Alle berichten van admin

Elwins 4 favoriete bibliotheken

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Wie de vakantieperiode werkend doorbrengt, vindt hier enkele erudiete tips van Elwin Hofman.

Nu al deze zomerse lijsten aanzetten tot toerisme, slaat bij de medemens die nog aan het werk is de wanhoop onverwijld toe. Voor hen trekken we deze week naar plaatsen waar het nuttige aan het aangename te koppelen valt: naar de meest bewonderenswaardige en indrukwekkende bibliotheken die onze planeet kent.

  1. Trinity College Library, Dublin
De ‘long room’ (CC BY-SA Diliff).

De bibliotheek van Trinity College in Dublin staat te boek als een van de mooiste historische bibliotheken in Europa. De befaamde ‘long room’, de 65 meter lange centrale ruimte van de oude bibliotheek, werd gebouwd aan het begin van de achttiende eeuw en herbergt nog steeds zo’n 200.000 oude drukken. De bibliotheek is een vaste waarde voor iedere toerist in Dublin, maar wordt ook nog steeds door onderzoekers gebruikt. Die onderzoekers moeten evenwel helaas in een andere – iets minder indrukwekkende – zaal werken.

  1. Mansueto Library, Chicago
Mansueto Library (CC BY-NC-ND Frank Kehren).

In 2011 opende in Chicago de Joe and Rika Mansueto Library – een enorme ellipsvormige glazen koepel. Het ontwerp van de Duits-Amerikaanse architect Helmut Jahn is niet alleen een prachtig staaltje hedendaagse architectuur, maar biedt ook een innovatieve bibliotheekwerking. Het hart van de bibliotheek situeert zich immers ondergronds: daar zitten magazijnen met ruimte voor 3,5 miljoen boeken. Het ophalen van die boeken gebeurt met een geautomatiseerd systeem: eens de aanvraag van een boek via de computer gebeurd is, wordt het automatisch binnen de vijf minuten in de leeszaal geleverd. De technische hoogstandjes komen evenwel met een prijs: onder de glazen koepel zijn laptopschermen vaak onleesbaar en ronkt de airconditioning ongenadig hard.

  1. Bibliothèque Nationale de France, Parijs
Bibliothèque Nationale de France (CC BY AndroidHel).

Dertig jaar geleden kondigde de Franse president François Mitterrand de bouw van een grootschalige nieuwe nationale bibliotheek aan. De nieuwe site, die uiteindelijk ook naar hem zou genoemd worden, werd in fases tussen 1996 en 1998 in gebruik genomen. Vier grote torens omgorden als opengeslagen boeken de ruime esplanades waarin zich de leeszalen bevinden. Centraal bevindt zich een wilde tuin – helaas niet toegankelijk voor het publiek. De collecties omvatten hier zo’n 11 miljoen boeken, wat het tot een van de grootste bibliotheken van Europa maakt. Bovendien worden in het gebouw ook exposities georganiseerd. In de Bibliothèque Nationale bestaat wel nog een klassensysteem: de bovenverdieping is voor iedereen toegankelijk, maar de benedenverdieping, waar het grootste deel van de collectie raadpleegbaar is, is enkel toegankelijk voor professionele onderzoekers. Een voorafgaand interview is vereist om die toegang te verkrijgen.

  1. Universiteitsbibliotheek, Leuven
De Leuvense Universiteitsbibliotheek (CC BY Theedi).

Het zou mijn eigen uitvalsbasis oneer aan doen als ik de Leuvense Universiteitsbibliotheek niet in dit lijstje zou opnemen. Na de vernietiging van de bibliotheek tijdens de Eerste Wereldoorlog werd een grootse wervingsactie opgezet om een nieuwe bibliotheek te bouwen. Die kwam er aan wat nu het Ladeuzeplein is. Het ietwat pompeuze gebouw werd ontworpen als ware het een renaissancistisch meesterwerk – al zijn er in België geen renaissancistische gebouwen van die grootteorde. De grote leeszaal, met veel hout en twee galerijen, bekoort niet alleen studenten en onderzoekers, maar ook talloze toeristen (“it looks just like it’s from Harry Potter!”). Ook hier moet echter zitcomfort wijken voor esthetiek – harde houten stoelen zijn er het lot van de onderzoeker.

Elwin Hofman is als postdoctoraal onderzoeker van de KU Leuven verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Zijn huidige onderzoek betreft de cultuurgeschiedenis van de criminele ondervraging.

Wouters 4 leukste historische plekken in Noord-Brabant

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Deze week: Wouter Egelmeers.

Weinig Belgen in de provincies Antwerpen en Waals- en Vlaams-Brabant zullen zich in de eerste plaats Brabanders voelen. In het noordelijkste deel van het oude hertogdom, het Nederlandse Noord-Brabant, is dat wel anders. Omdat vakanties dichtbij huis ook verrassende inzichten kunnen leveren en om het eenheidsgevoel onder de Brabanders nieuw leven in te blazen: enkele tips van Wouter Egelmeers, geboren Noord-Brabander.

  1. Den Bosch
Een close-up van het exterieur van de Sint-Janskathedraal. De toren was ooit tientallen meters hoger, maar werd in 1584 door de bliksem getroffen.

De hoofdstad van het Nederlandse deel van Brabant, en naast Leuven, Antwerpen en Brussel een van de oude hoofdsteden van het hertogdom, is ’s-Hertogenbosch. Met zijn gedeeltelijk bewaard gebleven vestingwerken, oude steegjes en het tot pal aan de stadswallen lopende natuurgebied “het Bossche Broek” is het een van de mooiste steden van Brabant. De van ontelbare luchtbogen en ornamenten voorziene Sint-Janskathedraal wordt gezien als het hoogtepunt van de Brabantse gotiek. De stichter van de stad was waarschijnlijk hertog Hendrik I van Brabant, die in de Leuvense Sint-Pieterskerk begraven ligt.

  1. Nassaustad Breda
Het interieur van de Prinsenkapel te Breda, met het praalgraf van Engelbert II van Nassau.

Breda is in veel opzichten na ’s-Hertogenbosch de ‘tweede’ stad van Noord-Brabant. In de negentiende eeuw heeft het er bij de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden zelfs nog kort om gespannen of Breda de hoofdstad van de provincie zou worden. De stad wordt ook wel het ‘Haagje’ van het Zuiden genoemd, misschien vanwege de band met de familie van Oranje-Nassau. De Nassaus hadden Breda vanaf de vijftiende eeuw als thuisbasis, en als de Tachtigjarige Oorlog het niet had verhinderd, was Willem van Oranje net als zijn voorouders in de Bredase Onze-Lieve-Vrouwekerk begraven. Deze kerk is ook zonder Willems graf zeker de moeite van het bezoeken waard vanwege de goed bewaard gebleven architectuur en de zogenaamde Prinsenkapel, met het praalgraf van de Brabantse edelman Engelbrecht II van Nassau.

  1. Een Sint-Pieterskerk in zakformaat
Het interieur van de basiliek te Oudenbosch, compleet met een verkleinde versie van het baldakijn van Bernini.

Net als in het Belgische deel van het oude hertogdom is de bevolking van Noord-Brabant van oudsher katholiek. Hoe sterk dit katholicisme was, is nog te zien in het plaatsje Oudenbosch. Dit dorp functioneerde als verzamelpunt voor de ruim 3200 Nederlandse vrijwilligers die in de periode 1861-1870 bereid waren als zogenaamde ‘zoeaven’ hun leven te geven voor de paus, in de strijd tegen de Italiaanse nationalisten die van Rome de hoofdstad van de nieuwe verenigde republiek Italië wilden maken. De pastoor van Oudenbosch richtte voor de Italiëgangers een speciaal instituut op, geflankeerd door een verkleinde replica van de Sint-Pieterskerk in Rome, met de gevel van de Sint-Jan van Lateranen. Vlakbij deze bijzondere kerk is het enige zoeavenmuseum van Europa gevestigd.

  1. Het slagveld bij Strijbeek
De Strijbeeksche Beek.

Het lot van negentiende-eeuwse veldslagen was vaak zwart-wit: of de plek waar ze zich hadden afgespeeld werd tot een trekpleister omgevormd, of ze verdwenen in de vergetelheid. Op Noord-Brabants grondgebied heeft een heel kleine veldslag plaatsgevonden – als hij die naam al verdient – waaromheen vrij recent alsnog een herinneringscultuur is ontstaan. In de winter van 1813-1814 rukten Pruisische en Russische troepen via Noord-Brabant op richting de belangrijke vesting- en havenstad Antwerpen. Aan de Nederlandse zijde van de bevroren Strijbeeksche Beek stootten tweehonderd Fransen en vierhonderd Pruisische manschappen op elkaar, waarbij er dertien doden vielen. Bijna twee eeuwen later, begin 2004, is er aan de rand van het voormalig slagveld een granieten zwerfkei geplaatst met een gedicht dat aan de slag herinnert. Op 2 januari 2014, precies tweehonderd jaar na de slag, werd het gevecht door historische re-enactors nagespeeld.

Wouter Egelmeers is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar publicatiecultuur en piraterij in de negentiende-eeuwse wetenschap.

Joliens 5 favoriete slagvelden

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Deze week: Jolien Gijbels.

Plaatsen die met catastrofes en menselijk lijden worden geassocieerd, doen het goed in het toeristisch aanbod. Sinds de Eerste Wereldoorlog nam het aantal bezoeken aan voormalige strijdtonelen sterk toe. Toch zijn er ook voorbeelden van oudere slagvelden die al langer reizigers aantrekken.

  1. Troje
De muren van het oude Troje.

In de Griekse mythologie staat de Trojaanse oorlog bekend als de tienjarige belegering van Troje door het Griekse leger die uitmondde in een Griekse overwinning en de verwoesting van Troje. Vroege reizigers die het slagveld wilden bezoeken, waren niet alleen gefascineerd door de veldslag, maar ook door de herinnering aan beroemde machthebbers die het slagveld eerder hadden bezocht. Volgens de oud-Griekse geschiedschrijver Herodotos behoorde de Perzische koning Xerxes in 480 v.C. tot een van de eerste bezoekers. Een eeuw later, in 334 v.C., onderbrak de Macedonische vorst Alexander de Grote zijn invasie van Azië om een bezoek te brengen aan het slagveld van Troje. Net als Xerxes bracht hij er een offer aan de godin Athena en eerde hij de graven van de Griekse helden. Kort na zijn bezoek groeide het slagveld uit tot een grote trekpleister in de Oudheid.

  1. Groeningekouter (Kortrijk)
Het enige resterende deel van de Groeningebeek waarachter het Vlaamse leger zich had opgesteld.

Historische slagvelden vergen van bezoekers veel verbeeldingskracht. Veranderingen aan het oorspronkelijke landschap maken het moeilijk om zich de voorbije strijd voor te stellen. Dat is zeker zo bij oude strijdtonelen die door processen van stadsuitbreiding in de loop der geschiedenis onherkenbaar zijn geworden als slagveld, zoals de Groeningekouter in Kortrijk waar de Guldensporenslag plaatsvond. In 1302 versloegen de Vlaamse ambachten er aan de zijde van de Graaf van Vlaanderen de alliantie van de Vlaamse patriciërs en de Franse koning. Eeuwen later ontstond er een Vlaams-nationalistische cultus rond het slagveld, en deed de mythe van een Vlaamse vrijheidsoorlog met bijhorende helden als Pieter de Coninck zijn intrede. Dat Kortrijk ieder jaar op de officiële Vlaamse feestdag de Belgische media haalt, heeft dus vooral te maken met de toe-eigening van de veldslag door de Vlaamse beweging vanaf het einde van de negentiende eeuw.

  1. Merelveld (Kosovo)
De Slag op het Merelveld (Adam Stefanović, 1870).

Meestal herinneren slagvelden aan glorieuze overwinningen met bijhorend bloedvergieten en voorbeelden van heldenmoed. Het middeleeuwse slagveld Merelveld, daarentegen, herinnert de Serviërs aan een historische nederlaag. Op 5 kilometer van de huidige Kosovaarse hoofdstad Pristina versloeg het Ottomaanse leger in 1389 de Serviërs. In de ogen van Servische nationalisten uit de negentiende eeuw was dit een onrechtvaardige nederlaag die het begin van een eeuwenlange Ottomaanse overheersing inluidde. Deze nationale mythe ondersteunt ook nu nog de territoriale aanspraken van Servische nationalisten op Kosovo.

  1. Waterloo
Het slagveld in 1900.

Onmiddellijk na de Slag bij Waterloo in 1815 maakten de eerste bezoekers hun opwachting. Ze stonden oog in oog met de doden en gewonden die in de eerste weken na de strijd waren blijven liggen. De sporen van de veldslag maakten een diepe indruk op hen. Na enkele jaren werden ook een aantal monumenten vast onderdeel van een doorsnee bezoek. Een colonne ter ere van de Britse luitenant-kolonel Gordon (1817) werd gevolgd door een piramide ter nagedachtenis aan de moed van de Hannoveranen (1818) en een Pruisisch monument in Plancenoit (1819). Met de komst van de Nederlandse leeuw in 1826 bleef enkel de verliezende partij ondervertegenwoordigd. Franse bezoekers zouden tot het begin van de twintigste eeuw op hun eerste gedenkteken moeten wachten.

  1. Gettysburg
Canonnen op het slagveld van Gettysburg.

In 1863 kort na de driedaagse strijd in Gettysburg, de grootste veldslag uit de Amerikaanse burgeroorlog, ontstond de idee om het slagveld in de oorspronkelijke staat te bewaren. De Gettysburg Battlefield Memorial Association kocht verschillende stukken land op die later werden erkend als een National Military Park. Een groep veteranen legde zich toe op de ontwikkeling van het park met observatietorens, wegen en wegmarkering die de aandacht vestigen op de belangrijkste episodes uit de veldslag. Eerst werden vooral de overwinnaars, de noordelijke unionisten, vereeuwigd op het terrein. Na enkele decennia nam ook de interesse van veteranen uit zuidelijke staten toe. Al snel groeide de site uit tot een nationaal symbool. Op de herdenkingen van 1913 en 1938 vierden talloze overlevende veteranen uit het noorden en zuiden van het land de nationale hereniging van de Verenigde Staten.

Jolien Gijbels is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Ze verricht onderzoek naar de rol van levensbeschouwelijke diversiteit in de Belgische medische pers in de negentiende eeuw.

4 keer ondergronds met Timo

Tijdens de zomervakantie polsen we naar de toeristische tips van onze cultuurhistorici. Timo Van Havere bijt de spits af.

Alvorens hij in 1788 Rome verliet, wilde Goethe de catacomben van Sebastianus bezoeken. De muffe ruimtes bevielen hem niet, zodat hij deze snel weer ontvluchtte. Met een goed boek compenseerde Goethe vervolgens het teleurstellende bezoek. Timo Van Havere zoekt naar een ondergrondse plaats waar het wel aangenaam vertoeven is.

  1. Sir John Soane’s Museum (Londen, Verenigd Koninkrijk)

De mooiste kelder ter wereld bevindt zich onder 13, Lincoln’s Inn Fields in Londen. Daar woonde vanaf 1813 John Soane. Deze neoklassieke architect maakte van zijn huis een ode aan de architectuur, waar hij graag bezoekers verwelkomde. Na zijn dood in 1837 werd de woning een museum.

De catacomben van John Soane in 1835.

Tegenwoordig blijft de voordeur van het huis gesloten. De recente restauratiecampagne heeft ervoor gezorgd dat bezoekers Soane’s woning betreden via de kelder van nr. 12. Het is jammer dat het parcours dat Soane zelf uitdacht, niet meer wordt gevolgd. Als nieuw aanvangspunt is de kelderverdieping nu belangrijker dan ooit tevoren.

De excentriciteit van het hele huis zit weliswaar al in de kelder verscholen. Een deel ervan werd een gotische fantasie, geconstrueerd rond de fictieve Padre Giovanni. Die monnik kreeg zelfs een graf, maar de inscriptie ‘Alas, Poor Fanny!’ maakt duidelijk dat de familiehond er begraven ligt. De laatste restauratie herstelde de verzameling grafurnen, die gepresenteerd worden in pseudo-catacomben. Toch lonkt de trap naar boven.

  1. Saint Agatha’s Historical Complex (Rabat, Malta)

Echte catacomben vindt men onder meer in Malta. Vooral Rabat, de voorstad van de voormalige hoofdstad Mdina, biedt ondergrondse bezienswaardigheden. Daar bevindt zich onder meer Saint Agatha’s Historical Complex, met een museum, een crypte en catacomben.

De overdaad in het museum contrasteert met de ondergrondse eenvoud.

Al wie de crypte van Sint-Agatha en de catacomben wil bezoeken, moet eerst wat tijd doorbrengen in het museum. Daar wordt een archeologische collectie getoond, aangevuld met een verzameling mineralen, kerkelijke kunststukken en diverse objecten. Er valt genoeg te ontdekken in dit wonderbaarlijk kabinet, van een vierduizend jaar oude Nijlkrokodil tot stukjes van de Berlijnse Muur.

In het ondergrondse labyrint holt de gids met gemak door de smalle, kronkelende gangen. Hoogtepunt is een ondergrondse ‘kapel’ met een fresco uit de derde eeuw. De weg daarheen leidt langs ontelbare graven, die door grafrovers en archeologen werden leeggehaald. Enkele skeletten bleven achter. Sommige zijn erg klein: de catacomben waren er voor heel het gezin. Na het bezoek is de Mediterrane zonneschijn des te fijner.

  1. Praetorium (Keulen, Duitsland)

Na de vernielingen van de Tweede Wereldoorlog had Keulen nood aan een nieuw stadhuis. De zogenaamde Spanischer Bau die daarom tijdens de jaren 1950 werd gebouwd, is niet lelijk. Het gebouw is wel erg onopvallend. De ingang van het Praetorium bevindt zich bovendien in een zijstraat, in de Kleine Budengasse.

Het betonnen dak scheidt het Praetorium van de Spanischer Bau.

De fundamenten van het Praetorium, het gouverneurspaleis uit de Romeinse tijd, werden ontdekt tijdens de bouwwerken. In 1956 opende de tentoonstellingsruimte onder het stadhuis, verbonden aan de ruïnes. Dit was een voorloper van het bovengrondse Römisch-Germanisches Museum dat in de jaren 1970 naast de Dom verrees.

Sindsdien werd de tentoonstelling in het Praetorium aangepast, maar toch voelt deze verouderd aan. Een nieuw museum is echter in de maak, met dank aan de grootschalige opgravingen vlakbij. Eerder werd hier al een stuk Romeins riool opengesteld, 150 meter lang. Bezoekers met claustrofobie wordt afgeraden zich daarin te wagen. Wie doorzet kan historisch slenteren, 10 meter onder de Keulse drukte.

  1. Brockville Railway Tunnel (Brockville, Canada)

‘Er kan maar één de eerste zijn,’ klinkt het in het Brockville Railway Tunnel Park Information Centre. En inderdaad, in Brockville – halfweg tussen Montreal en Toronto – bevindt zich de oudste spoorwegtunnel van Canada. Vanaf 1860 verbond de tunnel de industrie langs de Saint Lawrence met de rest van de regio.

De zuidelijke ingang van de spoorwegtunnel, vlakbij de Saint Lawrence.

De laatste trein passeerde in 1970. Vervolgens kocht het stadsbestuur de tunnel, maar het grootste deel ervan verdween achter een hek. Na een opknapbeurt is het nu mogelijk om door de volledige tunnel te wandelen. Die is kleurrijk verlicht en rijkelijk voorzien van infoborden. Het water dat van de tunnelwand drupt, zorgt voor wat avontuur.

Een nieuw bezoekerscentrum zal het succes van de heropening moeten bestendigen. In Brockville heerst enige verbazing over de geslaagde restauratie. Volgens een vrijwilliger zorgen de goede beoordelingen op TripAdvisor ervoor dat de tunnel op de 73ste plaats van de 4458 bezienswaardigheden in Ontario prijkt. Het historisch museum van Brockville droomt intussen ook van uitbreiding.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten

In de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog wordt amper aandacht besteed aan het werk van Belgische verpleegsters. Ze waren nochtans met achthonderd, en speelden een vaak levensreddende rol bij de verzorging van gewonde soldaten en burgers. ‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten stond er op hun speldje in een van de grootste Belgische fronthospitalen.

Nieuwe verpleegkundige praktijken

Jane de Launoy (links) bij de toepassing van een nieuwe techniek voor wondontsmetting (Cinematek).

De doorbraak voor de professionalisering van het verpleegstersberoep situeerde zich in België in het eerste decennium van de twintigste eeuw. De eerste opleidingen zorgden ervoor dat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 4477 verpleegsters over een diploma beschikten. Slechts van 8,27 % van dit totaal is met zekerheid bekend dat ze tijdens de oorlog als verpleegster actief waren. Dit cijfer is redelijk laag, omdat het bijna onmogelijk was om vanuit bezet België in fronthospitalen terecht te komen.

Daarom kwamen er tijdens de oorlog nieuwe opleidingen in Londen en Calais. Die moesten zorgen voor de aanvoer van Belgische verpleegsters in de verschillende fronthospitalen. De verpleegsters die in beide steden een stoomcursus volgden, kwamen nadien meteen in Belgische fronthospitalen terecht. Ze werden er geconfronteerd met uiteenlopende en vaak nieuwe praktijken, zoals amputaties, buikoperaties en ontsmetting van oorlogswonden. Ook nieuwe technieken als radiografie, fysiotherapie en bloedtransfusie werden toegepast. De verpleegkundige praktijken hadden meermaals een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van de gewonde soldaten.

‘De vermoeidheid zit diep’

Tekening van een uitgeputte Belgische verpleegster door een Britse soldaat (University of Victoria’s Special Collections Library).

De oorlogsomstandigheden stelden de Belgische verpleegsters zowel fysisch als psychisch zwaar op de proef: velen raakten oververmoeid en werden ziek. De strijd voor het overleven van de gewonden, het personeelstekort, de lange diensttijden, de vermoeiende nachtdiensten, de confrontatie met de dood en de schaarse ontspanningsmogelijkheden zorgden voor een zware fysieke en mentale belasting bij het verpleegkundig korps. De vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zoniet jaren duren om opnieuw weerstand op te bouwen,’ schreef frontverpleegster Jane de Launoy in haar dagboek. Een aantal van haar collega’s moest het werk stopzetten: tussen eind 1916 en eind 1918 dienden 113 verpleegsters hun ontslag in. In diezelfde periode werden ook 680 verpleegsters van het ene naar het andere hospitaal overgeplaatst, wat zorgde voor heel wat stress. Minstens 34 Belgische verpleegsters overleefden de oorlog niet.

Bij de uitoefening van hun werk waren er ook regelmatig spanningen met niet-opgeleide verpleegsters. Vanaf het begin van de oorlog waren er vele dames, meestal uit de burgerij, die op vrijwillige basis verpleegkundige zorgen wensten te verstrekken. Ze beschikten daarvoor meestal niet over de nodige competenties. Dit zorgde voor ergernis bij de geschoolde verpleegsters. Zij vonden dat opleiding en bekwaamheid primeerden op goede intenties.

Ook de verhoudingen tussen Belgische en Britse verpleegsters liepen niet altijd van een leien dakje. De Britse verpleegsters hanteerden een streng reglement, dat hen niet toestond om op het bed van een gewonde te gaan zitten en hen verbood om patiënten met hun naam aan te spreken. De Belgische verpleegsters vonden dat hun Britse collega’s hierdoor te weinig morele steun en troost aan de gewonden gaven. Sommige gewonden gaven daarom aan dat ze het liefst door Belgische verpleegsters werden verzorgd.

Altijd troosten

Belgische frontverpleegsters boden vooral troost (Archief Belgische Rode Kruis).

Bij de verpleegkundige praktijken van Belgische verpleegsters was het opvallend dat het troostende aspect sterk op de voorgrond trad. In zoverre de oorlogsomstandigheden dat toelieten, namen ze de tijd om met de gewonden te praten en hen moed in te spreken. De vooroorlogse traditie van katholieke zorg – waarbij naast religieuzen ook welgestelde dames morele en spirituele ondersteuning boden – speelde daarbij een belangrijke rol. Altijd troosten vat dan ook – meer dan genezen en verlichten – de essentie van het werk van de Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog goed samen. Dat werk is grotendeels onbekend gebleven, maar in de huidige herdenking van de Eerste Wereldoorlog verdient het zeker een plaats.

Meer weten.

Luc De Munck, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, 2018).

Tentoonstelling Heelkracht. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Poperinge, 30 juni-16 september 2018)

Luc De Munck is als doctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Hoe Franse boeren de natie moesten redden in de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Frankrijk te kampen met een ernstig voedseltekort. Om dit prangende probleem op te lossen, rekenden het Franse staatshoofd Maréchal Pétain en zijn regering niet alleen op de boerenbevolking, maar ook op jonge stedelingen. Zij werden gevraagd om hun handen uit de mouwen te steken en de boeren te helpen.

Landbouw als redmiddel

Cover van een Franse infobrochure uit 1941.

Het Duitse bliksemoffensief in juni 1940 was een grote verassing voor Frankrijk. Het land kreeg op zeer korte tijd grote verliezen te verwerken en kon niet anders dan een nieuwe strategie bedenken. Over welk plan dan wel het beste was, raakte men het niet eens. Het ene kamp wilde verder vechten vanuit de kolonies en het andere gaf de voorkeur aan capituleren. Generaal Pétain maakte deel uit van het laatstgenoemde winnende kamp. De wapenstilstand die volgde, hield in dat officieel enkel het noorden van Frankrijk bezet zou worden. Het zuiden werd herdoopt tot État Français en kwam onder leiding van Pétain te staan.

Aan deze ‘autonomie’ zat een belangrijke voorwaarde verbonden: Vichy-Frankrijk moest grote hoeveelheden grondstoffen en landbouwproducten leveren aan Duitsland. Ondertussen hielden de Duitsers ook een miljoen Franse krijgsgevangenen vast, onder wie veel landbouwers. Alsof de situatie nog niet erg genoeg was, richtten de geallieerden aan het begin van de oorlog een handelsblokkade op tegen Duitsland en zijn bondgenoten. Vichy-Frankrijk werd afgesneden van zijn kolonies en dus ook van al het voedsel dat deze leverden. Het gevaar van een hongerige protesterende bevolking lonkte. De landbouw zou Frankrijk moeten redden van de honger, en dus ook van de ondergang.

Samen sterk

De boeren moesten deze zware opdracht niet alleen volbrengen. Het Vichyregime pakte uit met allerlei initiatieven die het hen makkelijker konden maken. Zo kregen ze een eigen corporatistische organisatie, werd er geïnvesteerd in de modernisering van landbouwapparatuur en werden er hogere lonen beloofd. Dit alles maakte deel uit van de “Mission de Restauration Paysanne” vanaf augustus 1940, die het platteland moest herstellen en revitaliseren.

Aan de Franse burgers werd gevraagd de moeilijke omstandigheden te accepteren.

Een belangrijk aspect van deze missie was de bevoorrading van de landbouwsector met voldoende werkkrachten. Speciaal voor jongeren van 17 tot 21 jaar werd in maart 1941 de Service Civique Rural (SCR) gecreëerd. Dit programma had tot doel jonge stedelingen in te zetten op het platteland, waar zij de boeren zouden helpen voedsel te produceren. Bij een tekort aan vrijwilligers konden zij ook verplicht worden. In ruil kregen zij onderdak bij de boeren zelf, drie maaltijden per dag en een waardevolle opleiding. Het Vichyregime zette sterk in op de promotie van de SCR in haar propaganda.

Vooral aan pas afgestudeerde jongemannen werd gevraagd hun ‘vrije armen’ nuttig te gebruiken. Langs alle kanten werden zij bestookt met infobrochures en inschrijvingsbrieven. Zelfs moeders werden aangespoord hun zonen weg te sturen naar het platteland. Hen werd verteld dat zij dankzij de hulp van hun zonen in de toekomst minder lang zouden moeten aanschuiven voor het rantsoen. De jongeren zelf kregen te horen dat het hun morele plicht was om hun vaderland te helpen voeden en een voorbeeld te stellen aan hun leeftijdsgenoten.

Ontoereikende resultaten

Aan ieder vertrek ging een hele procedure vooraf, dat begon met een medisch onderzoek dat bepaalde of de kandidaten fysiek geschikt waren voor het werk. Daarna zocht de SCR een geschikte verblijfplaats. Meisjes kwamen terecht in een speciaal centrum waar ze leerden het huishouden in de boerderij te runnen. Jongens kregen meestal wel onderdak bij een familie. Vrijwilligers moesten zeker vier tot zes weken blijven, maar verplichte hulp kon tot drie maanden duren. Tevreden boeren konden hun werkkrachten daarna een vast contract aanbieden.

Brochure van de Service Civique Rural.

Het is onduidelijk hoeveel jongeren in totaal via de SCR naar het platteland vertrokken en hoe lang ze daar bleven. Zeker is dat er heel wat afvielen doorheen het plaatsingsproces. Begin 1943 meldde het regime dat bijna 40 000 jongeren zich vrijwillig hadden ingeschreven sinds maart 1941. Sommigen bedachten zich en kwamen niet opdagen voor het onderzoek. Van de 25 000 die overbleven, bleken 7 500 ongeschikt. Uiteindelijk werden 17 500 jongeren effectief aan het werk gezet, waarvan er 14 000 hun verblijf verlengden.

Dit aantal kon onmogelijk compenseren voor het gebrek aan arbeiders op het platteland. De afwezigheid van krijgsgevangenen, gedeporteerde arbeiders en buitenlandse seizoensarbeiders zorgde voor een groot voedseltekort. De boeren klaagden dat hun nieuwe werknemers nog te veel moesten leren en niet hard genoeg konden werken. Zij hadden nood aan sterke arbeiders met kennis van zaken, niet aan leerjongens. Toch waren er ook goede ervaringen. In getuigenissen in kranten en brieven aan het thuisfront beschreven de jongeren hoeveel zij hadden geleerd en hoe mooi het leven op het platteland was. Een opmerkelijk succesverhaal was dat van een jongen uit Roubaix die geplaatst werd in een familieboerderij in de Ardèche en uiteindelijk trouwde met de dochter. Hij zou permanent bij de familie intrekken en mee de boerderij runnen.

Aan (bijna) alles komt een einde

Onder de bevolking was er vooral vanaf de harde winter van 1940 steeds meer kritiek te horen over het voedselprobleem. Vooral het feit dat gigantische hoeveelheden voedsel naar Duitsland werden geëxporteerd, zette kwaad bloed. Ondertussen werden de rantsoenen steeds beperkter en de rijen voor de winkels langer. Zowel producent als consument zocht in toenemende mate heil in de zwarte markt, waartegen de overheid slechts weinig kon aanvangen. Na vier jaar hadden de Fransen er dan ook de buik van vol (of juist niet) en verwelkomden ze de bevrijding.

De kersverse Vierde Republiek schafte meteen alle organisaties van het Vichyregime af, waaronder ook de SCR. De meeste jongeren keerden dan ook terug naar de stad. Sommigen wilden geen afscheid nemen van het platteland en startten er een nieuw leven, gedreven door een passie voor de natuur, noeste arbeid of de liefde.

Hannah Fluit is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over politieke communicatie rond voedselschaarste in Vichy Frankrijk.

#MeToo, of hoe we de seventies alweer vergeten zijn

Wie de afgelopen maanden tijd doorbracht op sociale media kon er onmogelijk naast kijken: #MeToo is trending. Minder dan vierentwintig uur na het verschijnen van de eerste #MeToo-tweet maakten 4,7 miljoen mensen gebruik van de hashtag om hun ongenoegen over seksuele intimidatie te uiten. Op 7 januari van dit jaar verscheen Oprah Winfrey, gekleed in symbolisch zwart, op het podium van de Golden Globes en gaf een speech die de wereld rondging. “Te lang werden vrouwen niet gehoord of geloofd als ze de waarheid durfden spreken over de macht van mannen. Maar hun tijd is gekomen,” verkondigde Oprah op het podium.

De seventies

Woman’s march in Dallas op 21 januari 2017.

Oprah was niet de eerste vrouw die grensoverschrijdend gedrag aan de kaak wilde stellen. In 1976 kopte de Amsterdamse Vrouwenkrant: “Verkrachting: het wordt tijd dat we kwaad worden”. Het novembernummer van het blad bevroeg waarom vrouwen doorheen de eeuwen verkracht werden en, nog belangrijker, waarom ze daar nu pas over durfden te spreken. Het blad bundelde getuigenissen van vrouwen die op verschillende leeftijden en in verschillende situaties slachtoffer waren geworden van seksueel geweld. Bovendien klaagden de auteurs van het blad een cultuur aan waarin vrouwen geen “nee” durfden zeggen. Vrouwen werden volgens hen geacht mannen te behagen en aantrekkelijk te zijn. Bij wijze van oplossing besloten een aantal vrouwengroepen dan maar cursussen zelfverdediging voor hun leden aan te bieden.

De feministes van de seventies richtten hun pijlen ook op de oliecrisis van 1973. De crisis had zijn weerslag op de wereldeconomie en verzwakte zo de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. Niet alleen werden hun verworven rechten in vraag gesteld, de overheid investeerde voortaan ook liever in de zware industrie, waarin amper vrouwen aan de slag waren. Zeker voor jonge vrouwen slonken de kansen op een job. Een anonieme getuige vertelde in de Vrouwenkrant hoe zij een perfect sollicitatiegesprek aflegde maar toch naast de baan in kwestie greep omdat ze jong en pasgehuwd was en dus “toch wel snel zwanger zou worden en thuis zou gaan blijven voor de kinderen”.

Tenslotte zijn ook de instagrammeisjes die #bodypositivity propageren geen nieuw fenomeen. Hoewel de BH-verbrandende feministes een fabeltje zijn – geen enkele BH ging ooit in vlammen op bij de acties van de jaren zeventig – lieten de activistes zich niet onbetuigd. In 1971 infiltreerde een Brusselse Dolle Mina in de Miss België verkiezing. Tijdens de finale sprongen twee van haar medestandsters het podium op en scandeerden “Halt aan de uitbuiting van de vrouw!” terwijl ze flyers rondstrooiden over het publiek. En dat allemaal live op nationale televisie.

Een vergeten erfenis

Het Vrouwenhuis aan de Nieuwe Herengracht.

Minder zichtbaar, maar daarom niet zonder impact waren de vrouwenhuizen in de jaren 1970. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden ging het niet om vluchthuizen of gemeenschapshuizen maar wel om centra van feministische actievoering.

In Amsterdam kraakte een groep vrouwen in 1973 een statig huis op de Nieuwe Herengracht 95. Ze doopten het huis om tot het Vrouwenhuis en organiseerden er allerlei activiteiten die de Amsterdamse vrouwen moesten helpen ontsnappen aan vormen van mannelijke onderdrukking. Ze hielden er onder meer baravonden en swingfeesten. De vrouwen uit het Vrouwenhuis gaven ook de hierboven vermelde Vrouwenkrant uit, die een platform vormde voor hun feministische gedachtengoed. Het initiatief verspreidde zich razendsnel en tegen het midden van de jaren zeventig had bijna elke stad van de Lage Landen haar eigen vrouwenhuis. Ook voor het digitale tijdperk zat kracht in collectiviteit.

Waarom we dan toch geen #feministes zijn

De opgestoken vuist, het symbool van de vrouwenbeweging.

De vrouwen van de seventies noemden zichzelf met trots feministe. Een feministische vrouw droeg bij aan de verandering van de maatschappij, streed actief tegen discriminatie en voelde zich deel van een sisterhood die over landsgrenzen heen reikte. Het verschil met vandaag is klein, en toch voelen we de nood om met #MeToo een nieuwe term te plakken op gelijkaardige eisen rond de positie van de vrouw in de samenleving. Is feminist een vies woord geworden?

De karikatuur van de feministe als mannenhaatster en zeurkous die uit principe weigert haar oksels te scheren, leeft tegenwoordig niet alleen bij oude mannen, maar ook bij jonge vrouwen. Oprah speechte vurig voor vrouwenrechten maar gebruikte in die negen minuten niet één keer het woord feminist.

Els Vochten is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over de vrouwenhuizen in Brussel en Amsterdam.

Wanneer zotten profiteren van gesloten grenzen

Gastblog door Bram De Ridder.

Wat zijn de voor- en nadelen van een gesloten grens? In het zestiende-eeuwse pamflet Der mallen reden-kavel bogen twee zotten zich over deze kwestie. Bij hen geen praktische twijfel of morele verontwaardiging, maar angst en oprechte blijdschap over strengere grenscontroles. De tekst is dan ook het schoolvoorbeeld van hoe grenzen razendsnel het voorwerp worden van ideologische strijd.

De grenskwestie in een notendop

Frans Hals, De nar (ca. 1623-1624, Amsterdam, Rijksmuseum).

Het pamflet werd vermoedelijk geschreven door de Jezuïet Johannes David, een biechtvader en schrijver werkzaam in het Gentse. David beschreef een fictieve discussie tussen twee zelfverklaarde “zotte mutsen”, die ergens in de buurt van Den Haag als knechten aan de slag waren. Beide zotten bespraken het Plakkaat van 4 april 1596, een wettekst waarmee de Protestantse overheid van de ‘Noordelijke Nederlanden’ besloot om de grens met de katholieke ‘Zuidelijke Nederlanden’ een stuk strenger te controleren. Daarbij was het vooral de bedoeling om kwalijke katholieke invloeden buiten te houden, en dan in het bijzonder die van de Jezuïeten: leden van deze orde werden ervan verdacht om onder valse voorwendselen de Noordelijke Nederlanden binnen te komen en vervolgens moordaanslagen voor te bereiden.

Om zulke gevaarlijke aanslagplegers te weren, werd er een algemeen reisverbod uitgevaardigd, met uitzondering van wie een paspoort – een eenmalige reisvergunning – aankocht. De straf voor een illegale grensoverschrijding was niet mals: driehonderd ponden boete en, eventueel, tortuur. Geen enkele Jezuïet mocht het land nog binnen, en na twee maanden moesten ze allemaal het grondgebied verlaten hebben. Ook mocht geen enkele inwoner van de Noordelijke Nederlanden nog gaan studeren aan een Jezuïetencollege of aan de katholieke universiteiten van Leuven en Dowaai.

Een gesloten grens, een tevreden zot

Anoniem, Het Groote Tafereel der Dwaasheid ( 1720, Londen, British Museum).

Het pamflet van Johannes David vormde een sarcastisch geformuleerd commentaar bij de nieuwe wet. De tekst is opgebouwd als een dialoog, waarbij de zotten Iel-Sack en Moenen elkaar plechtig beloofden om alles te zeggen wat in hun hoofd opkwam. Vooral Iel-sack liet daarbij meteen zijn tevredenheid over de nieuwe wet blijken. De recente oprichting van de universiteit Leiden had hem namelijk zo bang gemaakt ““als een jouffrouwen hondeken [dat] vande couwe in een krimpt”. De universiteit zou de Hollanders zo verstandig maken dat er geen huis meer mee te houden viel, en arme zotten zoals zij zouden door de geleerden overstemd worden.

Maar nu het plakkaat het vrije verkeer van ideeën belemmerde, zouden de echte geleerden Leiden snel links laten liggen en zou de “bastaarduniversiteit” tevergeefs proberen om van de Hollandse ezels wijze paarden te maken. Volgens Iel-Sack kenden de Leidse studenten bijvoorbeeld niets van de roemrijke artes liberales, maar waren ze wel bekwaam in zeven andere kunsten: het vrije liegen, het vrije lasteren, de vrije meindeed, het vrije godslasteren, het vrije stelen, de vrije prostitutie, en het vrije moorden. Door de grenzen te sluiten was er met andere woorden een brain-drain ontstaan, en zouden Iel-Sack en Moenen nog vele jaren hun zotternij kunnen verkopen.

De zotste gevolgen van het Plakkaat?

Toch zou het Plakkaat volgens de zotten het einde kunnen betekenen van de welstand van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden: het edict was namelijk veel te streng en zou daardoor iedereen schaden. Iel-Sack dacht dat de verplichting om een paspoort aan te schaffen bedacht moest zijn door een pennenlikker, een “verschovene latijnschuimer”, of een slechte klerk.  Het was duidelijk dat de maatregel vooral geld uit de mensen hun zakken moest kloppen. De grenscontroles waren nu al zo streng dat er overal “magere weiden” werden gecreëerd en de nieuwe paspoorten waren het finale gewicht dat de nek van de Hollandse welstand zou breken.

Matthias Quad, Si credere fas est (1588, Londen, British Museum).

De zotten vergaten daarbij ook het veiligheidsaspect niet uit het oog. Iel-Sack en Moenen dachten dat de Noordelijke Nederlanden met hun Plakkaat zogenaamd spionage wilden vermijden, maar in werkelijkheid de gelegenheid aangrepen om zelf te spioneren. Iel-Sack zei bijvoorbeeld tegen zijn vriend dat de nieuwe wet de gezagsdragers toeliet om “honderd ogen” te hebben. De overheid trachtte  alle hoeken van de wereld te doorzien en te doorsnuffelen, totdat ze iets zou vinden dat een gevaar vormde voor haar macht.

Sociale rechtvaardigheid bleek dan weer ver te zoeken. Kinderen die naar een Jezuïetencollege waren weggelopen, mochten niet langer financieel ondersteund worden door hun ouders. Moenen en Iel-Sack vonden deze maatregel van een “Turkse wreedheid” getuigen en vonden ze zeer ongepast voor een land dat zichzelf als het toonbeeld van rechtvaardigheid beschouwde. Het was intriest dat ouders gedwongen werden hun kinderen van de honger te laten sterven, enkel en alleen omdat het kind zelf zijn geloof niet wilde afvallen. Iel-sack verwachtte dan ook dat deze maatregel bijzonder veel protest onder vrouwen zou veroorzaken: de dames zouden de opstellers van het Plakkaat verdrijven en hen de ogen uitkrabben.

Grenzen en ideologie: het besluit van de ware zot

Iel-Sack en Moenen zijn uiteraard fictieve personages en geen oprechte commentatoren van het zestiende-eeuwse grensbeleid in de Nederlanden. Niettemin klinken hun argumenten bekend in de oren. Een brain-drain, angst voor de economie, privacykwesties en vragen over het behoud van macht en identiteit maken ook vandaag integraal deel uit van debatten rond open en gesloten grenzen. Zowel toen als nu wordt het publieke debat gedomineerd door ideologische stemmingmakerij. Het pamflet waarin Iel-Sack en Moenen aan het woord komen, moet dan ook gelezen worden als bijtend sarcasme namens een overduidelijk katholieke schrijver en niet als een oprechte weergave van de toenmalige situatie. Het gaat om een strijdpamflet, doelbewust in het publiek domein binnengebracht om te provoceren. Het is dan ook de kunst om dergelijke documenten meteen als een vorm van propaganda te beschouwen, en ze los te koppelen van de situatie in de grensgebieden zelf. Want zoals Iel-Sack en Moenen namelijk zeer goed wisten, neemt enkel de echte zot zijn eigen retoriek voor waarheid aan.

Bram De Ridder is gastblogger. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar grenzen, historische vredesverdragen en religieuze tolerantie.

Student zijn tussen cursussen en kogels

“I had no choice but to leave. Vive la Belgique!” Het zijn de slotzinnen van een brief die Albert Johnson Lynd schreef op 31 augustus 1939. Op dat moment staat de Amerikaanse student klaar om vroegtijdig zijn beursprogramma af te sluiten en België voorgoed vaarwel te zeggen. Zijn vrouw Loraine, zijn driejarige zoon en anderhalf jaar oude dochtertje vergezellen hem op zijn tumultueuze terugreis naar de Verenigde Staten. Andere Amerikaanse studenten besloten om wel in België te blijven en de situatie af te wachten.

Stilte voor de storm

Herbert Hoover, het boegbeeld van de Commission for Relief Belgium tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Iets meer dan een jaar voordien kreeg Lynd goed nieuws te horen van de Commission for Relief Belgium Educational Foundation (CRBEF). De CRBEF ontstond in 1920 met de overgebleven gelden van de Commission for Relief in Belgium (CRB). Laatstgenoemde organisatie zag het levenslicht aan het begin van de Eerste Wereldoorlog op initiatief van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover en had als doel om België en Noord-Frankrijk van voedsel en basisproducten te voorzien onder Duitse bezetting. Hoover besloot na afloop van de oorlog om een academisch uitwisselingsprogramma op te richten dat een symbolische brug zou slaan tussen de Verenigde Staten en België. Zo gebeurde het dat de CRBEF Lynd in 1938 verkoos als fellow om een jaar lang in België te studeren onder de auspiciën van de organisatie. Samen met nog vier andere Amerikaanse topstudenten besloot Lynd om aan de Katholieke Universiteit Leuven zijn studies voor minstens een jaar verder te zetten.

Beursaanvraag van Albert J. Lynd in 1937 met een foto van zijn gezin.

Toen de vijf fellows – waarvan twee met hun gezin – in 1938 naar België vertrokken, was de internationale spanning al voelbaar. Alle blikken waren gericht op de agressieve retoriek van het Derde Rijk. Al op de boottrip van New York naar Antwerpen ervaarde Lynd hoe de Duitse stewards en opvarenden extatisch blij reageerden op de radio-uitzending van het Neurenbergcongres in 1938. In deze Rijkspartijdag verwezen de NSDAP-autoriteiten naar de annexatie van Oostenrijk eerder dat jaar.  Bij aankomst in België liet Lynd dan ook duidelijk merken aan de CRBEF dat hij zich zorgen maakte. Toch hamerde de CRBEF erop dat het onnodig was om te panikeren. Fellows moesten volgens de organisatie alle kansen benutten om hun onderzoek in België te voeren. Ook wanneer Lynd op een ochtend zag hoe een regiment soldaten een eindeloze kolonne artillerie door zijn straat rolde, stelde de CRBEF hem gerust: de internationale omstandigheden waren op dat moment nog niet ernstig genoeg om het land te verlaten.

Over dilemma’s en doctoraten  

De Leuvense universiteitsbibliotheek na de Slag om Leuven in mei 1940.

Op 29 augustus 1939 moesten de CRBEF-autoriteiten die mening bijstellen. De schemeroorlog maakte plaats voor een realistische oorlogsdreiging en België verkeerde in een staat van quasi-mobilisatie. De CRBEF liet een telegram verspreiden naar alle fellows die in België met hun gezin verbleven met het advies om naar de Verenigde Staten terug te keren. Aan de individuele fellows gaf de organisatie de keuze: hun fellowship afmaken of meteen terugkeren naar de Verenigde Staten. Lynd was op dat moment op terugweg naar Brussel vanuit Parijs. Hij verrichtte er onderzoek, maar stelde al snel vast dat Parijs in de ban was de oorlogsdreiging: zandzakjes werden er gevuld, soldatenkaravanen trokken door de straten en gezinnen maakten zich klaar voor vertrek. De boodschap bij aankomst in Brussel was duidelijk: hij kreeg drie uur de tijd om alles in te pakken en weg te wezen. Nog geen 24 uur later stond het gezin Lynd aan de haven waar honderden mensen elkaar verdrongen om de oversteek te maken.

Ook Alice Bourneuf, een Amerikaanse economiestudente, was op dat moment als CRBEF-fellow in Leuven. Zij besloot echter om te blijven omdat ze op dat moment bezig was met het schrijven van haar doctoraat. De CRBEF ging ermee akkoord en keurde haar vernieuwing in januari 1940 nog goed, omdat een escalatie op Belgische bodem uitbleef en haar doctoraat bijna af was. De CRBEF prees haar om haar academische volharding, maar uit interne CRBEF-correspondentie blijkt dat ze zich wel degelijk zorgen maakten. Op 1 mei van datzelfde jaar had Bourneuf niet langer een keuze: ze moest België verlaten. Tien dagen later viel het Duitse leger België binnen.

Eind goed, al goed?

In 1947 nam Bourneuf opnieuw contact op met de CRBEF. Ze liet weten dat ze naar België terug zou keren om haar overgebleven bezittingen en haar doctoraatsnotities op te halen. Ook wilde ze graag haar Belgische vrienden terugzien en de CRBEF persoonlijk bedanken voor hun hulp. Haar bezittingen hadden de oorlog overleefd in een versterkte koffer in de kelder van barones Greindl. Op haar doctoraat zelf hoefde ze niet meer te rekenen. De universiteitsbibliotheek, waar haar doctoraat werd bewaard, ging deels in vlammen op na de Slag om Leuven op 16 mei 1940. In 1953 schreef ze haar laatste brief aan de CRBEF: “I am finally going to try again to write a doctor’s thesis. I trust this will not produce another outbreak of war.”

Sara Coghe is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over Amerikaanse beursstudenten aan de Leuvense universiteit in de jaren 1920-1940.

4 redenen om een diepgelovige vroedvrouw te veroordelen in de late negentiende eeuw

Een bevalling loopt mis in 1867. Wanneer de aanstaande moeder overlijdt, grijpt haar diepgelovige vroedvrouw Mme Vandenbussche naar het scalpel. Om het zieltje van het ongeboren kind te redden, opent ze de zwangere buik en sprenkelt er doopwater in.

De rechtszaak

De rechtszaak die hierop volgde, liet stof opwaaien in juridische en politieke kringen. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Hof van Cassatie. Het verdict leidde tot discussies in het parlement.

Waarom zo’n ophef?

Ook priesters, die vooral in landelijke gebieden hun roeping nog vaak combineerden met een job als dorpsarts, probeerden soms het eeuwige leven van ongeboren kinderen veilig te stellen. Volgens kerkelijke richtlijnen was de keizersnede de zekerste manier om een kind te dopen indien de moeder overleed tijdens de bevalling. Bij het gebruik van een doopspuit was het immers onzeker of het water zijn doel zou bereiken. Slechts wanneer je het hoofdje zag, kon je zeker zijn dat het doopsel correct was uitgevoerd, en het zieltje was gered.

Toch waren de acties van Vandenbussche ongewoon. Gelijkaardige incidenten zijn op een hand te tellen, omdat de gelegenheid zich niet vaak voordeed en wellicht niet alle priesters de kerkelijke richtlijnen naadloos opvolgden. Maar dit betekende nog niet dat Vandenbussche een crimineel feit had gepleegd. De commotie draaide vooral om de vraag of zij de wet had geschonden. Was het strafbaar om in een lijk te snijden om een ongeboren kind te dopen? En zo ja, op welke grond?

  1. Moord
De negentiende-eeuwse angst voor schijndood leidde niet alleen tot de constructie van mortuaria, maar ook tot de uitvinding van allerhande ‘beveiligingsmechanismen’ die toelieten om vanuit de kist te communiceren met de buitenwereld (Wellcome Images).

De openbare aanklager zei: moord of doodslag. Hoe kon Mme Vandenbussche zeker weten dat de moeder was overleden? Volgens hem kon de dood slechts worden vastgesteld door een medische expert. Het was mogelijk dat een “leek” als Vandenbussche de dood verkeerd had ingeschat. Misschien leefde de zwangere vrouw nog, en had zij haar vermoord toen ze de incisie maakte.

De zorgen van de openbare aanklager waren niet ongegrond. In het negentiende-eeuwse België beschreven artsen de dood als “een proces, dat niet ineens gebeurt, maar dat een begin en een einde heeft”. Omdat het sterven volgens hen zich maar geleidelijk aan voltrok, dachten zij dat het pas overleden lichaam zich “in een tussenstadium tussen leven en dood” bevond.

Deze onzekere toestand van het lijk was niet zonder gevolg. Een begrafenis mocht pas plaatsvinden na een termijn van 24 uur. Ook dissectie moest wachten. Op kerkhoven en in ziekenhuizen werden mortuaria opgetrokken, die dienst deden als wachtkamers voor het geval dat iemand slechts schijndood zou blijken. Ook keizersneden, een vrij nieuwe een beruchte operatie, stelden artsen voor een dilemma. Als zij wachtten tot ze met zekerheid het overlijden van de moeder konden vaststellen, was het ongeboren kind niet langer levensvatbaar. Wanneer zij daarentegen het kind wilden redden, liepen ze het risico om de moeder – die misschien nog leefde – te verwonden.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat Vandenbussche geen moordenares was, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat de vrouw nog leefde op het moment van de ingreep. Bovendien, zo vermeldde het verdict, “kon er ook geen sprake zijn van slagen en verwondingen, want een lijk kan je niet kwetsen”.

  1. Kwakzalverij
Deze negentiende-eeuwse cartoon toont de spanning tussen de mannelijke gynaecoloog en de vrouwelijke vroedvrouw (Wellcome Images).

Een onwettige medische ingreep dan maar? Want mocht Mme Vandenbussche, als vroedvrouw, wel een scalpel gebruiken?

Vroedvrouwen waren bij wet ondergeschikt gemaakt aan de per definitie mannelijke gynaecoloog of geneesheer. Zo stelde een wet van 12 maart 1818 dat vroedvrouwen slechts mochten helpen bij bevallingen “welke door de natuur bewerkt of door de hand ten uitvoer gebracht” konden worden. Medische instrumenten – verlostangen en zaagforcepsen, maar ook scalpels – waren voor hen verboden. De vroedvrouw mocht moeder en baby wel verzorgen (een taak die paste bij haar vrouwelijke, gevoelige natuur), maar enkel een mannelijke arts mocht hen behandelen.

Toch besloot de rechter dat Vandenbussche niet schuldig pleet. Zij maakte, zo stelde hij, maar één incisie, die enkel de spirituele en niet de fysieke redding van het kind beoogde. Een poging tot keizersnede was strafbaar geweest, een ziel redden was dat niet.

  1. Schending van eigendom

Een derde optie was schending van eigendom. Een negentiende-eeuws juridisch naslagwerk legde uit dat het lijk van een persoon het bezit was van de familie, “zoals het lijk van een dier toebehoort aan de eigenaar van dat dier tijdens het leven”. Door in een dood lichaam te snijden, had Vandenbussche andermans eigendom geschonden: een strafbaar feit.

Maar deze interpretatie strookte niet met de tijdsgeest. Onder invloed van de geleidelijke afschaffing van de slavernij, beargumenteerden steeds meer juristen dat het lichaam nooit iemands eigendom kon zijn. Lijkenrovers werden vrijgesproken omdat het stelen van een dood lichaam in strikte zin geen diefstal was: het lijk was geen ding, en dus niemands bezit. Ook anatomen stelden dat ze zonder toestemming een autopsie mochten uitvoeren. Omdat het lijk geen ding was, schaadden zij geen eigendom. De patiënt was dood, dus een autopsie kon ook niet gelden als slagen en verwondingen.

  1. Grafschennis

Een jurist probeerde nog, “het is grafschennis”. De rechter schudde zijn hoofd. Grafschennis gold alleen tijdens en na de begrafenis. Voor de begrafenis was het lijk niet wettelijk beschermd.

De beslissing werd op ongeloof onthaald. Als het onbegraven lijk niet geschonden kon worden als ding, en ook niet als persoon, kon iedereen dan zomaar zijn of haar gang gaan met dode lichamen? Betekende dit bijvoorbeeld dat artsen naar hartenlust lijken konden ontleden, zonder toestemming?

In principe wel. In 1887 ontliep ook de arts en antropoloog Emile Houzé de arm der wet, hoewel hij het lichaam van één van zijn patiënten had gestolen om het skelet te bewaren in zijn anatomische collectie.

Het verdict

Mme Vandenbussche haalde opgelucht adem. Het Hof van Cassatie oordeelde dat haar gedrag roekeloos was, maar niet kon worden veroordeeld voor de wet.

Het op eerste zicht onbegrijpelijke verslag van haar rechtszaak is een uitzonderlijk venster op de laatnegentiende-eeuwse samenleving. De zaak Vandenbussche biedt niet alleen aanknopingspunten om veranderende mentaliteiten over de dood en het ongeboren leven te bestuderen, maar werpt ook een licht op belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de professionalisering van de geneeskunde en een beginnende secularisering.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de diverse manieren waarop ongewenste kinderloosheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.