Begraven in tijden van epidemieën

Gastblog door Oke Dorien Hendrickx.

In 1349 werden er veel sterfgevallen opgetekend. Een oorkonde van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male uit dat jaar vermeldt dat “een menichte van volke… dagehelicx van live ter doot commen”. Het tekstfragment is geschreven in de nasleep van het uitbreken van de eerste pestepidemie in Brugge. De pestepidemieën die de stad ook de volgende drie eeuwen bleven teisteren, zorgden voor de ontwrichting van eeuwenoude begrafenisgebruiken.

Religieuze begrafenissen in epidemieloze tijden

Giovanni Boccaccio, Livre appelé Decameron, autrement surnommé le Prince Galet (14de eeuw).

Als een zieke in de middeleeuwen op het punt stond om te sterven, werd hij of zij op zijn sterfbed omringd door familieleden, die gebeden voordroegen. Een priester diende de stervende het sacrament van de ziekenzalving toe en soms kwam er een dokter of notaris langs die de laatste wil noteerde. Na de dood werd de overledene meteen voorbereid op de begrafenis. Hierbij voerde men een toilet uit, een soort zuivering van het lichaam: het lichaam werd ontkleed en gewassen. Soms werd het lijk opnieuw gehuld in mooie kledij, waarna het werd gewikkeld in een lijkwade. Bij uitgestelde kerkelijke begrafenissen verwijderde men de ingewanden of balsemde men het lichaam, om het ontbindingsproces tijdelijk tegen te gaan.

Na deze begrafenisrituelen kwamen de overledenen terecht in een individueel graf in een kerk of op het kerkhof. Ze werden thuis in een kist of op een brancard gelegd en dan naar hun laatste rustplaats getransporteerd.

Miasmatheorie

Tijdens middeleeuwse epidemieën werd de praal van dergelijke religieuze begrafenisrituelen overbodig. De dood was een alomtegenwoordig gegeven geworden. Begravingen vonden dagelijks plaats en er heerste een voortdurend besmettingsgevaar.

De Augustinessen (of Cellezusters) in het Hôtel-Dieu hospitaal in Parijs (ca. 1482; onbekende miniatuur).

De maatregelen van stadsbesturen om dergelijke epidemieën te bestrijden, vloeiden voort uit een breed gedragen geloof in de miasmatheorie, die de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne samenleving in zijn greep hield. Deze leer stelt dat epidemieën zich verder verspreiden via ‘vervuilde’ lucht. Stank werd met andere woorden gezien als het uiterlijke kenmerk van onreine lucht. Miasma was toen al een oud begrip dat reeds opdook in het oude Griekenland. Hippocrates, de bekende Griekse arts, vormde naar verluidt de basis voor de gelijknamige leer. De theorie zou eeuwenlang, tot in de negentiende eeuw, overeind blijven.

Veranderde begrafenisrituelen

Door de miasmatheorie vond men het nodig om het begrafenisritueel grondig te veranderen tijdens pestepidemieën: het lichaam werd zo snel mogelijk uit de omgeving van gezonde mensen gehaald en zo weinig mogelijk aangeraakt, om besmetting te voorkomen. De gebruikelijke handelingen – het wassen en aankleden van het lichaam – werden grotendeels opzij geschoven, maar één element werd nooit overgeslagen: het wikkelen van het lichaam in een lijkwade. Tijdens epidemieën was de lijkwade namelijk belangrijk om het lichaam herkenbaar te maken tussen de andere overledenen in een massagraf. Ook kregen de meeste pestlijders nog een kerkelijke begrafenisdienst. Een hemels leven na de dood was ook voor hen natuurlijk nog steeds belangrijk.

Bij de pestuitbraken kwamen zogenaamde besorghers naar het huis van het slachtoffer om de uitvaart te verzorgen. De Cellezusters en Cellebroeders, lekencongregaties die focusten op ziekenzorg, waren bevoegd om deze taak uit te voeren. Pestlijken werden meestal ’s nachts getransporteerd naar het kerkhof, om zo weinig mogelijk gezonde mensen in contact te brengen met geïnfecteerden. Hierbij werden de lichamen in grote karren op elkaar gestapeld.

Michaël Wolgemut, The Dance of the Death (1493).

Naarmate de pest steden als Brugge vaker teisterde, kwam er een verbod op kerkelijke begrafenissen en raakten de kerkhoven overbelast. Nieuwe kerkhoven werden aangelegd buiten de stadsmuren, niet alleen om het grote aantal doden een plaats te kunnen geven, maar vooral om besmetting van de gezonde stadsbewoners zoveel mogelijk te vermijden. Mensen die aan een andere oorzaak dan de pest stierven, kregen wel nog een begraafplaats binnen de stadsmuren. Vanaf de zestiende eeuw ging men nog een stap verder. Men deed men afstand van individuele graven en legde gemeenschappelijke begraafputten aan, omdat het aantal pestdoden bleef toenemen.

En hoe verging het de Cellebroeders of –zusters? Na de uitvaart van de pestlijders bleven ze meestal nog een tijdje ter plaatse om een boedelinventaris op te stellen en om het huis grondig te verluchten, zodat alle ‘vuile’ lucht eruit verdween. Ze werden in de volksmond dan ook de pestdragers genoemd, niet enkel omdat ze de pestlijders naar hun laatste rustplaats droegen, maar ook omdat ze zelf veel risico liepen om drager van de ziekte te worden.

Meer lezen:

Boelaert, J.R., Zes eeuwen infectie in Brugge: 1200-1800, Leuven, 2012.

Balace, S. en De Poorter, A. (red.), Tussen hemel en hel: sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Brussel, 2010.

Oke Dorien Hendrickx is bachelorstudent geschiedenis. Ze schrijft in het academiejaar 2018-2019 een bachelorpaper over epidemieën in het middeleeuwse Brugge.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.