Archiefstukken als toiletpapier

Een archief is geen toilet. En archiefstukken zijn geen toiletpapier. Toch bevindt zich in het Nederlandse Nationaal Archief in Den Haag een omslag met de titel ‘Stukken betreffende een onderzoek van De Stuers naar aanleiding van een gerucht over het gebruik van een archiefstuk uit het rijksarchief in Noord-Brabant als toiletpapier’. Pardon? Dat archiefstukken in de negentiende eeuw regelmatig werden uitgeleend, is hier al eerder beschreven, maar dit is toch nog wel wat anders. Dit is een onwelriekende affaire uit het jaar 1888 over archiefstukken als toiletpapier en de bureaucratisering van de archivaris.

Archivaris-avonturier

Het toiletpapier heeft een lange geschiedenis die begint in het zesde-eeuwse China. De eerste vermelding van het gebruik is van de Chinese geleerde Yan Zhitui. Het was ook in China dat in de veertiende eeuw voor het eerst op fabrieksmatige wijze toiletpapier werd geproduceerd. Pas in de late negentiende eeuw werd toiletpapier in de westerse wereld een handelsartikel op grote schaal. Allerlei soorten papier zijn in gebruik geweest, maar vanaf het eerste begin heeft er consensus bestaan dat papier van grote waarde niet voor het toilet bestemd was. Of zoals Yan Zhitui het stelde: ‘Papier met daarop citaten van of commentaren op de Vijf Klassieke Werken of de namen van wijsgeren, zal ik niet voor toiletdoelen gebruiken’.

Victor de Stuers, (eventjes niet) aan het werk
Victor de Stuers, (eventjes niet) aan het werk.

Het enige gedocumenteerde (vermoedelijke) geval van het gebruik van archiefstukken als toiletpapier vond plaats in 1887. De kwestie betrof het Noord-Brabantse archief, maar het gerucht bereikte een jaar later het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar werd de zaak niet licht opgenomen. De minister en een van zijn ondergeschikten delibereerden uitvoerig over de brief die naar de archivaris zou worden gestuurd. De ambtenaar was niemand minder dan jonkheer Victor de Stuers.

De Stuers was referendaris (hoofdambtenaar) voor kunsten en wetenschappen op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij is bekend geworden als de grondlegger van de Nederlandse monumentenzorg, en niet ten onrechte. Zijn hele werkzame leven stond in het teken van het behoud en beheer van erfgoed: hij redde kunst van de ondergang, zorgde voor de restauratie van veel oude bouwwerken én voor de oprichting van nieuwe (het Rijksmuseum in Amsterdam is het bekendste voorbeeld). Ook de archieven waren erfgoed en dus kregen ook zij ruimschoots zijn aandacht.

Bijvoorbeeld in ons verhaal. Een van de conceptversies van de brief aan de archivaris, d.d. 7 mei 1888,  beschreef gedetailleerd wat er misschien was gebeurd:

Men verhaalt mij dat ten vorigen jare een register uit uw archief, uitgeleend aan een lid van de Commissie der Vicarien, in de woning van laatstgenoemde geworpen is op het heimelijk gemak en gedeeltelijk zelfs in den beerput, en dat dit gedeelte wel weder geheel of ten deele is tevoorschijn gebracht, doch natuurlijk in uiterst gehavenden toestand aan ’s Rijks archiefdepot is terugbezorgd.

Op de brief zijn aantekeningen in potlood te vinden. De minister was niet voor ingrijpen en vroeg naar de bron van dit verhaal. De Stuers wenste zijn bron voor dit verhaal te beschermen én achtte ingrijpen geboden. Volgens hem was het ‘niet ordelijk (…) dat dergelijke feiten – de ergste die in een archief voor kunnen komen – worden verzwegen.’

Archivaris en jachthond: Johan Adriaan Feith.
Archivaris en jachthond: Johan Adriaan Feith.

En had De Stuers geen gelijk? Historici waren in de negentiende eeuw immers steeds bezig archiefstukken te beschermen. In de praktijk betekende dat rondtrekken langs vochtige kelders en lekkende zolders om zoveel mogelijk archiefmateriaal te verzamelen. Een van de avonturiers was Antonius van Lommel, S.J., die bijkans alle archieven in Nederland en België bezocht, onder meer op zoek naar alles wat van enig belang was voor de geschiedenis van zijn Jezuïetenorde. Na zijn dood werd hij omschreven als een ‘jager’, zijn werkterrein als ‘de velden zijner jacht’.

In hun strijd tegen de vergankelijkheid richtten historici (meestal provinciale) archieven op waar de stukken veilig zouden zijn. Ook zij moesten eropuit om hun depots te vullen. Johan Adriaan Feith bijvoorbeeld, de Groninger archivaris, vond eens op de zolder van het stadhuis een eikenhouten kist, waarin oude papieren zouden zitten en daarop sloeg hij aan ‘als een jachthond, die wild heeft geroken’. De zestiende-eeuwse oorkonden werden in het Groninger archief opgenomen; voor de archivaris-avonturier volgde op de jacht steeds de redding. 

Archivaris-ambtenaar

De wereld ‘buiten’ was in de ogen van de archivaris niet alleen vernielzuchtig, maar ook wanordelijk. De archiefdepots moesten het tegengestelde daarvan zijn. De archivaris zorgde er tegelijkertijd voor rust én orde. Hij kreeg daardoor een dubbelrol. ‘Buiten’ was hij de avonturier die de ‘schatten’ – zoals hij de stukken liefkozend noemde – redde. ‘Binnen’ was hij de ambtenaar die zijn repetitieve taken vervulde: de stukken werden geordend, geïnventariseerd en keurig in het archief opgeborgen.

Aan het einde van de negentiende eeuw woog de rol van ambtenaar steeds zwaarder in het werk van de archivaris. De rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant A.C. Bondam hield zich bijvoorbeeld bezig met prozaïsche zaken als het salaris van de conciërge en het onderhoud van zijn depot. In een brief vroeg hij zijn Groningse collega Feith om raad, naar verwarming, waterleiding, een lift in het archief, het lawaai, de manier van schoonmaken enzovoort. En Bondam inventariseerde, zoals opgedragen in de ‘Instructie voor den Archivaris in Noord-Brabant’, de stukken in zijn archief.

In het Rijksarchief in de provincie Noord-Brabant heerste onder archivaris Bondam  discipline. De stukken waren gedisciplineerd door de orde van het archief, maar ook de medewerkers. In Bondams archief stond de zorg voor de stukken centraal en daartoe functioneerden alle medewerkers onder strenge tucht. Zo moest brand, de grootste vijand van de archivaris, worden voorkomen. De instructie voor de conciërge-boekbinder getuigde ervan. Hij moest de kachels enkel met ‘bijzondere voorzichtigheid’ aansteken en mocht nooit andere dan ‘Zweedsche lucifers’ gebruiken.

Hoe kon het bij zoveel voorzorg dan toch misgaan in Noord-Brabant? Het was immers Bondam die een brief ontving van de minister van Binnenlandse Zaken over een register dat ‘in uiterst gehavenden toestand’ in het archief was terugbezorgd. De uitleg van het gebeurde was niet meer zo expliciet als in de conceptbrief die De Stuers had voorgesteld, maar het ging hier wel degelijk om het gebruik van archiefstukken als toiletpapier.

Orde, rust en discipline. Een archief zoals het hoort.
Orde, rust en discipline. Een archief zoals het hoort.

Bondam reageerde binnen twee dagen. Volgens hem berustte de brief van de minister op een ‘misverstand’. Goed, er was wel door ‘den heer v. Lommel’ – de al genoemde jezuïet – een register teruggebracht met een gescheurd schutblad, maar na herstelwerkzaamheden was er geen schade meer. Bondam had het verhaal, zo gaf hij toe, wél ‘als een voorbeeld gesteld’ voor zijn medewerkers en het daarom misschien extra aangezet. Het was een middel om hen ‘tot waakzaamheid en opletten aan te sporen’ en een grond te geven het uitlenen van sommige stukken te weigeren. Maar uiteindelijk betrof het hier niet meer dan een urban legend die de archivaris nodig had om zijn ondergeschikten scherp te houden.

Archivaris-humorist

Bondam maakte kennis met de onwennige werkelijkheid van de archivaris die was opgenomen in het ambtelijk apparaat. Niet alleen hield hij zijn stukken en zijn personeel in de gaten, de archivaris-ambtenaar werd ook steeds zelf gevolgd in zijn doen en laten. Vooral nadat de provinciale archieven op instigatie van De Stuers waren omgevormd tot rijksarchieven in de provincie aan het einde van de jaren 1870, maakte de archivaris kennis met de bureaucratisering. Hij moest elk jaar een gestandaardiseerd jaarverslag opsturen naar ‘Den Haag’ en werd ook daarbuiten gecontroleerd.

Bondam had die controle ondervonden en voelde zich er ongemakkelijk bij. Naast zijn officiële brief aan de minister stuurde hij daarom een informeel schrijven rechtstreeks aan De Stuers. Van het verhaal klopte niets, moest de referendaris weten. De bron van De Stuers was niets meer dan een ‘wouwelaar’ of een ‘kwaadspreker’ die hem een hak wilde zetten. Bondam herhaalde ‘hoe blijkbaar onwaar dat geheele secreetverhaal van uw misschien secreeten maar weinig discreten prater is’. Het was kantoorhumor die kennelijk hoorde bij het ambtelijk apparaat. De toon varieerde echter naar gelang de plaats in de hiërarchie. In Den Haag had De Stuers op een van de eerdere versies van de brief aan Bondam een grap in dezelfde trant gemaakt. In groen potlood stond daar: ‘NB. Deze zaak behoort tot het privaat-leven’.

Bondams brief had geen effect omdat De Stuers overal ogen had. Zijn bron was de meest bevoorrechte, namelijk Antonius van Lommel. Hij had de feiten van nabij meegemaakt en aan De Stuers meegedeeld. Dichter bij de waarheid over de zaak zullen we waarschijnlijk niet komen. Het was zo

dat werkelijk het Register op het privaat ten huize van pastoor Spierings door hem ’s avonds is achter gelaten, dat dit den volgende ochtend is opgemerkt, dat toen bleek het titelblad in 4 deelen gescheurd en geheel of ten deele gebruikt te zijn ad usus domesticus posterioris curae; dat toen met een tang de stukken opgevischt, geclarifieerd en weer samen geplakt [zijn].

Meer lezen

Of er nog verdere stappen ondernomen zijn tegen Bondam, daarover vermeldt 2.04.13, omslag 2517 in het Nationaal Archief niets. Wie wil meer weten over Victor de Stuers kan terecht bij de knappe biografie van Jos Perry, Ons fatsoen als natie. Victor de Stuers 1843-1916. Het levensbericht van Antonius van Lommel staat hier. En Bondam, de arme Bondam, over hem is mij verder niets bekend, behalve dat hij nog tot 1905 archivaris in Noord-Brabant bleef.

(Pieter Huistra)

Pieter Huistra is postdoctoraal onderzoeker van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. In 2013 behaalde hij de doctorstitel op het proefschrift Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830 en 1870. Zijn onderzoek betreft de geschiedenis van de geesteswetenschappen, de sociale en biomedische wetenschappen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *