Categorie archief: Historische cultuur & herinnering

Imagebuilding tijdens het Ancien Régime

Gastblog door Valerie Vrancken.

Publieke gebouwen, scholen, zwembaden, jeugdhuizen en winkelcentra: vaak gaat hun bouw gepaard met een feestelijke ceremonie waarbij belangrijke figuren de eerste steen leggen en de maatschappelijke waarde van het bouwproject toelichten. Die traditie gaat ver terug in de tijd. De eerste sporen van officiële eerstesteenleggingen van kerk- en kloostergebouwen dateren van de elfde eeuw. Vanaf de late middeleeuwen vormden dergelijke ceremonies een dankbaar middel voor stadsbestuurders in de Nederlanden om hun eigen verwezenlijkingen in de kijker te stellen en hun imago op te poetsen.

Eerste stenen

Inscripties op de vroegere lakenhal op de hoek van de Naamse- en Zeelstraat in Leuven. Links bovenaan herinnert een inscriptie aan de eerstesteenlegging in 1317, met vermelding van de drie bouwmeesters.

Leuven, 22 maart 1527. In de vroege namiddag verzamelden zich stadsbestuurders, werklieden en tal van Leuvenaars op de site van de Dorpstraet-poort die negen jaar eerder door een brand tot een ruïne was herschapen. Het stadsbestuur liet een nieuwe poort optrekken: de Diestsepoort. Het officiële startsein daartoe werd gegeven door Hendrik Bericx – burgemeester van de ambachten – en raadslid Jan Hermeys die optrad als vervanger van Lodewijk van den Tympele, de burgemeester van de geslachten. Rond halfdrie die namiddag, zo getuigt de stadsrekening van dat jaar, bracht Bericx een laag mortel aan, waar Jan Hermeys een goudenen leeu (een gouden munt) op wierp. Geholpen door metselaars legde het raadslid daar vervolgens de eerste steen van het nieuwe bouwwerk op.

Na de voltooiing van de Diestsepoort vijf jaar later werden gedenkstenen aan de voor- en achterzijde aangebracht. Die dienden de Leuvenaars niet alleen te herinneren aan de eerstesteenlegging van het bouwwerk, maar vooral aan de stadsbestuurders die er het initiatief toe hadden genomen. De inscriptie aan de buitenzijde vermeldde bijvoorbeeld expliciet de namen van Bericx en Van den Tympele, die beide burgemeester waren in 1527: “doen men screef vijfthien hondert sessentwintich jaer, de stadt van Loven dit werck fondeerde, sijnde Tyijmpel, Berix, borgemeesters aldaer”.

Netwerken

Zilveren truweel waarmee de zevenjarige Jacob de Graeff, zoon van burgemeester Cornelis de Graeff, de eerste steen hielp leggen van het nieuwe Amsterdamse stadhuis in 1648 (eigendom van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap).

Stadsbestuurders tekenden doorgaans massaal present voor deze vaak groots opgezette en muzikaal opgeluisterde ceremonies. Zoals ook vandaag nog het geval is, gaven stadsbestuurders soms de eer van het leggen van de eerste steen door aan hooggeplaatste personen, waaronder leden van het hof of kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Dat gaf hen meteen ook de kans om hun goede relaties met dergelijke personen in de verf te zetten. In mei 1444 was het niemand minder dan de elfjarige Karel de Stoute, zoon van hertog Filips de Goede, die de eerste steen inmetselde van de nieuwe vleugel van het Brusselse stadhuis.

Vier jaar later kon Leuven echter niet op dezelfde gunst rekenen. Bij de start van de bouw van het prestigieuze voirste huys van het stadhuis, zakte niemand van het hertogelijk hof af naar de Dijlestad. Mogelijk speelde de bekoelde relatie met de hertog daar een rol in: een maand voordien had Leuven immers geweigerd in te gaan op diens verzoek om bijkomende financiële middelen. Dat de stad zijn vrouw en zoon enkele maanden voordien had overladen met gastvrijheid en geschenken mocht blijkbaar niet baten.

Bouwwerken in opdracht van het stadsbestuur boden magistraatsleden ook de kans om zich op te werpen als goede werkgevers door de werklieden te trakteren op een drankje, drinkgeld of een nieuw paar werkhandschoenen. Naast ‘goede werkgevers’, profileerden stadsbestuurders zich tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in toenemende mate als ‘goede huisvaders’: het was niet langer per definitie de burgemeester of schepen die het truweel hanteerde, die eer kon ook worden doorgegeven aan diens kinderen. Dat was onder meer het geval bij de eerste steenlegging van het nieuwe stadhuis van Amsterdam in 1648. Toen traden zonen en neefjes van de heersende burgemeesters op als hun vertegenwoordigers bij de eerste steenlegging.

Christelijke en heidense invloeden

Aangezien het bouwseizoen in maart begon, gebeurden eerstesteenleggingen doorgaans kort voor of na Pasen – vaak tijdens het eerste metselwerk, of toch zeker voor het gebouw ongeveer een meter hoog was. De officiële ‘eerste steen’ was in werkelijkheid dus zelden de echte eerste steen van een bouwwerk. Vanaf de contrareformatie werd ernaar gestreefd om steenleggingen samen te laten vallen met liturgische feestdagen. Maar ook bij laatmiddeleeuwse ‘eerste stenen’ was het religieuze element nooit ver weg: doorgaans was een geestelijke aanwezig die Gods zegen over de werklieden en toekomstige gebruikers diende af te smeken. Daarbij kon dankbaar gebruik worden gemaakt van bepaalde bijbelpassages die Christus voorstelden als de ‘hoeksteen van het geloof’. Niet toevallig waren ‘eerste stenen’ vaak hoekstenen.

Een bisschop wijdt de eerste steen van een kerk, ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.).

De christelijke elementen konden hand in hand gaan met meer heidense gebruiken. Zo was er vaak sprake van gouden munten die samen met de eerste steen werden ingemetseld. Bij de start van de bouw van het achterste huys van het Leuvense stadhuis in 1439 werd bijvoorbeeld een in Leuven geslagen gouden ‘Peter’ onder de eerste steen gelegd. Het inmetselen van dergelijke waardevolle munten bij de start van de bouwactiviteiten zou teruggaan tot heidense ‘bouwoffers’ waarmee werklieden de bescherming van de goden trachtten af te dwingen.

Op deze christelijke en heidense basis bouwden stadsbestuurders vanaf de dertiende eeuw voort om zich publiekelijk te profileren als goede en ijverige bestuurders, gelovigen, netwerkers, werkgevers en huisvaders. De eerstesteenlegging van een belangrijk of publiek gebouw was met andere woorden een massa-evenement waarop stadsbestuurders expliciet konden tonen welk ‘steentje’ zij precies hadden bijgedragen tot de stedelijke samenleving.

Meer lezen.

Van Uytven, R., ‘Eerste stenen, vooral in de Nederlanden, in de middeleeuwen en daarna’, in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 89 (2011), p. 919-932.

Germonprez, D., ‘Foundation rites in the Southern Netherlands: constructing a Counter-Reformational architecture’ in M. Delbeke red., Foundation, dedication and consecration in early modern Europe, Leiden, 2012, p. 275-295.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde in 2017 haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen aan de KU Leuven. Sindsdien werkt ze als wetenschappelijk medewerker in het Leuvense Rijksarchief en is ze als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Steenhouwers aan het werk, miniatuur uit het Pontificale ecclesiae beatae Mariae Trajectensis, vervaardigd ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.) ​

Het archief, voor M/V met talent

Ze kwam er niet in! Toen Geertruida Bosboom-Toussaint in 1845 aan haar Leycester in Nederland werkte, wilde ze graag het Rijksarchief in Den Haag bezoeken. Uit oude archiefstukken zou ze inspiratie kunnen putten om haar nieuwe historische roman meer kracht en levendigheid te verlenen. Maar helaas, de deur van het archief bleef voor Toussaint gesloten. Algemeen Rijksarchivaris J.C. de Jonge hield namelijk niet van romanschrijvers.

De beperkte toegang tot het Rijksarchief stoorde R.C. Bakhuizen van den Brink, die ooit Toussaints verloofde was en later de opvolger van De Jonge werd. Dan was het in België beter, kon hij zelf vaststellen. Zelfs een buitenlander als Bakhuizen werd daar goed onthaald. Maar gold die gastvrijheid ook voor vrouwen?

Kijken mag

Geertruida Bosboom-Toussaint, naar een portret door Nicolaas Pieneman (Amsterdam, Rijksmuseum).

De Jonges afkeer van romanschrijvers hield ook een afwijzing van vrouwen in. Historische romans stonden immers bekend als een voornamelijk vrouwelijk genre, zowel wat auteurs als lezers betrof. Ook publieke lezingen werden druk bijgewoond door vrouwen. Daar voerden wel mannen het woord, waaronder ook archivarissen. In hun leeszalen verwelkomden deze heren daarentegen maar weinig vrouwen. Enkel als toerist kuierden zij af en toe het archief in.

Belgische archivarissen waren niet afkerig van dergelijke uitstapjes. Een reisgids uit 1859 raadde bijvoorbeeld een bezoek aan het stadsarchief van Gent aan. Het is echter onduidelijk wat daar de voornaamste bezienswaardigheid was: het archief of zijn archivaris, de bekende dichter Prudens Van Duyse. Deze archivaris liet zijn voornaamste gasten een guldenboek tekenen. Daaruit blijkt onder meer dat in 1844 Maria Vanackere, geb. Doolaeghe – de eerste vrouwelijke dichteres in België – haar ‘kunstvriend’ in het archief opzocht.

De handtekening van Maria Vanackere, geb. Doolaeghe in het ‘Album van ‘t Gents Archief’.

Louis-Prosper Gachard, de Belgische tegenhanger van De Jonge, ontving eveneens vrouwelijke literatoren. De Ierse schrijfster Sydney Owenson, Lady Morgan, werd door hem hartelijk onthaald in het Algemeen Rijksarchief, toen zij in 1833 in Brussel verbleef. Voor haar rakelde Gachard een achttiende-eeuws schandaal op uit het archief. Dat vond Lady Morgan erg interessant, schreef de archivaris later trots.

Voor vrouwen was het archief geen plaats voor onderzoek. Van hen werd niet verwacht dat zij de historische waarde van de documenten konden doorgronden: in hun aanwezigheid werd enkel met archief gepronkt. Dat blijkt ook uit de publicatie die Lady Morgan aan haar archiefbezoek wijdde. Met haar roman The Princess; or the Béguine wilde zij de vitaliteit van het jonge België aantonen. Zelfs Gachard werd daarom opgevoerd als personage, aangezien hij als gastvrije archivaris het liberale, open karakter van dit land kon belichamen.

Op onderzoek

Sydney Owenson, Lady Morgan, naar een schilderij van Cornelia Marjolin-Scheffer (Amsterdam, Rijksmuseum).

Het Algemeen Rijksarchief in Brussel was volgens Bakhuizen van den Brink het ‘bureau de consultation’ van Europa. Geen enkel ander nationaal archiefdepot gunde onderzoekers zoveel vrijheid. Welke vrouwen als eerste daarvan konden gebruikmaken, is onbekend. De jaarverslagen van het Algemeen Rijksarchief tonen in ieder geval dat vrouwelijke onderzoekers aan het begin van de twintigste eeuw nog erg schaars waren.

In deze rapporten werden de belangrijkste bezoekers aangehaald, onderverdeeld in categorieën. Tussen ‘ecclésiastiques’, ‘magistrats et avocats’ en ‘étrangers’ duikt soms het kopje ‘dames’ op. In 1900 ging het om vijf bezoeksters, maar dat was een uitzonderlijk hoog aantal. De verslagen over 1904, 1905 en 1910 vermelden geen enkele vrouw. Ook in 1912 ontbreekt deze groep, maar bij ‘professeurs et étudiants’ werd ook een studente opgenomen, Mariette Nicodème. Zij werd een jaar later doctor in de Letteren en Wijsbegeerte.

Vanaf de jaren 1880 waren vrouwelijke studenten namelijk welkom aan enkele Belgische universiteiten. De paar vrouwen die ervoor kozen historicus te worden, hoorden archiefonderzoek te verrichten: in de geschiedopleiding was origineel bronnenonderzoek meer dan ooit cruciaal geworden. Bijgevolg kwamen steeds meer vrouwen in de archieven terecht. Dit leidde ook tot een vervrouwelijking van het archivarissenkorps.

Vanaf 1895 moest iedereen die een plaats in een Rijksarchief ambieerde een examen afleggen, zodat vooral gediplomeerde historici werden gerekruteerd. In november 1913 gebeurde het dan eindelijk: een eerste historica waagde haar kans. Nicodème slaagde en werd de eerste vrouwelijke kandidaat-archivaris. Het bevoegde ministerie meende weliswaar dat zij niet als archivaris moest worden aangenomen.

En de archivaressen?

Op 5 mei 1919 werd Mariette Nicodème ingezworen als archivaris.

In Nederland waren vanaf de eeuwwisseling al verschillende vrouwelijke gemeentearchivarissen aan de slag, maar dat ging met publieke tegenkanting gepaard. De Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat in België niet werd gediscussieerd over de bekwaamheid van vrouwen voor archiefwerk.

Toen Mariette Nicodème in 1919 solliciteerde voor een plaats in het Algemeen Rijksarchief, gaf de Algemeen Rijksarchivaris een gunstig advies. Het ministerie oordeelde nu ook dat haar diploma haar recht gaf op een aanstelling. Op die manier werd Nicodème tenslotte de eerste gediplomeerde vrouw in dienst bij een Belgische wetenschappelijke instelling.

De carrière van Nicodème eindigde al in 1929. Gezondheidsredenen dwongen haar tot dit snelle ontslag. Pas in 1930 werd met Ernestine Lejour weer een vrouw aangesteld in het Rijksarchief. Hoewel vrouwen al tijdens de negentiende eeuw enigszins van de gastvrijheid van Belgische archivarissen konden genieten, toch vervrouwelijkte het archiefwezen uiteindelijk hier trager dan in de buurlanden.

Cijfers over het geslacht van archiefbezoekers zijn niet voorhanden, maar anno 2018 lijkt het archief nog altijd een eerder mannelijke plaats. Een belangrijk evenwicht is intussen wel bereikt: tijdens de laatste jaren behaalden ongeveer evenveel mannen als vrouwen een archivarissendiploma in Vlaanderen.

Meer lezen.

Y. Bos-Rops, ‘”Het begrip archivaresse bestaat niet”. De eerste vrouwelijke archivarissen in Nederland (1899 – 1918)’, Archievenblad, 110 (2016), nr. 7, 16-19.

G. Maréchal, ‘En de Rijksarchivaressen?’, Actief in archief. Huldeboek Hilda Coppejans-Desmedt, Antwerpen, 1989, 115-127.

E. Shepherd, ‘Hidden Voices in the Archives: Pioneering Women Archivists in Early 20th-Century England’, F. Foscarini e.a. (red.), Engaging with Records and Archives. Histories and Theories, Londen, 2017, 83-103.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Wat Bevergem ons leert over de gemeentefusies

Gastblog door Hendrik Callewier.

In het najaar van 2015 maakte televisiekijkend Vlaanderen kennis met de serie Bevergem. Het fictieve dorp is een karikatuur van een kleine West-Vlaamse plattelandsgemeente. Bij de Bevergemnaren ligt de fusie met het al even denkbeeldige Ruddervelde zwaar op de maag. Gelukkig zijn er de ‘Zeugefeesten’, waar de onvrede van de personages op folkloristische wijze wordt gekanaliseerd. Co-scenaristen Bart Vanneste, alias Freddy Devadder, en Wannes Cappelle lieten zich inspireren door hun geboortestreek, waar de gevoeligheden die in Bevergem worden uitvergroot, ook volop terug te vinden zijn. De gemeentefusies zorgden er vaak voor een versterking van de dorpsidentiteit.

Heimwee naar het dorp

Wim Willaert als ‘Beir’ van Bevergem

Begin jaren 1970 werden de eerste plannen voor de Belgische gemeentefusies bekend gemaakt. Het doel van die fusies was in de eerste plaats door schaalvergroting kleinere entiteiten levensvatbaar te houden en een efficiënter bestuur te bezorgen. Tegenstanders vreesden echter dat de fusies niet alleen het einde van de zelfstandigheid, maar ook van de eigenheid van hun dorpsgemeenschap betekenden. De fusies versterkten het bestaande doembeeld van de landelijke dorpen die plaats moesten ruimen voor beton en vooruitgang. Toenemende verstedelijking en industrialisering stonden volgens sommige dorpsbewoners en politici gelijk aan een verlies van lokale identiteit. Velen kenden nog de ‘goede oude tijd’, die werd geassocieerd met het beeld van het landelijke dorp als harmonische gemeenschap, zoals het ook in 1974 bezongen werd door de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld.

In 1978, nauwelijks een jaar na de uitvoering van een grootschalige fusieoperatie, werd in Vlaanderen door de overheid de actie ‘Jaar van het Dorp’ gelanceerd. In Aalbeke, een dorp ten zuiden van Kortrijk, maakte amateur-cineast Eric Vanoverschelde naar aanleiding daarvan een film, met als titel Er was eens. In de montage worden beelden getoond van een lieflijk dorp, waar boeren met paard en kar nog op vrijwel middeleeuwse wijze aan landbouw doen. Volgens de commentator ligt Aalbeke aan een Romeinse heirweg (en niet aan de drukke verkeersader N43 die het centrum ook toen al doormidden sneed). De fusie wordt er aangekondigd met onheilspellende muziek en een kaartje waarop de stad Kortrijk als een olievlek uitdijt. De commentator vraagt zich af wat de toekomst brengt, na de ‘inlijving tegen wil en dank’ bij de grootstad: ‘Zullen wij door de grote haai totaal worden verslonden … of zullen we opgaan in een gigantische, futuristische reuzenstad, zonder ziel, zonder hart?’

Een nieuwe identiteit

Logo van de campagne ‘Jaar van het Dorp’ in 1978

Inwoners uit Aalbeke en talrijke andere dorpen gingen na de fusies – alle doemscenario’s ten spijt – op zoek naar hun eigen karakter. Heemkundige kringen die de geschiedenis van het eigen dorp wilden vastleggen, schoten in de jaren 70 als paddenstoelen uit de grond. Ook lokale initiatieven, zoals dorpsfeesten en –reuzen, speelden een belangrijke rol. De feestelijkheden waren de momenten bij uitstek waarop inwoners zich met hun (deel)gemeente konden identificeren. Maar hoe ingeburgerd dergelijke dorpsfeesten tegenwoordig ook zijn, ze zijn minder oud en traditioneel dan algemeen wordt aangenomen.

De Tinekesfeesten, de jaarlijkse hoogmis van Heule (bij Kortrijk), ontstonden in 1963. De Breughelfeesten in Rekkem, nu deelgemeente van Menen, vonden voor het eerst plaats in 1973, op initiatief van de lokale middenstandsvereniging. Ten tijde van de fusie waren dergelijke feesten dus een vrij recent fenomeen, hoewel ze toen al als een erg belangrijke factor werden beschouwd voor het behoud van de eigenheid van de dorpen. De meeste dorpsfeesten groeiden nog meer in de periode na de fusie. In sommige gemeenten was het houden van dorpsfeesten net een reactie op de fusie. In Rollegem gaf het besef van een te verdedigen eigenheid na de fusie met ‘grootstad’ Kortrijk aanleiding tot de oprichting van een folkloreraad en de organisatie van de eerste folklorefeesten in 1977. Ook in Marke was 1977 het startjaar van een nieuw evenement, de septemberkermis.

Allemaal Bevergemnaar?

Een folkloristische stoet tijdens de ‘fusiefeesten’ in 1976

Voor de inwoners van Bevergem was de fusie met het naburige Ruddervelde het begin van een lokale legende, ‘den Beir van Bevergem’. In een ver verleden weigerden de inwoners van Bevergem belastingen te betalen aan de baljuw van het naburige Ruddervelde. De baljuw besloot dan maar om alle varkens, zeugen en biggen van Bevergem te laten slachten en naar Ruddervelde te laten overbrengen. Een sluwe Bevergemnaar wist echter een zeug te verstoppen onder een plankenvloer. Daarmee was de varkenspopulatie van Bevergem nog niet gered. De tien dapperste inwoners van het dorp werden op een missie gestuurd, over de beek naar Ruddervelde. Daar moesten ze het zaad van een beer of beir (mannetjesvarken) bemachtigen en terugbrengen naar hun eigen dorp, zodat er opnieuw varkens konden worden gekweekt in Bevergem. Slechts één iemand, ‘den Beir van Bevergem’, kwam terug van deze heldentocht. Gelukkig, zo wordt de kinderen van de dorpsschool ingeprent, want ‘anders moesten we nog altijd de beek over naar Ruddervelde om een schelleke tussen onze boterham te leggen’. De boodschap van deze karikaturale dorpssage is duidelijk: het kleine Bevergem heeft grote buur Ruddervelde niet nodig, zo toont de (lokale) geschiedenis aan.

In de jaren 1970 vreesden velen dat de fusies van Vlaanderen een zielloze grote stad zouden maken en de eigenheid van de dorpen zou verloren gaan. Veertig jaar later blijkt die vrees grotendeels onterecht. De fusies hadden in veel gevallen tot gevolg dat de eigenheid van dorpse gemeenschappen – vanuit een defensieve reflex – net werd versterkt. Het bestuderen, cultiveren en (her)ontdekken van lokale geschiedenis en tradities speelden daarin een belangrijke rol.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is rijksarchivaris van Kortrijk en redactiesecretaris van de geschiedkundige vereniging De Leiegouw. In de najaarspublicatie van de vereniging wordt teruggeblikt op de gemeentefusies in Zuid-West-Vlaanderen.

Broeders aller steden, verenigt u!

Gastblog door Jelle Haemers.

Ironisch, zo zou je het kunnen noemen. De enige bewaarde brief van de ‘Vlaamse vrijheidsstrijder’ Pieter De Coninck is in het Frans opgesteld. Onlangs dook dit opmerkelijke tijdsdocument van de Brugse held van de Guldensporenslag opnieuw op. Die slag vond plaats op 11 juli 1302 en eindigde in een klinkende overwinning van de Vlaamse troepen op het leger van de Franse koning. In de negentiende eeuw groeide ze uit tot het symbool bij uitstek van de strijd om de vernederlandsing van Vlaanderen – 11 juli is nog altijd de feestdag van de Vlaamse Gemeenschap.  De brief toont echter eens te meer aan dat taaleisen allerminst een issue waren voor Pieter De Coninck, wél hoopte hij politiek verzet voor meer sociale rechten te promoten. En de Brugse wever verspreidde zijn rebelse ideeën dus graag via een brief naar zijn ‘broeders’ in andere – Franstalige – steden.

Pierre li Roi

Kopie van de brief met bovenaan de aanhef ‘Item, Pieres li Rois de Bruges, envoia un valet a tout une letre…’ (Archives départementales du Pas-de-Calais, serie A, nr. 928/7)

‘Op een dergelijke manier en met zo’n broederschap heb ik de stad Brugge gered!’ In de lente van 1306 schreef Pieter de Coninck, ‘Pierre li Rois’ in de brief, met deze woorden de textielarbeiders van Sint-Omaars aan om hen een hart onder de riem te steken in hun strijd om sociale rechten. Het document wordt bewaard in het archief in Arras, Noord-Frankrijk, de hoofdplaats van het toenmalige graafschap Artesië, waartoe Sint-Omaars (Saint-Omer) behoorde. Het is de enige brief van de Brugse held van 1302 waarvan de inhoud volledig bekend is. Het origineel ging echter verloren, maar een integrale Franse vertaling uit de middeleeuwen bleef bewaard op een archiefrol. ‘Et a tele frairie si sauvai jou le vile de Bruges’, klinkt het bovenstaande citaat in het bijna onverstaanbare Picardische Frans van die tijd.

Traditioneel wordt Pieter de Coninck als een Vlaamse vrijheidsstrijder afgeschilderd (en gebruikt), maar deze brief toont eens te meer aan dat de politieke en militaire ontwikkelingen van 1302 vooral een emancipatie waren van arbeiders  om politieke inspraak en rechten van sociale gelijkheid te krijgen. In het begin van de veertiende eeuw streden arbeiders, die toen verenigd waren in ambachten, een soort van vakbonden, om inspraak in de stad. Ze waren het jarenlange wanbestuur van een kleine groep grondig beu en eisten veranderingen. Je zou het bijna kunnen vergelijken met wat vandaag soms gebeurt: een kleine groep had de macht gemonopoliseerd en beschouwde het belastinggeld als het hun persoonlijk goed. Corruptie, persoonlijke verrijking, en vriendjespolitiek waren ook in de vroege veertiende eeuw schering en inslag in steden als Brussel, Antwerpen, Brugge en Gent.

Een Vlaamse strijd… tegen Vlamingen

Standbeeld van Pieter de Coninck en diens kompaan vleeshouwer Jan Breidel siert nog altijd de Brugse Grote Markt, de verzamelplaats voor de ambachtslegers. (© Ad Meskens)

Maar een tegenbeweging van ‘gewone mensen’, arbeiders en een opgekomen middenklasse trok aan de alarmbel, en eiste verandering. Enkele van onze hedendaagse democratische verworvenheden waren voor hen een strijdpunt. Op hun eisenlijst stonden onder meer een transparant bestuur waarin duidelijk was waaraan het belastinggeld besteed werd en inspraak in het bestuur van onderuit. Een gelijke berechting in de eigen taal stond er niet tussen. Dat is een eis die pas in de negentiende eeuw aan de Bruggeling werd toegeschreven. Onder meer het werk van Hendrik Conscience cultiveerde zijn heldenstatus, en later werd Pieter een frontman in de Vlaamse strijd.

De elite van de steden weigerde koppig toe te geven en verbond zich met de Franse koning, de eigenlijke leenheer van Vlaanderen. Na een lange politieke strijd kwam het uiteindelijk tot een open confrontatie op het slagveld aan de Groeningekouter. Het gevolg is bekend: het Franse ridderleger ging op 11 juli 1302 samen met de Vlaamse elite ten onder. De ambachten kwamen in de vermelde steden aan de macht. Eerder dan een gevecht tussen Frankrijk en Vlaanderen, laat staan een taalstrijd, was ‘1302’ dus een strijd van Vlamingen tegen Vlamingen. De elite delfde het onderspit en wevers zoals Pieter de Coninck triomfeerden en kwamen aan de macht. De inspraak van onderuit was een feit. Meer nog: na de geslaagde opstand te Brugge wakkerde Pieter de Coninck het ‘revolutionaire vuur’ nadien aan in andere plaatsen met een opmerkelijke correspondentie.

In zijn brief raadde de Bruggeling de kompanen uit Sint-Omaars aan om zich te verenigen tegen de elite van de stad. ‘Beste vrienden, ik heb gehoord dat jullie tegenstand ondervinden in de stad, en dat er verdeeldheid heerst’, begint hij zijn schrijven. De arbeiders, verenigd in ambachten, waren namelijk de confrontatie met de bestuurders van de stad aangegaan, maar hun klachten werden niet gehoord. Zijn advies luidde dat de leiders van de opstand de kleinere ambachten bij hun zaak dienden te betrekken, of, in de woorden van De Coninck, ‘als uw broeders te behandelen’. Om de vriendschapsbanden aan te halen vroeg hij of de ambachtslieden hem enkele afgewerkte klederen konden bezorgen, want hij had gehoord dat de ambachten deze vervaardigden. De kosten zou Pieter vergoeden! ‘En God zij met u’, sloot hij af. Een typische slotformule die bijvoorbeeld Amerikaanse politici nog altijd gebruiken!

Censuur

Op de zogenaamde ‘Courtrai chest’, nu in het Ashmolean Museum in Oxford, is de enige afbeelding van de Guldensporenslag uit de tijd zelf te zien; hier zijn Vlaamse troepen (met alweer banieren met werktuigen) onderweg naar Kortrijk.

De brief werd echter onderschept door het stadbestuur van Sint-Omaars, en allicht vernietigd. De schepenen namen – gelukkig voor ons – echter een vertaling op in een procesdossier als bewijsstuk tegen de opstandelingen. Daarom beschikken we dus nog steeds over de inhoud van de brief, die dus weliswaar vertaald werd naar het Frans. De Nederlandstalige versie is allicht vernietigd met de bedoeling het ‘revolutionaire vuur’ te doven. Dat is niet gelukt, want de brief is onlangs weer opgedoken. Het proces heeft dus op lange termijn een averechts effect gehad, want we bloggen er in 2017 nog altijd over.

Uiteindelijk is het in Sint-Omaars ook tot een gewapend treffen gekomen tussen de ambachten en de bewindvoerders, en de strijd werd ook hier in het voordeel van de handwerkers beslecht. In de zomer van 1306 verkregen ze toegang tot de schepenzetels en konden ze voortaan mee het beleid in de stad bepalen. Eind goed, al goed.

Meer lezen

Jelle Haemers, ‘Een brief van Pieter de Coninck aan Sint-Omaars (1306). Over schriftelijke communicatie van opstandelingen in veertiende-eeuws Vlaanderen en Artesië’, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 154 (2017), 3-30.

Jelle Haemers is gastblogger. Hij is hoofd van de onderzoeksgroep Middeleeuwen aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar politieke conflicten in de steden van laatmiddeleeuws Vlaanderen en Brabant.

Fabelachtig archief en waar het te vinden

Natuurlijk sneeuwde het die nacht in Gent. Bij het haardvuur keuvelden drie oudheidkundigen over de geschiedenis van de stad, tot een van hen beweerde de vindplaats van de Koop van Vlaanderen te kennen. Had deze legendarische oorkonde, die belangrijke rechten toekende aan de Gentenaars, dan toch bestaan? IJlings trokken de heren naar het belfort. Daar werden ze verwelkomd door hels gelach, terwijl buiten de sneeuw overging in een woest onweer. In plaats van het charter vonden de geleerden de geest van Karel V, die hen vermanend toesprak: ‘Jullie wetenschappelijke begeerte maakt jullie blind en dwaas!’

Dit alles bleek maar een droom, in 1853 opgetekend door Philippe Kervyn de Volkaersbeke. Met zijn Le songe d’un antiquaire wilde hij zijn oudheidkundige kwaliteiten tonen, onder meer door een lange beschrijving van zijn eigen verzameling en van het Gentse belfort. Ook hield hij met zijn novelle zijn tijdgenoten een spiegel voor. Onderzoekers en verzamelaars joegen voortdurend op nieuwe archiefstukken. Kervyn de Volkaersbeke vond in deze jacht stof voor zijn verhaal, maar gewiekste figuren zagen andere mogelijkheden. Zij produceerden zelf de documenten waar erudieten zo naar verlangden. Deze fabricaten zijn nog altijd aantrekkelijk: ze helpen de negentiende-eeuwse historische cultuur te doorgronden.

De brieven van Rubens

In 1838 keken alle liefhebbers uit naar een uitgave van brieven van Peter Paul Rubens door Jean-François Boussard. In een omstandige inleiding diste deze leraar op hoe hij de stukken in handen had gekregen. Een oude monnik van de abdij van Gembloers schonk ze hem in 1814, in ruil voor Chateaubriands Génie du Christianisme. Groot was de teleurstelling van het lezerspubliek toen bleek dat de gedachten van de zeventiende-eeuwse schilder weinig verschilden van dergelijke recente katholieke publicaties. De erg verzorgde uitgave leek eerder een hedendaags pamflet dan een eeuwenoude briefwisseling.

Een aankondiging van Les leçons de P.P. Rubens uit Le Courrier belge van 9 februari 1838.

Verschillende erudieten besloten dat de Leçons de Rubens een vervalsing moest zijn. Anderen waren daar minder van overtuigd. Boussard gaf immers enkel ongedateerde fragmenten van brieven in het Latijn en Italiaans uit, die hij naar het Frans had vertaald, zodat het moeilijk leek hun authenticiteit te beoordelen. De Koninklijke Commissie voor Geschiedenis sprak daarom de hoop uit dat de oorspronkelijke teksten ook gepubliceerd zouden worden, want mogelijk waren ze enkel al te vrijelijk vertaald. Boussard weigerde echter de originelen te tonen. Bijgevolg kon hij alleen maar hopen dat niet elke lezer de fouten en anachronismen in zijn brieven zou opmerken.

Welgeleerd, maar spotachtig

De titelpagina van Aenteekening van verschillige merkwaerdigheden over de brillen en verdere zienglazen, zogezegd geschreven door Fr. Eug. De Caesemaeker.

Terwijl Boussard sukkelde met zijn Rubensbrieven, verrijkte Theodorus Schellinck met meer succes de Gentse geschiedenis. Deze dagbladschrijver speelde steeds weer in op de verlangens van de mensen rondom hem. Volgens een eigentijdse biograaf was Schellinck ‘vroegtijdig wel geleerd en spotagtig van aerd’. Onder een pseudoniem schreef hij bijvoorbeeld een geschiedenis van de bril, in opdracht van een opticien. Schellinck stelde in dat boekje dat het graafschap Vlaanderen een van de eerste brildragende streken ter wereld was, namelijk al sinds de veertiende eeuw. In de toonaangevende Messager des sciences historiques verscheen een lovende recensie.

Niet anoniem, maar even verbazingwekkend was Schellincks oordeel over de muurschildering die in 1855 werd ontdekt in het Groot Vleeshuis. Volgens hem was Nabur Martins de kunstenaar. Als bewijs citeerde Schellinck uit het geheugen een archiefstuk dat hij twaalf jaar eerder had gevonden. Hoewel het document intussen niet meer bestond (en dat nooit heeft gedaan), smulde Edmond De Busscher – eminent kenner van de Gentse kunstgeschiedenis – van Schellincks herinnering ervan. Zelfs zonder bewijs had hij het kunstwerk aan de bekende Nabur Martins willen toeschrijven. De kennis over het verleden leek weer een beetje uitgebreid, een belangrijk verlangen van negentiende-eeuwse historici.

Meer, meer, meer

Les leçons de P.P. Rubens: schone schijn.

De Busscher onderhield de Koninklijke Academie in Brussel in 1858 over de ontdekking van Schellinck. Dat geleerd genootschap liet zich in 1873 ook nog vangen aan de Leçons de Rubens van Boussard. Een biografie van Antoon van Dyck die er uitgebreid uit citeerde, werd bekroond. Gents stadsarchivaris Victor Vander Haeghen gaf aan het einde van de negentiende eeuw de Academie de kans deze misstappen recht te zetten. In een uitgebreide verhandeling bestudeerde hij verschillende vervalsingen. Toch zouden de negentiende-eeuwse fantasieën nog enkele keren opnieuw worden opgediept.

Het succes van de dwalingen van Boussard en Schellinck tonen dat de kritische zin van de erudieten tekortschoot. Het verlangen naar onbekend archiefmateriaal maakte hen erg kwetsbaar, zoals de geest van Karel V waarschuwde in Le songe d’un antiquaire. In dat boek eindigden de oudheidkundigen door hun nieuwsgierigheid in de hel. De negentiende-eeuwse dilettanten verdienen een beter lot. De fouten die zij maakten, helpen begrijpen wat de toenmalige historische cultuur zo bijzonder maakte. Hoewel Schellinck laagopgeleid en onbemiddeld was, kon hij toch naam maken. De historische wereld verwelkomde blijkbaar iedereen die de nodige vaardigheden bezat – of deze leek te bezitten.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Titelafbeelding: het belfort van Gent in de jaren 1820, door J.B.J. Wynantz (Stadsarchief Gent, detail uit AG_W_058)

De ontheemde archivaris

Tespesius Dubiecki voelde zich thuis in Aat. De Poolse banneling stelde namelijk vast dat dat Henegouws stadje een Slavische oorsprong had. Belgische historici konden dat niet weten, maar voor Dubiecki was het duidelijk dat de oorspronkelijke Athois tot dezelfde familie behoorden als bijvoorbeeld de Kroaten en de Dalmatiërs. Wat een verrassing!

Tijdens de rest van de negentiende eeuw onderschreven verschillende lokale historici de opmerkelijke these. Pas na zestig jaar werd ze definitief afgewezen. Deze geschiedenis was immers niet op authentieke documenten gestoeld. Een opmerkelijke kritiek, want het was Dubiecki die in de jaren 1840 als eerste orde had gebracht in het stadsarchief van Aat.

Het succes van Dubiecki

De titelpagina van Dubiecki’s La ville d’Ath. Son antiquité, son origine slave, ses époques remarquables, ses archives communales, ses monuments et édifices publics, ses environs, etc. (Brussel, 1847).

De Gemeentewet van 1836 verplichtte ieder gemeentebestuur zijn archief te inventariseren. Vaak ging het om erg oude stukken, die niemand nog kon lezen. Ook Aat werd met dat probleem geconfronteerd, tot Dubiecki zijn diensten aanbood. In vijfhonderdvijfenvijftig dagen rondde hij de inventarisatie af. Amper twintig jaar later werd zijn werk weliswaar volledig overgedaan, omdat de Pool ‘zonder zorg en zonder nauwgezetheid’ zou hebben gewerkt, maar zijn initiële succes toonde dat een wijdverbreide opvatting ongegrond was: niet enkel oude ambtenaren, die tijdens het Ancien Régime zelf archiefstukken hadden voortgebracht, waren in staat met oude archieven om te gaan.

Dat was een erg gelukkige ondervinding, want dergelijke functionarissen waren omstreeks 1840 erg schaars geworden. Van de overblijvende bejaarden kon bovendien niet veel activiteit meer worden verwacht. Dat alles maakte het inventariseringswerk misschien wel lastiger, maar niet onmogelijk. Als zelfs een buitenlander met het archief overweg kon, behoorden die stukken niet langer enkel toe aan een selecte groep van ingewijden. Middeleeuwse stukken waren trouwens al voor veel achttiende-eeuwse ogen onleesbaar – en dus onbruikbaar – geweest.

Archivalische verlangens

Een geordend archief moest in een geschiedenis worden gegoten. Dat deed ook Dubiecki, met zijn bijzondere ontdekking. Zijn verlangen naar zijn geboortegrond was misschien wel opmerkelijk, maar eigenlijk niet uitzonderlijk. In Frankrijk had Augustin Thierry enkele jaren eerder opgetekend dat geen enkele geschiedenis zozeer aansprak als de eigen geschiedenis. Deze woorden werden ook in België met veel enthousiasme gelezen. En de historicus bij uitstek van die geschiedenis, was de plaatselijke archivaris. Dat Dubiecki zo graag wilde bewijzen dat hij in Aat thuishoorde, toont een ander diepgeworteld idee: een archivaris kon enkel in zijn geboortestad werken.

Victor Hermans, Mechelaar van verdienste.

‘Hoewel niet uit de stad afkomstig, want geboren in Antwerpen in 1841, durf ik hopen dat u mijn sollicitatie in overweging zult nemen,’ schreef J.J.P. Vanden Bemden in 1870 in zijn sollicitatiebrief voor de post van Mechels bibliothecaris-archivaris. Het stadsbestuur koos niet voor hem, maar dat had niet noodzakelijk met zijn afkomst te maken. De nieuwe stadsarchivaris was namelijk geboren in Maastricht. Niettemin klonk het veertig jaar later nog altijd dat Victor Hermans ‘weliswaar zonder Mechelaar van geboorte te zijn, toch het mooie Mechelse devies kon overnemen, wat betreft zijn gehechtheid aan oudheden: In fide constans’. Pas na lang en ijverig werken kon ook deze archivaris zich een plaats in de stad verwerven.

De professionele archiefwerker

Achter deze romantische gehechtheid aan de eigen streek school ook een praktische overweging. Wie de functie van archivaris met succes wilde uitoefenen, moest kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving. Bijgevolg was het onmisbaar vertrouwd te zijn met die geschiedenis. Een baan in een archief was bovendien zelden voltijds. Veel archivarissen kregen maar een karig loon. Bij voorkeur werd dan ook iemand aangesteld die al een andere betrekking had, bijvoorbeeld een leraar uit een van de scholen in de stad.

Het examen voor werknemers van de Rijksarchieven omvatte zowel een theoretische als een praktische proef. Vanaf 1903 moesten de examinandi hun kennis van zowel het oud-Frans als het oud-Nederlands bewijzen. Op die manier konden ze als archivaris in het hele land worden ingezet.

De zoektocht naar nieuw personeel voor de provinciale Rijksarchieven verliep oorspronkelijk gelijkaardig. In een universiteitsstad als Gent was het niet moeilijk om in de onmiddellijke omgeving een geschikte kandidaat te vinden, maar bijvoorbeeld in Doornik of Aarlen was de spoeling maar dun. Toch verdween deze lokale verankering pas aan het einde van de negentiende eeuw, toen het archivarissenambt sterk professionaliseerde. Vanaf 1895 moest iedereen die in een Rijksarchief wilde werken, een examen afleggen. Een jonge, actieve groep van gediplomeerde archivarissen ontstond, uitgerust met vaardigheden die overal konden worden ingezet. Op het ritme van hun promoties verhuisden zij van provincie naar provincie.

De lokale verankering werd uiteindelijk ook voor stadsarchivarissen minder belangrijk. Ze verdween echter niet helemaal. Hedendaagse archiefinstellingen plaatsen zich graag midden in het milieu waarvan ze de geschiedenis documenteren. Een archivaris uit de eigen streek kan daar misschien bij helpen, maar onontbeerlijk is dat niet. De Slavische redeneringen van Dubiecki hebben niet alleen hun grond, maar ook hun archivalische noodzaak verloren.

Timo Van Havere is als aspirant FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de cultuur van het archief in België tussen 1750 en 1914. Recent verscheen van hem De droom van een archivaris. De uitbouw van het Gentse stadsarchief en zijn collectie (1800-1930).

Titelafbeelding: De ‘Tour Burbant’ in Aat werd volgens Dubiecki vóór 300 gebouwd. Zijn theorie vereiste een dergelijke hoge ouderdom van de stad. In werkelijkheid werd de donjon pas omstreeks 1166 opgericht.

Celebrities spotten op het slagveld

In de nasleep van de Slag bij Waterloo in 1815 groeide het slagveld uit tot een toeristische trekpleister. Doordrongen van vaderlandsliefde trokken reizigers naar Waterloo om de plaatsen te aanschouwen waar landgenoten voor de natie hadden gestreden. Tot de ergernis van Pruisische, Nederlandse en Franse bezoekers vielen vooral de Britse helden op in het herinneringslandschap. De aanspraak van Groot-Brittannië op de overwinning weerspiegelde zich in de herinnering aan toonaangevende officieren in de slag.

Jonge en oude ‘John Bulls’

De buste van Wellington in de Sint-Jozefkerk.
De buste van Wellington in de Sint-Jozefkerk.

Als bezoeker kon je in de negentiende eeuw niet ontkomen aan de Britse reiskoetsen en reizigers die overal schenen op te duiken. Volgens een Duitse reisgids waren de voertuigen vanuit Brussel volgepropt met jonge en oude ‘John Bulls’. Britten bezochten Waterloo om de macht en glorie van Groot-Brittannië te aanschouwen op het ‘great field for mighty deeds’. Na een aantal jaren leek de pelgrimstocht naar Waterloo zelfs te zijn uitgegroeid tot een onontkoombare vaderlandse daad. Britten die voor het eerst in Brussel vertoefden, voelden zich verplicht om hun vaderland te eren door een bezoek aan het slagveld.

Behalve de kolossale Nederlandse leeuwenheuvel ter ere van de heldenmoed van de Prins van Oranje (1826) en het Pruisisch monument in Plancenoit (1818) waren het de Britse helden die werden vereeuwigd in het herinneringslandschap. Vooral in de kerk van Waterloo zorgden de Britse regering en een aantal adellijke families voor de oprichting van verschillende gedenktekens ter ere van Britse officieren. In 1855 financierde de regering de restauratie en uitbreiding van de kerk met een subsidie van 25,000 frank op voorwaarde dat de Britse helden er een prominente plaats kregen. Vooraan sierde voortaan een buste van de Hertog van Wellington de koninklijke kapel.

Britse strijders

De Hertog van Wellington.
De Hertog van Wellington.

Wellington, de Britse held bij uitstek, was vanaf het begin goed vertegenwoordigd in het herinneringslandschap. Zo bestond er in de nasleep van de veldslag veel interesse in de ‘Wellingtonboom’, gelegen op de heuvelkam van Mont St. Jean vanwaar de hertog het slagveld had overschouwd. Voorbijgangers namen graag een stukje van de boom mee naar huis, zodat de boom een jaar na de strijd op mensenhoogte al helemaal was ontdaan van bladeren en takken. Uiteindelijk verdween de boom in 1818 uit het landschap, nadat een Brit bereid was geweest te betalen voor het resterende gedeelte van de boom.

De meeste bezoekers namen ook een kijkje in de kamer waar het been van Lord Uxbridge was geamputeerd. De Britse held had de amputatie van zijn been overleefd en stierf pas in 1854 op hoge leeftijd. Aan geïnteresseerden toonde de huiseigenares de stoel waarop Uxbridge was geopereerd en de laars van het afgezette been. Tegen goede betaling was ze bereid een stuk van de laars ter nagedachtenis aan bezoekers mee te geven. De gastvrouw schrok er ook niet voor terug om goedgelovige Britse bezoekers te plezieren met extravagante legenden over het been en de laars. Zo vertelde ze dat Uxbridge na de Slag bij Waterloo ieder jaar op pelgrimstocht naar Waterloo was teruggekeerd om het graf van zijn been in de aangrenzende tuin te zien. De oud-strijder zou zelfs met zijn zonen aan zijn operatietafel hebben gedineerd.

In de voetsporen van beroemdheden

Na verloop van tijd begon Waterloo, behalve als plaats van herinnering van de befaamde veldslag, ook aantrekkingskracht uit te oefenen als de plaats waar eigentijdse beroemdheden bijzondere ervaringen hadden meegemaakt. De romantische schrijvers Walter Scott, Lord Byron en Robert Southey bezochten Waterloo vrij kort na de slag en brachten vervolgens hun reisverslagen en poëtische werken over het slagveld op de markt. Hun exemplarische bezoeken zorgden voor een vergroting van de attractiewaarde van Waterloo voor landgenoten. Bij de rondgang op het slagveld zochten Britse toeristen dezelfde plaatsen op en imiteerden hun handelingen. Volgens reisgidsen waren de oorspronkelijke handtekeningen van Byron en Southey nog steeds te bezichtigen op de muur van de kapel van het fort Hougoumont. Veel bezoekers deden het hen na. Na verloop van tijd sierden ontelbare namen, data en adressen de gehele witte wand, waardoor de eigenaar de kapel elke vijf jaar opnieuw moest witten.

Het balkon waarop Victor Hugo uitkeek over het slagveld, momenteel opgesteld in de achtertuin van de hoeve van Caillou.
Het balkon waarop Victor Hugo uitkeek over het slagveld, momenteel opgesteld in de achtertuin van de hoeve van Caillou.

Uiteindelijk trokken de ‘verliezers’ toch aan het langste eind. De beroemdheid die de grootste impact had op het negentiende-eeuwse Waterlootoerisme was de Fransman Victor Hugo. Van 7 mei tot en met 30 juni 1861 had hij in Hôtel des Colonnes te Waterloo gelogeerd om er zich volledig te wijden aan het hoofdstuk over Waterloo in Les misérables. Kort daarna doken er geregeld bezoekers op om de levensstijl van de schrijver te herbeleven. Georges Barral en Charles Baudelaire begonnen hun bezoek aan het slagveld in 1863 met een rondgang in dit hotel. Aan de tafel waar Hugo regelmatig had gedineerd, kozen ze voor diens doorsnee lunch die door de grote vraag van reizigers was uitgegroeid tot een traditionele specialiteit van het hotel. Hugo’s middagmaal bestond uit drie eieren, zwarte boter, vinaigrette, peper en zout, knapperige frieten, een groot stuk gruyèrekaas en een tas koffie. Ook de hotelkamer van Hugo was een wezenlijk onderdeel van de toeristische attractie. Met Les misérables in het achterhoofd keek menig Fransman vanop het aangrenzende balkon uit over het slagveld. De komst van beroemdheden als Hugo zorgde voor een vergroting van de attractiewaarde van Waterloo, al bleven ook de nationale helden uit de veldslag de bezoeken van negentiende-eeuwse reizigers inspireren.

Meer lezen?

Jolien Gijbels, ‘Beleven en herinneren op het slagveld van Waterloo: een adellijk perspectief (1815-1870)’, Virtus: Journal of Nobility Studies, 22 (2015), 125-146.

Jolien Gijbels, ‘Oog in oog met het slagveld van Waterloo: het herinneringslandschap in de beleving van Britse, Franse, Pruisische en Nederlandse reizigers (1815-1870)’, De Negentiende Eeuw, 40 (2016), 104-121.

Ben Schoenmaker, Jeroen van Zanten en Jurriën de Jong, Waterloo. 200 jaar strijd, Amsterdam, 2015.

Jolien Gijbels is wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze doet onderzoek naar de omgang met dode lichamen in de negentiende eeuw. Eerder deed ze ook onderzoek naar reizigerservaringen op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo.

Hoe de Duitsers monumenten oprichtten, en de Belgen ze afbraken

Gastblog door Karla Vanraepenbusch.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Brussel zoals het er vandaag uitziet.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bepaalden de Duitse bezetters vier jaar lang het dagelijkse leven in steden als Brussel, Antwerpen en Luik. Het gebrek aan bewegings- en persvrijheid, de voedselschaarste en de angst voor dwangarbeid, krijgsgevangenschap of erger wogen zwaar op de lokale bevolking. Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand afgekondigd werd, werd dat niet, zoals aan het front, ervaren als een staakt-het-vuren, maar als bevrijding. De oorlogsdreiging maakte dan ook langzaamaan plaats voor een bevrijdingsroes.

Tijdens die bevrijdingsroes van de eerste weken na de wapenstilstand zagen stadsbesturen zich geconfronteerd met de restanten van en de herinneringen aan de Duitse bezetting. Op stedelijke begraafplaatsen doorheen het land hadden de Duitsers bijvoorbeeld gedenktekens opgericht voor hun gesneuvelden. Tal van vooroorlogse straatnamen verwezen bovendien op een of andere manier naar Duitsland. Het was aan de stadsbesturen om te beslissen wat ze met deze herinneringen aan de voormalige vijand zouden doen. Uitwissen, of toch maar behouden?

Het monument dat de publieke opinie kwetste

De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.
De inhuldiging van het Duitse gedenkteken op de Luikse begraafplaats Robermont op 15 september 1916.

In 1916 hadden de Duitse autoriteiten op de Luikse begraafplaats Robermont een monument ingehuldigd met het beeld van een Teutoonse ridder. Nog in 1918 lieten ze op het Antwerpse Schoonselhof en op de begraafplaats van Brussel nieuwe Duitse monumenten plaatsen. Al meteen na de wapenstilstand op 11 november besloten zowel het Brusselse als het Antwerpse stadsbestuur om het Duitse gedenkteken af te breken. In Luik bepaalde de waarnemende burgemeester Valère Hénault dat het beeld van de Teutoonse ridder van de sokkel gehaald zou worden. De stadsbesturen verantwoordden hun beslissing met het voorwendsel dat de Duitsers geen toestemming hadden gevraagd om de monumenten op te richten, een inbreuk op de gemeentewet. Uiteraard speelden ook patriottische beweegredenen. Het beeld van de Teutoonse ridder moest verdwijnen omdat het de publieke opinie kwetste. En in Antwerpen moest het Duitse gedenkteken plaatsmaken voor een nieuw monument ter ere van de militairen gesneuveld voor het vaderland.

Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.
Het Duitse gedenkteken op de begraafplaats van Robermont nadat de Teutoonse ridder verwijderd was.

Zowel het Antwerpse als het Brusselse stadsbestuur namen de beslissing om het Duitse gedenkteken op hun begraafplaats af te breken meteen tijdens de eerste bijeenkomst van het schepencollege na de ondertekening van de wapenstilstand. In Luik bekrachtigde de gemeenteraad het haastig genomen besluit van Hénault pas tijdens hun eerste bijeenkomst, een maand na de feiten. Het bijzonder korte tijdsbestek waarin de stadsbesturen de beslissing tot afbraak namen, toont hoe belangrijk ze deze symbolische actie vonden. Ze toonden zich bovendien bereid om in die moeilijke naoorlogse dagen de kosten ervan op zich te nemen. Enkel in Brussel bleef het monument uiteindelijk toch behouden. Dat komt omdat de Brusselaars de afbraakwerken niet meteen uitvoerden. Toen ze die eindelijk wilden realiseren in 1920, werden ze teruggefloten door de Minister van Buitenlandse Zaken, die vreesde dat de afbraak van het gedenkteken de nog broze diplomatieke relaties met Duitsland op het spel zou zetten.

Von Barystraat, ‘verfoeiden naam’

GvA1918“’t Was velen een ergernis dat de Albert von Barystraat nog altijd met haar verfoeiden naam prijkte. Eindelijk heeft de Stad de openbare meening voldaan en die straat herdoopt in Jan Blockxstraat”, kon men op 28 december 1918 in de Gazet van Antwerpen lezen. De Duitse magnaat Heinrich Albert von Bary had voor de oorlog zo’n grote economische en politieke invloed dat hij beschouwd werd als de “Duitse burgemeester van Antwerpen”. Hij kreeg in 1912 de ongebruikelijke eer dat een straatnaam naar hem werd vernoemd terwijl hij nog in leven was. Tijdens de oorlog had von Bary zich echter gecompromitteerd door de Duitse oorlogsinspanning financieel te ondersteunen. Hij verloor dan ook meteen na de oorlog zijn straatnaam aan de Antwerpse componist Jan Blockx.

Koningin-verpleegster Elisabeth.
Koningin-verpleegster Elisabeth.

Heel wat straatnamen in de bevrijde steden die op de één of andere manier naar Duitsland verwezen, werden in de weken onmiddellijk na de wapenstilstand hernoemd. De nieuwe straatnamen waren vaak niet toevallig gekozen. Zo werd, om de ‘koningin-verpleegster’ te eren die zich tijdens de oorlog zo had ingezet voor het fysieke welzijn van de soldaten, de Avenue d’Allemagne in Luik vervangen door Avenue Reine Elisabeth. Als dank aan de Engelse bodgenoten hernoemde het Luikse stadsbestuur de Rue de Berlin tot Rue de Londres. En de Place de Bavière werd Place de l’Yser, als verwijzing naar de stellingoorlog aan het IJzerfront. Zo verdwenen de Duits klinkende straatnamen uit het stadsplan, dat zich vulde met nieuwe straatnamen die hulde brachten aan de helden en bondgenoten van België.

De herovering van de stad

Wat met de verwijdering van de oorlogsmonumenten en de wijzigingen in straatnamen op het spel stond, was de symbolische herovering van de bezette stad op de Duitsers. De stadsbesturen probeerden de stadsbewoners te helpen om de spanningen en trauma’s van de bezetting te verwerken. Hun strategie was eenvoudig. Ze trachtten alle sporen van de Duitse bezetting uit het stadsbeeld te wissen en zuiverden zo de stedelijke ruimte van alles wat Duits was. De stadsbesturen heroverden als het ware de stad, zodat die eindelijk, na vier jaar, weer echt van hen werd.

Meer lezen

Karla Vanraepenbusch en Anne-Mie Havermans, ‘Omgaan met het erfgoed van de “vijand”. Duitse WO 1-monumenten op stedelijke begraafplaatsen in bezet België’, Volkskunde,  117 (2016), 1–20.

Laurence van Ypersele, Chantal Kesteloot en Emmanuel Debruyne, Brussel: De oorlog herdacht (1914-2014), Waterloo, 2014.

Antoon Vrints, ‘De Klippen des Nationalismus. De Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de Duitse kolonie in Anwerpen’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 10 (2002), 7–41.

Karla Vanraepenbusch is gastblogger. Ze is als doctoraatsbursaal verbonden aan het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) en aan de Université catholique de Louvain. Ze doet onderzoek naar de materiële herinneringssporen aan WO1 in Antwerpen en Luik.

Helden voor de jeugd

L’héroïsme de la jeunesse, zo luidde het thema van de schrijfwedstrijd die de Belgische minister van Openbaar Onderwijs François Bovesse op 18 januari 1936 lanceerde. Net als zijn voorgangers was Bovesse van mening dat leerlingen heldenmoed konden leren, zolang ze maar de juiste voorbeelden hadden. De tien laureaten van de wedstrijd zouden worden beloond met de biografie van Léon Trulin, een jonge Rijselse spion van Belgische afkomst uit de Eerste Wereldoorlog, en de winnaar mocht een jaar lang pronken met een replica van het Rijselse standbeeld van de verzetsheld. De prijzen werden voorzien door Les Amis de Lille, een Rijselse belangenvereniging die zich bekommerde om het imago van de Franse grensstad in binnen- en buitenland.

Officiële herdenking van de executie van Trulin, datum onbekend.
Officiële herdenking van de executie van Trulin, datum onbekend.

Belgische kinderen hadden tijdens het interbellum geen tekort aan exempels van heldhaftige vaderlandsliefde: zij bewonderden het koningspaar boven het schoolbord, schreven opstelletjes over de Brusselse spionne Gabrielle Petit, leerden over de Engelse verpleegster Edith Cavell en de moedige soldaat Léon Trésignies. Met de schrijfwedstrijd voegde Bovesse nog een figuur toe aan het toch al goed gevulde pantheon: dat van een Frans-Belgische jongen dan nog wel. Waarom voelde  Bovesse daar de nood toe?

Ere wie ere toekomt

Als zoon van Belgische migranten groeide Trulin op in Rijsel. Samen met enkele vrienden verzamelde hij tijdens de Wereldoorlog inlichtingen over de Duitse vijand en smokkelde hij die via Nederland naar Engeland. Op 3 oktober 1915 werd hij tijdens zo’n tocht gearresteerd en later gefusilleerd. In Rijsel werd de achttienjarige Trulin vrij vlug na zijn dood een geliefde volksheld.

Zoals andere steden herdacht ook Rijsel na de oorlog zijn verzetslieden met een groots opgezet monument. De stad wilde tonen dat zij de bezetting niet lijdzaam had ondergaan en de collectieve zelfwaarde van de bevolking enigszins opkrikken. De beeldengroep van Felix-Alexandre Desruelles werd ingehuldigd op 31 maart 1929. Maar de manier waarop de kunstenaar de verzetslieden in beeld had gebracht, werd niet door iedereen geapprecieerd. De familie Trulin was geschokt toen bleek dat van de vijf figuren die de beeldengroep vormden, vier onverschrokken de dood in de ogen keken, terwijl hun Léon roerloos op de grond lag. De moed van Léon werd tekort gedaan, zo klaagde zij in een brief aan de Rijselse vereniging Les Amis de Lille. De familie vroeg een rechtzetting.

Les Amis de Lille

Publicatie L’adolescent chargé de gloire uit 1932 van Philippe Kah.
Publicatie L’adolescent chargé de gloire uit 1932 van Philippe Kah.

De belangengroep Les Amis de Lille was gesticht in 1909 en had als doel Rijsel als toeristische en economische bestemming te promoten. De leden van de vereniging beschikten samen over heel wat prestige, financiële middelen en het oor van belangrijke politici. Het maakte van Les Amis de Lille een invloedrijke speler in het politieke, economische en sociale leven van de regio. In de loop van de jaren 1920 steunde de vereniging de oprichting van verschillende oorlogs- en herinneringsmonumenten in Rijsel. Dat de misnoegde familie Trulin zich tot Les Amis de Lille richtte, hoeft dus weinig te verwonderen. Toch kon ook Les Amis de Lille niets meer veranderen aan de beeldengroep. Daarom gooiden de leden van de vereniging het over een andere boeg.

In de jaren na de inhuldiging van het officiële monument voor de Rijselse verzetshelden, creëerde Les Amis de Lille een parallelle heldencultus rond de figuur van Léon Trulin. Op 8 november 1931 werd een gedenkplaat opgericht op de executieplaats van Trulin. Een jaar later verscheen een boekje van de hand van de voorzitter van de vereniging, de advocaat Philippe Kah, waarin het korte leven van Trulin met een aureool werd omgeven: hij was l’adolescent chargé de gloire. In 1933 werd een standbeeld van Léon Trulin ingehuldigd op diens begraafplaats op de cimetière de l’Est, en nog een jaar later werd een standbeeld van de jonge held ingehuldigd aan het Rijselse justitiepaleis. Elk jaar, op 8 november, werd de executie van Trulin officieel herdacht door leden van het stadsbestuur en door de leerlingen van de École Léon Trulin.

Rijselse heldhaftigheid

Programma van de fêtes de l’amitié franco-belges in 1921 met op de voorpagina een foto van de Belgische koninklijke familie (Collectie Damien Top).
Programma van de fêtes de l’amitié franco-belges in 1921 met op de voorpagina een foto van de Belgische koninklijke familie (Collectie Damien Top).

Voor Les Amis de Lille was het doel van een schrijfwedstrijd over Trulin in de Belgische scholen veel meer dan louter de bekendheid van Trulin te vergroten. De jonge verzetsheld met Belgische roots vormde voor de leden van de vereniging een zoveelste voorbeeld van wat zij typische ‘Rijselse heldhaftigheid’ noemden. Rijsel vormde voor hen de eerste, belangrijke verdediger van de Franse waarden liberté, égalité et fraternité tegen de buitenlandse ‘barbaren’: tijdens de jaarlijkse Semaine Glorieuse in oktober werd de rol van moedige en onverschrokken Franse verdediger uitgebreid gevierd door de stad.

Les Amis de Lille breidde het idee van Rijsel als verdediger van moderne waarden zonder al te veel moeite ook uit naar België. Immers, na de Wereldoorlog werd de Franse leuze van liberté, égalité et fraternité steeds meer universeel gewaardeerd als basis voor een echte democratie. Als stad op de grens beschouwde Rijsel zichzelf op bijna evidente wijze als de verbindende kracht tussen Frankrijk en België tégen de gezamenlijke vijand Duitsland. De schrijfwedstrijd over Trulin, maar ook de fêtes de l’amitié franco-belge die Les Amis de Lille eerder ondersteunde in Rijsel, vormden exponenten van deze visie.

Trulin ter inspiratie

Wellicht was het imago van de Franse grensstad niet de hoofdreden waarom de minister van Openbaar Onderwijs Bovesse akkoord ging met de inrichting van een schrijfwedstrijd over een Frans-Belgische held. Dat hij de lieveling van Les Amis de Lille toch promootte in de Belgische scholen, had meer te maken met zijn groeiende bekommernis om een gebrek aan vaderlandsliefde bij de Belgische jeugd: een kwalijke ontwikkeling die, zeker in het licht van de toenemende spanningen op het internationale toneel, moest worden bijgestuurd. De figuur van Léon Trulin herinnerde aan vroegere bondgenootschappen en vormde een extra voorbeeld van vaderlandsliefde. En daar had geen enkel land ooit voldoende van.

Meer lezen

Tine Hens, Saartje Vanden Borre en Kaat Wils. Oorlog in tijden van vrede. De Eerste Wereldoorlog in de klas, 1919-1940, Kalmthout: Pelckmans, 2015.

Kevin Labiausse, ‘Un syndicat d’initiative durant l’entre-deux-guerres: les Amis de Lille’, Revue du Nord 85.349 (2003), 117-138.

Titelafbeelding: Monument voor de gefusilleerden in Rijsel.

Saartje Vanden Borre is verbonden aan de Specifieke Lerarenopleiding geschiedenis. Zo promoveerde in 2012 op een proefschrift over Belgische migranten in Noord-Frankrijk. In 2015 verscheen van haar hand Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk.

Pronken met archief in het stadhuis te Gent, eind negentiende eeuw.
Pronken met archief in het stadhuis te Gent, eind negentiende eeuw.

Toen in 1794 de Franse Revolutie Gent bereikte, leken alle overblijfselen van de afgeschafte feodaliteit in gevaar. In het stadhuis lieten revolutionairen hun oog vallen op de ‘Staten van Goederen’ –  de boedelbeschrijvingen die werden opgemaakt om de erfenis van minderjarige kinderen te verzekeren. Op de banden van deze registers stonden immers de wapenschilden van de opeenvolgende voorschepenen en als tekenen van de oude machthebbers konden die niet getolereerd worden. Om hun behoud te verzekeren, werden deze blazoenen door een plichtsbewuste ambtenaar overschilderd.

Deze verminking deed geen afbreuk aan de waarde van de ‘Staten van Goederen’. Al sinds de jaren 1790 werden ze namelijk beschouwd als ancien-régimeaanvulling op de registers van de nieuwe burgerlijke stand. Genealogen maakten er gedurende de negentiende eeuw dan ook graag gebruik van, tot grote ergernis van de stadsarchivaris, die meende dat het stadsarchief slechts voor ‘historische’ – in tegenstelling tot ‘persoonlijke’ – opzoekingen mocht dienen.

Vanaf de jaren 1840 werd getracht de overschilderde wapenschilden weer bloot te leggen. Dit lukte uiteindelijk in 1888. Het resultaat werd meteen tentoongesteld in de Arsenaalzaal in het stadhuis. Bovenstaande foto toont een dergelijke opstelling. De archiefstukken waren sindsdien niet enkel administratief belangrijk en historisch interessant, maar bezaten ook (weer) esthetische kwaliteiten.

De Arsenaalzaal was de geschikte plaats voor deze tentoonstelling. Zij was eveneens pas gerestaureerd. De banken waar de ‘Staten van Goed’ op rustten, waren speciaal voor de gelegenheid aangebracht. De nieuwe beschildering van de muren was een ontwerp van Eugène Viollet-le-Duc. In dat decor maakten de registers ‘eenen kolossalen indruk’, zoals Paul Fredericq later schreef.

De vernielzucht van de Franse Revolutie had meteen ook het verlangen opgeroepen om de restanten van het verleden te bewaren, wat zich onder meer uitte in de oprichting van archieven en de zorg voor monumenten. Deze foto herinnert aan beide bewegingen, net als aan de voortdurende veranderingen in het gebruik en de betekenisgeving van archief.

Tekst: Timo Van Havere. Foto: Stadsarchief Gent, Detail uit SCMS_FO_6346.