Maandelijks archief: mei 2019

De man die een leugenmachine wilde

Op 29 december 1937 berichtte de Volksgazet dat op Times Square in New York in een klein kantoortje een politieagent zat die als taak had bezoekers alle mogelijke inlichtingen te geven. Onlangs, zo schreef de krant, kwam een klein mannetje met een bezorgd gezicht op die agent af en vroeg waar hij een ‘lie detector’ kon krijgen. Toen de politieman hem vroeg wat hij met die machine wilde uitspoken, vertrouwde het mannetje hem toe dat hij ‘een ontzettend jaloersche vrouw’ had, die meende dat hij een verhouding had met een ‘ultra-blonde vamp van Broadway’. Aangezien zijn onschuldbetuigingen ter zake niet mochten baten, wilde hij graag een leugendetector mee naar huis nemen om te bewijzen dat hij niets dan de waarheid sprak. ‘De agent zette een vreeselijk ernstig gezicht, bladerde in zijn boekje en vond ten slotte ook de firma, die dergelijke apparaten vervaardigt. Waarop het mannetje stralend van geluk er van door ging.’

Galvanometer, automatograaf, pneumograaf, sphygmograaf

In 1937 was de leugendetector nog een vrij jonge uitvinding. De eerste echte leugendetectors werden in de Verenigde Staten in gebruik genomen in de jaren 1920. Ze gebruikten wetenschappelijke instrumenten en technieken die in de late negentiende eeuw ontwikkeld waren. Toen gingen veel psychologen, psychiaters en criminologen er vanuit dat criminelen biologisch verschilden van ‘normale’ mensen. Ze ontwikkelden allerlei tests en toestellen die hen in staat moesten stellen om misdadigers te onderscheiden van onschuldigen. In Zwitserland combineerde Carl Jung bijvoorbeeld woordassociatietests met een ‘galvanometer’ die de elektrische activiteit van de huid en de hartslag mat om de ‘emotionele complexen’ bij criminelen vast te stellen. In de Verenigde Staten combineerde Hugo Münsterberg de galvanometer, automatograaf (bewegingen), pneumograaf (ademhaling) en sphygmograaf (polsslag) tot een machine die pathologische leugenaars kon ontmaskeren. Dat  kon ook voor de politie en de rechtbanken bijzonder nuttig zijn.

John Larson en August Vollmer testen hun leugendetector op een studente in 1922. Bron: Ken Alder.

In de jaren 1920 zorgden twee ontwikkelingen in de VS ervoor dat voor het eerst getracht werd een echte ‘leugendetector’ te bouwen. Ten eerste raakten zowel wetenschappers als politieagenten er steeds meer van overtuigd dat de criminele mens niet biologisch verschilde van de ‘gewone’ mens. Een aantal onder hen, zoals William Marston en John Larson, vatte daarom het plan op om de bestaande instrumenten niet langer te gebruiken om naar pathologische criminelen op zoek te gaan, maar wel om ‘normale’ mensen op leugens te betrappen. Ten tweede ondernamen politiehervormers rond dezelfde tijd verwoede pogingen om de kwalijke reputatie van de Amerikaanse politie te verbeteren. Ze wilden af van de zogenaamde ‘third degree’, de gewelddadige ondervragingstechnieken waar bepaalde politiekorpsen om bekend stonden. De leugendetector was een godsgeschenk: het wetenschappelijke toestel zou politieagenten in staat stellen om zonder enig geweld effectiever te verhoren dan ooit tevoren.

Eindelijk bewezen: the best a man can get

Ook Gilette maakte in 1937 gebruik van de reputatie van de leugendetector om de superieure kwaliteit van zijn mesjes in de verf te zetten. Bron: Antipolygraph.

Verschillende types leugendetectors kwamen al snel op de markt. Meestal waren het ‘polygrafen’ die verschillende instrumenten combineerden, bijvoorbeeld een galvanometer, een pneumograaf en een bloeddrukmeter. De ontwikkelaars, die vaak op de grens van de academische wereld, de politiepraktijk en het publieke debat actief waren, bejubelden de betrouwbaarheid van hun machines: tot wel 99% zekerheid of iemand loog of niet! De leugendetector werd vanaf de jaren 30 en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontzettend populair in de VS, bij de politie en daarbuiten – in de bedrijfswereld, in huwelijkstherapie, in reclames die moesten bewijzen dat Gillette echt wel de beste scheermesjes verkocht.

Buiten de VS werd het toestel echter slechts lauw onthaald. Het sprak – zoals het artikel in de Volkskrant toont – tot de verbeelding, maar werd niet als voldoende betrouwbaar beschouwd. De studies die ‘99%’ zekerheid beloofden, misten wetenschappelijke onderbouwing. Bovendien vonden velen het maar een verdacht toestel. Al in 1930 noemde de Gazet van Antwerpen het ‘een gevaarlijke proefneming’. Een leugen af en toe was noodzakelijk om goed te kunnen samenleven. Dat leken die puriteinse Amerikanen over het hoofd te zien.

Wetenschappelijk aura

In de nasleep van de zaak-Dutroux kwam in België echter verandering in die houding. De leugendetector had sinds de jaren 1920 nauwelijks technologische wijzigingen ondergaan. Toch moest het toestel met zijn wetenschappelijke aura in België net als in de VS tachtig jaar eerder het imago van politie en rechtbank opkrikken. Vanaf 1998 werd een polygraaf gebruikt in het beruchte onderzoek naar de Bende van Nijvel, vanaf 2000 werd het ook in andere zaken ingezet. Betrouwbaarder was het toestel tegen die tijd niet geworden – schattingen variëren tussen 60 en 90% correcte resultaten. Maar dat deed er niet zo toe. De kracht van de leugendetector ligt immers niet in zijn effectiviteit, maar in zijn reputatie. Al in 1946 wees Het Nieuws van de Dag erop dat ‘alleen de gedachte aan het feit dat zij met den leugenontdekker zullen behandeld worden, volstaat om sommige schuldige personen te doen bezwijken.’ De leugenmachine moet bekentenissen uitlokken, veeleer dan leugens detecteren.

Meer lezen.

Ken Alder, The Lie Detectors: The History of an American Obsession, New York: The Free Press, 2007.

Geoffrey C. Bunn, The Truth Machine: A Social History of the Lie Detector, Baltimore: Johns Hopkins University Press, 2012.

Elwin Hofman is research fellow van de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Als fellow van de Belgian American Educational Foundation doet hij momenteel aan New York University onderzoek naar psychologische ondervragingstechnieken in de achttiende en negentiende eeuw.

Titelafbeelding: De polygraaf in werking, jaren 1970. (Bewerking van afbeelding FBI. Publiek domein).

Wat je altijd al hebt willen weten over overspelige katholieke dokters

Net zoals nu werd ook in het verleden overspel zelden op applaus onthaald, maar bepaalde lagen van de bevolking kregen het daarbij toch harder te verduren dan andere. In de eerste helft van de twintigste eeuw waren dokters vaandeldragers van de toenmalige burgerlijke normen en waarden. Zeker in de kolonie werden zij geacht hun patiënten niet alleen medisch te verzorgen, maar hen daarbij als het even kon ook op “moreel vlak te verheffen”. Een rimpelloos huwelijksleven hoorde hier uiteraard bij. Voor katholieke dokters, die veelal op een missiepost werkten, gold dit nog veel meer. Missionarissen verspreidden actief het geloof, maar ook deze artsen moesten in hun praktijk en levenswandel de inheemse bevolking overtuigen van de zegeningen van het katholicisme.

Een getrouwde missiedokter.

Strenge morele en religieuze eisen werden gesteld aan de artsen die op een missiepost in Congo werkten. Priesters en leraars uit hun omgeving werden gecontacteerd om te controleren dat de kandidaten niet gelogen hadden over hun overtuigingen en excellentie. Gretig werd zo een ideaalbeeld van de katholieke missiedokter gecultiveerd en verspreid in missionair propagandamateriaal zoals tijdschriften. Dit gold bijvoorbeeld voor een zekere dokter Callens, die in het begin van de jaren 30 een vijftal jaar actief was in de Belgische kolonie. Zijn oversten waren uitermate enthousiast over het werk van de arts en zijn vrouw in de kind- en zuigelingenzorg, hét medische domein bij uitstek om een katholiek familie-ideaal uit te dragen. Bij zijn terugkomst in het moederland in 1934 verkondigde de dokter zelf in een missietijdschrift dat “door katholiek te zijn, men automatisch door aanwezig te zijn de woorden en het onderricht van de missionarissen accentueert”.

Jammer genoeg voor de kerkelijke autoriteiten bleken schijnbaar brave katholieke zieltjes toch niet helemaal onvatbaar voor bepaalde verleidingen. Maar dokter Callens maakte het al snel na zijn terugkomst in België wel héél bont. Na enkele weken in zijn thuisland was de man alweer richting Biarritz vertrokken in het amoureuze gezelschap van nota bene zijn schoonzus, met het familiespaarpotje in zijn binnenzak. Dat mevrouw Callens ondertussen ernstig ziek was, pleitte ook niet bepaald in het voordeel van de voorheen nochtans voorbeeldige huisvader. “Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”, schreef Willem Elsschot ooit, maar daar dacht deze dokter toch duidelijk anders over. Het eindoordeel van zijn katholieke collega’s luidde dan ook onverholen dat de man “veranderd is in een schurk”. Hoewel dokter Callens eerder de uitzondering dan de regel was, bleek uit zijn levenswandel dat ook voor katholieke dokters de kloof tussen ideaal en werkelijkheid soms groot kon zijn.

Maarten Langhendries is als doctoraatsstudent verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750. Hij doet onderzoek naar reproductieve gezondheid en katholieke geneeskunde in België en Belgisch Congo in de periode 1960-1965.

Zes absolute must haves voor verveelde ‘landverraders’

Gastblog door Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts.

Verveling is een even banaal als herkenbaar spook. Of het je nu overkomt tijdens een dag met te veel regen en te weinig wifi, dan wel een door generatiekloven geteisterd communiefeest, iedereen is wel eens bang om in een plant te veranderen. Dat nagenoeg universele karakter van het lamlendige nietsdoen maakt het ook tot een boeiende, vaak onderschatte kracht in de geschiedenis. Neem nu bijvoorbeeld eind 1944, toen in België tussen de 55.000 en 70.000 verdachten van collaboratie werden opgesloten in gevangenissen en tijdelijke interneringscentra, zoals de gevangenis van Sint Gillis, het Klein Kasteeltje te Brussel en de interneringscentra van Lokeren en Sint-Kruis. In latere publicaties van collaborerende auteurs zoals Filip De Pillecyn werd de algemene stemming onder de geïnterneerden steevast voorgesteld als politieke rancune en verbittering aan het adres van een vijandelijke Belgische staat. Maar wat met dat veel alledaagser kwaad, genaamd verveling? “Gevangen zitten is de vervelendste stiel die er bestaat”, schreef een geïnterneerde aan zijn moeder.

Tekenen en portretschilderen was een populaire bezigheid in de interneringscentra, zoals mag blijken uit dit portret van een Nicolas Cage-lookalike. [ADVN, AC 422].

We mogen natuurlijk niet vergeten dat de meeste geïnterneerden zich niet zonder reden in hechtenis bevonden. Het gaat hier immers over zogeheten ‘landverraders’, verdachten van economische, politieke of culturele medewerking met de bezetter, die eerst moesten worden heropgevoed voor ze weer toegang kregen tot het maatschappelijke leven. Maar dat oeverloze verveling en monotonie niet bepaald de ideale voedingsbodem vormen voor een dergelijke herintegratie, besefte ook de overheid. Na verloop van tijd groeide de mogelijkheid om de uren binnen de kampuren te wijden aan iets nuttigs of iets leuks.

Hier volgt daarom een kleine handleiding voor de geïnterneerde, bestaande uit zes absolute must haves om de dagelijkse sleur van het kampleven door te komen: van sigaretten tot een patente advocaat.

  1. Sigaretten

In de eerste maanden zochten de geïnterneerden verstrooiing in de weinige activiteiten die op dat moment tot de mogelijkheden behoorden: kaarten, schaken, lezen en – last but not least – roken. Alles hielp in de strijd tegen de verveling, ook wanneer de longen erdoor werden aangetast en de kampleiding het ten strengste had verboden. Of zoals iemand later over zijn dagen in een interneringscentrum noteerde: “Gepakt worden bij het roken was een zware overtreding. Hiertegen zondigde iedereen de gehele dag. In ‘t begin was het een kat- en muisspel”.

  1. Werkgerief

Geleidelijk aan werden de geïnterneerden beter uitgerust in hun pogingen om het spook van de verveling te lijf te gaan. Uiteenlopende attributen kwamen tot hun beschikking te staan: penselen en tekenpotloden, maar ook timmergerief, gietvormen en zelfs soldeerbouten. Dankzij de oprichting van de Dienst voor Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij in november 1946 kon het culturele leven binnen de interneringscentra zich ten volle ontvouwen. Artistieke expressie en technische bedrijvigheid stimuleerden volgens het nieuwe interneringsbeleid immers de wederopvoeding van de geïnterneerden. Resultaat? Een outburst van soms verrassend vernuftige objecten, zoals een intrigerende lamp in de vorm van een waterpomp.

Een lamp vervaardigd in Merksplas rond 1950. Het opvallende aan de lamp is het waterpompmotief, waarbij de pomp fungeerde als de aan- en uitschakelaar. [ADVN, VVO 1109].
  1. Balvaardigheid

Clichés in de beeldvorming van collaboratie en repressie werden door het dagelijkse kampleven meestal tegengesproken. Maar andere stereotypen zagen zich er dan weer bevestigd: sluit honderden mannen op in een interneringscentrum en stel na verloop van tijd vast dat de zin van hun leven een vurig beleden sportcompetitie is geworden. Met de oprichting van de Welfare, de organisatie voor culturele bedrijvigheid in de interneringscentra, riepen de geïnterneerden zelf allerlei activiteiten in het leven om het vegeteren tegen te gaan: toneel, cabaret, zang en – niet het minst – sport. Dat de handbal- en volleybalcompetities op heel wat belangstelling konden rekenen, blijkt onder meer uit enkele bijzonder geestdriftige wedstrijdverslagen, zoals van deze handbalwedstrijd in het IC Merksplas: “Stan was flegmatisch zoals altijd, Nand stoer als een pantserwagen, den Djé bijtend als ‘n “peperbolleke”, […] zo zien we onze Pandoeren graag en we zijn zeker dat we met dit machtige zevental een kans hebben om de competitie te winnen.”

  1. Radiostem

Ook in de gevangenis van Sint-Gillis vond het nieuwe interneringsbeleid, gericht op herintegratie na de vrijlating, weerklank. Vanaf de lente van 1947 resoneerde tussen 11.00 en 21.00 uur zelfs een hoogst onverwacht geluid binnen de gevangenismuren: Radio Sint-Gillis, een initiatief van de gedetineerden zelf, wilde het monotone gevangenisleven opluisteren met muziek, sportkronieken, taal en literatuur, luisterspelen, educatieve en medische praatjes. De directie steunde het initiatief, al diende een van de gevangenen er wel over te waken dat de presentatoren zich niet voorbij de grenzen van het politiek wenselijke praatten.

B. Peleman vormde samen met O. Daem en F. De Pillecyn de kernredactie van Radio Sint-Gillis. Tekening van J. Vermeire, 1948. [ADVN, VB2696].
  1. Advocaat

405 493. Dat is het aantal gerechtelijke dossiers dat in de periode tussen 1944 en 1950 door de Belgische staat werd geopend tegen vormen van collaboratie met de Duitse bezetter. Het leven van de verdachten draaide volledig rond deze dossiers en een afspraak met de advocaat prijkte steeds bovenaan de agenda. Gedurende de interneringstijd wandelden dan ook geregeld dienaars van Vrouwe Justitia door de poorten van de gevangenis. Het valt allicht niet meer te achterhalen, maar het recordaantal van deze bewogen bezoekjes zou wel eens op naam kunnen staan van advocaat Frans Van der Elst. Zijn cliënten waren dan ook niet van de minste. Hendrik Elias bijvoorbeeld: voormalig leider van het VNV, een Vlaams-nationalistische politieke partij die een van de hoofdrolspelers was in de collaboratie.

  1. Good will

‘Al doende leert men’. Uiteindelijk vormen vooral arbeid en onderwijs de sleutel tot een succesvolle herintegratie in de maatschappij. Het was toch vanuit die optiek dat de Dienst Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij de geïnterneerden vanaf 1947 een goed gestoffeerd pakket cursussen en opleidingen aanbood, waaronder talen, handelswetenschappen, elektriciteit en automechanica. Menige gevangene zag zo’n nieuwe stiel wel zitten: niet alleen was er het vooruitzicht van werkzekerheid, het was ook de geknipte gelegenheid voor wie aan de staat wilde tonen dat hij bereid was om bij te dragen aan de maatschappij. Bij heel wat geïnterneerden ontstond de hoop om – met een vervroegde vrijlating – weer als een goede burger deel uit te maken van de samenleving. Ze ondergingen de intrigerende transformatie van ‘landverraders’ tot ‘vaderlanders’.

De interneringscentra en het overgeleverde erfgoed roepen dan ook vragen op die vandaag, gezien de recente debatten over de teruggekeerde IS-strijders, nog niet aan relevantie hebben ingeboet: wat is een effectief interneringsbeleid? Welke activiteiten bevorderen de wederopvoeding van de gevangenen? En zijn er manieren om de ongewenste idealen te verdrijven die door een mensenhoofd spoken?

Benieuwd naar sportverslagen, schilderijtjes, knutselwerken en ander erfgoed uit de interneringscentra?

De expo ‘Gemaakt achter prikkeldraad’ is te bezoeken van mei tot eind september in het ADVN | archief voor nationale bewegingen.

De lezing ‘Een lamp in een kamp? Nieuw licht op de interneringsperiode na WOII’ vindt plaats op 16 mei, om 19.30 uur in het ADVN. Inschrijven kan via publiekswerking@advn.be

Meer lezen.

Grevers, H., Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België: 1944-1950, Amsterdam, 2013.

ADVN-Mededelingen, 63, maart, 2019. [themanummer rond erfgoed uit interneringscentra][http://www.advn.eu/web/mededelingen/ADVN-Mededelingen-63.pdf]

Aragorn Fuhrmann en Kasper Swerts zijn gastbloggers. Aragorn behaalde een master in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen en werkt als onderzoeker aan het ADVN | archief voor nationale bewegingen. Hij publiceerde eerder al over de kritische verwerking van oorlog, collaboratie en repressie in de fictie van Hugo Claus. Kasper behaalde een doctoraat aan de University of Edinburgh, is verbonden aan het ADVN als onderzoeker, en verricht comparatief onderzoek naar nationalisme, nationale bewegingen, en historiografie.