Alle berichten van admin

Hoe Franse boeren de natie moesten redden in de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Frankrijk te kampen met een ernstig voedseltekort. Om dit prangende probleem op te lossen, rekenden het Franse staatshoofd Maréchal Pétain en zijn regering niet alleen op de boerenbevolking, maar ook op jonge stedelingen. Zij werden gevraagd om hun handen uit de mouwen te steken en de boeren te helpen.

Landbouw als redmiddel

Cover van een Franse infobrochure uit 1941.

Het Duitse bliksemoffensief in juni 1940 was een grote verassing voor Frankrijk. Het land kreeg op zeer korte tijd grote verliezen te verwerken en kon niet anders dan een nieuwe strategie bedenken. Over welk plan dan wel het beste was, raakte men het niet eens. Het ene kamp wilde verder vechten vanuit de kolonies en het andere gaf de voorkeur aan capituleren. Generaal Pétain maakte deel uit van het laatstgenoemde winnende kamp. De wapenstilstand die volgde, hield in dat officieel enkel het noorden van Frankrijk bezet zou worden. Het zuiden werd herdoopt tot État Français en kwam onder leiding van Pétain te staan.

Aan deze ‘autonomie’ zat een belangrijke voorwaarde verbonden: Vichy-Frankrijk moest grote hoeveelheden grondstoffen en landbouwproducten leveren aan Duitsland. Ondertussen hielden de Duitsers ook een miljoen Franse krijgsgevangenen vast, onder wie veel landbouwers. Alsof de situatie nog niet erg genoeg was, richtten de geallieerden aan het begin van de oorlog een handelsblokkade op tegen Duitsland en zijn bondgenoten. Vichy-Frankrijk werd afgesneden van zijn kolonies en dus ook van al het voedsel dat deze leverden. Het gevaar van een hongerige protesterende bevolking lonkte. De landbouw zou Frankrijk moeten redden van de honger, en dus ook van de ondergang.

Samen sterk

De boeren moesten deze zware opdracht niet alleen volbrengen. Het Vichyregime pakte uit met allerlei initiatieven die het hen makkelijker konden maken. Zo kregen ze een eigen corporatistische organisatie, werd er geïnvesteerd in de modernisering van landbouwapparatuur en werden er hogere lonen beloofd. Dit alles maakte deel uit van de “Mission de Restauration Paysanne” vanaf augustus 1940, die het platteland moest herstellen en revitaliseren.

Aan de Franse burgers werd gevraagd de moeilijke omstandigheden te accepteren.

Een belangrijk aspect van deze missie was de bevoorrading van de landbouwsector met voldoende werkkrachten. Speciaal voor jongeren van 17 tot 21 jaar werd in maart 1941 de Service Civique Rural (SCR) gecreëerd. Dit programma had tot doel jonge stedelingen in te zetten op het platteland, waar zij de boeren zouden helpen voedsel te produceren. Bij een tekort aan vrijwilligers konden zij ook verplicht worden. In ruil kregen zij onderdak bij de boeren zelf, drie maaltijden per dag en een waardevolle opleiding. Het Vichyregime zette sterk in op de promotie van de SCR in haar propaganda.

Vooral aan pas afgestudeerde jongemannen werd gevraagd hun ‘vrije armen’ nuttig te gebruiken. Langs alle kanten werden zij bestookt met infobrochures en inschrijvingsbrieven. Zelfs moeders werden aangespoord hun zonen weg te sturen naar het platteland. Hen werd verteld dat zij dankzij de hulp van hun zonen in de toekomst minder lang zouden moeten aanschuiven voor het rantsoen. De jongeren zelf kregen te horen dat het hun morele plicht was om hun vaderland te helpen voeden en een voorbeeld te stellen aan hun leeftijdsgenoten.

Ontoereikende resultaten

Aan ieder vertrek ging een hele procedure vooraf, dat begon met een medisch onderzoek dat bepaalde of de kandidaten fysiek geschikt waren voor het werk. Daarna zocht de SCR een geschikte verblijfplaats. Meisjes kwamen terecht in een speciaal centrum waar ze leerden het huishouden in de boerderij te runnen. Jongens kregen meestal wel onderdak bij een familie. Vrijwilligers moesten zeker vier tot zes weken blijven, maar verplichte hulp kon tot drie maanden duren. Tevreden boeren konden hun werkkrachten daarna een vast contract aanbieden.

Brochure van de Service Civique Rural.

Het is onduidelijk hoeveel jongeren in totaal via de SCR naar het platteland vertrokken en hoe lang ze daar bleven. Zeker is dat er heel wat afvielen doorheen het plaatsingsproces. Begin 1943 meldde het regime dat bijna 40 000 jongeren zich vrijwillig hadden ingeschreven sinds maart 1941. Sommigen bedachten zich en kwamen niet opdagen voor het onderzoek. Van de 25 000 die overbleven, bleken 7 500 ongeschikt. Uiteindelijk werden 17 500 jongeren effectief aan het werk gezet, waarvan er 14 000 hun verblijf verlengden.

Dit aantal kon onmogelijk compenseren voor het gebrek aan arbeiders op het platteland. De afwezigheid van krijgsgevangenen, gedeporteerde arbeiders en buitenlandse seizoensarbeiders zorgde voor een groot voedseltekort. De boeren klaagden dat hun nieuwe werknemers nog te veel moesten leren en niet hard genoeg konden werken. Zij hadden nood aan sterke arbeiders met kennis van zaken, niet aan leerjongens. Toch waren er ook goede ervaringen. In getuigenissen in kranten en brieven aan het thuisfront beschreven de jongeren hoeveel zij hadden geleerd en hoe mooi het leven op het platteland was. Een opmerkelijk succesverhaal was dat van een jongen uit Roubaix die geplaatst werd in een familieboerderij in de Ardèche en uiteindelijk trouwde met de dochter. Hij zou permanent bij de familie intrekken en mee de boerderij runnen.

Aan (bijna) alles komt een einde

Onder de bevolking was er vooral vanaf de harde winter van 1940 steeds meer kritiek te horen over het voedselprobleem. Vooral het feit dat gigantische hoeveelheden voedsel naar Duitsland werden geëxporteerd, zette kwaad bloed. Ondertussen werden de rantsoenen steeds beperkter en de rijen voor de winkels langer. Zowel producent als consument zocht in toenemende mate heil in de zwarte markt, waartegen de overheid slechts weinig kon aanvangen. Na vier jaar hadden de Fransen er dan ook de buik van vol (of juist niet) en verwelkomden ze de bevrijding.

De kersverse Vierde Republiek schafte meteen alle organisaties van het Vichyregime af, waaronder ook de SCR. De meeste jongeren keerden dan ook terug naar de stad. Sommigen wilden geen afscheid nemen van het platteland en startten er een nieuw leven, gedreven door een passie voor de natuur, noeste arbeid of de liefde.

Hannah Fluit is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over politieke communicatie rond voedselschaarste in Vichy Frankrijk.

#MeToo, of hoe we de seventies alweer vergeten zijn

Wie de afgelopen maanden tijd doorbracht op sociale media kon er onmogelijk naast kijken: #MeToo is trending. Minder dan vierentwintig uur na het verschijnen van de eerste #MeToo-tweet maakten 4,7 miljoen mensen gebruik van de hashtag om hun ongenoegen over seksuele intimidatie te uiten. Op 7 januari van dit jaar verscheen Oprah Winfrey, gekleed in symbolisch zwart, op het podium van de Golden Globes en gaf een speech die de wereld rondging. “Te lang werden vrouwen niet gehoord of geloofd als ze de waarheid durfden spreken over de macht van mannen. Maar hun tijd is gekomen,” verkondigde Oprah op het podium.

De seventies

Woman’s march in Dallas op 21 januari 2017.

Oprah was niet de eerste vrouw die grensoverschrijdend gedrag aan de kaak wilde stellen. In 1976 kopte de Amsterdamse Vrouwenkrant: “Verkrachting: het wordt tijd dat we kwaad worden”. Het novembernummer van het blad bevroeg waarom vrouwen doorheen de eeuwen verkracht werden en, nog belangrijker, waarom ze daar nu pas over durfden te spreken. Het blad bundelde getuigenissen van vrouwen die op verschillende leeftijden en in verschillende situaties slachtoffer waren geworden van seksueel geweld. Bovendien klaagden de auteurs van het blad een cultuur aan waarin vrouwen geen “nee” durfden zeggen. Vrouwen werden volgens hen geacht mannen te behagen en aantrekkelijk te zijn. Bij wijze van oplossing besloten een aantal vrouwengroepen dan maar cursussen zelfverdediging voor hun leden aan te bieden.

De feministes van de seventies richtten hun pijlen ook op de oliecrisis van 1973. De crisis had zijn weerslag op de wereldeconomie en verzwakte zo de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. Niet alleen werden hun verworven rechten in vraag gesteld, de overheid investeerde voortaan ook liever in de zware industrie, waarin amper vrouwen aan de slag waren. Zeker voor jonge vrouwen slonken de kansen op een job. Een anonieme getuige vertelde in de Vrouwenkrant hoe zij een perfect sollicitatiegesprek aflegde maar toch naast de baan in kwestie greep omdat ze jong en pasgehuwd was en dus “toch wel snel zwanger zou worden en thuis zou gaan blijven voor de kinderen”.

Tenslotte zijn ook de instagrammeisjes die #bodypositivity propageren geen nieuw fenomeen. Hoewel de BH-verbrandende feministes een fabeltje zijn – geen enkele BH ging ooit in vlammen op bij de acties van de jaren zeventig – lieten de activistes zich niet onbetuigd. In 1971 infiltreerde een Brusselse Dolle Mina in de Miss België verkiezing. Tijdens de finale sprongen twee van haar medestandsters het podium op en scandeerden “Halt aan de uitbuiting van de vrouw!” terwijl ze flyers rondstrooiden over het publiek. En dat allemaal live op nationale televisie.

Een vergeten erfenis

Het Vrouwenhuis aan de Nieuwe Herengracht.

Minder zichtbaar, maar daarom niet zonder impact waren de vrouwenhuizen in de jaren 1970. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden ging het niet om vluchthuizen of gemeenschapshuizen maar wel om centra van feministische actievoering.

In Amsterdam kraakte een groep vrouwen in 1973 een statig huis op de Nieuwe Herengracht 95. Ze doopten het huis om tot het Vrouwenhuis en organiseerden er allerlei activiteiten die de Amsterdamse vrouwen moesten helpen ontsnappen aan vormen van mannelijke onderdrukking. Ze hielden er onder meer baravonden en swingfeesten. De vrouwen uit het Vrouwenhuis gaven ook de hierboven vermelde Vrouwenkrant uit, die een platform vormde voor hun feministische gedachtengoed. Het initiatief verspreidde zich razendsnel en tegen het midden van de jaren zeventig had bijna elke stad van de Lage Landen haar eigen vrouwenhuis. Ook voor het digitale tijdperk zat kracht in collectiviteit.

Waarom we dan toch geen #feministes zijn

De opgestoken vuist, het symbool van de vrouwenbeweging.

De vrouwen van de seventies noemden zichzelf met trots feministe. Een feministische vrouw droeg bij aan de verandering van de maatschappij, streed actief tegen discriminatie en voelde zich deel van een sisterhood die over landsgrenzen heen reikte. Het verschil met vandaag is klein, en toch voelen we de nood om met #MeToo een nieuwe term te plakken op gelijkaardige eisen rond de positie van de vrouw in de samenleving. Is feminist een vies woord geworden?

De karikatuur van de feministe als mannenhaatster en zeurkous die uit principe weigert haar oksels te scheren, leeft tegenwoordig niet alleen bij oude mannen, maar ook bij jonge vrouwen. Oprah speechte vurig voor vrouwenrechten maar gebruikte in die negen minuten niet één keer het woord feminist.

Els Vochten is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over de vrouwenhuizen in Brussel en Amsterdam.

Wanneer zotten profiteren van gesloten grenzen

Gastblog door Bram De Ridder.

Wat zijn de voor- en nadelen van een gesloten grens? In het zestiende-eeuwse pamflet Der mallen reden-kavel bogen twee zotten zich over deze kwestie. Bij hen geen praktische twijfel of morele verontwaardiging, maar angst en oprechte blijdschap over strengere grenscontroles. De tekst is dan ook het schoolvoorbeeld van hoe grenzen razendsnel het voorwerp worden van ideologische strijd.

De grenskwestie in een notendop

Frans Hals, De nar (ca. 1623-1624, Amsterdam, Rijksmuseum).

Het pamflet werd vermoedelijk geschreven door de Jezuïet Johannes David, een biechtvader en schrijver werkzaam in het Gentse. David beschreef een fictieve discussie tussen twee zelfverklaarde “zotte mutsen”, die ergens in de buurt van Den Haag als knechten aan de slag waren. Beide zotten bespraken het Plakkaat van 4 april 1596, een wettekst waarmee de Protestantse overheid van de ‘Noordelijke Nederlanden’ besloot om de grens met de katholieke ‘Zuidelijke Nederlanden’ een stuk strenger te controleren. Daarbij was het vooral de bedoeling om kwalijke katholieke invloeden buiten te houden, en dan in het bijzonder die van de Jezuïeten: leden van deze orde werden ervan verdacht om onder valse voorwendselen de Noordelijke Nederlanden binnen te komen en vervolgens moordaanslagen voor te bereiden.

Om zulke gevaarlijke aanslagplegers te weren, werd er een algemeen reisverbod uitgevaardigd, met uitzondering van wie een paspoort – een eenmalige reisvergunning – aankocht. De straf voor een illegale grensoverschrijding was niet mals: driehonderd ponden boete en, eventueel, tortuur. Geen enkele Jezuïet mocht het land nog binnen, en na twee maanden moesten ze allemaal het grondgebied verlaten hebben. Ook mocht geen enkele inwoner van de Noordelijke Nederlanden nog gaan studeren aan een Jezuïetencollege of aan de katholieke universiteiten van Leuven en Dowaai.

Een gesloten grens, een tevreden zot

Anoniem, Het Groote Tafereel der Dwaasheid ( 1720, Londen, British Museum).

Het pamflet van Johannes David vormde een sarcastisch geformuleerd commentaar bij de nieuwe wet. De tekst is opgebouwd als een dialoog, waarbij de zotten Iel-Sack en Moenen elkaar plechtig beloofden om alles te zeggen wat in hun hoofd opkwam. Vooral Iel-sack liet daarbij meteen zijn tevredenheid over de nieuwe wet blijken. De recente oprichting van de universiteit Leiden had hem namelijk zo bang gemaakt ““als een jouffrouwen hondeken [dat] vande couwe in een krimpt”. De universiteit zou de Hollanders zo verstandig maken dat er geen huis meer mee te houden viel, en arme zotten zoals zij zouden door de geleerden overstemd worden.

Maar nu het plakkaat het vrije verkeer van ideeën belemmerde, zouden de echte geleerden Leiden snel links laten liggen en zou de “bastaarduniversiteit” tevergeefs proberen om van de Hollandse ezels wijze paarden te maken. Volgens Iel-Sack kenden de Leidse studenten bijvoorbeeld niets van de roemrijke artes liberales, maar waren ze wel bekwaam in zeven andere kunsten: het vrije liegen, het vrije lasteren, de vrije meindeed, het vrije godslasteren, het vrije stelen, de vrije prostitutie, en het vrije moorden. Door de grenzen te sluiten was er met andere woorden een brain-drain ontstaan, en zouden Iel-Sack en Moenen nog vele jaren hun zotternij kunnen verkopen.

De zotste gevolgen van het Plakkaat?

Toch zou het Plakkaat volgens de zotten het einde kunnen betekenen van de welstand van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden: het edict was namelijk veel te streng en zou daardoor iedereen schaden. Iel-Sack dacht dat de verplichting om een paspoort aan te schaffen bedacht moest zijn door een pennenlikker, een “verschovene latijnschuimer”, of een slechte klerk.  Het was duidelijk dat de maatregel vooral geld uit de mensen hun zakken moest kloppen. De grenscontroles waren nu al zo streng dat er overal “magere weiden” werden gecreëerd en de nieuwe paspoorten waren het finale gewicht dat de nek van de Hollandse welstand zou breken.

Matthias Quad, Si credere fas est (1588, Londen, British Museum).

De zotten vergaten daarbij ook het veiligheidsaspect niet uit het oog. Iel-Sack en Moenen dachten dat de Noordelijke Nederlanden met hun Plakkaat zogenaamd spionage wilden vermijden, maar in werkelijkheid de gelegenheid aangrepen om zelf te spioneren. Iel-Sack zei bijvoorbeeld tegen zijn vriend dat de nieuwe wet de gezagsdragers toeliet om “honderd ogen” te hebben. De overheid trachtte  alle hoeken van de wereld te doorzien en te doorsnuffelen, totdat ze iets zou vinden dat een gevaar vormde voor haar macht.

Sociale rechtvaardigheid bleek dan weer ver te zoeken. Kinderen die naar een Jezuïetencollege waren weggelopen, mochten niet langer financieel ondersteund worden door hun ouders. Moenen en Iel-Sack vonden deze maatregel van een “Turkse wreedheid” getuigen en vonden ze zeer ongepast voor een land dat zichzelf als het toonbeeld van rechtvaardigheid beschouwde. Het was intriest dat ouders gedwongen werden hun kinderen van de honger te laten sterven, enkel en alleen omdat het kind zelf zijn geloof niet wilde afvallen. Iel-sack verwachtte dan ook dat deze maatregel bijzonder veel protest onder vrouwen zou veroorzaken: de dames zouden de opstellers van het Plakkaat verdrijven en hen de ogen uitkrabben.

Grenzen en ideologie: het besluit van de ware zot

Iel-Sack en Moenen zijn uiteraard fictieve personages en geen oprechte commentatoren van het zestiende-eeuwse grensbeleid in de Nederlanden. Niettemin klinken hun argumenten bekend in de oren. Een brain-drain, angst voor de economie, privacykwesties en vragen over het behoud van macht en identiteit maken ook vandaag integraal deel uit van debatten rond open en gesloten grenzen. Zowel toen als nu wordt het publieke debat gedomineerd door ideologische stemmingmakerij. Het pamflet waarin Iel-Sack en Moenen aan het woord komen, moet dan ook gelezen worden als bijtend sarcasme namens een overduidelijk katholieke schrijver en niet als een oprechte weergave van de toenmalige situatie. Het gaat om een strijdpamflet, doelbewust in het publiek domein binnengebracht om te provoceren. Het is dan ook de kunst om dergelijke documenten meteen als een vorm van propaganda te beschouwen, en ze los te koppelen van de situatie in de grensgebieden zelf. Want zoals Iel-Sack en Moenen namelijk zeer goed wisten, neemt enkel de echte zot zijn eigen retoriek voor waarheid aan.

Bram De Ridder is gastblogger. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000 van de KU Leuven. Hij verricht onderzoek naar grenzen, historische vredesverdragen en religieuze tolerantie.

Student zijn tussen cursussen en kogels

“I had no choice but to leave. Vive la Belgique!” Het zijn de slotzinnen van een brief die Albert Johnson Lynd schreef op 31 augustus 1939. Op dat moment staat de Amerikaanse student klaar om vroegtijdig zijn beursprogramma af te sluiten en België voorgoed vaarwel te zeggen. Zijn vrouw Loraine, zijn driejarige zoon en anderhalf jaar oude dochtertje vergezellen hem op zijn tumultueuze terugreis naar de Verenigde Staten. Andere Amerikaanse studenten besloten om wel in België te blijven en de situatie af te wachten.

Stilte voor de storm

Herbert Hoover, het boegbeeld van de Commission for Relief Belgium tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Iets meer dan een jaar voordien kreeg Lynd goed nieuws te horen van de Commission for Relief Belgium Educational Foundation (CRBEF). De CRBEF ontstond in 1920 met de overgebleven gelden van de Commission for Relief in Belgium (CRB). Laatstgenoemde organisatie zag het levenslicht aan het begin van de Eerste Wereldoorlog op initiatief van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover en had als doel om België en Noord-Frankrijk van voedsel en basisproducten te voorzien onder Duitse bezetting. Hoover besloot na afloop van de oorlog om een academisch uitwisselingsprogramma op te richten dat een symbolische brug zou slaan tussen de Verenigde Staten en België. Zo gebeurde het dat de CRBEF Lynd in 1938 verkoos als fellow om een jaar lang in België te studeren onder de auspiciën van de organisatie. Samen met nog vier andere Amerikaanse topstudenten besloot Lynd om aan de Katholieke Universiteit Leuven zijn studies voor minstens een jaar verder te zetten.

Beursaanvraag van Albert J. Lynd in 1937 met een foto van zijn gezin.

Toen de vijf fellows – waarvan twee met hun gezin – in 1938 naar België vertrokken, was de internationale spanning al voelbaar. Alle blikken waren gericht op de agressieve retoriek van het Derde Rijk. Al op de boottrip van New York naar Antwerpen ervaarde Lynd hoe de Duitse stewards en opvarenden extatisch blij reageerden op de radio-uitzending van het Neurenbergcongres in 1938. In deze Rijkspartijdag verwezen de NSDAP-autoriteiten naar de annexatie van Oostenrijk eerder dat jaar.  Bij aankomst in België liet Lynd dan ook duidelijk merken aan de CRBEF dat hij zich zorgen maakte. Toch hamerde de CRBEF erop dat het onnodig was om te panikeren. Fellows moesten volgens de organisatie alle kansen benutten om hun onderzoek in België te voeren. Ook wanneer Lynd op een ochtend zag hoe een regiment soldaten een eindeloze kolonne artillerie door zijn straat rolde, stelde de CRBEF hem gerust: de internationale omstandigheden waren op dat moment nog niet ernstig genoeg om het land te verlaten.

Over dilemma’s en doctoraten  

De Leuvense universiteitsbibliotheek na de Slag om Leuven in mei 1940.

Op 29 augustus 1939 moesten de CRBEF-autoriteiten die mening bijstellen. De schemeroorlog maakte plaats voor een realistische oorlogsdreiging en België verkeerde in een staat van quasi-mobilisatie. De CRBEF liet een telegram verspreiden naar alle fellows die in België met hun gezin verbleven met het advies om naar de Verenigde Staten terug te keren. Aan de individuele fellows gaf de organisatie de keuze: hun fellowship afmaken of meteen terugkeren naar de Verenigde Staten. Lynd was op dat moment op terugweg naar Brussel vanuit Parijs. Hij verrichtte er onderzoek, maar stelde al snel vast dat Parijs in de ban was de oorlogsdreiging: zandzakjes werden er gevuld, soldatenkaravanen trokken door de straten en gezinnen maakten zich klaar voor vertrek. De boodschap bij aankomst in Brussel was duidelijk: hij kreeg drie uur de tijd om alles in te pakken en weg te wezen. Nog geen 24 uur later stond het gezin Lynd aan de haven waar honderden mensen elkaar verdrongen om de oversteek te maken.

Ook Alice Bourneuf, een Amerikaanse economiestudente, was op dat moment als CRBEF-fellow in Leuven. Zij besloot echter om te blijven omdat ze op dat moment bezig was met het schrijven van haar doctoraat. De CRBEF ging ermee akkoord en keurde haar vernieuwing in januari 1940 nog goed, omdat een escalatie op Belgische bodem uitbleef en haar doctoraat bijna af was. De CRBEF prees haar om haar academische volharding, maar uit interne CRBEF-correspondentie blijkt dat ze zich wel degelijk zorgen maakten. Op 1 mei van datzelfde jaar had Bourneuf niet langer een keuze: ze moest België verlaten. Tien dagen later viel het Duitse leger België binnen.

Eind goed, al goed?

In 1947 nam Bourneuf opnieuw contact op met de CRBEF. Ze liet weten dat ze naar België terug zou keren om haar overgebleven bezittingen en haar doctoraatsnotities op te halen. Ook wilde ze graag haar Belgische vrienden terugzien en de CRBEF persoonlijk bedanken voor hun hulp. Haar bezittingen hadden de oorlog overleefd in een versterkte koffer in de kelder van barones Greindl. Op haar doctoraat zelf hoefde ze niet meer te rekenen. De universiteitsbibliotheek, waar haar doctoraat werd bewaard, ging deels in vlammen op na de Slag om Leuven op 16 mei 1940. In 1953 schreef ze haar laatste brief aan de CRBEF: “I am finally going to try again to write a doctor’s thesis. I trust this will not produce another outbreak of war.”

Sara Coghe is masterstudent cultuurgeschiedenis. Ze werkt aan een masterproef over Amerikaanse beursstudenten aan de Leuvense universiteit in de jaren 1920-1940.

4 redenen om een diepgelovige vroedvrouw te veroordelen in de late negentiende eeuw

Een bevalling loopt mis in 1867. Wanneer de aanstaande moeder overlijdt, grijpt haar diepgelovige vroedvrouw Mme Vandenbussche naar het scalpel. Om het zieltje van het ongeboren kind te redden, opent ze de zwangere buik en sprenkelt er doopwater in.

De rechtszaak

De rechtszaak die hierop volgde, liet stof opwaaien in juridische en politieke kringen. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Hof van Cassatie. Het verdict leidde tot discussies in het parlement.

Waarom zo’n ophef?

Ook priesters, die vooral in landelijke gebieden hun roeping nog vaak combineerden met een job als dorpsarts, probeerden soms het eeuwige leven van ongeboren kinderen veilig te stellen. Volgens kerkelijke richtlijnen was de keizersnede de zekerste manier om een kind te dopen indien de moeder overleed tijdens de bevalling. Bij het gebruik van een doopspuit was het immers onzeker of het water zijn doel zou bereiken. Slechts wanneer je het hoofdje zag, kon je zeker zijn dat het doopsel correct was uitgevoerd, en het zieltje was gered.

Toch waren de acties van Vandenbussche ongewoon. Gelijkaardige incidenten zijn op een hand te tellen, omdat de gelegenheid zich niet vaak voordeed en wellicht niet alle priesters de kerkelijke richtlijnen naadloos opvolgden. Maar dit betekende nog niet dat Vandenbussche een crimineel feit had gepleegd. De commotie draaide vooral om de vraag of zij de wet had geschonden. Was het strafbaar om in een lijk te snijden om een ongeboren kind te dopen? En zo ja, op welke grond?

  1. Moord
De negentiende-eeuwse angst voor schijndood leidde niet alleen tot de constructie van mortuaria, maar ook tot de uitvinding van allerhande ‘beveiligingsmechanismen’ die toelieten om vanuit de kist te communiceren met de buitenwereld (Wellcome Images).

De openbare aanklager zei: moord of doodslag. Hoe kon Mme Vandenbussche zeker weten dat de moeder was overleden? Volgens hem kon de dood slechts worden vastgesteld door een medische expert. Het was mogelijk dat een “leek” als Vandenbussche de dood verkeerd had ingeschat. Misschien leefde de zwangere vrouw nog, en had zij haar vermoord toen ze de incisie maakte.

De zorgen van de openbare aanklager waren niet ongegrond. In het negentiende-eeuwse België beschreven artsen de dood als “een proces, dat niet ineens gebeurt, maar dat een begin en een einde heeft”. Omdat het sterven volgens hen zich maar geleidelijk aan voltrok, dachten zij dat het pas overleden lichaam zich “in een tussenstadium tussen leven en dood” bevond.

Deze onzekere toestand van het lijk was niet zonder gevolg. Een begrafenis mocht pas plaatsvinden na een termijn van 24 uur. Ook dissectie moest wachten. Op kerkhoven en in ziekenhuizen werden mortuaria opgetrokken, die dienst deden als wachtkamers voor het geval dat iemand slechts schijndood zou blijken. Ook keizersneden, een vrij nieuwe een beruchte operatie, stelden artsen voor een dilemma. Als zij wachtten tot ze met zekerheid het overlijden van de moeder konden vaststellen, was het ongeboren kind niet langer levensvatbaar. Wanneer zij daarentegen het kind wilden redden, liepen ze het risico om de moeder – die misschien nog leefde – te verwonden.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat Vandenbussche geen moordenares was, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat de vrouw nog leefde op het moment van de ingreep. Bovendien, zo vermeldde het verdict, “kon er ook geen sprake zijn van slagen en verwondingen, want een lijk kan je niet kwetsen”.

  1. Kwakzalverij
Deze negentiende-eeuwse cartoon toont de spanning tussen de mannelijke gynaecoloog en de vrouwelijke vroedvrouw (Wellcome Images).

Een onwettige medische ingreep dan maar? Want mocht Mme Vandenbussche, als vroedvrouw, wel een scalpel gebruiken?

Vroedvrouwen waren bij wet ondergeschikt gemaakt aan de per definitie mannelijke gynaecoloog of geneesheer. Zo stelde een wet van 12 maart 1818 dat vroedvrouwen slechts mochten helpen bij bevallingen “welke door de natuur bewerkt of door de hand ten uitvoer gebracht” konden worden. Medische instrumenten – verlostangen en zaagforcepsen, maar ook scalpels – waren voor hen verboden. De vroedvrouw mocht moeder en baby wel verzorgen (een taak die paste bij haar vrouwelijke, gevoelige natuur), maar enkel een mannelijke arts mocht hen behandelen.

Toch besloot de rechter dat Vandenbussche niet schuldig pleet. Zij maakte, zo stelde hij, maar één incisie, die enkel de spirituele en niet de fysieke redding van het kind beoogde. Een poging tot keizersnede was strafbaar geweest, een ziel redden was dat niet.

  1. Schending van eigendom

Een derde optie was schending van eigendom. Een negentiende-eeuws juridisch naslagwerk legde uit dat het lijk van een persoon het bezit was van de familie, “zoals het lijk van een dier toebehoort aan de eigenaar van dat dier tijdens het leven”. Door in een dood lichaam te snijden, had Vandenbussche andermans eigendom geschonden: een strafbaar feit.

Maar deze interpretatie strookte niet met de tijdsgeest. Onder invloed van de geleidelijke afschaffing van de slavernij, beargumenteerden steeds meer juristen dat het lichaam nooit iemands eigendom kon zijn. Lijkenrovers werden vrijgesproken omdat het stelen van een dood lichaam in strikte zin geen diefstal was: het lijk was geen ding, en dus niemands bezit. Ook anatomen stelden dat ze zonder toestemming een autopsie mochten uitvoeren. Omdat het lijk geen ding was, schaadden zij geen eigendom. De patiënt was dood, dus een autopsie kon ook niet gelden als slagen en verwondingen.

  1. Grafschennis

Een jurist probeerde nog, “het is grafschennis”. De rechter schudde zijn hoofd. Grafschennis gold alleen tijdens en na de begrafenis. Voor de begrafenis was het lijk niet wettelijk beschermd.

De beslissing werd op ongeloof onthaald. Als het onbegraven lijk niet geschonden kon worden als ding, en ook niet als persoon, kon iedereen dan zomaar zijn of haar gang gaan met dode lichamen? Betekende dit bijvoorbeeld dat artsen naar hartenlust lijken konden ontleden, zonder toestemming?

In principe wel. In 1887 ontliep ook de arts en antropoloog Emile Houzé de arm der wet, hoewel hij het lichaam van één van zijn patiënten had gestolen om het skelet te bewaren in zijn anatomische collectie.

Het verdict

Mme Vandenbussche haalde opgelucht adem. Het Hof van Cassatie oordeelde dat haar gedrag roekeloos was, maar niet kon worden veroordeeld voor de wet.

Het op eerste zicht onbegrijpelijke verslag van haar rechtszaak is een uitzonderlijk venster op de laatnegentiende-eeuwse samenleving. De zaak Vandenbussche biedt niet alleen aanknopingspunten om veranderende mentaliteiten over de dood en het ongeboren leven te bestuderen, maar werpt ook een licht op belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de professionalisering van de geneeskunde en een beginnende secularisering.

Tinne Claes is als postdoctoraal onderzoekster verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Ze doet onderzoek naar de diverse manieren waarop ongewenste kinderloosheid werd gedefinieerd en ervaren na 1945.

Imagebuilding tijdens het Ancien Régime

Gastblog door Valerie Vrancken.

Publieke gebouwen, scholen, zwembaden, jeugdhuizen en winkelcentra: vaak gaat hun bouw gepaard met een feestelijke ceremonie waarbij belangrijke figuren de eerste steen leggen en de maatschappelijke waarde van het bouwproject toelichten. Die traditie gaat ver terug in de tijd. De eerste sporen van officiële eerstesteenleggingen van kerk- en kloostergebouwen dateren van de elfde eeuw. Vanaf de late middeleeuwen vormden dergelijke ceremonies een dankbaar middel voor stadsbestuurders in de Nederlanden om hun eigen verwezenlijkingen in de kijker te stellen en hun imago op te poetsen.

Eerste stenen

Inscripties op de vroegere lakenhal op de hoek van de Naamse- en Zeelstraat in Leuven. Links bovenaan herinnert een inscriptie aan de eerstesteenlegging in 1317, met vermelding van de drie bouwmeesters.

Leuven, 22 maart 1527. In de vroege namiddag verzamelden zich stadsbestuurders, werklieden en tal van Leuvenaars op de site van de Dorpstraet-poort die negen jaar eerder door een brand tot een ruïne was herschapen. Het stadsbestuur liet een nieuwe poort optrekken: de Diestsepoort. Het officiële startsein daartoe werd gegeven door Hendrik Bericx – burgemeester van de ambachten – en raadslid Jan Hermeys die optrad als vervanger van Lodewijk van den Tympele, de burgemeester van de geslachten. Rond halfdrie die namiddag, zo getuigt de stadsrekening van dat jaar, bracht Bericx een laag mortel aan, waar Jan Hermeys een goudenen leeu (een gouden munt) op wierp. Geholpen door metselaars legde het raadslid daar vervolgens de eerste steen van het nieuwe bouwwerk op.

Na de voltooiing van de Diestsepoort vijf jaar later werden gedenkstenen aan de voor- en achterzijde aangebracht. Die dienden de Leuvenaars niet alleen te herinneren aan de eerstesteenlegging van het bouwwerk, maar vooral aan de stadsbestuurders die er het initiatief toe hadden genomen. De inscriptie aan de buitenzijde vermeldde bijvoorbeeld expliciet de namen van Bericx en Van den Tympele, die beide burgemeester waren in 1527: “doen men screef vijfthien hondert sessentwintich jaer, de stadt van Loven dit werck fondeerde, sijnde Tyijmpel, Berix, borgemeesters aldaer”.

Netwerken

Zilveren truweel waarmee de zevenjarige Jacob de Graeff, zoon van burgemeester Cornelis de Graeff, de eerste steen hielp leggen van het nieuwe Amsterdamse stadhuis in 1648 (eigendom van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap).

Stadsbestuurders tekenden doorgaans massaal present voor deze vaak groots opgezette en muzikaal opgeluisterde ceremonies. Zoals ook vandaag nog het geval is, gaven stadsbestuurders soms de eer van het leggen van de eerste steen door aan hooggeplaatste personen, waaronder leden van het hof of kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Dat gaf hen meteen ook de kans om hun goede relaties met dergelijke personen in de verf te zetten. In mei 1444 was het niemand minder dan de elfjarige Karel de Stoute, zoon van hertog Filips de Goede, die de eerste steen inmetselde van de nieuwe vleugel van het Brusselse stadhuis.

Vier jaar later kon Leuven echter niet op dezelfde gunst rekenen. Bij de start van de bouw van het prestigieuze voirste huys van het stadhuis, zakte niemand van het hertogelijk hof af naar de Dijlestad. Mogelijk speelde de bekoelde relatie met de hertog daar een rol in: een maand voordien had Leuven immers geweigerd in te gaan op diens verzoek om bijkomende financiële middelen. Dat de stad zijn vrouw en zoon enkele maanden voordien had overladen met gastvrijheid en geschenken mocht blijkbaar niet baten.

Bouwwerken in opdracht van het stadsbestuur boden magistraatsleden ook de kans om zich op te werpen als goede werkgevers door de werklieden te trakteren op een drankje, drinkgeld of een nieuw paar werkhandschoenen. Naast ‘goede werkgevers’, profileerden stadsbestuurders zich tijdens de zeventiende en achttiende eeuw in toenemende mate als ‘goede huisvaders’: het was niet langer per definitie de burgemeester of schepen die het truweel hanteerde, die eer kon ook worden doorgegeven aan diens kinderen. Dat was onder meer het geval bij de eerste steenlegging van het nieuwe stadhuis van Amsterdam in 1648. Toen traden zonen en neefjes van de heersende burgemeesters op als hun vertegenwoordigers bij de eerste steenlegging.

Christelijke en heidense invloeden

Aangezien het bouwseizoen in maart begon, gebeurden eerstesteenleggingen doorgaans kort voor of na Pasen – vaak tijdens het eerste metselwerk, of toch zeker voor het gebouw ongeveer een meter hoog was. De officiële ‘eerste steen’ was in werkelijkheid dus zelden de echte eerste steen van een bouwwerk. Vanaf de contrareformatie werd ernaar gestreefd om steenleggingen samen te laten vallen met liturgische feestdagen. Maar ook bij laatmiddeleeuwse ‘eerste stenen’ was het religieuze element nooit ver weg: doorgaans was een geestelijke aanwezig die Gods zegen over de werklieden en toekomstige gebruikers diende af te smeken. Daarbij kon dankbaar gebruik worden gemaakt van bepaalde bijbelpassages die Christus voorstelden als de ‘hoeksteen van het geloof’. Niet toevallig waren ‘eerste stenen’ vaak hoekstenen.

Een bisschop wijdt de eerste steen van een kerk, ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.).

De christelijke elementen konden hand in hand gaan met meer heidense gebruiken. Zo was er vaak sprake van gouden munten die samen met de eerste steen werden ingemetseld. Bij de start van de bouw van het achterste huys van het Leuvense stadhuis in 1439 werd bijvoorbeeld een in Leuven geslagen gouden ‘Peter’ onder de eerste steen gelegd. Het inmetselen van dergelijke waardevolle munten bij de start van de bouwactiviteiten zou teruggaan tot heidense ‘bouwoffers’ waarmee werklieden de bescherming van de goden trachtten af te dwingen.

Op deze christelijke en heidense basis bouwden stadsbestuurders vanaf de dertiende eeuw voort om zich publiekelijk te profileren als goede en ijverige bestuurders, gelovigen, netwerkers, werkgevers en huisvaders. De eerstesteenlegging van een belangrijk of publiek gebouw was met andere woorden een massa-evenement waarop stadsbestuurders expliciet konden tonen welk ‘steentje’ zij precies hadden bijgedragen tot de stedelijke samenleving.

Meer lezen.

Van Uytven, R., ‘Eerste stenen, vooral in de Nederlanden, in de middeleeuwen en daarna’, in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 89 (2011), p. 919-932.

Germonprez, D., ‘Foundation rites in the Southern Netherlands: constructing a Counter-Reformational architecture’ in M. Delbeke red., Foundation, dedication and consecration in early modern Europe, Leiden, 2012, p. 275-295.

Valerie Vrancken is gastblogger. Ze verdedigde in 2017 haar doctoraat over de laatmiddeleeuwse inhuldigingscharters van de Brabantse hertogen aan de KU Leuven. Sindsdien werkt ze als wetenschappelijk medewerker in het Leuvense Rijksarchief en is ze als research fellow verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven.

Titelafbeelding: Steenhouwers aan het werk, miniatuur uit het Pontificale ecclesiae beatae Mariae Trajectensis, vervaardigd ca. 1450 (Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 400, fol. 63v.) ​

Het archief, voor M/V met talent

Ze kwam er niet in! Toen Geertruida Bosboom-Toussaint in 1845 aan haar Leycester in Nederland werkte, wilde ze graag het Rijksarchief in Den Haag bezoeken. Uit oude archiefstukken zou ze inspiratie kunnen putten om haar nieuwe historische roman meer kracht en levendigheid te verlenen. Maar helaas, de deur van het archief bleef voor Toussaint gesloten. Algemeen Rijksarchivaris J.C. de Jonge hield namelijk niet van romanschrijvers.

De beperkte toegang tot het Rijksarchief stoorde R.C. Bakhuizen van den Brink, die ooit Toussaints verloofde was en later de opvolger van De Jonge werd. Dan was het in België beter, kon hij zelf vaststellen. Zelfs een buitenlander als Bakhuizen werd daar goed onthaald. Maar gold die gastvrijheid ook voor vrouwen?

Kijken mag

Geertruida Bosboom-Toussaint, naar een portret door Nicolaas Pieneman (Amsterdam, Rijksmuseum).

De Jonges afkeer van romanschrijvers hield ook een afwijzing van vrouwen in. Historische romans stonden immers bekend als een voornamelijk vrouwelijk genre, zowel wat auteurs als lezers betrof. Ook publieke lezingen werden druk bijgewoond door vrouwen. Daar voerden wel mannen het woord, waaronder ook archivarissen. In hun leeszalen verwelkomden deze heren daarentegen maar weinig vrouwen. Enkel als toerist kuierden zij af en toe het archief in.

Belgische archivarissen waren niet afkerig van dergelijke uitstapjes. Een reisgids uit 1859 raadde bijvoorbeeld een bezoek aan het stadsarchief van Gent aan. Het is echter onduidelijk wat daar de voornaamste bezienswaardigheid was: het archief of zijn archivaris, de bekende dichter Prudens Van Duyse. Deze archivaris liet zijn voornaamste gasten een guldenboek tekenen. Daaruit blijkt onder meer dat in 1844 Maria Vanackere, geb. Doolaeghe – de eerste vrouwelijke dichteres in België – haar ‘kunstvriend’ in het archief opzocht.

De handtekening van Maria Vanackere, geb. Doolaeghe in het ‘Album van ‘t Gents Archief’.

Louis-Prosper Gachard, de Belgische tegenhanger van De Jonge, ontving eveneens vrouwelijke literatoren. De Ierse schrijfster Sydney Owenson, Lady Morgan, werd door hem hartelijk onthaald in het Algemeen Rijksarchief, toen zij in 1833 in Brussel verbleef. Voor haar rakelde Gachard een achttiende-eeuws schandaal op uit het archief. Dat vond Lady Morgan erg interessant, schreef de archivaris later trots.

Voor vrouwen was het archief geen plaats voor onderzoek. Van hen werd niet verwacht dat zij de historische waarde van de documenten konden doorgronden: in hun aanwezigheid werd enkel met archief gepronkt. Dat blijkt ook uit de publicatie die Lady Morgan aan haar archiefbezoek wijdde. Met haar roman The Princess; or the Béguine wilde zij de vitaliteit van het jonge België aantonen. Zelfs Gachard werd daarom opgevoerd als personage, aangezien hij als gastvrije archivaris het liberale, open karakter van dit land kon belichamen.

Op onderzoek

Sydney Owenson, Lady Morgan, naar een schilderij van Cornelia Marjolin-Scheffer (Amsterdam, Rijksmuseum).

Het Algemeen Rijksarchief in Brussel was volgens Bakhuizen van den Brink het ‘bureau de consultation’ van Europa. Geen enkel ander nationaal archiefdepot gunde onderzoekers zoveel vrijheid. Welke vrouwen als eerste daarvan konden gebruikmaken, is onbekend. De jaarverslagen van het Algemeen Rijksarchief tonen in ieder geval dat vrouwelijke onderzoekers aan het begin van de twintigste eeuw nog erg schaars waren.

In deze rapporten werden de belangrijkste bezoekers aangehaald, onderverdeeld in categorieën. Tussen ‘ecclésiastiques’, ‘magistrats et avocats’ en ‘étrangers’ duikt soms het kopje ‘dames’ op. In 1900 ging het om vijf bezoeksters, maar dat was een uitzonderlijk hoog aantal. De verslagen over 1904, 1905 en 1910 vermelden geen enkele vrouw. Ook in 1912 ontbreekt deze groep, maar bij ‘professeurs et étudiants’ werd ook een studente opgenomen, Mariette Nicodème. Zij werd een jaar later doctor in de Letteren en Wijsbegeerte.

Vanaf de jaren 1880 waren vrouwelijke studenten namelijk welkom aan enkele Belgische universiteiten. De paar vrouwen die ervoor kozen historicus te worden, hoorden archiefonderzoek te verrichten: in de geschiedopleiding was origineel bronnenonderzoek meer dan ooit cruciaal geworden. Bijgevolg kwamen steeds meer vrouwen in de archieven terecht. Dit leidde ook tot een vervrouwelijking van het archivarissenkorps.

Vanaf 1895 moest iedereen die een plaats in een Rijksarchief ambieerde een examen afleggen, zodat vooral gediplomeerde historici werden gerekruteerd. In november 1913 gebeurde het dan eindelijk: een eerste historica waagde haar kans. Nicodème slaagde en werd de eerste vrouwelijke kandidaat-archivaris. Het bevoegde ministerie meende weliswaar dat zij niet als archivaris moest worden aangenomen.

En de archivaressen?

Op 5 mei 1919 werd Mariette Nicodème ingezworen als archivaris.

In Nederland waren vanaf de eeuwwisseling al verschillende vrouwelijke gemeentearchivarissen aan de slag, maar dat ging met publieke tegenkanting gepaard. De Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat in België niet werd gediscussieerd over de bekwaamheid van vrouwen voor archiefwerk.

Toen Mariette Nicodème in 1919 solliciteerde voor een plaats in het Algemeen Rijksarchief, gaf de Algemeen Rijksarchivaris een gunstig advies. Het ministerie oordeelde nu ook dat haar diploma haar recht gaf op een aanstelling. Op die manier werd Nicodème tenslotte de eerste gediplomeerde vrouw in dienst bij een Belgische wetenschappelijke instelling.

De carrière van Nicodème eindigde al in 1929. Gezondheidsredenen dwongen haar tot dit snelle ontslag. Pas in 1930 werd met Ernestine Lejour weer een vrouw aangesteld in het Rijksarchief. Hoewel vrouwen al tijdens de negentiende eeuw enigszins van de gastvrijheid van Belgische archivarissen konden genieten, toch vervrouwelijkte het archiefwezen uiteindelijk hier trager dan in de buurlanden.

Cijfers over het geslacht van archiefbezoekers zijn niet voorhanden, maar anno 2018 lijkt het archief nog altijd een eerder mannelijke plaats. Een belangrijk evenwicht is intussen wel bereikt: tijdens de laatste jaren behaalden ongeveer evenveel mannen als vrouwen een archivarissendiploma in Vlaanderen.

Meer lezen.

Y. Bos-Rops, ‘”Het begrip archivaresse bestaat niet”. De eerste vrouwelijke archivarissen in Nederland (1899 – 1918)’, Archievenblad, 110 (2016), nr. 7, 16-19.

G. Maréchal, ‘En de Rijksarchivaressen?’, Actief in archief. Huldeboek Hilda Coppejans-Desmedt, Antwerpen, 1989, 115-127.

E. Shepherd, ‘Hidden Voices in the Archives: Pioneering Women Archivists in Early 20th-Century England’, F. Foscarini e.a. (red.), Engaging with Records and Archives. Histories and Theories, Londen, 2017, 83-103.

Timo Van Havere is als aspirant van het FWO verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar archief en historische cultuur in de negentiende eeuw.

5 vergeten (post)koloniale plekjes in Leuven

Wie gevraagd wordt naar plaatsen van koloniale herinnering in het Belgische straatbeeld, denkt meestal aan het ruiterstandbeeld van Leopold II in Brussel of het monument op de dijk van Oostende. Wie goed kijkt, zal echter ook in Leuven een aantal verwijzingen naar het Belgische koloniale verleden opmerken.

  1. Het Moorinneken
Het Moorinneken, wakend over de Grote Markt.

Op de Grote Markt vind je het café Het Moorinneken. De naam van dit gebouw is geen rechtstreekse verwijzing naar Belgisch-Congo. De naam zou overgenomen zijn van het aanpalende pand dat naar de Middelnederlandse Arthurroman De Moriaen was vernoemd. Volgens de legende verwarde een klerk de naam ‘Den Moer’ vervolgens met ‘Den Moor’. De term ‘Moor’ was immers vanaf de late middeleeuwen gekend en gold als een containerbegrip voor personen van Afrikaanse origine.

Bij de heropbouw van het café na de Eerste Wereldoorlog luisterde de Schaarbeekse beeldhouwer Égide Rombaux de voorgevel op met een buste van een Moorse schone. Uit dit beeldhouwwerk komt de invloed van de toenmalige koloniale iconografie uit het fin de siècle ook duidelijk naar voren. Het beeld van het Leuvense Moorinneken is dus vooral een voorbeeld van een koloniaal referentiekader in het begin van de twintigste eeuw.

  1. Internationaal Studentencentrum Pangaea
Een mozaïek van de vlag van Kongo-Vrijstaat aan één van de ingangen van Pangaea.

Als ontmoetingsplaats voor internationale studenten staat Pangaea in het Leuvense studentenmilieu bekend als een plek waar zij terecht kunnen voor een gratis kop koffie. De geschiedenis van het ontmoetingscentrum is minder bekend. Het gebouw werd in 1951 opgericht onder de naam ‘Home Congolais. Het was een gebouw waar de kinderen van kolonialen, bij gebrek aan een universiteit in Congo, tijdens hun studentenjaren in het moederland konden verblijven. Met de bouw van het pand kwam er zo een oplossing voor een probleem dat rector Van Waeyenbergh al in 1945 had aangekaart. Tot dan toe verbleven deze studenten immers in ontoereikende verblijven in de Justus Lipsiusstraat.

Dankzij een omvangrijke crowdfunding bij koloniale verenigingen en sympathisanten enerzijds, en een ingenieuze belastingconstructie anderzijds, konden in het begin van de jaren 50 de nodige fondsen worden verzameld. Hoewel het gebouw initieel vooral gericht was op blanke studenten, had de toenmalige pers ook aandacht voor het potentieel van zwarte studenten en stelde zelfs ‘een broederschap van Blank en Zwart’ in het Home Congolais voorop. Wie tegenwoordig Pangaea binnenstapt, kan bij een blik op de aanwezigen alvast zien dat die droom is uitgekomen.

  1. Op de hoek van de Diestse- en de Sint-Maartenstraat
Een zeldzame foto van de Leuvense postkoloniale Banksy.

Op een vervallen gevel op de hoek van de Diestse- en de Sint-Maartenstraat kon je tot voor kort een opvallend kunstwerk bewonderen. Een persiflage van de bekende Bongo-bon stak er de draak met de postkoloniale toestand in Congo. Helaas is het echter niet meer mogelijk om het kunstwerk te gaan bezichtigen. Na een renovatie van het gebouw in 2017 werd het verwijderd en verdween deze Leuvense Banksy uit het straatbeeld. In de persiflage werd er een sterk contrast gemaakt tussen de Westerse consumptiemaatschappij en kinderen in oorlogssituaties.

De persiflage was zo een voorbeeld van de Belgische postkoloniale artistieke scène die zich ontwikkelde nadat Luc Tuymans zijn Congo-reeks aan de wereld had voorgesteld. Onder het curatorschap van Vincent Meessen stond in 2015 het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië in het teken van de omgang met het koloniale verleden. Zowel Meessen als Tuymans gingen voor het eerst door middel van kunst kritisch reflecteren over het Belgische koloniale verleden en wisten daar een breed publiek mee te bereiken.

  1. De Ladeuzebibliotheek
Inscriptie met de naam van de Belgische diplomaat Emile de Cartier de Marchienne.

Achter de Ladeuzebibliotheek gaat een stuk Belgische imperialistische geschiedenis schuil dat ons naar het China van de late negentiende en vroege twintigste eeuw leidt. Wie op de eerste treden van de imposante trappen van de bibliotheek zijn blik naar links wendt, ziet er een inscriptie met de naam van de Belgische diplomaat Emile de Cartier de Marchienne. Als beginnend diplomaat was hij sterk betrokken in het imperiale project van Leopold II in China. Hij wilde met economische projecten zoals spoorwegen zijn invloedsfeer in het land uitbouwen. De jonge de Cartier de Marchienne was hierbij betrokken, onder meer als eerste secretaris van de Belgische gezant Maurice Joostens.

Nadien werd Cartier de Marchienne gezant in de Verenigde Staten waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke schakel was in de samenwerking tussen Herbert Hoover, de oprichter van de humanitaire Commission for Relief in Belgium, en Emile Francqui, de voorzitter van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. Beide organisaties moesten de Belgische bevolking in oorlogstijd van voldoende voedsel voorzien. Hoover en Francqui hadden elkaar overigens al leren kennen tijdens onderhandelingen over spoorwegconcessies in China. De kiemen van de Belgisch-Amerikaanse samenwerking die tot de naoorlogse heropbouw van Leuven leidde, werden dus gelegd op het imperialistische toneel in China. Dichtbij de inscriptie in de Ladeuzebibliotheek staat een standbeeld van Hoover dat deze trans-Atlantische connectie onderstreept.

  1. Het stadhuis
Detail van het standbeeldje van Leopold II. De inscriptie ‘Congo’ is goed zichtbaar.

Naast de beeldjes van hertogen, kunstenaars en academici staat er in één van de vele nissen van het Leuvense stadhuis ook een standbeeldje van Leopold II. Je kan de veelbesproken vorst terugvinden aan de zijde van de Naamsestraat op het derde niveau, uiterst rechts. Leopold II staat hier in een rij van Leuvense en nationale helden. In zijn hand draagt hij een stuk perkament met de inscriptie ‘Congo’ die duidelijk verwijst naar de Congo-Vrijstaat. Samen met de buste van Leopold II in de Ladeuzebibliotheek is dit beeld één van de twee beelden in Leuven ter ere van de vorst. Aangezien het beeldje aan het stadhuis amper zichtbaar is, ontsnapt het voorlopig aan postkoloniale kritieken zoals in Antwerpen of Brussel. Misschien luidt deze blog wel een pleidooi in voor de komst van een standbeeldje van Patrice Lumumba of Thomas Kanza, de eerste Congolese student aan de Leuvense universiteit, in één van de nissen.

Meer lezen.

Gert Huskens en Idesbald Goddeeris. ‘Lumumba in the Hood. The Legacy of Patrice Lumumba in Rap Music since 1990’ in Matthias De Groof (red.), Lumumba’s Iconography. Representations of an Icon in the Arts (Leuven, 2019).

Ruben Mantels. Geleerd in de tropen: Leuven, Congo & de wetenschap, 1885-1960 (Leuven, 2007).

‘Van ‘Home Congolais’ tot Pangaea 2.0’ (http://www.veto.be/artikel/van-home-congolais-tot-pangaea-20), 2017.

Gert Huskens is gastblogger. Hij studeerde in 2016 af als historicus en legt zich toe op koloniale en postkoloniale geschiedenis. Daarnaast studeert hij ook politieke wetenschappen aan de KU Leuven.

Wat Bevergem ons leert over de gemeentefusies

Gastblog door Hendrik Callewier.

In het najaar van 2015 maakte televisiekijkend Vlaanderen kennis met de serie Bevergem. Het fictieve dorp is een karikatuur van een kleine West-Vlaamse plattelandsgemeente. Bij de Bevergemnaren ligt de fusie met het al even denkbeeldige Ruddervelde zwaar op de maag. Gelukkig zijn er de ‘Zeugefeesten’, waar de onvrede van de personages op folkloristische wijze wordt gekanaliseerd. Co-scenaristen Bart Vanneste, alias Freddy Devadder, en Wannes Cappelle lieten zich inspireren door hun geboortestreek, waar de gevoeligheden die in Bevergem worden uitvergroot, ook volop terug te vinden zijn. De gemeentefusies zorgden er vaak voor een versterking van de dorpsidentiteit.

Heimwee naar het dorp

Wim Willaert als ‘Beir’ van Bevergem

Begin jaren 1970 werden de eerste plannen voor de Belgische gemeentefusies bekend gemaakt. Het doel van die fusies was in de eerste plaats door schaalvergroting kleinere entiteiten levensvatbaar te houden en een efficiënter bestuur te bezorgen. Tegenstanders vreesden echter dat de fusies niet alleen het einde van de zelfstandigheid, maar ook van de eigenheid van hun dorpsgemeenschap betekenden. De fusies versterkten het bestaande doembeeld van de landelijke dorpen die plaats moesten ruimen voor beton en vooruitgang. Toenemende verstedelijking en industrialisering stonden volgens sommige dorpsbewoners en politici gelijk aan een verlies van lokale identiteit. Velen kenden nog de ‘goede oude tijd’, die werd geassocieerd met het beeld van het landelijke dorp als harmonische gemeenschap, zoals het ook in 1974 bezongen werd door de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld.

In 1978, nauwelijks een jaar na de uitvoering van een grootschalige fusieoperatie, werd in Vlaanderen door de overheid de actie ‘Jaar van het Dorp’ gelanceerd. In Aalbeke, een dorp ten zuiden van Kortrijk, maakte amateur-cineast Eric Vanoverschelde naar aanleiding daarvan een film, met als titel Er was eens. In de montage worden beelden getoond van een lieflijk dorp, waar boeren met paard en kar nog op vrijwel middeleeuwse wijze aan landbouw doen. Volgens de commentator ligt Aalbeke aan een Romeinse heirweg (en niet aan de drukke verkeersader N43 die het centrum ook toen al doormidden sneed). De fusie wordt er aangekondigd met onheilspellende muziek en een kaartje waarop de stad Kortrijk als een olievlek uitdijt. De commentator vraagt zich af wat de toekomst brengt, na de ‘inlijving tegen wil en dank’ bij de grootstad: ‘Zullen wij door de grote haai totaal worden verslonden … of zullen we opgaan in een gigantische, futuristische reuzenstad, zonder ziel, zonder hart?’

Een nieuwe identiteit

Logo van de campagne ‘Jaar van het Dorp’ in 1978

Inwoners uit Aalbeke en talrijke andere dorpen gingen na de fusies – alle doemscenario’s ten spijt – op zoek naar hun eigen karakter. Heemkundige kringen die de geschiedenis van het eigen dorp wilden vastleggen, schoten in de jaren 70 als paddenstoelen uit de grond. Ook lokale initiatieven, zoals dorpsfeesten en –reuzen, speelden een belangrijke rol. De feestelijkheden waren de momenten bij uitstek waarop inwoners zich met hun (deel)gemeente konden identificeren. Maar hoe ingeburgerd dergelijke dorpsfeesten tegenwoordig ook zijn, ze zijn minder oud en traditioneel dan algemeen wordt aangenomen.

De Tinekesfeesten, de jaarlijkse hoogmis van Heule (bij Kortrijk), ontstonden in 1963. De Breughelfeesten in Rekkem, nu deelgemeente van Menen, vonden voor het eerst plaats in 1973, op initiatief van de lokale middenstandsvereniging. Ten tijde van de fusie waren dergelijke feesten dus een vrij recent fenomeen, hoewel ze toen al als een erg belangrijke factor werden beschouwd voor het behoud van de eigenheid van de dorpen. De meeste dorpsfeesten groeiden nog meer in de periode na de fusie. In sommige gemeenten was het houden van dorpsfeesten net een reactie op de fusie. In Rollegem gaf het besef van een te verdedigen eigenheid na de fusie met ‘grootstad’ Kortrijk aanleiding tot de oprichting van een folkloreraad en de organisatie van de eerste folklorefeesten in 1977. Ook in Marke was 1977 het startjaar van een nieuw evenement, de septemberkermis.

Allemaal Bevergemnaar?

Een folkloristische stoet tijdens de ‘fusiefeesten’ in 1976

Voor de inwoners van Bevergem was de fusie met het naburige Ruddervelde het begin van een lokale legende, ‘den Beir van Bevergem’. In een ver verleden weigerden de inwoners van Bevergem belastingen te betalen aan de baljuw van het naburige Ruddervelde. De baljuw besloot dan maar om alle varkens, zeugen en biggen van Bevergem te laten slachten en naar Ruddervelde te laten overbrengen. Een sluwe Bevergemnaar wist echter een zeug te verstoppen onder een plankenvloer. Daarmee was de varkenspopulatie van Bevergem nog niet gered. De tien dapperste inwoners van het dorp werden op een missie gestuurd, over de beek naar Ruddervelde. Daar moesten ze het zaad van een beer of beir (mannetjesvarken) bemachtigen en terugbrengen naar hun eigen dorp, zodat er opnieuw varkens konden worden gekweekt in Bevergem. Slechts één iemand, ‘den Beir van Bevergem’, kwam terug van deze heldentocht. Gelukkig, zo wordt de kinderen van de dorpsschool ingeprent, want ‘anders moesten we nog altijd de beek over naar Ruddervelde om een schelleke tussen onze boterham te leggen’. De boodschap van deze karikaturale dorpssage is duidelijk: het kleine Bevergem heeft grote buur Ruddervelde niet nodig, zo toont de (lokale) geschiedenis aan.

In de jaren 1970 vreesden velen dat de fusies van Vlaanderen een zielloze grote stad zouden maken en de eigenheid van de dorpen zou verloren gaan. Veertig jaar later blijkt die vrees grotendeels onterecht. De fusies hadden in veel gevallen tot gevolg dat de eigenheid van dorpse gemeenschappen – vanuit een defensieve reflex – net werd versterkt. Het bestuderen, cultiveren en (her)ontdekken van lokale geschiedenis en tradities speelden daarin een belangrijke rol.

Hendrik Callewier is gastblogger. Hij is rijksarchivaris van Kortrijk en redactiesecretaris van de geschiedkundige vereniging De Leiegouw. In de najaarspublicatie van de vereniging wordt teruggeblikt op de gemeentefusies in Zuid-West-Vlaanderen.

In memoriam: de anonieme recensent

Gastblog door Christiaan Engberts.

Als er één schrijver is die nooit al zijn lezers een plezier zal kunnen doen, is het ongetwijfeld de kritische recensent. Natuurlijk waarderen sommige lezers zijn scherpe blik en zijn er anderen voor wie leedvermaak altijd de hoogste vorm van vermaak zal blijven. Maar de auteur wiens werk publiekelijk door de mangel wordt gehaald, zal maar met moeite de neiging kunnen onderdrukken om met de achttiende-eeuwse toneelschrijver August von Kotzebue uit te roepen: “Ach! Als men toch op iedere leugenachtige recensent een snor zou kunnen schilderen! Hoeveel snorren zouden er dan wel niet in de wereld rondlopen!”

De voordelen van anonimiteit

August von Kotzebue

Kotzebue’s boekje Fragmenten over recensenten-ongein – waaruit het bovenstaande snorrencitaat ook komt – bevat bijna 150 pagina’s aan frustratie en teleurstelling. Omdat recensenten zich er meestal goed van bewust zijn dat hun schrijven dergelijke emoties kan oproepen, bestaat er een reëel risico dat ze er soms voor kiezen om zich in hun kritiek te matigen. Meer nog dan onder toneelschrijvers als Kotzebue wordt onder wetenschappers echter vaak het idee gehuldigd dat hun métier bij uitstek gebaat is bij een strenge wederzijdse evaluatie: een te milde recensent praat recht wat krom is en doet de wetenschap daarmee een kwade dienst.

Recensenten van wetenschappelijke werken zien zich dus al snel met een dilemma geconfronteerd. Als ze te streng zijn kunnen ze iemand kwetsen. Als de gekwetste auteur ook nog eens invloed heeft in academische kringen, loopt de recensent daarnaast een nog veel groter risico. De auteur zou in staat kunnen zijn om de verdere carrière van de recensent te dwarsbomen. Tegelijkertijd eisen de vakgenoten echter dat de recensie geheel op de wetenschappelijke verdienste van het besproken werk gebaseerd is en dat deze niet gekleurd wordt door persoonlijke overwegingen. Wat is in zo’n geval wijsheid?

De anonieme praktijk

Friedrich Zarncke

De redacties van Duitse recensententijdschriften in de achttiende en negentiende eeuw hadden een antwoord op deze vraag: recensies werden bijna altijd anoniem gepubliceerd. Friedrich Zarncke, de enige redacteur van het in 1851 voor het eerst verschijnende Literarische Centralblatt, vond niet alleen dat het anonimiseren van recensies de beste manier was om vruchtbaar wetenschappelijk debat te stimuleren, hij wilde zijn blad ook niet op ordinaire wijze onder de aandacht van het lezerspubliek brengen. De vaste recensenten waren zo vermaard dat het van smakeloze zelfpromotie zou getuigen om met hun roemruchte namen te pronken.

Niet iedereen was echter tevreden met deze oplossing. Zo schreef de Duitse theoloog Heinrich Ewald een boze brief aan Zarncke zijn om zijn ongenoegen te uiten. Hij vond dat theologie zo belangrijk was voor de volksmoraal, dat het onverantwoord zou zijn om theologische werken aan anonieme recensenten over te laten. “Als de recensent zichzelf nu bekend zou maken, dan kan iedereen weten hoeveel oordeelsvermogen hij hem wil toevertrouwen,” klaagde Ewald. Hij voegde hieraan toe dat hij sowieso niet begreep waarom een wetenschapper zijn naam zou willen achterhouden. Deze klachten kregen echter geen gehoor. Het recensieblad van Zarncke bleef nog bijna een kwart eeuw grotendeels anoniem.

De omslag?

Heinrich Ewald

Vanaf 1874 kreeg het Centralblatt echter concurrentie van de Jenaer Literaturzeitung. Deze concurrent was behoorlijk succesvol en de verkoopcijfers van het Zarncke’s blad daalden. Zijn uitgever maakte zich dan ook grote zorgen en vroeg om raad bij vrienden en collega’s. Uit deze gesprekken bleek dat een van de belangrijkste redenen voor het succes van de concurrentie uit Jena gelegen was in het feit dat zij wel de namen van hun recensenten noemde. Zarncke zag een dergelijke werkwijze niet zitten, maar ging na overleg met zijn uitgever akkoord met een compromis. Vanaf 1874 zouden de recensenten die voor het Centralblatt schreven aangemoedigd worden om te ondertekenen met hun initialen of een andere herkenbare lettercombinatie.

Deze aanpak wierp vruchten af. Het Centralblatt werd nog tientallen jaren lang met succes uitgegeven. De Jenaer Literaturzeitung stopte al na vijf jaar, omdat haar hoofdredacteur plotseling met de noorderzon verdween. De uitgevers van het blad uit Jena hadden de voorkeuren van het moderne lezerspubliek echter goed ingeschat: vandaag de dag worden bijna alle recensies ondertekend.

Hedendaagse anonieme oordelen

Dit betekent niet dat er overeenstemming heerst over de bredere vraag naar de wenselijkheid van anonieme kritiek. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd het steeds gebruikelijker om wetenschappelijke artikelen voor plaatsing in een vakblad eerst door anonieme reviewers te laten beoordelen. De argumenten die voor en tegen deze anonimiteit worden aangedragen, verschillen nauwelijks van de punten die Zarncke en Ewald 150 jaar eerder maakten.

De frustratie over kritische anonieme beoordelingen is ook gebleven. Vandaag de dag delen boze en teleurgestelde auteurs hun ervaringen bij voorkeur online. Om een idee te krijgen van de reacties die hedendaagse auteurs het meest frustreren, kan je een kijkje nemen op deze website. Hij presenteert zich als “een viering van het grove, vreemde, passief agressieve, actief agressieve en simpelweg gemene commentaar” dat deel kan uitmaken van het hedendaagse geleerdenleven.

Christiaan Engberts is gastblogger. Hij schrijft aan de Universiteit Leiden een proefschrift over de praktijken van wederzijdse evaluatie onder geleerden in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw. In het najaar van 2017 was hij als visiting scholar verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750.