtentoonstellingen werd gebruikt ter constructie en promotie van de Belgische staat en natie.

Titelafbeelding: gekleurde fotomechanische afdruk van het Crystal Palace in Sydenham door George Baxter, na 1854, met op de voorgrond Hawkins’ prehistorische dieren (CC BY 4.0 Wellcome Images, afb. ‘V0013783′).

Twee schilders en een betweter

Op 11 januari 1872 bezocht de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel het atelier van Alfred Stevens. Dat was een Belgische schilder die al jaren in Parijs woonde en werkte, en er succes boekte (en goed geld verdiende) met zijn kleurige genretaferelen van mooie vrouwen in prachtige jurken in luxueuze interieurs. In dat atelier zag Durand-Ruel twee schilderijen van Edouard Manet. Die was al jaren met Stevens bevriend.

Schildersvrienden in Parijs

Edouard Manet.

In de late jaren 1860 behoorden ze beiden tot een vast groepje, met ook de familie van Berthe Morisot, Edgar Degas en wat later Pierre Puvis de Chavannes. Ze zagen elkaar bijna dagelijks, op maandag op de muzikale soirées van de vader van Degas, op dinsdag bij de Morisots, op woensdag bij de Stevensen, op donderdag bij moeder Manet en op vrijdag in Café Guerbois, waar kunstenaars en schrijvers zich rond Manet verzamelen. Stevens, een kleine tien jaar ouder, hielp Manet waar nodig. In 1862 wilde die een Spaanse dansgroep op toernee in Parijs schilderen. Zijn eigen werkplaats was te klein om hen te laten poseren en dus gebeurde dat in het atelier van Stevens.

Tien jaar later had Manet nog geen representatief atelier waar critici en handelaars langskwamen en dus vroeg hij Stevens, op dat moment op het toppunt van zijn carrière, of hij in zijn atelier een paar werken mocht tonen, in de hoop dat ze daar zouden worden opgemerkt. Dat gebeurde dus ook. Durand-Ruel was onder de indruk en kocht de twee schilderijen. Bovendien zocht hij de volgende dag Manet meteen op, en kocht hij alles wat hij bij hem aantrof, 23 schilderijen, voor een totaal van 35.000 francs, en een paar dagen later nog een reeks werken, die Manet intussen haastig nog bij elkaar had gezocht.

Het was een belangrijk moment, een keerpunt, niet alleen voor Manet, maar ook voor de andere jonge en vernieuwende kunstenaars. Voor het eerst werd voor het werk van één van hen betaald, en nog royaal ook. Het bewees dat het kon en gaf allen hoop. Als Manet een handelaar en kopers vond, dan moest het anderen ook kunnen lukken. En dat allemaal dankzij Alfred Stevens.

Het “symbolisch kapitaal” van Alfred Stevens

Alfred Stevens.

Dit verhaal werd door Durand-Ruel zelf verteld in zijn Mémoires en het heeft ervoor gezorgd dat Stevens in zowat alle biografieën en studies over Manet voorkomt. En zo gebeurde het dat zelfs Pierre Bourdieu zich over de Belgische schilder heeft uitgesproken. In 1998-2000 heeft de beroemde socioloog zijn laatste lessenreeksen in het Collège de France aan Manet gewijd, en de tekst daarvan is samen met zijn voorbereidende notities postuum uitgegeven. Over Stevens zegt Bourdieu twee dingen. Eerst en vooral zet hij hem neer als een mondain en academisch kunstenaar (“couvert de médailles”), met andere woorden, als een perfecte vertegenwoordiger van het oude artistieke bestel dat door de moderne kunst – waarvan Manet de belichaming was – werd afgewezen en omvergeworpen.

Daarnaast was Stevens (ook dit past in de schema’s die de socioloog al vroeger ontwikkelde) een succesvol en gevestigd kunstenaar, die de mogelijkheden die zijn succes en status hem verleenden, gebruikte om ook Manet vooruit te helpen. Door hem zijn atelier ter beschikking te stellen, hem uit te nodigen in salons en hem op te nemen in zijn ruim vertakte netwerk, liet Stevens zijn jongere collega in zijn “symbolisch kapitaal” delen.

Edouard Manet, een conventioneel modernist

Pierre Bourdieu.

Dat Manet niet alleen door zijn vriendschap met Stevens, maar ook op andere manieren, tegen het academische establishment bleef aanschurken, vindt Bourdieu niet alleen onbegrijpelijk, maar ook jammer. Het lijkt immers afbreuk te doen aan zijn status als beeldenstormer en revolutionair modernist. Nadat op de salons een aantal schilderijen van Manet (waaronder het schandaleuze Le déjeuner sur l’herbe) werden geweigerd, groeide hij, in de ogen van velen, uit tot het prototype en chef de file van de overtuigde en zelfbewuste Refusés. Maar feit is dat Manet zich altijd op de officiële salons is blijven aanbieden. Meer nog, in 1876 wilde hij, ondanks heftig aandringen van Degas, niet exposeren op het onafhankelijke tweede salon van de impressionnisten. Hij verkoos het échte (officiële) Salon om zijn werk te tonen.

In zijn laatste jaren was zijn status zelfs zo groot dat hij “hors concours” deelnam (en dus niet meer geweigerd kón worden) en werd bekroond. Op 1 januari 1882 werd Manet zelfs ridder in het Légion d’Honneur, door toedoen van één van zijn beste vrienden (al sinds de middelbare school), Antonin Proust, op dat moment Ministre des Arts. In zijn herinneringen schrijft Théodore Duret, een andere goede vriend van Manet, dat die met deze onderscheiding zeer verguld was. Wat jammer toch, hoor je Bourdieu denken. Onbegrijpelijk! Hij laat het Légion d’Honneur onvermeld. Het past slecht bij de “révolution symbolique” uit de ondertitel van zijn boek.

Op de begrafenis van Manet, op 3 mei 1883, werd de kist gedragen door Emile Zola, Claude Monet, Philippe Burty, Théodore Duret, Antonin Proust en Alfred Stevens.

Meer weten.

Pierre Bourdieu, Manet. Une révolution symbolique (Parijs 2013).

Paul Durand-Ruel, Mémoires (ed. Parijs 2014).

Christiane Lefebvre,  Alfred Stevens, 1823-1906 (Parijs 2006).

Alfred Stevens, Brussel-Parijs, 1823-1906 (Brussel-Amsterdam 2009).

Tom Verschaffel is als hoogleraar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar onder meer historiografie, historische cultuur en literatuur in de achttiende en negentiende eeuw.

Hoe film tijdens de Eerste Wereldoorlog de Antwerpse dierentuin heeft gered

Gastblog door Leen Engelen.

In 1910 prees de populaire Baedeker reisgids de Antwerpse dierentuin aan als een van de besten in Europa. De tuin werd omschreven als ‘de favoriete pleisterplek van de burgerij, in het bijzonder op dagen dat er concerten plaatsvinden’. Door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog kwam de zoo – die in 1913 nog zijn 70ste verjaardag had gevierd – echter in zwaar weer terecht. In de eerste oorlogsmaanden deed de prestigieuze feest- en concertzaal van de dierentuin dienst als veldhospitaal. Naarmate de val van de stad dreigde, werden de omstandigheden steeds moeilijker. Omwille van de strategische ligging naast het station vreesde men – niet ten onrechte – voor bombardementen. Een dertigtal gevaarlijke roofdieren werd preventief omgebracht. Al in de loop van het eerste oorlogsjaar dunde het dierenbestand drastisch uit door voedselschaarste. Door het afnemende dierenbestand en de opschorting van het voorheen druk bijgewoonde symfonische concertprogramma verloor de tuin een flink stuk van zijn aantrekkingskracht. Het aantal leden en bezoekers – traditioneel de financiële ruggengraat van de tuin – slonk dramatisch. In de zomer van 1915 stond het water de dierentuin aan de lippen. De financiële tekorten liepen maand na maand op. Het was tijd voor actie.

Een lumineus maar weinig vanzelfsprekend idee

Beeldreportage over de opmars van het Duitse leger richting Antwerpen (weekblad 1914 Illustré, november 1914).

Het was directeur Michel L’Hoëst  die met een visionair idee kwam. Hij stelde voor om de meer dan 2500 plaatsen tellende Feestzaal als bioscoop in te richten. Films vertonen was immers veel goedkoper dan symfonische concerten organiseren. Ondanks de overduidelijke populariteit van bioscopen in bezet Antwerpen, was dit geen vanzelfsprekende stap voor een cultureel hoogstaand instituut als de dierentuin dat zich vooral op de burgerij richtte. Mocht men zich wel inlaten met zulk frivool vermaak terwijl onze jongens kniehoog in de modder zaten aan de IJzer? Nood brak wet. In oktober 1915 gingen de eerste filmvoorstellingen van start. Cine Zoologie werd onmiddellijk een succes. Avond na avond stond het publiek in lange rijen aan te schuiven. Soms tot twee uur lang.

Voor het bestuur van de zoo was het uitbaten van een bioscoop echter geen evidentie. Zonder veel kennis van filmzaken had het zich in dit avontuur gestort. Het samenstellen van een boeiend ciné-concert programma – waarin korte films en muziekstukken elkaar afwisselden – was geen sinecure. De muziek had men grotendeels zelf in de hand. Het repertoire van het achtkoppige bioscooporkestje kwam hoofdzakelijk uit de muziekbibliotheek van het vooroorlogse dierentuinorkest. Stukken van lokale componisten zoals Peter Benoit (de lieveling van de directeur) en Jan Blockx stonden naast internationale grootheden als Grieg en Rossini. De Duitse bezetter had al in het najaar van 1914 de censuur ingevoerd voor alle publieke opvoeringen. Elk stuk moest dus vooraf gekeurd worden. Vermits het om instrumentale uitvoeringen ging, was dit doorgaans geen probleem.

Programma Cine Zoologie, 3 september 1916 (FelixArchief).

Voor het filmprogramma was dit een ander paar mouwen. Het aanbod was zonder meer schraal. Nieuwe Franse, Britse, Amerikaanse en later Italiaanse films werden immers geweerd door de censuur en een steeds strenger wordend importverbod. Aanvankelijk was men dus vooral aangewezen op films die al voor de oorlog op Belgisch grondgebied circuleerden. Oude koek zeg maar. Er waren weinig nieuwe films in de aanbieding, laat staan de gegeerde langere speelfilms die net voor de oorlog hun opmars maakten. Na een aantal maanden kreeg het bestuur het dan ook steeds moeilijker om een boeiend programma samen te stellen.

Gaandeweg kwamen de recente speelfilms enkel nog uit Duitsland. Schoorvoetend werden deze films op het programma van Cine Zoologie gezet. Dit weerhield het veelal patriottische publiek er niet van om in grote getale op te dagen. De professioneel gemaakte speelfilms met knappe filmsterren werden gesmaakt. Achter deze situatie zat natuurlijk een duidelijke strategie. De bezetter wilde maar al te graag een bijkomende afzetmarkt creëren voor de nu sterk door de overheid gesteunde Duitse filmindustrie. Cine Zoologie probeerde wel de Duitse herkomst van de films te verdoezelen door in het programmablad de aandacht te vestigen op de lengte van de film en de (vaak buitenlandse) sterren die er in meespeelden.

Film redt de dierentuin

Programma Cine Zoologie, 7 oktober 1917 (FelixArchief).

Wanneer de Feestzaal in september 1918 dreigt opgeëist te worden als veldhospitaal voor Belgische soldaten, probeert de directeur met man en macht de bioscoop veilig te stellen. In een schrijven aan de ‘plaatscommandant der stad’ zet hij de geleden moeilijkheden van dierentuin nog eens op een rijtje en onderstreept hij het belang van de bioscoop voor het voortbestaan: ‘tengevolge der huidige gebeurtenissen zijn de gewone en bijzonderste inkomsten van den Antwerschen Dierentuin te niet gedaan, of ten minste in buitengewone mate verminderd: langs den eenen kant is het getal der leden onzer Maatschappij tot bijna een derde geslonken en langs den anderen kant hebben wij ons genoodzaakt gezien, om dit beperkte ledental nog te behouden, onze volstrekt noodige hulpmiddelen te vinden in de uitbating onzer Feestzaal. En dit is zoo waar dat gemelde uitbating, om zoo te zeggen, de eenigste bron van inkomsten is die ons nog toelaat den Dierentuin open te houden.’

Gezien het financiële succes van Cine Zoologie werd de bioscoopuitbating ook na de oorlog verdergezet. Meer dan 20 jaar zou Cine Zoologie een vaste waarde blijven in de Antwerpse bioscoopwereld.

Meer weten.

Engelen, L. & Vande Winkel, R. (2018). Cine Zoologie. Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered, Borgerhout: Letterwerk.

Engelen, L., & Vande Winkel, R. (2016). ‘A Captivated Audience. Cinema-going at the zoological garden in occupied Antwerp, 1915–1918’. First World War Studies, 7(3), 243-264.

Engelen, L. & Vande Winkel, R. (2018). ‘Het filmaanbod van Cine Zoologie (1930-1936): een gevalstudie naar filmverdeling en -programmatie in de jaren dertig’. HistoriANT,  83-103.

Het gehele archief van Cine Zoologie is online raadpleegbaar via www.cinezoologie.be.

De Expo Cine Zoologie is nog tot midden november elk weekend en tijdens de herfstvakantie te bezoeken in de Zoo Van Antwerpen.

Leen Engelen is gastblogger. Ze is als mediahistorica verbonden aan LUCA School of Arts. Ze is auteur – samen met Roel Vande Winkel – van het publieksboek Cine Zoologie. Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered (Letterwerk, 2018. 104p.).

Imagebuilding tijdens het Ancien Régime

Gastblog door Valerie Vrancken.

Publieke gebouwen, scholen, zwembaden, jeugdhuizen en winkelcentra: vaak gaat hun bouw gepaard met een feestelijke ceremonie waarbij belangrijke figuren de eerste steen leggen en de maatschappelijke waarde van het bouwproject toelichten. Die traditie gaat ver terug in de tijd. De eerste sporen van officiële eerstesteenleggingen van kerk- en kloostergebouwen dateren van de elfde eeuw. Vanaf de late middeleeuwen vormden dergelijke ceremonies een dankbaar middel voor stadsbestuurders in de Nederlanden om hun eigen verwezenlijkingen in de kijker te stellen en hun imago op te poetsen.

Eerste stenen

Inscripties op de vroegere lakenhal op de hoek van de Naamse- en Zeelstraat in Leuven. Links bovenaan herinnert een inscriptie aan de eerstesteenlegging in 1317, met vermelding van de drie bouwmeesters.

Leuven, 22 maart 1527. In de vroege namiddag verzamelden zich stadsbestuurders, werklieden en tal van Leuvenaars op de site van de Dorpstraet-poort die negen jaar eerder door een brand tot een ruïne was herschapen. Het stadsbestuur liet een nieuwe poort optrekken: de Diestsepoort. Het officiële startsein daartoe werd gegeven door Hendrik Bericx – burgemeester van de ambachten – en raadslid Jan Hermeys die optrad als vervanger van Lodewijk van den Tympele, de burgemeester van de geslachten. Rond halfdrie die namiddag, zo getuigt de stadsrekening van dat jaar, bracht Bericx een laag mortel aan, waar Jan Hermeys een goudenen leeu (een gouden munt) op wierp. Geholpen door metselaars legde het raadslid daar vervolgens de eerste steen van het nieuwe bouwwerk op.

Na de voltooiing van de Diestsepoort vijf jaar later werden gedenkstenen aan de voor- en achterzijde aangebracht. Die dienden de Leuvenaars niet alleen te herinneren aan de eerstesteenlegging van het bouwwerk, maar vooral aan de stadsbestuurders die er het initiatief toe hadden genomen. De inscriptie aan de buitenzijde vermeldde bijvoorbeeld expliciet de namen van Bericx en Van den Tympele, die beide burgemeester waren in 1527: “doen men screef vijfthien hondert sessentwintich jaer, de stadt van Loven dit werck fondeerde, sijnde Tyijmpel, Berix, borgemeesters aldaer”.

Netwerken

Zilveren truweel waarmee de zevenjarige Jacob de Graeff, zoon van burgemeester Cornelis de Graeff, de eerste steen hielp leggen van het nieuwe Amsterdamse stadhuis in 1648 (eigendom van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap).

Stadsbestuurders tekenden doorgaans massaal present voor deze vaak groots opgezette en muzikaal opgeluisterde ceremonies. Zoals ook vandaag nog het geval is, gaven stadsbestuurders soms de eer van het leggen van de eerste steen door aan hooggeplaatste personen, waaronder leden van het hof of kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Dat gaf hen meteen ook de kans om hun goede relaties met dergelijke personen in de verf te zetten. In mei 1444 was het niemand minder dan de elfjarige Karel de Stoute, zoon van hertog Filips de Goede, die de eerste steen inmetselde van de nieuwe vleugel van het Brusselse stadhuis.

Vier jaar later kon Leuven echter niet op dezelfde gunst rekenen. Bij de start van de bouw van het prestigieuze voirste huys van het stadhuis, zakte niemand van het hertogelijk hof af naar de Dijlestad. Mogelijk speelde de bekoelde relatie met de hertog daar een rol in: een maand voordien had Leuven immers geweigerd in te gaan op diens verzoek om bijkomende financiële middelen. Dat de stad zijn vrouw en zoon enkele maanden voordien had overladen met gastvrijheid en geschenken mocht blijkbaar niet baten.

Bouwwerken in opdracht van het stadsbestuur boden magistraatsleden ook de kans om zich op te werpen als goede werkgevers door de werklieden te trakteren op een drankje, drinkgeld of een nieuw paar werkhandschoenen. Naast ‘goede werkgevers’, profileerden stadsbestuurders zich tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in toenemende mate als ‘goede huisvaders’: het was niet langer per definitie de burgemeester of schepen die het truweel hanteerde, die eer kon ook worden doorgegeven aan diens kinderen. Dat was onder meer het geval bij de eerste steenlegging van het nieuwe stadhuis van Amsterdam in 1648. Toen traden zonen en neefjes van de heersende burgemeesters op als hun vertegenwoordigers bij de eerste steenlegging.

Christelijke en heidense invloeden

Aangezien het bouwseizoen in maart begon, gebeurden eerstesteenleggingen doorgaans kort voor of na Pasen – vaak tijdens het eerste metselwerk, of toch zeker voor het gebouw ongeveer een meter hoog was. De officiële ‘eerste steen’ was in werkelijkheid dus zelden de echte eerste steen van een bouwwerk. Vanaf de contrareformatie werd ernaar gestreefd om steenleggingen samen te laten vallen met liturgische feestdagen. Maar ook bij laatmiddeleeuwse ‘eerste stenen’ was het religieuze element nooit ver weg: doorgaans was een geestelijke aanwezig die Gods zegen over de werklieden en toekomstige gebruikers diende af te smeken. Daarbij kon dankbaar gebruik worden gemaakt van bepaalde bijbelpassages die Christus voorstelden als de ‘hoeksteen van het geloof’. Niet toevallig waren ‘eerste stenen’ vaak hoekstenen.

Een bisschop wijdt de eerste steen van een kerk, ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.).

De christelijke elementen konden hand in hand gaan met meer heidense gebruiken. Zo was er vaak sprake van gouden munten die samen met de eerste steen werden ingemetseld. Bij de start van de bouw van het achterste huys van het Leuvense stadhuis in 1439 werd bijvoorbeeld een in Leuven geslagen gouden ‘Peter’ onder de eerste steen gelegd. Het inmetselen van dergelijke waardevolle munten bij de start van de bouwactiviteiten zou teruggaan tot heidense ‘bouwoffers’ waarmee werklieden de bescherming van de goden trachtten af te dwingen.

Op deze christelijke en heidense basis bouwden stadsbestuurders vanaf de dertiende eeuw voort om zich publiekelijk te profileren als goede en ijverige bestuurders, gelovigen, netwerkers, werkgevers en huisvaders. De eerstesteenlegging van een belangrijk of publiek gebouw was met andere woorden een massa-evenement waarop stadsbestuurders expliciet konden tonen welk ‘steentje’ zij precies hadden bijgedragen tot de stedelijke samenleving.

Meer lezen.

Van Uytven, R., ‘Eerste stenen, vooral in de Nederlanden, in de middeleeuwen en daarna’, in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 89 (2011), p. 919-932.

Germonprez, D., ‘Foundation rites in the Southern Netherlands: constructing a Counter-Reformational architecture’ in M. Delbeke red., Foundation, dedication and consecration in early modern Europe, Leiden, 2012, p. 275-295.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde in 2017 haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen aan de KU Leuven. Sindsdien werkt ze als wetenschappelijk medewerker in het Leuvense Rijksarchief en is ze als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Steenhouwers aan het werk, miniatuur uit het Pontificale ecclesiae beatae Mariae Trajectensis, vervaardigd ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.) ​

Het archief, voor M/V met talent

Ze kwam er niet in! Toen Geertruida Bosboom-Toussaint in 1845 aan haar Leycester in Nederland werkte, wilde ze graag het Rijksarchief in Den Haag bezoeken. Uit oude archiefstukken zou ze inspiratie kunnen putten om haar nieuwe historische roman meer kracht en levendigheid te verlenen. Maar helaas, de deur van het archief bleef voor Toussaint gesloten. Algemeen Rijksarchivaris J.C. de Jonge hield namelijk niet van romanschrijvers.

De beperkte toegang tot het Rijksarchief stoorde R.C. Bakhuizen van den Brink, die ooit Toussaints verloofde was en later de opvolger van De Jonge werd. Dan was het in België beter, kon hij zelf vaststellen. Zelfs een buitenlander als Bakhuizen werd daar goed onthaald. Maar gold die gastvrijheid ook voor vrouwen?

Kijken mag

Geertruida Bosboom-Toussaint, naar een portret door Nicolaas Pieneman (Amsterdam, Rijksmuseum).

De Jonges afkeer van romanschrijvers hield ook een afwijzing van vrouwen in. Historische romans stonden immers bekend als een voornamelijk vrouwelijk genre, zowel wat auteurs als lezers betrof. Ook publieke lezingen werden druk bijgewoond door vrouwen. Daar voerden wel mannen het woord, waaronder ook archivarissen. In hun leeszalen verwelkomden deze heren daarentegen maar weinig vrouwen. Enkel als toerist kuierden zij af en toe het archief in.

Belgische archivarissen waren niet afkerig van dergelijke uitstapjes. Een reisgids uit 1859 raadde bijvoorbeeld een bezoek aan het stadsarchief van Gent aan. Het is echter onduidelijk wat daar de voornaamste bezienswaardigheid was: het archief of zijn archivaris, de bekende dichter Prudens Van Duyse. Deze archivaris liet zijn voornaamste gasten een guldenboek tekenen. Daaruit blijkt onder meer dat in 1844 Maria Vanackere, geb. Doolaeghe – de eerste vrouwelijke dichteres in België – haar ‘kunstvriend’ in het archief opzocht.

De handtekening van Maria Vanackere, geb. Doolaeghe in het ‘Album van ‘t Gents Archief’.

Louis-Prosper Gachard, de Belgische tegenhanger van De Jonge, ontving eveneens vrouwelijke literatoren. De Ierse schrijfster Sydney Owenson, Lady Morgan, werd door hem hartelijk onthaald in het Algemeen Rijksarchief, toen zij in 1833 in Brussel verbleef. Voor haar rakelde Gachard een achttiende-eeuws schandaal op uit het archief. Dat vond Lady Morgan erg interessant, schreef de archivaris later trots.

Voor vrouwen was het archief geen plaats voor onderzoek. Van hen werd niet verwacht dat zij de historische waarde van de documenten konden doorgronden: in hun aanwezigheid werd enkel met archief gepronkt. Dat blijkt ook uit de publicatie die Lady Morgan aan haar archiefbezoek wijdde. Met haar roman The Princess; or the Béguine wilde zij de vitaliteit van het jonge België aantonen. Zelfs Gachard werd daarom opgevoerd als personage, aangezien hij als gastvrije archivaris het liberale, open karakter van dit land kon belichamen.

Op onderzoek

Sydney Owenson, Lady Morgan, naar een schilderij van Cornelia Marjolin-Scheffer (Amsterdam, Rijksmuseum).

Het Algemeen Rijksarchief in Brussel was volgens Bakhuizen van den Brink het ‘bureau de consultation’ van Europa. Geen enkel ander nationaal archiefdepot gunde onderzoekers zoveel vrijheid. Welke vrouwen als eerste daarvan konden gebruikmaken, is onbekend. De jaarverslagen van het Algemeen Rijksarchief tonen in ieder geval dat vrouwelijke onderzoekers aan het begin van de twintigste eeuw nog erg schaars waren.

In deze rapporten werden de belangrijkste bezoekers aangehaald, onderverdeeld in categorieën. Tussen ‘ecclésiastiques’, ‘magistrats et avocats’ en ‘étrangers’ duikt soms het kopje ‘dames’ op. In 1900 ging het om vijf bezoeksters, maar dat was een uitzonderlijk hoog aantal. De verslagen over 1904, 1905 en 1910 vermelden geen enkele vrouw. Ook in 1912 ontbreekt deze groep, maar bij ‘professeurs et étudiants’ werd ook een studente opgenomen, Mariette Nicodème. Zij werd een jaar later doctor in de Letteren en Wijsbegeerte.

Vanaf de jaren 1880 waren vrouwelijke studenten namelijk welkom aan enkele Belgische universiteiten. De paar vrouwen die ervoor kozen historicus te worden, hoorden archiefonderzoek te verrichten: in de geschiedopleiding was origineel bronnenonderzoek meer dan ooit cruciaal geworden. Bijgevolg kwamen steeds meer vrouwen in de archieven terecht. Dit leidde ook tot een vervrouwelijking van het archivarissenkorps.

Vanaf 1895 moest iedereen die een plaats in een Rijksarchief ambieerde een examen afleggen, zodat vooral gediplomeerde historici werden gerekruteerd. In november 1913 gebeurde het dan eindelijk: een eerste historica waagde haar kans. Nicodème slaagde en werd de eerste vrouwelijke kandidaat-archivaris. Het bevoegde ministerie meende weliswaar dat zij niet als archivaris moest worden aangenomen.

En de archivaressen?

Op 5 mei 1919 werd Mariette Nicodème ingezworen als archivaris.

In Nederland waren vanaf de eeuwwisseling al verschillende vrouwelijke gemeentearchivarissen aan de slag, maar dat ging met publieke tegenkanting gepaard. De Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat in België niet werd gediscussieerd over de bekwaamheid van vrouwen voor archiefwerk.

Toen Mariette Nicodème in 1919 solliciteerde voor een plaats in het Algemeen Rijksarchief, gaf de Algemeen Rijksarchivaris een gunstig advies. Het ministerie oordeelde nu ook dat haar diploma haar recht gaf op een aanstelling. Op die manier werd Nicodème tenslotte de eerste gediplomeerde vrouw in dienst bij een Belgische wetenschappelijke instelling.

De carrière van Nicodème eindigde al in 1929. Gezondheidsredenen dwongen haar tot dit snelle ontslag. Pas in 1930 werd met Ernestine Lejour weer een vrouw aangesteld in het Rijksarchief. Hoewel vrouwen al tijdens de negentiende eeuw enigszins van de gastvrijheid van Belgische archivarissen konden genieten, toch vervrouwelijkte het archiefwezen uiteindelijk hier trager dan in de buurlanden.

Cijfers over het geslacht van archiefbezoekers zijn niet voorhanden, maar anno 2018 lijkt het archief nog altijd een eerder mannelijke plaats. Een belangrijk evenwicht is intussen wel bereikt: tijdens de laatste jaren behaalden ongeveer evenveel mannen als vrouwen een archivarissendiploma in Vlaanderen.

Meer lezen.

Y. Bos-Rops, ‘”Het begrip archivaresse bestaat niet”. De eerste vrouwelijke archivarissen in Nederland (1899 – 1918)’, Archievenblad, 110 (2016), nr. 7, 16-19.

G. Maréchal, ‘En de Rijksarchivaressen?’, Actief in archief. Huldeboek Hilda Coppejans-Desmedt, Antwerpen, 1989, 115-127.

E. Shepherd, ‘Hidden Voices in the Archives: Pioneering Women Archivists in Early 20th-Century England’, F. Foscarini e.a. (red.), Engaging with Records and Archives. Histories and Theories, Londen, 2017, 83-103.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Wat Bevergem ons leert over de gemeentefusies

Gastblog door Hendrik Callewier.

In het najaar van 2015 maakte televisiekijkend Vlaanderen kennis met de serie Bevergem. Het fictieve dorp is een karikatuur van een kleine West-Vlaamse plattelandsgemeente. Bij de Bevergemnaren ligt de fusie met het al even denkbeeldige Ruddervelde zwaar op de maag. Gelukkig zijn er de ‘Zeugefeesten’, waar de onvrede van de personages op folkloristische wijze wordt gekanaliseerd. Co-scenaristen Bart Vanneste, alias Freddy Devadder, en Wannes Cappelle lieten zich inspireren door hun geboortestreek, waar de gevoeligheden die in Bevergem worden uitvergroot, ook volop terug te vinden zijn. De gemeentefusies zorgden er vaak voor een versterking van de dorpsidentiteit.

Heimwee naar het dorp

Wim Willaert als ‘Beir’ van Bevergem

Begin jaren 1970 werden de eerste plannen voor de Belgische gemeentefusies bekend gemaakt. Het doel van die fusies was in de eerste plaats door schaalvergroting kleinere entiteiten levensvatbaar te houden en een efficiënter bestuur te bezorgen. Tegenstanders vreesden echter dat de fusies niet alleen het einde van de zelfstandigheid, maar ook van de eigenheid van hun dorpsgemeenschap betekenden. De fusies versterkten het bestaande doembeeld van de landelijke dorpen die plaats moesten ruimen voor beton en vooruitgang. Toenemende verstedelijking en industrialisering stonden volgens sommige dorpsbewoners en politici gelijk aan een verlies van lokale identiteit. Velen kenden nog de ‘goede oude tijd’, die werd geassocieerd met het beeld van het landelijke dorp als harmonische gemeenschap, zoals het ook in 1974 bezongen werd door de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld.

In 1978, nauwelijks een jaar na de uitvoering van een grootschalige fusieoperatie, werd in Vlaanderen door de overheid de actie ‘Jaar van het Dorp’ gelanceerd. In Aalbeke, een dorp ten zuiden van Kortrijk, maakte amateur-cineast Eric Vanoverschelde naar aanleiding daarvan een film, met als titel Er was eens. In de montage worden beelden getoond van een lieflijk dorp, waar boeren met paard en kar nog op vrijwel middeleeuwse wijze aan landbouw doen. Volgens de commentator ligt Aalbeke aan een Romeinse heirweg (en niet aan de drukke verkeersader N43 die het centrum ook toen al doormidden sneed). De fusie wordt er aangekondigd met onheilspellende muziek en een kaartje waarop de stad Kortrijk als een olievlek uitdijt. De commentator vraagt zich af wat de toekomst brengt, na de ‘inlijving tegen wil en dank’ bij de grootstad: ‘Zullen wij door de grote haai totaal worden verslonden … of zullen we opgaan in een gigantische, futuristische reuzenstad, zonder ziel, zonder hart?’

Een nieuwe identiteit

Logo van de campagne ‘Jaar van het Dorp’ in 1978

Inwoners uit Aalbeke en talrijke andere dorpen gingen na de fusies – alle doemscenario’s ten spijt – op zoek naar hun eigen karakter. Heemkundige kringen die de geschiedenis van het eigen dorp wilden vastleggen, schoten in de jaren 70 als paddenstoelen uit de grond. Ook lokale initiatieven, zoals dorpsfeesten en –reuzen, speelden een belangrijke rol. De feestelijkheden waren de momenten bij uitstek waarop inwoners zich met hun (deel)gemeente konden identificeren. Maar hoe ingeburgerd dergelijke dorpsfeesten tegenwoordig ook zijn, ze zijn minder oud en traditioneel dan algemeen wordt aangenomen.

De Tinekesfeesten, de jaarlijkse hoogmis van Heule (bij Kortrijk), ontstonden in 1963. De Breughelfeesten in Rekkem, nu deelgemeente van Menen, vonden voor het eerst plaats in 1973, op initiatief van de lokale middenstandsvereniging. Ten tijde van de fusie waren dergelijke feesten dus een vrij recent fenomeen, hoewel ze toen al als een erg belangrijke factor werden beschouwd voor het behoud van de eigenheid van de dorpen. De meeste dorpsfeesten groeiden nog meer in de periode na de fusie. In sommige gemeenten was het houden van dorpsfeesten net een reactie op de fusie. In Rollegem gaf het besef van een te verdedigen eigenheid na de fusie met ‘grootstad’ Kortrijk aanleiding tot de oprichting van een folkloreraad en de organisatie van de eerste folklorefeesten in 1977. Ook in Marke was 1977 het startjaar van een nieuw evenement, de septemberkermis.

Allemaal Bevergemnaar?

Een folkloristische stoet tijdens de ‘fusiefeesten’ in 1976

Voor de inwoners van Bevergem was de fusie met het naburige Ruddervelde het begin van een lokale legende, ‘den Beir van Bevergem’. In een ver verleden weigerden de inwoners van Bevergem belastingen te betalen aan de baljuw van het naburige Ruddervelde. De baljuw besloot dan maar om alle varkens, zeugen en biggen van Bevergem te laten slachten en naar Ruddervelde te laten overbrengen. Een sluwe Bevergemnaar wist echter een zeug te verstoppen onder een plankenvloer. Daarmee was de varkenspopulatie van Bevergem nog niet gered. De tien dapperste inwoners van het dorp werden op een missie gestuurd, over de beek naar Ruddervelde. Daar moesten ze het zaad van een beer of beir (mannetjesvarken) bemachtigen en terugbrengen naar hun eigen dorp, zodat er opnieuw varkens konden worden gekweekt in Bevergem. Slechts één iemand, ‘den Beir van Bevergem’, kwam terug van deze heldentocht. Gelukkig, zo wordt de kinderen van de dorpsschool ingeprent, want ‘anders moesten we nog altijd de beek over naar Ruddervelde om een schelleke tussen onze boterham te leggen’. De boodschap van deze karikaturale dorpssage is duidelijk: het kleine Bevergem heeft grote buur Ruddervelde niet nodig, zo toont de (lokale) geschiedenis aan.

In de jaren 1970 vreesden velen dat de fusies van Vlaanderen een zielloze grote stad zouden maken en de eigenheid van de dorpen zou verloren gaan. Veertig jaar later blijkt die vrees grotendeels onterecht. De fusies hadden in veel gevallen tot gevolg dat de eigenheid van dorpse gemeenschappen – vanuit een defensieve reflex – net werd versterkt. Het bestuderen, cultiveren en (her)ontdekken van lokale geschiedenis en tradities speelden daarin een belangrijke rol.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is rijksarchivaris van Kortrijk en redactiesecretaris van de geschiedkundige vereniging De Leiegouw. In de najaarspublicatie van de vereniging wordt teruggeblikt op de gemeentefusies in Zuid-West-Vlaanderen.

Broeders aller steden, verenigt u!

Gastblog door Jelle Haemers.

Ironisch, zo zou je het kunnen noemen. De enige bewaarde brief van de ‘Vlaamse vrijheidsstrijder’ Pieter De Coninck is in het Frans opgesteld. Onlangs dook dit opmerkelijke tijdsdocument van de Brugse held van de Guldensporenslag opnieuw op. Die slag vond plaats op 11 juli 1302 en eindigde in een klinkende overwinning van de Vlaamse troepen op het leger van de Franse koning. In de negentiende eeuw groeide ze uit tot het symbool bij uitstek van de strijd om de vernederlandsing van Vlaanderen – 11 juli is nog altijd de feestdag van de Vlaamse Gemeenschap.  De brief toont echter eens te meer aan dat taaleisen allerminst een issue waren voor Pieter De Coninck, wél hoopte hij politiek verzet voor meer sociale rechten te promoten. En de Brugse wever verspreidde zijn rebelse ideeën dus graag via een brief naar zijn ‘broeders’ in andere – Franstalige – steden.

Pierre li Roi

Kopie van de brief met bovenaan de aanhef ‘Item, Pieres li Rois de Bruges, envoia un valet a tout une letre…’ (Archives départementales du Pas-de-Calais, serie A, nr. 928/7)

‘Op een dergelijke manier en met zo’n broederschap heb ik de stad Brugge gered!’ In de lente van 1306 schreef Pieter de Coninck, ‘Pierre li Rois’ in de brief, met deze woorden de textielarbeiders van Sint-Omaars aan om hen een hart onder de riem te steken in hun strijd om sociale rechten. Het document wordt bewaard in het archief in Arras, Noord-Frankrijk, de hoofdplaats van het toenmalige graafschap Artesië, waartoe Sint-Omaars (Saint-Omer) behoorde. Het is de enige brief van de Brugse held van 1302 waarvan de inhoud volledig bekend is. Het origineel ging echter verloren, maar een integrale Franse vertaling uit de middeleeuwen bleef bewaard op een archiefrol. ‘Et a tele frairie si sauvai jou le vile de Bruges’, klinkt het bovenstaande citaat in het bijna onverstaanbare Picardische Frans van die tijd.

Traditioneel wordt Pieter de Coninck als een Vlaamse vrijheidsstrijder afgeschilderd (en gebruikt), maar deze brief toont eens te meer aan dat de politieke en militaire ontwikkelingen van 1302 vooral een emancipatie waren van arbeiders  om politieke inspraak en rechten van sociale gelijkheid te krijgen. In het begin van de veertiende eeuw streden arbeiders, die toen verenigd waren in ambachten, een soort van vakbonden, om inspraak in de stad. Ze waren het jarenlange wanbestuur van een kleine groep grondig beu en eisten veranderingen. Je zou het bijna kunnen vergelijken met wat vandaag soms gebeurt: een kleine groep had de macht gemonopoliseerd en beschouwde het belastinggeld als het hun persoonlijk goed. Corruptie, persoonlijke verrijking, en vriendjespolitiek waren ook in de vroege veertiende eeuw schering en inslag in steden als Brussel, Antwerpen, Brugge en Gent.

Een Vlaamse strijd… tegen Vlamingen

Standbeeld van Pieter de Coninck en diens kompaan vleeshouwer Jan Breidel siert nog altijd de Brugse Grote Markt, de verzamelplaats voor de ambachtslegers. (© Ad Meskens)

Maar een tegenbeweging van ‘gewone mensen’, arbeiders en een opgekomen middenklasse trok aan de alarmbel, en eiste verandering. Enkele van onze hedendaagse democratische verworvenheden waren voor hen een strijdpunt. Op hun eisenlijst stonden onder meer een transparant bestuur waarin duidelijk was waaraan het belastinggeld besteed werd en inspraak in het bestuur van onderuit. Een gelijke berechting in de eigen taal stond er niet tussen. Dat is een eis die pas in de negentiende eeuw aan de Bruggeling werd toegeschreven. Onder meer het werk van Hendrik Conscience cultiveerde zijn heldenstatus, en later werd Pieter een frontman in de Vlaamse strijd.

De elite van de steden weigerde koppig toe te geven en verbond zich met de Franse koning, de eigenlijke leenheer van Vlaanderen. Na een lange politieke strijd kwam het uiteindelijk tot een open confrontatie op het slagveld aan de Groeningekouter. Het gevolg is bekend: het Franse ridderleger ging op 11 juli 1302 samen met de Vlaamse elite ten onder. De ambachten kwamen in de vermelde steden aan de macht. Eerder dan een gevecht tussen Frankrijk en Vlaanderen, laat staan een taalstrijd, was ‘1302’ dus een strijd van Vlamingen tegen Vlamingen. De elite delfde het onderspit en wevers zoals Pieter de Coninck triomfeerden en kwamen aan de macht. De inspraak van onderuit was een feit. Meer nog: na de geslaagde opstand te Brugge wakkerde Pieter de Coninck het ‘revolutionaire vuur’ nadien aan in andere plaatsen met een opmerkelijke correspondentie.

In zijn brief raadde de Bruggeling de kompanen uit Sint-Omaars aan om zich te verenigen tegen de elite van de stad. ‘Beste vrienden, ik heb gehoord dat jullie tegenstand ondervinden in de stad, en dat er verdeeldheid heerst’, begint hij zijn schrijven. De arbeiders, verenigd in ambachten, waren namelijk de confrontatie met de bestuurders van de stad aangegaan, maar hun klachten werden niet gehoord. Zijn advies luidde dat de leiders van de opstand de kleinere ambachten bij hun zaak dienden te betrekken, of, in de woorden van De Coninck, ‘als uw broeders te behandelen’. Om de vriendschapsbanden aan te halen vroeg hij of de ambachtslieden hem enkele afgewerkte klederen konden bezorgen, want hij had gehoord dat de ambachten deze vervaardigden. De kosten zou Pieter vergoeden! ‘En God zij met u’, sloot hij af. Een typische slotformule die bijvoorbeeld Amerikaanse politici nog altijd gebruiken!

Censuur

Op de zogenaamde ‘Courtrai chest’, nu in het Ashmolean Museum in Oxford, is de enige afbeelding van de Guldensporenslag uit de tijd zelf te zien; hier zijn Vlaamse troepen (met alweer banieren met werktuigen) onderweg naar Kortrijk.

De brief werd echter onderschept door het stadbestuur van Sint-Omaars, en allicht vernietigd. De schepenen namen – gelukkig voor ons – echter een vertaling op in een procesdossier als bewijsstuk tegen de opstandelingen. Daarom beschikken we dus nog steeds over de inhoud van de brief, die dus weliswaar vertaald werd naar het Frans. De Nederlandstalige versie is allicht vernietigd met de bedoeling het ‘revolutionaire vuur’ te doven. Dat is niet gelukt, want de brief is onlangs weer opgedoken. Het proces heeft dus op lange termijn een averechts effect gehad, want we bloggen er in 2017 nog altijd over.

Uiteindelijk is het in Sint-Omaars ook tot een gewapend treffen gekomen tussen de ambachten en de bewindvoerders, en de strijd werd ook hier in het voordeel van de handwerkers beslecht. In de zomer van 1306 verkregen ze toegang tot de schepenzetels en konden ze voortaan mee het beleid in de stad bepalen. Eind goed, al goed.

Meer lezen

Jelle Haemers, ‘Een brief van Pieter de Coninck aan Sint-Omaars (1306). Over schriftelijke communicatie van opstandelingen in veertiende-eeuws Vlaanderen en Artesië’, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 154 (2017), 3-30.

Jelle Haemers is gastblogger. Hij is hoofd van de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar politieke conflicten in de steden van laatmiddeleeuws Vlaanderen en Brabant.

Fabelachtig archief en waar het te vinden

Natuurlijk sneeuwde het die nacht in Gent. Bij het haardvuur keuvelden drie oudheidkundigen over de geschiedenis van de stad, tot een van hen beweerde de vindplaats van de Koop van Vlaanderen te kennen. Had deze legendarische oorkonde, die belangrijke rechten toekende aan de Gentenaars, dan toch bestaan? IJlings trokken de heren naar het belfort. Daar werden ze verwelkomd door hels gelach, terwijl buiten de sneeuw overging in een woest onweer. In plaats van het charter vonden de geleerden de geest van Karel V, die hen vermanend toesprak: ‘Jullie wetenschappelijke begeerte maakt jullie blind en dwaas!’

Dit alles bleek maar een droom, in 1853 opgetekend door Philippe Kervyn de Volkaersbeke. Met zijn Le songe d’un antiquaire wilde hij zijn oudheidkundige kwaliteiten tonen, onder meer door een lange beschrijving van zijn eigen verzameling en van het Gentse belfort. Ook hield hij met zijn novelle zijn tijdgenoten een spiegel voor. Onderzoekers en verzamelaars joegen voortdurend op nieuwe archiefstukken. Kervyn de Volkaersbeke vond in deze jacht stof voor zijn verhaal, maar gewiekste figuren zagen andere mogelijkheden. Zij produceerden zelf de documenten waar erudieten zo naar verlangden. Deze fabricaten zijn nog altijd aantrekkelijk: ze helpen de negentiende-eeuwse historische cultuur te doorgronden.

De brieven van Rubens

In 1838 keken alle liefhebbers uit naar een uitgave van brieven van Peter Paul Rubens door Jean-François Boussard. In een omstandige inleiding diste deze leraar op hoe hij de stukken in handen had gekregen. Een oude monnik van de abdij van Gembloers schonk ze hem in 1814, in ruil voor Chateaubriands Génie du Christianisme. Groot was de teleurstelling van het lezerspubliek toen bleek dat de gedachten van de zeventiende-eeuwse schilder weinig verschilden van dergelijke recente katholieke publicaties. De erg verzorgde uitgave leek eerder een hedendaags pamflet dan een eeuwenoude briefwisseling.

Een aankondiging van Les leçons de P.P. Rubens uit Le Courrier belge van 9 februari 1838.

Verschillende erudieten besloten dat de Leçons de Rubens een vervalsing moest zijn. Anderen waren daar minder van overtuigd. Boussard gaf immers enkel ongedateerde fragmenten van brieven in het Latijn en Italiaans uit, die hij naar het Frans had vertaald, zodat het moeilijk leek hun authenticiteit te beoordelen. De Koninklijke Commissie voor Geschiedenis sprak daarom de hoop uit dat de oorspronkelijke teksten ook gepubliceerd zouden worden, want mogelijk waren ze enkel al te vrijelijk vertaald. Boussard weigerde echter de originelen te tonen. Bijgevolg kon hij alleen maar hopen dat niet elke lezer de fouten en anachronismen in zijn brieven zou opmerken.

Welgeleerd, maar spotachtig

De titelpagina van Aenteekening van verschillige merkwaerdigheden over de brillen en verdere zienglazen, zogezegd geschreven door Fr. Eug. De Caesemaeker.

Terwijl Boussard sukkelde met zijn Rubensbrieven, verrijkte Theodorus Schellinck met meer succes de Gentse geschiedenis. Deze dagbladschrijver speelde steeds weer in op de verlangens van de mensen rondom hem. Volgens een eigentijdse biograaf was Schellinck ‘vroegtijdig wel geleerd en spotagtig van aerd’. Onder een pseudoniem schreef hij bijvoorbeeld een geschiedenis van de bril, in opdracht van een opticien. Schellinck stelde in dat boekje dat het graafschap Vlaanderen een van de eerste brildragende streken ter wereld was, namelijk al sinds de veertiende eeuw. In de toonaangevende Messager des sciences historiques verscheen een lovende recensie.

Niet anoniem, maar even verbazingwekkend was Schellincks oordeel over de muurschildering die in 1855 werd ontdekt in het Groot Vleeshuis. Volgens hem was Nabur Martins de kunstenaar. Als bewijs citeerde Schellinck uit het geheugen een archiefstuk dat hij twaalf jaar eerder had gevonden. Hoewel het document intussen niet meer bestond (en dat nooit heeft gedaan), smulde Edmond De Busscher – eminent kenner van de Gentse kunstgeschiedenis – van Schellincks herinnering ervan. Zelfs zonder bewijs had hij het kunstwerk aan de bekende Nabur Martins willen toeschrijven. De kennis over het verleden leek weer een beetje uitgebreid, een belangrijk verlangen van negentiende-eeuwse historici.

Meer, meer, meer

Les leçons de P.P. Rubens: schone schijn.

De Busscher onderhield de Koninklijke Academie in Brussel in 1858 over de ontdekking van Schellinck. Dat geleerd genootschap liet zich in 1873 ook nog vangen aan de Leçons de Rubens van Boussard. Een biografie van Antoon van Dyck die er uitgebreid uit citeerde, werd bekroond. Gents stadsarchivaris Victor Vander Haeghen gaf aan het einde van de negentiende eeuw de Academie de kans deze misstappen recht te zetten. In een uitgebreide verhandeling bestudeerde hij verschillende vervalsingen. Toch zouden de negentiende-eeuwse fantasieën nog enkele keren opnieuw worden opgediept.

Het succes van de dwalingen van Boussard en Schellinck tonen dat de kritische zin van de erudieten tekortschoot. Het verlangen naar onbekend archiefmateriaal maakte hen erg kwetsbaar, zoals de geest van Karel V waarschuwde in Le songe d’un antiquaire. In dat boek eindigden de oudheidkundigen door hun nieuwsgierigheid in de hel. De negentiende-eeuwse dilettanten verdienen een beter lot. De fouten die zij maakten, helpen begrijpen wat de toenmalige historische cultuur zo bijzonder maakte. Hoewel Schellinck laagopgeleid en onbemiddeld was, kon hij toch naam maken. De historische wereld verwelkomde blijkbaar iedereen die de nodige vaardigheden bezat – of deze leek te bezitten.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: het belfort van Gent in de jaren 1820, door J.B.J. Wynantz (Stadsarchief Gent, detail uit AG_W_058)

De ontheemde archivaris

Tespesius Dubiecki voelde zich thuis in Aat. De Poolse banneling stelde namelijk vast dat dat Henegouws stadje een Slavische oorsprong had. Belgische historici konden dat niet weten, maar voor Dubiecki was het duidelijk dat de oorspronkelijke Athois tot dezelfde familie behoorden als bijvoorbeeld de Kroaten en de Dalmatiërs. Wat een verrassing!

Tijdens de rest van de negentiende eeuw onderschreven verschillende lokale historici de opmerkelijke these. Pas na zestig jaar werd ze definitief afgewezen. Deze geschiedenis was immers niet op authentieke documenten gestoeld. Een opmerkelijke kritiek, want het was Dubiecki die in de jaren 1840 als eerste orde had gebracht in het stadsarchief van Aat.

Het succes van Dubiecki

De titelpagina van Dubiecki’s La ville d’Ath. Son antiquité, son origine slave, ses époques remarquables, ses archives communales, ses monuments et édifices publics, ses environs, etc. (Brussel, 1847).

De Gemeentewet van 1836 verplichtte ieder gemeentebestuur zijn archief te inventariseren. Vaak ging het om erg oude stukken, die niemand nog kon lezen. Ook Aat werd met dat probleem geconfronteerd, tot Dubiecki zijn diensten aanbood. In vijfhonderdvijfenvijftig dagen rondde hij de inventarisatie af. Amper twintig jaar later werd zijn werk weliswaar volledig overgedaan, omdat de Pool ‘zonder zorg en zonder nauwgezetheid’ zou hebben gewerkt, maar zijn initiële succes toonde dat een wijdverbreide opvatting ongegrond was: niet enkel oude ambtenaren, die tijdens het Ancien Régime zelf archiefstukken hadden voortgebracht, waren in staat met oude archieven om te gaan.

Dat was een erg gelukkige ondervinding, want dergelijke functionarissen waren omstreeks 1840 erg schaars geworden. Van de overblijvende bejaarden kon bovendien niet veel activiteit meer worden verwacht. Dat alles maakte het inventariseringswerk misschien wel lastiger, maar niet onmogelijk. Als zelfs een buitenlander met het archief overweg kon, behoorden die stukken niet langer enkel toe aan een selecte groep van ingewijden. Middeleeuwse stukken waren trouwens al voor veel achttiende-eeuwse ogen onleesbaar – en dus onbruikbaar – geweest.

Archivalische verlangens

Een geordend archief moest in een geschiedenis worden gegoten. Dat deed ook Dubiecki, met zijn bijzondere ontdekking. Zijn verlangen naar zijn geboortegrond was misschien wel opmerkelijk, maar eigenlijk niet uitzonderlijk. In Frankrijk had Augustin Thierry enkele jaren eerder opgetekend dat geen enkele geschiedenis zozeer aansprak als de eigen geschiedenis. Deze woorden werden ook in België met veel enthousiasme gelezen. En de historicus bij uitstek van die geschiedenis, was de plaatselijke archivaris. Dat Dubiecki zo graag wilde bewijzen dat hij in Aat thuishoorde, toont een ander diepgeworteld idee: een archivaris kon enkel in zijn geboortestad werken.

Victor Hermans, Mechelaar van verdienste.

‘Hoewel niet uit de stad afkomstig, want geboren in Antwerpen in 1841, durf ik hopen dat u mijn sollicitatie in overweging zult nemen,’ schreef J.J.P. Vanden Bemden in 1870 in zijn sollicitatiebrief voor de post van Mechels bibliothecaris-archivaris. Het stadsbestuur koos niet voor hem, maar dat had niet noodzakelijk met zijn afkomst te maken. De nieuwe stadsarchivaris was namelijk geboren in Maastricht. Niettemin klonk het veertig jaar later nog altijd dat Victor Hermans ‘weliswaar zonder Mechelaar van geboorte te zijn, toch het mooie Mechelse devies kon overnemen, wat betreft zijn gehechtheid aan oudheden: In fide constans’. Pas na lang en ijverig werken kon ook deze archivaris zich een plaats in de stad verwerven.

De professionele archiefwerker

Achter deze romantische gehechtheid aan de eigen streek school ook een praktische overweging. Wie de functie van archivaris met succes wilde uitoefenen, moest kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving. Bijgevolg was het onmisbaar vertrouwd te zijn met die geschiedenis. Een baan in een archief was bovendien zelden voltijds. Veel archivarissen kregen maar een karig loon. Bij voorkeur werd dan ook iemand aangesteld die al een andere betrekking had, bijvoorbeeld een leraar uit een van de scholen in de stad.

Het examen voor werknemers van de Rijksarchieven omvatte zowel een theoretische als een praktische proef. Vanaf 1903 moesten de examinandi hun kennis van zowel het oud-Frans als het oud-Nederlands bewijzen. Op die manier konden ze als archivaris in het hele land worden ingezet.

De zoektocht naar nieuw personeel voor de provinciale Rijksarchieven verliep oorspronkelijk gelijkaardig. In een universiteitsstad als Gent was het niet moeilijk om in de onmiddellijke omgeving een geschikte kandidaat te vinden, maar bijvoorbeeld in Doornik of Aarlen was de spoeling maar dun. Toch verdween deze lokale verankering pas aan het einde van de negentiende eeuw, toen het archivarissenambt sterk professionaliseerde. Vanaf 1895 moest iedereen die in een Rijksarchief wilde werken, een examen afleggen. Een jonge, actieve groep van gediplomeerde archivarissen ontstond, uitgerust met vaardigheden die overal konden worden ingezet. Op het ritme van hun promoties verhuisden zij van provincie naar provincie.

De lokale verankering werd uiteindelijk ook voor stadsarchivarissen minder belangrijk. Ze verdween echter niet helemaal. Hedendaagse archiefinstellingen plaatsen zich graag midden in het milieu waarvan ze de geschiedenis documenteren. Een archivaris uit de eigen streek kan daar misschien bij helpen, maar onontbeerlijk is dat niet. De Slavische redeneringen van Dubiecki hebben niet alleen hun grond, maar ook hun archivalische noodzaak verloren.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Titelafbeelding: De ‘Tour Burbant’ in Aat werd volgens Dubiecki vóór 300 gebouwd. Zijn theorie vereiste een dergelijke hoge ouderdom van de stad. In werkelijkheid werd de donjon pas omstreeks 1166 opgericht.