5 revolutionaire uitvindingen waar niemand in geloofde

In de negentiende en vroege twintigste eeuw oefenden wereldtentoonstellingen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Het waren feesten van vooruitgang, waar je kennis kon maken met nieuwe vormen van entertainment maar ook met de allerlaatste technologieën. Bovenal waren het manifestaties van het industriële kapitalisme. Een groeiend aantal (massa)producenten zocht internationale afzetmarkten voor hun producten en de wereldtentoonstellingen boden hen een manier om miljoenen potentiële klanten te bereiken.

De wereldtentoonstelling bracht echter niet voor alle fabrikanten het verhoopte succes. Dit is een lijst van uitvindingen die op een wereldtentoonstelling voor het eerst aan het publiek getoond werden en daar maar weinig succes kenden. Na technologische verbeteringen konden ze toch een belangrijke plaats in onze moderne samenleving veroveren.

  1. De ritssluiting (Chicago World’s Fair, 1893)

Het vroegste idee voor een ritssluiting kwam van de Amerikaan Elias Howe, die er in 1851 een patent op nam. Verdere stappen ondernam Howe echter niet, vermoedelijk omdat hij het te druk had met het op punt stellen van een andere uitvinding, de naaimachine.

Pas 44 jaar later bedacht Withcomb Judson, een mechanisch ingenieur uit Chicago, een sluiting gelijkaardig aan wat Howe had beschreven in zijn patent. Hij ontwierp een metalen treksluiting bestaande uit twee rijen, eentje met ogen en eentje met haken, die in elkaar konden grijpen. Nadat hij in 1891 een patent op zijn uitvinding had verkregen, startte hij een bedrijfje op in Hoboken, New Jersey, om de sluiting te commercialiseren. In 1893 toonde hij de meest recente versie op de Wereldtentoonstelling in Chicago. Er was helaas één fundamenteel probleem: de sluiting ging steeds vanzelf terug open. Het mag dan ook niet verbazen dat onder de 20 miljoen bezoekers aan de Chicago World’s Fair er maar één geïnteresseerde koper gevonden werd: de U.S. Postal Service  kocht 20 exemplaren om er hun postzakken mee af te sluiten.

De ritssluiting werd niettemin nog niet afgeschreven. Na jaren van studie werd in 1913 binnen het inmiddels overgenomen bedrijf van Judson, de Universal Fastener Company, alsnog een goedwerkende rits ontworpen. Het was de Zweeds-Amerikaanse ingenieur Gideon Sundback die dit voor elkaar kreeg door de haken en ogen te vervangen door tandjes en inkepingen. De timing zat goed: de ritssluiting stond net voor de Eerste Wereldoorlog op punt en vond een gretige afnemer in het Amerikaanse leger.

Het duurde nog twintig jaar om de mode-industrie te overtuigen van het nut van een ritssluiting. Er waren immers voldoende en prima alternatieven voorhanden. De producenten van ritsen en hun marketingafdelingen wisten rond het midden van de jaren 30 ten slotte toch een brede markt aan te boren, in eerste instantie door handig in te spelen op het (imaginaire) probleem van wat in het Engels ‘gaposis’ wordt genoemd, namelijk de ongewenste inkijk via de gaten tussen de knoopsluiting van strak zittende kledij. Ritssluitingen werden gepromoot als de oplossing voor dit gênante fenomeen. Een ander verkoopargument, namelijk dat de ritssluiting het uitkleden aanzienlijk versnelde, wist dan weer de meer warmbloedige consumenten te overtuigen.

  1. De zelfrijdende auto (New York World’s Fair, 1964)

Al in 1939 werd op de wereldtentoonstelling in New York gedroomd van zelfrijdende auto’s, die via radiobesturing vanuit een centrale toren veilig en vlot over de autostrade zouden geleid worden. In 1964 konden bezoekers aan het paviljoen van General Motors op de New York World’s Fair een prototype van een zelfrijdende auto bewonderen, de Firebird IV. Net als zijn eerdere naamgenoten was het ontwerp van deze auto geïnspireerd door de vormgeving van vliegtuigen en straaljagers in het bijzonder. Ondanks zijn aerodynamische uiterlijk haalde de Firebird IV geen hoge snelheden, want de auto was nog niet operationeel. Met het ontwerp wilde GM hun toekomstbeeld presenteren van een auto die zijn passagiers zelf doorheen het verkeer op de autosnelweg zou loodsen en dit tegen tweemaal de toen gangbare snelheid. De bestuurder zou zelf terug controle over het voertuig krijgen zodra hij de snelweg verliet.

Maar verder dan het prototype geraakte General Motors niet en het idee werd in de vroege jaren 1980 naar de prullenmand verwezen. Twee decennia later werd het terug opgepikt en de droom van GM is intussen bijna werkelijkheid.

  1. De faxmachine (Great Exhibition, Londen, 1851)
Image Courtesy of Old School Ads (via BizTech)

Het concept van de faxmachine  bestaat al sinds 1843, toen de Schotse uurwerkmaker Alexander Bain een patent nam op een ‘kopieertelegraaf’. Het principe behelst een elektrische machine met twee slingers, één in de verzender en één in de ontvanger, die gesynchroniseerd bewegen. Het lukte Bain echter niet meteen dit principe ook succesvol in de praktijk te brengen. De Brit Frederick Bakewell slaagde hier, dankzij zijn technologische verbeteringen aan Bains ontwerp, wel in. Hij demonstreerde zijn werkende machine op de Great Exhibition in Londen in 1851, tot grote ergernis van Bain, die gelijktijdig met een verbeterde versie kwam.

Ondanks verdere aanpassingen die toelieten om niet enkel handgeschreven berichten maar ook afbeeldingen over grote afstanden verzenden en ontvangen, bleef de grote doorbraak van de faxmachine uit. Er bleven immers teveel praktische problemen mee verbonden, zoals synchronisatie en de hoge kost voor de gebruikers. Het publiek dat op de New Yorkse wereldtentoonstelling van  1939 de eerste echt commercieel levensvatbare versie van de fax te zien kreeg, was zich er dan ook niet van bewust dat de uitvinding toen al bijna 100 jaar oud was. Grootschalig succes en zelfs een hip imago kende de fax uiteindelijk pas in de jaren 1970 en 1980, tijdens het yuppie –tijdperk.

  1. Een drijvende stad (Okinawa Ocean Expo, 1975)

Lang voor het Seasteading Institute in 2008 haar onderzoek startte naar de mogelijkheden van permanente, op zee drijvende steden, tekenden Japanse architecten al plannen voor drijvende luchthavens. Op de Expo’75 in Okinawa, een thematische wereldtentoonstelling gewijd aan oceanen en oceanografie, stelden ze bovendien hun plannen voor om delen van de oceaan te urbaniseren. De blikvanger van de tentoonstelling was Aquapolis, een drijvende stad ontworpen door de Japanse architect Kiyonori Kikutake en een prototype voor woongemeenschappen op zee.

  1. Humanoïde robots (New York World’s Fair, 1939)

Elektro, de robot die werd ontworpen en gerealiseerd door de Westinghouse Electric Corporation tussen 1937 en 1938, was zeker niet de eerste humanoïde robot. Al in 1495 bijvoorbeeld realiseerde Leonardo da Vinci een mechanische ridder die verschillende maar zeer eenvoudige handelingen kon uitvoeren zoals zitten, staan en de armen bewegen. Ook Elektro had buiten zijn amusementswaarde weinig te bieden – hij kon geen huishoudelijke taken op zich nemen of mensen anderszins assisteren. Bij zijn publieke debuut op de wereldtentoonstelling van 1939 was hij echter voor zowat alle bezoekers de eerste ontmoeting met een menselijk uitziende robot en met zijn lengte van 210cm en goudkleurige aluminium aankleding was hij een indrukwekkende verschijning. Hoewel Westinghouse honderdduizenden dollars investeerde in Elektro, beknotte de rudimentaire technologie van de dag echter letterlijk zijn bewegingsruimte. Hij kon 26 simpele handelingen uitvoeren, zoals wandelen, ballonnen opblazen en roken(!) en 700 woorden zeggen dankzij de 78-toerenplaat in zijn massieve borstkas.

Ondanks dit bescheiden repertoire werd hij de ster van de expo. Bezoekers waren diep onder de indruk van zijn spraakvermogen en van hoe hij in staat was orders te begrijpen en uit te voeren. Bij zijn verschijning op het balkon waar hij zijn kunsten aan het publiek toonde, overschouwde Elektro dan ook in de regel een massa mensen zoals enkel de grootsten der volksmenners die op de been konden brengen. Hij belichaamde het eindeloze vooruitgangsoptimisme dat de wereldtentoonstellingen zo graag wilden uitdragen.

Helaas voor Elektro was de wereld een heel andere plaats na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe tijdperk leek hij hopeloos verouderd, een restant uit eerdere, naïevere tijden. Hij werd dan ook enkel nog als onschuldig entertainment ingezet in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. Toen hij ook daar de stempel ‘oubollig’ kreeg, moest Elektro elders aan de bak. Zijn ‘carrière’ bereikte in 1960 een dieptepunt met een rol in de film Sex Kittens Go to College (1960).

Terwijl humanoïde robots vandaag de dag een belangrijke rol spelen in allerhande soorten wetenschappelijk onderzoek, wordt ook de amusementswaarde van dergelijke robots weer geapprecieerd en worden ze vanuit die optiek meer en meer ingezet in de zorgsector. Een comeback van Elektro is dus nog niet uitgesloten.

Tekst: Nelleke Teughels. Titelafbeelding: Hall of Inventions, New York World’s Fair, 1940.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *